<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR173850_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveilingsverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad nr. 24, 2-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">https://wetten.overheid.nl/BWBR0040068/2018-08-01</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Regeling is van rechtswege vervallen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/77418</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is van rechtswege (Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen) vervallen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveilingsverordening 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                    begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de paragrafen 3 en 4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2
                            van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige</al><al>inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)
                            zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet</al><al>vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede
                            lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                                1<cursief>°.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van een eerder geldende
                                brandbeveiligingsverordening en die van kracht zijn op het moment
                                van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                                vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de tot dan toe geldende
                                brandbeveiligingsverordening is ingediend waarop nog niet is
                                beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de eerder geldende brandbeveiligingsverordening
                                wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><al>Deze verordening zal worden bekend gemaakt door het plaatsen van de
                            verordening in het Gemeenteblad. Tevens zal deze verordening worden
                            opgenomen in de algemeen verkrijgbare uitgave die is getiteld
                            Verzameling gemeentelijke verordeningen, besluiten en beleidsregels
                            Zaanstad. Tevens zal dit besluit worden gepubliceerd in de CVDR.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking als bedoeld
                            in artikel 139 van de Gemeentewet en werkt terug tot en met 1 oktober
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 oktober 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Voorzitter, Raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</titel></kop><al/><al><cursief>AIgemeen</cursief></al><al>De wetgever kondigt in de Wet op de Veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                    in artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze Amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze Amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet op de Veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet op de Veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde Amvb en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet op de Veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen. De bestaande
                    brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet op de Veiligheidsregio’s. De voorliggende
                    modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de inwerkingtreding van de
                    Amvb) terughoudend van aard.</al><al>De regeling is aangepast aan de Wet op de Veiligheidsregio’s en de
                    Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien, Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet op de
                    Veiligheidsregio’s als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat
                    dat wettelijk voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere
                    woorden: de brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor
                    brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke
                    basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek plaatsvinden
                    naar wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing zouden kunnen zijn en
                    van rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een
                    aantal standaard gevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken
                    liggen.</al><al/><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar we! van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        <cursief>'nietbouwwerkeri</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. De omschrijving in de Wet op de
                    Veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel, n.l. brandveiligheid, maar
                    (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen beperking van object. De
                    omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken, Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld dient een
                    bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit, het
                    Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de
                    definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan
                    in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het
                    water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving.
                    Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                    hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch
                    kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op
                    dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl
                    diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor
                    op grond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over
                    de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan
                    de hand</al><al>van staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-<cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><lijst><li nr="1."><al>constructie,</al></li><li nr="2."><al>van enige omvang,</al></li><li nr="3."><al>met de grond verbonden,</al></li><li nr="4."><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al/><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><al/><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van
                    erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 juli 2010 in
                    werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie
                    ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het
                    gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt.
                    Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of beheersverordening kan
                    voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van een
                    perceel niet als</al><al>erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in beginsel uitsluitend het geval kunnen
                    zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde
                    kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen geven bestemmingsplannen of
                    beheersverordeningen soms regels die het perceel onderverdeelt in een bouwblok
                    of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en uitbouwen en
                    bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een verdere inrichting kan
                    plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het hoofdgebouw. Onder een terrein
                    wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel, of gedeelte</al><al>daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van de bouwverordening te
                    kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden zijn voldaan: 1. het is
                    een perceel grond, 2. dat onbebouwd is, 3. dat bij een bouwwerk hoort en 4. dat
                    geen erf is.</al><al/><al><cursief>Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan. Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking
                    van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                    van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover
                    die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het
                    is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
                    mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van
                    een vergunning vormvrij. Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden. Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld
                    kunt u dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal
                    verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De modelbrandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn.</al><al/><al><cursief>Toezicht op de naleving </cursief></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet op de Veiligheidsregio’s bij door burgemeester en
                    wethouders opgedragen ambtenaren. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties wijst op grond van artikel 65 van de Wet op de
                    Veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                    feiten.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief></al><al>De Wet op de Veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid
                    om, indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke
                    boete wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3,
                    tweede lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1°. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in
                    2009 € 9.000. De Wet op de Veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving
                    van de uitvoering van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening
                    hoeft te houden. Een alternatief artikel is aan het model van de verordening
                    toegevoegd.</al><al/><al><cursief>Strafbepaling</cursief></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet op de Veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten
                    hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie De welgever heeft bier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Het kan nodig kan zijn dat vergunningen op grond van een eerder vastgestelde
                    brandbeveiligingsverordening nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al><cursief>Intrekken regeling</cursief></al><al>De Brandbeveiligingsverordening is van rechtswege komen te vervallen met het
                    vervallen van de Brandweerwet 1985 d.d. 1 oktober 2010 en de inwerkingtreding
                    van de Wet op de Veiligheidsregio’s.</al><al/><al><cursief>Bekendmaking</cursief></al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet verbinden besluiten van het
                    gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer
                    zij zijn bekendgemaakt. De bekendmaking geschiedt: </al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                            gemeenteblad;</al></li><li nr="b."><al>bij gebreke van een gemeenteblad, door ter inzage legging voor de tijd
                            van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het
                            college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                            plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Intrekken vergunning</cursief></al><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>