<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17363_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 11.02 Marktverordening Zevenaar 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post , 2 -12- 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening Zevenaar 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Economische zaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>nr 11.02 Marktverordening Zevenaar 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>RAADSBESLUIT</vet></al><al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al><al>overwegende dat vanuit het oogpunt van deregulering het gewenst is de
                        bestaande Marktverordening Zevenaar 2005 aan te passen;</al><al>dat tevens enkele inhoudelijke aanpassingen gewenst zijn die passen in een
                        meer professionele benadering van de markt;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Zevenaar:</al><lijst><li nr=""><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwerp</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Voorstelnummer</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vastellen Marktverordening Zevenaar 2009.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><al>Gelet op artikel 147, eerste lid alsmede artikel 149 van de Gemeentewet; </al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>Vast te stellen de <vet>Marktverordening Zevenaar 2009 </vet>zoals gevoegd
                        bij dit besluit</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar,</al><al>gehouden op 25 november 2009</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al><vet>Marktverordening Zevenaar 2009</vet></al><al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 20 oktober 2009;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het wenselijk is regels te stellen voor een ordelijk verloop
                        van de weekmarkt in Zevenaar;</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de volgende Verordening op de weekmarkt voor de gemeente
                        Zevenaar 2009.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                    gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                    standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                    artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats
                                        en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximum aantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Waarnemen</titel></kop><al>Een vergunninghouder van een vaste plaats kan een vergunning aanvragen
                            bij het college om zijn vaste plaats te laten waarnemen door een met
                            name genoemde persoon. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft
                            bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het
                            college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan
                            alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van
                            bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 7 van het Marktreglement Zevenaar 2009 de vergunning
                                        wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 7 genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                                marktreglement van de gemeente is overgeschreven, reeds vergunning
                                heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt
                                laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 8 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem waarneemt of
                            bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening Zevenaar 2005, vastgesteld op 21 december 2005 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening Zevenaar 2005 gelden als besluiten genomen
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestaande wachtlijst wordt geacht tot 1 januari 2012 wachtlijst
                                in de zin van deze verordening te zijn. De wachtlijst vervalt per
                                die datum. In de overgangsperiode vanaf 1 januari 2010 tot 1 januari
                                2012 worden geen nieuwe gegadigden meer ingeschreven op de
                                wachtlijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening Zevenaar
                                2005 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop
                                deze verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij
                            is bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening gemeente
                            Zevenaar 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 25 november 2009.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>De totstandkoming van de modelmarktverordening 2008</tussenkop><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering
                    van het gemeentebestuur herzien en dit heeft geleid tot de modelmarktverordening
                    2003. Dit model is gehanteerd voor de huidige Marktverordening Zevenaar
                    2005.</al><al>In 2008 is in het kader van de algehele deregulering van de modelverordeningen
                    door de VNG besloten ook de modelmarktverordening 2003 te herzien. Dit model is
                    vervangen door aantal nieuwe modellen. Dit betreft allereerst de onderhavige
                    modelmarktverordening 2008, waarin bepalingen voor het verkrijgen van een
                    vergunning voor een standplaats zijn opgenomen. De regeling voor onder meer de
                    toewijzing van een vaste standplaats, dagplaats en standwerkerplaats is
                    opgenomen in het modelmarktreglement 2008. Alle modellen zijn in overleg met het
                    Centraal Overleg Marktaangelegenheden (COM) tot stand gekomen.</al><tussenkop>Grondslag en belang verordening</tussenkop><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Naast de
                    bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de
                    bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet
                    ten behoeve van het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten:
                    Modelbesluit tot het instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het
                    afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit tot het veranderen van een
                    warenmarkt.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente. Daarnaast wil de gemeente de kwaliteit en aantrekkelijkheid
                    van de markt voor de Zevenaarse inwoners en bezoekers waarborgen en waar
                    mogelijk versterken.</al><tussenkop>Inhoud</tussenkop><al>Hoofdstuk 1 van de modelmarktverordening bevat een aantal algemene bepalingen
                    die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een aantal
                    bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag. Hoofdstuk 3 bevat de
                    gebruikelijke straf-, overgangs- en slotbepalingen.</al><tussenkop>Overige regelgeving ambulante handel</tussenkop><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Algemene
                    plaatselijke verordening Zevenaar 2009 (APV). Artikel 2:25 van de APV bevat een
                    vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen bijvoorbeeld
                    braderieën. Verder bevat de APV bepalingen over collecteren, venten,
                    standplaatsen en snuffelmarkten.</al><tussenkop>Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV)</tussenkop><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de
