<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR175166_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagen en verlagingenverordening WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waalkanter, 16-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagen en verlagingenverordening WWB 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 onder c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/03-17</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagen en verlagingenverordening WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gezinsnorm: de norm als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de
                                        wet;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die, indien hij niet samen met
                                        een andere persoon de woning zou bewonen zou zijn aangewezen
                                        op beroepsmatige hulp;</al></li><li nr="d."><al>woonkosten: de kosten van huur of de rentekosten van de
                                        hypotheek van de door belanghebbende bewoonde woning;</al></li><li nr="e."><al>woonlasten: de kosten van elektra, gas en water verschuldigd
                                        voor het gebruik hiervan door belanghebbende en eventuele
                                        gezinsleden.</al></li><li nr="f."><al>het college van burgemeester en wethouders: burgemeester en
                                        wethouders van West Maas en Waal;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van een gezin gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en tenminste twee
                                gezinsleden 21 jaar of ouder zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel 18
                                lid 1 van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
                                wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in
                                wiens woning één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft of
                                hebben;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>een inwonend, meerderjarig en studerend kind;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd in de zin van artikel 4 lid 5 WWB;</al></li><li nr="c."><al>verzorgers van de verzorgingsbehoevende belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gezinsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gezinsnorm voor gehuwden of een gezin die een woning
                                delen met één of meer anderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonlasten zijn verbonden;</al></li><li nr="c."><al>10 procent van de gezinsnorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 28 procent
                            van de gezinsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaande van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gezinsnorm indien het een belanghebbende
                                        van 21 jaar betreft;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er sprake is van een combinatie van verlagingen, wordt de
                                verlaging voor de alleenstaande en alleenstaande ouder vastgesteld
                                op de hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een combinatie van verlagingen, wordt de
                                verlaging voor het gezin vastgesteld op 20% van de gezinsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Toeslagen en verlagingen
                            verordening WWB 2012”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>De Toeslagen en verlagingen verordening WWB gemeente West Maas
                                    en Waal 2010 wordt ingetrokken per de datum van inwerkingtreding
                                    van de verordening als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>1. Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit
                            systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor
                            de financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is
                            toegekend als norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot
                            en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en
                            verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college van
                            burgemeester en wethouders is verplicht om in voorkomende gevallen de
                            norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging
                            toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al><al><cursief>Norm</cursief></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal
                            basisnormen (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gezin: 100% van het wettelijk minimumloon (= de
                                    gezinsnorm);</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm;</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm.</al></li></lijst><al><cursief>Toeslagen</cursief></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet
                            geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten
                            wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of
                            meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen
                            zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.
                            De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gezinsnorm, zodat de
                            uitkering maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gezinsnorm;</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande: 70% van de gezinsnorm.</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van
                            20% van de gezinsnorm, mits dit aansluit bij het niveau van de
                            noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van deze
                            verordening. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de
                            toeslag geen rol spelen. Het college van burgemeester en wethouders is
                            overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag rekening te
                            houden met lagere bestaanskosten. Het college van burgemeester en
                            wethouders heeft de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken
                            (zie TK 2002-20063, 28870, nr. 3, p. 52 en 53).</al><al><cursief>Verlagingen</cursief></al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                                    met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                                    bij een gezin (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een
                                    studie (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                    alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 7 van deze
                            verordening.</al><al><vet>2. De Toeslagen- en verlagingenverordening</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de
                            gemeenteraad (het Algemeen Bestuur) bij verordening dient vast te
                            stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd
                            wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of
                            verlaging wordt bepaald. Het door het college van burgemeester en
                            wethouders voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus
                            worden vastgelegd in de Toeslagen- en verlagingenverordening vastgesteld
                            door het Algemeen Bestuur, opdat het college van burgemeester en
                            wethouders het beleid kan uitvoeren.</al><al><cursief>Categorieën</cursief></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagen- en verlagingenverordening een
                            categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is
                            steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren
                            criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering.</al><al>In deze Toeslagen en verlagingenverordening wordt, naast de toeslagen,
                            invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. Het is
                            niet nodig om in deze verordening alle mogelijke situaties uitputtend te
                            regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college
                            van burgemeester en wethouders immers de bevoegdheid c.q. de plicht om
                            de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van
                            individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                            belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de
                            WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op
                            belanghebbende van 18, 19 en 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie
                            waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                            slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in
                            overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het
                            college van burgemeester en wethouders eveneens op grond van artikel 18
                            lid 1 WWB de bijstand aanpast (zie ook artikelsgewijze toelichting bij
                            artikel 2 van deze verordening).</al><al><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In de WWB is – in tegenstelling tot in de Abw – niet voorgeschreven, dat
                            in gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden,
                            de verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden
                            van het vervallen van het voorschrift is gelegen in de
                            financieringsstructuur van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm
                            of de toeslag verlaagd wordt. Voor de toepassing van de
                            leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de wettekst
                            noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de wetgever
                            heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven, blijft
                            het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                            volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie
                            verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een ander verlaging
                            is niet mogelijk in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot
                            verschillende uitkomsten.</al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene
                            bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden
                            berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2.a."><al>optellen toeslag (alleen bij alleenstaande en alleenstaande
                                    ouders)</al><al> of</al></li><li nr="2b."><al>korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                                    (alleen bij een gezin);</al></li><li nr="3."><al>korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4."><al>korten met verlaging schoolverlater.</al></li></lijst><al>De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde
                            afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering
                            onverlet.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB niet
                            afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval
                            van wijziging van betreffende definities in de WWB ook de Verordening
                            moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gezinsnorm is gekozen, omdat de hoogte
                            van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB.
