<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR176214_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Montferland Journaal, 15 mei 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8 lid 1 onderdeel c en art. 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 5, lid 1; art. 3, lid1 sub c toevoegen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Toeslagenverordening WWB 2010 per 1 juli 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>20-2-2012</al><al/><al>De raad van de gemeente Montferland,</al><al/><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, met overneming van de
                        daarin vermelde motieven;</al><al/><al>Gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>Vast te stellen:</al><al>de “Toeslagenverordening WWB 2012”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Montferland;</al></li><li nr="c."><al>De raad: de gemeenteraad van Montferland;</al></li><li nr="d."><al>De gezinsnorm: de norm voor en gezin waarvan alle
                                        meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn zoals
                                        bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB;</al></li><li nr="e."><al>Woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                        zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="f."><al>Woonkosten:</al><lijst><li nr="i."><al>Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                                geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1
                                                onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="ii."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                                bedrag per maand omgerekende som ten behoeve van de
                                                financiering van de woning verschuldigde
                                                hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                                een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                                onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Doelgroep</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van een gezin
                            gelden de bepalingen van deze verordening uitsluitend indien alle
                            gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en tenminste twee gezinsleden 21
                            jaar of ouder.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande of de
                                        alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande of de
                                        alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                        hoofdverblijf hebben;</al><al>c. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de
                                        wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande
                                        en alleenstaande ouder die als medebewoner woonlasten heeft
                                        van ten minste 18% van de gehuwden norm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of
                                een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>0 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>15 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien betrokkene schoolverlater is, zoals in artikel 6 van deze
                                verordening, dan vervalt lid 3 en 4 van dit artikel gedurende de
                                periode waarin de schoolverlatersverlaging als bedoeld in artikel 6
                                van deze verordening van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging norm gezin</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gezinsnorm voor het gezin dat met één of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                bestaan niet worden gedeeld met een inwonend kind dat aanspraak
                                maakt op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de
                                onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><al>1. 20% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn. Indien belanghebbende
                            inwonend is bij (pleeg)ouders vervalt de verlaging zoals genoemd in dit
                            lid;</al><al>2. 10 procent van de gezinsnorm indien geen woning wordt bewoond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>1.De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 WWB
                            bedraagt 20 procent van de gezinsnorm gedurende 6 maanden, gerekend
                            vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op
                            studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                            schoolkosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gezinsnorm voor een gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Toeslagenverordening WWB 2010 wordt ingetrokken per 1 juli
                                2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Toeslagenverordening WWB
                            2012”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Montferland op 26
                        april 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, D.Berends </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, C.C. Leppink-Schuitema</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>1. Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>De normen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24
                    WWB.</al><al>Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25
                    tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm
                    te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen
                    hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al><al><onderstreept>Norm</onderstreept></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 20+21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gezinsnorm: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gezinsnorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm</al></li></lijst><al><onderstreept>Toeslagen</onderstreept></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de
                    gezinsnorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gezinsnorm</al></li><li nr="-"><al>alleenstaanden: 70% van de gezinsnorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gezinsnorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.)</al><al><onderstreept>Verlagingen</onderstreept></al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij een gezin
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB),
                            schoolverlaters (artikel 28 WWB) en leeftijd (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al><vet>2. De Toeslagenverordening</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college voorgestane beleid
                    ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de
                    Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan
                    uitvoeren.</al><al><onderstreept>Categorieën</onderstreept></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering. In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen,
                    invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. Het is niet
                    nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties uitputtend te
                    regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college immers
                    de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB
                    bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>De bijstandsnorm wordt als volgt berekend: </al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><al>3.Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen voor
                    een gezin)</al><al>De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde afstemming
                    van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al><cursief>De woning</cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                        moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat
                        voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op
                        de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaald dat onder ‘woning’
                        wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3
                        lid 6 WWB.</al><al><cursief>Woonkosten</cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van
                        de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                        opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming
                        van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest
                        worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                        rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Bij “het in eigendom
                        hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan worden gedacht aan het
                        rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de
                        opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de
                        erfpachtcanon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is
                        ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van
                        18 tot 21 jaar. In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze
                        verordening uitsluitend toe te passen indien alle gezinsleden jonger dan 65
                        jaar zijn en ten minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn. Hier is
                        aansluiting gezocht bij de gezinsnormen zoals neergelegd in artikel 21 WWB.