                    marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de (losse)stand-plaatsvergunning. In de APV is hiermee rekening
                    gehouden.</al><tussenkop>Vrijhouden van het marktterrein</tussenkop><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis).</al><al>Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren
                    van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december
                    2006]</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Ook voor gemeenten heeft dit gevolgen: zij moeten binnen 3 jaar door middel van
                    een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de bepaling
                    van de richtlijn en deze zonodig aanpassen. Voor de Modelmarktverordening heeft
                    de VNG de screening gedaan.</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Jusititie. De modelmarktverordening 2008 regelt de warenmarkt; het gaat dus om
                    de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model geen bepalingen omtrent de
                    toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee valt dit model buiten de
                    werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet verder te worden
                    gescreend.</al><tussenkop>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</tussenkop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningeverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de
                    markt dient een gemeente hier rekening mee te houden.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het woord
                    ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de begripsomschrijving van
                    marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot marktmeester worden
                    aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een niet-ondergeschikte dient deze
                    (en zijn werkgever) in te stemmen met de mandaatverlening overeenkomstig artikel
                    10:4 van de Awb.</al><tussenkop>Artikel 2. Inrichting van de markt; branche-indeling</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                    aandachtspunten opgenomen, zodat iedere gemeente de gewenste uitwerking kan
                    geven aan de bepalingen. </al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in
                    het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches.
                    Voor de orde op de markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of
                    ook andere verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden
                    opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging
                    voor de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare
                    kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen
                    kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een beperkt
                    aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de
                    markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt
                    voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor
                    wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M. Geertsema.
                            Het besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of
                            branche op de markt is een algemeen verbindend voorschrift (a.v.v.). Het
                            betreft hier de wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met
                            externe werking en een algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel
                            8:2, aanhef en onder a, van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg
                            staat.</al></li><li nr="-"><al>Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam - 14
                            augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet is niet
                            van toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het
                            behartigen van een algemeen (publiek) belang van niet-economische aard
                            en dat kan worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en
                            bevoegdheden van het betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit
                            terrein geen ondernemer.</al></li><li nr="-"><al>Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497.
                            Branchebesluit is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in het
                            kader van een beroep tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks in haar
                            belang betreffend besluit beoordeeld worden. Branchering is niet
                            ongebruikelijk, zodat de gevolgen in beginsel tot het normale
                            bedrijfsrisico behoren.</al></li><li nr="-"><al>ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt.
                            H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.) Een besluit tot vaststelling van het
                            aantal standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is
                            als algemeen verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
                            Het betreft hier niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of
                            object de toepasselijkheid van in de verordening reeds besloten liggende
                            normen worden bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige
                            normen.</al></li><li nr="-"><al>ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de wijziging
                            van het aantal standplaatsen per branche). De regels ten behoeve van een
                            brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De
                            brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend
                            voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen
                            uitgesloten.</al></li><li nr="-"><al>Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake
                            het weren van een markavan;</al></li><li nr="-"><al>ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt.
                            Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te
                            worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens
                            afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden
                            aangewezen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. Nadere regels</tussenkop><al>De Marktverordening Zevenaar 2005 bevatte een vrij uitgebreide regeling van de
                    markt. Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op
                    hoofdlijnen vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat regelen.
                    Het college kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van nadere regels
                    vast te stellen.</al><al>Met de herziening van het model in 2008 is er voor gekozen om de
                    modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te hevelen
                    naar een marktreglement. Op grond artikel 3 is het college bevoegd deze nadere
                    regels te stellen.</al><tussenkop>Beleidsregels versus nadere regels</tussenkop><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van art. 3
                    van de modelmarktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn
                    algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in art.