                            Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het nette minimumloon.</al><al>In aanvulling op de begripsomschrijving in de WWB wordt in deze
                            verordening onder verzorgingsbehoevende verstaan degene die, indien hij
                            niet samen met een andere persoon de woning zou bewonen zou zijn
                            aangewezen op beroepsmatige hulp. Dit kan dan bijvoorbeeld zijn dat de
                            verzorgingsbehoevende bij niet inwoning opgenomen zou moeten worden in
                            een verzorgingshuis of andere inrichting ter verpleging of verzorging
                            maar ook intensieve beroeps- matige hulp thuis. Indicatiestelling op
                            grond waarvan verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, dient te
                            geschieden door het CIZ. Het feit dat een belanghebbende als verzorger
                            van een verzorgingsbehoevende wordt aangemerkt is overigens geen reden
                            om hem te ontheffen van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid
                            te zoeken en te aanvaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                            leeftijdcategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm in
                            artikel 20 WWB is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen
                            bij belanghebbende van 18 tot 21 jaar.</al><al>In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze verordening
                            uitsluitend toe te passen indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar
                            zijn en tenminste twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn.</al><al>Hier is aansluiting gezocht bij de gezinsnormen zoals neergelegd in
                            artikel 21 WWB. Ten aanzien van een gezin waarvan tenminste twee
                            gezinsleden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn, geldt immers
                            de gezinsnorm zoals neergelegd in artikel 21 lid 1 WWB. Voor gezinnen
                            die bestaan uit twee meerderjarige personen waarvan één of beide 18, 19
                            of 20 jaar zijn en gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige personen
                            waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen zoals
                            opgenomen in artikel 21 lid 2 WWB. Ten aanzien van deze gezinnen is deze
                            verordening niet van toepassing.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm
                            van artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college
                            van burgemeester en wethouders bevoegd om op grond van artikel 18 lid 1
                            WWB de bijstand lager vast te stellen. In de praktijk zal dit zich
                            gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet veelvuldig voordoen,
                            maar te denken valt aan de situatie waarin een gezin met een kind in een
                            kraakpand wonen. In dergelijke uitzonderlijke situaties moet het college
                            van burgemeester en wethouders gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                            individualiseren.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college van
                            burgemeester en wethouders om –zo nodig in afwijking van de uit deze
                            verordening voortvloeiende hoogte van de bijstand- de bijstand anders
                            vast te stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en
                            middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30 lid 4
                            WWB.</al><al>De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin deze
                            verordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van deze
                            verordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om deze
                            plicht expliciet in deze verordening op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>De hoogte van 20 procent van de gezinsnorm als hoogte van de toeslag
                            voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander
                            zijn hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2
                            onder a WWB.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                            kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                            verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is
                            van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat
                            niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                            plaats. In deze verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10
                            procent van de gezinsnorm in het geval één of meer anderen in dezelfde
                            woning hun hoofdverblijf hebben.</al><al>In het derde lid onder a wordt geregeld dat een studerend meerderjarig
                            kind niet wordt aangemerkt als een ander die zijn hoofdverblijf in
                            dezelfde woning heeft en met wie de kosten gedeeld kunnen worden.</al><al>In artikel 25 lid 1 WWB is bepaald dat algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan van een alleenstaande of alleenstaande ouder in ieder geval
                            niet gedeeld kunnen worden met een thuisinwonend kind van 18 jaar of
                            ouder die ten hoogste een in aanmerking te nemen inkomen heeft van het
                            bedrag voor levensonderhoud op grond van de Wet studiefinanciering 2000
                            (€ 604,15).</al><al>Uit het systeem van de WWB volgt dat een alleenstaande ouder in theorie
                            kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18 en 27 jaar
                            dat per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat meer bedraagt
                            dan het bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 WWB en artikel 3.18 WSF