                        Ten aanzien van een gezin waarvan ten minste twee gezinsleden 21 jaar of
                        ouder doch jonger dan 65 jaar zijn, geldt immers de gezinsnorm zoals
                        neergelegd in artikel 21 lid 1 WWB. Voor gezinnen die bestaan uit twee
                        meerderjarige personen waarvan één of beide 18, 19 of 20 jaar zijn en
                        gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige personen, waarvan twee personen
                        18, 19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen zoals opgenomen in artikel 21
                        lid 2 WWB. Ten aanzien van deze gezinnen is deze verordening niet van
                        toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag voor zover de
                        belanghebbende hogere algemene noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan
                        waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                        van de kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens
                        het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen
                        dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de alleenstaande
                        of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                        (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                        gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                        verordening. Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                        verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                        worden. Zolang geen sprake is van een gezinslid of van een gezamenlijke
                        huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen
                        worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de
                        gezinsnorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                        thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan
                        is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten
                        hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>Uit het systeem van de WWB volgt dat een alleenstaande ouder in theorie
                        kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18 en 27 jaar dat
                        per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat meer bedraagt dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 WWB (€ 604,15,) en minder dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 WWB (€ 1023,42). Het kind behoort
                        dan immers op grond van artikel 4 lid 2 WWB niet tot het gezin. Het is dus
                        ‘een ander’ (als bedoeld in artikel 25 WWB) waarmee kosten gedeeld kunnen
                        worden.</al><al>Een studerend kind dat meer verdient dan € 1023,42, is een niet rechthebbend
                        gezinslid. In theorie kunnen weliswaar kosten gedeeld worden met dit
                        niet-rechthebbende gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook reeds meegenomen
                        bij het bepalen van het recht op bijstand van de overige gezinsleden (voor
                        zover dit hoger is dan € 1023,42). Het ligt niet voor de hand daarbovenop
                        nog een verlaging toe te passen wegens kostendeling. In deze verordening is
                        er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen kosten kunnen worden
                        gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit betekent dat de gemeenteraad
                        geen gebruik maakt van de theoretische mogelijkheid een lagere toeslag te
                        verstrekken aan een alleenstaande ouder met een inwonend studerend kind van
                        18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen tussen € 604,15 en €
                        1023,42. Een alleenstaande met een inwonend studerend kind komt daarmee in
                        aanmerking voor een toeslag van 20 procent van de gezinsnorm. Met deze keuze
                        wordt een inconsequent systeem voorkomen, met name wanneer het inwonend
                        studerend kind weinig meer verdient dan € 1023,42. In dat geval zou immers
                        ook geen verlaging worden toegepast omdat hij een niet-rechthebbend
                        gezinslid is. Ten aanzien van een zorgbehoevende die niet tot het gezin
                        behoort zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 WWB en waarmee ook kosten kunnen
                        worden gedeeld, is in deze verordening geen uitzondering geformuleerd. Reden
                        hiervoor is dat het kosten delen met deze personen niet leidt tot een
                        inconsequent systeem.</al><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid is de toeslag
                        geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde lid is de toeslag
                        vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Indien betrokkene schoolverlater is, dan vervalt lid 3 en 4 van dit artikel
                        gedurende de periode waarin de schoolverlaterskorting wordt toegepast, dan
                        wel zolang hij als schoolverlater wordt aangemerkt. Zie de toelichting van
                        artikel 6.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gezinsnorm verlagen indien
                        belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        ge-zinsnorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                        opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook
                        naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) of gezin, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                        woning.</al><al><cursief>Geen woonkosten</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat de norm of
                        toeslag wordt verlaagd met 20 procent van de gezinsnorm indien een woning
                        wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In
                        artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden
                        verstaan:</al><al>a) indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                        zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al><al>b) indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                        maandomgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                        verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van
                        de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te
                        stellen bedrag voor onderhoud.</al><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten zijn,
                        maar anderszins wel sprake is van woonlasten. Ook in dat geval bedraagt de
                        verlaging 20 procent van de gezinsnorm. Van lagere bestaanskosten als gevolg