                            2000 (€ 604,15) en minder dan het bedrag zoals bedoeld in artikel 4 lid
                            2 WWB (€ 1.023,42). Het kind behoort dan immers op grond van artikel 4
                            lid 2 WWB niet tot het gezin. Het is dus ´een ander´ (als bedoeld in
                            artikel 25 WWB) waarmee kosten gedeeld kunnen worden.</al><al>Een studerend kind dat meer verdient dan € 1.023,42, is een
                            niet-rechthebbend gezinslid. In theorie kunnen weliswaar kosten gedeeld
                            worden met dit niet-rechthebbend gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook
                            al meegenomen bij het bepalen van het recht op bijstand van de overige
                            gezinsleden (voor zover dit hoger is dan € 1.023,42). Het ligt niet voor
                            de hand daarbovenop nog een verlaging toe te passen wegens
                            kostendeling.</al><al>In deze verordening is er dus voor gekozen te bepalen dat in het geheel
                            geen kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit
                            betekent dat het Algemeen Bestuur geen gebruik maakt van de theoretische
                            mogelijkheid een lagere toeslag te verstrekken aan een alleenstaande
                            ouder met een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder met een in
                            aanmerking te nemen inkomen tussen € 604,15 en € 1.032.42. Een
                            alleenstaande met een inwonend studerend kind komt daarmee in aanmerking
                            voor een toeslag van 20 procent van de gezinsnorm.</al><al>Met deze keuze wordt een inconsequent systeem voorkomen, met name
                            wanneer het inwonend studerend kind weinig meer verdient dan € 1.032,42.
                            In dat geval zou immers ook geen verlaging worden toegepast omdat hij
                            een niet-rechthebbend gezinslid is. Een en ander is inzichtelijk in
                            onderstaand schema.</al><al>Dit heeft tot gevolg dat het college van burgemeester en wethouders de
                            bijstandsnorm van de alleenstaande of de alleenstaande ouder met een
                            meerderjarig thuisinwonend en studerend kind verhoogt met een toeslag
                            van 20% van de gezinsnorm. Voor de uitvoering is dit ook
                            eenvoudiger</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet><cursief>Situatie</cursief></vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet><cursief>Kunnen de kosten worden
                                                  gedeeld?</cursief></vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Het inwonend studerend kind van 18 jaar of
                                                  ouder </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Nee, het kind behoort tot het gezin en
                                                  daarom kunnen</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maakt geen aanspraak op
                                                  studiefinanciering.</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>geen kosten worden gedeeld met dit
                                                  kind.</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Het inwonend studerend kind van 18 jaar of
                                                  ouder </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Nee, het kind behoort tot het gezin en
                                                  daarom kunnen geen kosten worden gedeeld met dit
                                                  kind</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maakt aanspraak op studiefinanciering en
                                                  heeft per </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maand een in aanmerking te nemen inkomen
                                                  van meer dan 1.032,42 euro </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Het inwonend studerend kind van 18 jaar of
                                                  ouder </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Nee, het kind behoort weliswaar niet tot
                                                  het gezin </cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maakt aanspraak op studiefinanciering en
                                                  heeft per </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>(artikel 4 lid 2 WWB 2012), maar op grond
                                                  van artikel</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maand een in aanmerking te nemen inkomen
                                                  van ten </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>25 lid 1 WWB 2012 respectievelijk art. 26
                                                  WWB 2012</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>hoogste 604,15 euro.</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>kunnen geen kosten met hem worden
                                                  gedeeld.</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Het inwonend studerend kind van 18 jaar of
                                                  ouder </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Ja, het kind behoort niet tot het gezin
                                                  (artikel 4 lid 2</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maakt aanspraak op studiefinanciering en
                                                  heeft per </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>WWB 2012) en verdient meer dan het in
                                                  artikel 25 lid 1 WWB 2012 en artikel 26 WWB 2012
                                                  genoemde</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>maand een in aanmerking te nemen inkomen
                                                  tussen</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>bedragen.</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>604,15 euro en 1.023,42
                                                euro.</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In onderdeel c van het derde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden in
                            de zin van artikel 4 lid 4 WWB sub c (ouders – kinderen) eveneens niet
                            worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf
                            hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                            belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een
                            lagere toeslag.</al><al>Mutatis mutandis geldt dit uitgangspunt ook voor de
                            verzorgingsbehoevende belanghebbende; ook in deze situatie wordt het
                            niet wenselijk geacht om belanghebbende vanwege zijn zorgbehoevendheid
                            te confronteren met een lagere toeslag.</al><al>In alle overige gevallen die niet onder de uitzonderingen van lid 3
                            vallen, geldt het uitgangspunt dat met een ander die zijn hoofdverblijf
                            heeft in dezelfde woning de kosten kunnen worden gedeeld en dus een
                            lagere toeslag van 10% geldt (zie lid 2 van dit artikel).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In de gezinsnorm is reeds rekening gehouden met het feit dat de
                            gezinsleden de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met
                            elkaar. Indien in de woning nog een ander, niet zijnde een gezinslid,
                            zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                            kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                            verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gezinsnorm, ongeacht
                            het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Evenals
                            bij alleenstaanden wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn
                            hoofdverblijf heeft geen noemenswaardige vermindering van de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig geacht.</al><al>Daarbij moet ook bedacht worden dat in de praktijk bij meer bewoners van
                            een woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning gaat, zodat
                            de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan
                            in gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                            heeft.</al><al>In het tweede lid wordt overeenkomstig bij alleenstaanden en
                            alleenstaande ouders geregeld dat meerderjarige inwonende studerende
                            kinderen niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf
                            hebben dan wel met wie de kosten gedeeld kunnen worden.</al><al>Zorgbehoevenden in de zin van artikel 4 lid 5 WWB sub c (ouders –
                            kinderen) worden eveneens niet meegeteld als personen die in dezelfde
                            woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet
                            wenselijk is om belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te
                            confronteren met een lagere toeslag. Mutatis mutandis geldt dit
                            uitgangspunt ook voor de verzorginsbehoevende belanghebbende; ook in
                            deze situatie wordt het niet wenselijk geacht om belanghebbende vanwege
                            zijn zorgbehoevendheid te confronteren met een verlaging.</al><al>In alle overige gevallen die niet onder de uitzonderingen van artikel 3
                            lid 3 vallen geldt het uitgangspunt dat met een ander die zijn
                            hoofdverblijf heeft in dezelfde woning de kosten kunnen worden gedeeld
                            en dus een verlaging van 10% op zijn plaats is (zie lid 1 van dit
                            artikel).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Artikel 27 WWB geeft het college van burgemeester en wethouders de
                            mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende
                            lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg
                            van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op artikelen
                            25 en 26 WWB.</al><al>Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel
                            35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door
                            belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens
                            de toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er
                            helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen
                            toepassen.</al><al>In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat
                            aan de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het
                            wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken
                            naar de mate waarin woonkosten, zijnde de kosten van huur of de
                            rentekosten van de hypotheek van de door belanghebbende bewoonde woning,
                            ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                            heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van
                            artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen.</al><al>In dit artikel is onder b een verlaging opgenomen voor de situatie dat
                            aan de woning voor belanghebbende geen woonlasten, zijnde de kosten van
                            elektra, gas en water verschuldigd voor het gebruik hiervan door
                            belanghebbende en eventuele gezinsleden, verbonden.</al><al>Er is niet gekozen voor de werkelijke kosten, omdat deze nagenoeg nooit
                            juist bepaald kunnen worden en afhankelijk zijn van gezinssamenstelling,
                            periode waarover gerekend wordt etc. Een forfaitair percentage van 10%
                            zal in nagenoeg alle gevallen een verlaging aan de voor belanghebbende
                            ´veilige´ kant inhouden.</al><al>In onderdeel c wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het
                            geheel geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gezinsnorm.