                        van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bij het niet aanhouden van een woning (in dat geval is artikel 5 lid
                                1 onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al></li><li nr="-"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="-"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten betaalt van de woning.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                        aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003,</al><al>28 870, nr. 3, p. 54-55).</al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch
                        in het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de
                        situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de
                        bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><al><cursief>Geen woning wordt bewoond</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel b van deze verordening is bepaald dat de verlaging 10
                        procent van de gezinsnorm bedraagt indien geen woning wordt bewoond. Deze
                        bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te
                        verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebben-den die
                        een woning bewonen.</al><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden,
                        staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak-
                        en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging van slechts 10
                        procent van de gezinsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die
                        recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding,de
                        norm of de toeslag gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging
                        lager vaststellen. Het moet dan wel gaan om onderwijs of een
                        Beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond
                        van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                        onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. In artikel 6 lid 1 van
                        deze verordening is bepaald dat de verlaging voor schoolverlaters 20 procent
                        van de gezinsnorm bedraagt gedurende 6 maanden, gerekend vanaf het tijdstip
                        van de beëindiging van de aanspraak op de studiefinanciering of
                        tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten. Deze verlaging
                        kan echter niet worden toegepast ten aanzien van een belanghebbende op wie
                        artikel 3 lid 3 of 4 van deze verordening van toepassing is. Dit volgt uit
                        artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB waarin is bepaald dat jegens een
                        belanghebbende niet tegelijkertijd een schoolverlatersverlaging en een
                        verlaging voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar mag worden toegepast. Bij
                        toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van belang.
                        Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat
                        voor het onderwijs of de beroepsopleiding recht bestond op
                        studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF
                        2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4
                        van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Van
                        belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                        studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in
                        theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die
                        blijkt uit de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang dat de
                        belanghebbende zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000 of
                        de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor is inschrijving
                        als student vereist. Een voormalig extraneus is dus geen schoolverlater in
                        de zin artikel 28 WWB. Indien het inkomen van belanghebbende voorafgaande
                        aan de bijstand hoger is dan de bijstandsnorm omdat belanghebbende naast
                        zijn studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid of stagevergoeding
                        ontving (en de belanghebbende er bij bijstandsverlening dus op achteruit
                        gaat in plaats van - zoals bij een overgang van alléén WSF 2000 naar
                        bijstand - op vooruit), maakt niet dat de schoolverlatersverlaging in zo'n
                        geval niet kan worden toegepast. De invloed van inkomsten naast de
                        studiefinanciering van de belanghebbende spelen in het kader van de
                        schoolverlatersverlaging geen rol.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                        omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.
                        Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                        college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                        moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                        uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van
                        het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                        vaststellen. Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een
                        absoluut minimumbedrag vast te leggen waarop het college de bijstandsnorm
                        (norm inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                        vaststellen. Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen
                        dat bij samenloop ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit
                        artikel genoemde percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging
                        daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.
                        Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig
                        mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel
                        6 lid 2 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening bij het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>In dit artikel staat de datum van de inwerkingtreding vermeld. Voor degenen
                        waarvan de uitkering is ingegaan voor 1 januari 2012 is het overgangsrecht
                        van toepassing. Zij vallen van rechtswege per 1 juli 2012 onder deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Montferland op 26
                        april 2012.</al><al>De griffier, D.Berends </al><al>De voorzitter, C.C. Leppink-Schuitema</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>