                            Dit is in overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een
                            belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                            woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager
                            als voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een
                            dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op
                            straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang.</al><al>De hoogte van de verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op
                            de wijze waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand
                            verleend wordt aan daklozen, kan het college van burgemeester en
                            wethouders gebruik maken van zijn bevoegdheid om een budgetteringsplicht
                            op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van opvang) te
                            verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder
                            adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
                            basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2
                            WWB door bij AMvB (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen
                            centrumgemeenten.</al><al>Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin
                            van aangehaalde wet. Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben
                            over een postadres bij familie of een instantie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de
                            toelichting op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het
                            eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen
                            als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                            tegemoetkoming op grond van de Wtos.</al><al>Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                            thuiswonende student. Met deze omstandigheden wordt immers al rekening
                            gehouden in de artikelen 3 en 4 van deze verordening.</al><al>De verlaging wegens het zijn van schoolverlater geldt gedurende een half
                            jaar (artikel 28 WWB). Deze periode begint op de eerste dag van de maand
                            waarin geen aanspraak meer bestaat op studiefinanciering op grond van de
                            WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van de Wtos. Het onderbreken van
                            de schoolverlatersperiode door bijvoorbeeld het aanvaarden van werk of
                            het opnieuw gaan studeren schort de termijn van de verlaging niet op. De
                            schoolverlater die op 23 december zijn scholing beëindigd, krijgt dus in
                            de periode januari t/m juni een verlaging van 20%. Stroomt hij in maart
                            en april uit omdat hij bv. Gaat werken dan schort dit de termijn van de
                            verlaging niet op. Vanaf juli wordt de verlaging niet meer toegepast.
                            Vraagt hij pas in april bijstand aan, dan geldt eveneens dat de
                            verlaging vanaf juli niet meer wordt toegepast.</al><al>Onder de Abw moest de toepassing van de schoolverlaterverlaging
                            eigenlijk worden ontraden omdat de verlaging slechts in zo verre mocht
                            worden toegepast dat belanghebbende er niet op achteruitging, wat
                            relatief veel werk met zich meebrengt. In de toelichting bij artikel 28
                            WWB stelt de wetgever dat bij de toepassing van de
                            schoolverlatersverlaging de inkomsten uit arbeid of stagevergoeding
                            tijdens de studie geen rol spelen, waarmee het eenvoudiger wordt om deze
                            verlaging wel toe te passen.</al><al>Indien zowel de schoolverlatersverlaging als de leeftijdsverlaging wordt
                            toegepast, moet in de verordening worden bepaald welke verlaging wordt
                            toegepast in het geval van samenloop; beide gelijk tijdig toepassen is
                            wettelijk verboden (artikel 30 lid 2 onder b WWB). In dit geval
                            prevaleert de schoolverlatersverlaging (zie artikel 7 van de
                            verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Artikel 29 WWB geeft het college van burgemeester en wethouders (weer
                            per 1 januari 2012) de bevoegdheid om een verlaging toe te passen indien
                            het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimumjeugdloon er een
                            drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden voor 21 en 22 jarigen.
                            Aangezien het minimumjeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige.</al><al>Hierbij is door onze gemeente de keus gemaakt alleen voor 21-jarige een
                            verlaging toe te passen van 10%. Nier voor 22-jarigen.Gelet op het
                            verschil in bijstandsnorm en minimumloon is er bij 22 jarigen al een
                            verschil van 20%. Voor 21 jarigen ligt de bijstandsnorm dicht bij het
                            minimumloon. Na de verlaging van 10% ontstaat een verschil van 18%.
                            Beide genoemde percentages bieden voldoende aansporing tot het
                            verkrijgen van arbeid tegen het minimum jeugdloon.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat –overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 29 WWB- de verlaging voor een 21- of 22 jarige alleen kan
                            plaatsvinden op de toeslag van artikel 25 WWB.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van
                            artikel 30 lid 2 onder b WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                            schoolverlatersverlaing niet gelijktijdig kan worden toegepast met de
                            verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                            schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22 jarige
                            schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een
                            23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                            omstandigheden en kunnen elke afzonderlijk als redelijk worden
                            aangemerkt. Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen
                            betekenen dat de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen)
                            dermate laag moet worden vastgesteld dat er feitelijk geen sprake meer
                            is van een toereikende uitkering.</al><al>In voorkomende gevallen zal de bijstand op grond van het
                            individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten worden
                            vastgesteld.</al><al>Er is voor gekozen de verlagingen in deze verordening dusdanig vorm te
                            geven dat een alleenstaande minimaal 50%, een alleenstaande ouder
                            minimaal 70% en een gezin minimal 80% van de gezinsnorm ontvangt.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij
                            samenloop ook bij een resterende die boven de aangehaalde percentages
                            ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                            gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 sub b WWB dat in de
                            Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                            (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt al voldaan door de
                            formulering van artikel 7 lid 3 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>en 10</titel></kop><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>