                    1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene
                    regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                    Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot
                    nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een
                    uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden
                    daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel
                    genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                    verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                    mogelijk.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag en belang verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    11 is eveneens van toepassing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Bepalingen over vergunningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Standplaatsvergunning</tussenkop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen
                    aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze
                    van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9).</al><tussenkop>Artikel 6 Waarnemen</tussenkop><al>Het komt soms voor dat een vergunninghouder vanwege andere verplichtingen
                    (bijvoorbeeld inkoop van waren) niet of beperkt aanwezig kan zijn. Om te
                    voorkomen dat daardoor een voor de markt in Zevenaar kwalitatieve koopman moet
                    vertrekken, wordt de mogelijkheid geboden zich te laten waarnemen. Het college
                    is bevoegd (zie artikel 4 van de verordening) voorwaarden aan de vergunning te
                    stellen.</al><tussenkop>Artikel 7. Vereisten</tussenkop><al>De VNG adviseert de gemeente deverplichtingen tot het overleggen van de
                    inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van het
                    Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)
                    niet meer op te nemen omdat administraiteve lasten met zich meebrengt voor de
                    aanvrager en strikt genomen niet de taak van de gemeente is om er op toe te zien
                    dat een koopman wel aan alle verplichtingen voldoet om economische activiteiten
                    te plegen. Wij hebben deze verplichtingen (net als vele andere gemeenten) toch
                    gehandhaafd niet alleen in het belang van de kwaliteit van de markt maar ook in
                    het belang van de openbare orde. Immers door het niet controleren van bedoelde
                    publiekrechtelijke verplichtingen is de kans groot dat er beunhazen op de markt
                    komen met dumping van producten. Dit leidt tot onrust onder de vaste
                    standplaatshouders en is dus niet in het belang van de orde op de markt.</al><al>Verder is in de verordening het vereiste van een handelingsbekwaam natuurlijk
                    persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Hiermee is
                    dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden
                    toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie op de
                    markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk
                    persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktstandplaatsen in
                    Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een
                    onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de
                    natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is
                    echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                    persoon/rechtspersoon.</al><tussenkop>Artikel 8. Intrekking vaste standplaatsvergunning</tussenkop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                    intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                    worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is
                    niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor
                    de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten
                    aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden
                    overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel
                    10.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van standplaatsvergunning,
                    mag het college deze vergunning intrekken wegens een administratieve fout, mits
                    hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. In
                    casu was de intrekking niet in strijd met deze beginselen. (ABRS 12 december
                    2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.)</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Intrekking en schorsing vaste
                    standplaatsvergunning</tussenkop><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd
                    het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel
                    7 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te
                    stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst
                    dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                    Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt
                    naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het
                    model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de
                    Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt
                    geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten
                    tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd
                    niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende
                    betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                    Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning
                    derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                            schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement
                            warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen
                            gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar.
                            Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met art. 156
                            Gemeentewet.</al></li><li nr="-"><al>Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing
                            van de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een
                            medewerker van de Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek
                            gebruikte bedreiging kan niet worden gezegd dat het belang van de
                            openbare orde van de makrt in het geding was. In casu staat de schorsing
                            niet in redelijke verhouding tot de gedane uitlatingen.</al></li><li nr="-"><al>ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                            standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week
                            is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn
                            evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat
                            de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot
                            het oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen
                            van een maatregel mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet
                            zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De Afdeling neemt voor
                            dat oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak
                            heeft bij het handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden
                            gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het
                            wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet
                            in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de
                            handhaving van de verordening illusoir.</al></li><li nr="-"><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                            schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994,
                            JB (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al></li><li nr="-"><al>Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing kan
                            als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee dat
                            ten aanzien van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten
                            grondslag liggen hoge eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk
                            sanctiebeleid.</al></li><li nr="-"><al>ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1. Waarschuwingen
                            al dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift gesteld en bekend
                            gemaakt sanctiesysteem, worden aangemerkt als besluiten in de zin van de
                            Awb.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10. Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</tussenkop><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de beschikking tot
                    uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en
                    om welke concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 8, onderdeel c.</al><tussenkop>Artikel 11. Onmiddellijke verwijdering</tussenkop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 11 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                    Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                    bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke
                    handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 11 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM
                    de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                    pakken.</al><tussenkop>Artikel 12. Strafbepaling</tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening
                    opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op
                    enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een
                    administratieve afhandeling de voorkeur.</al><tussenkop>Artikel 13. Toezichthouders</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In
                    dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                    beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van
                    een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht.</al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                    toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                    opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast
                    met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten
                    betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                    hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                    regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel 26 is
                    de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De
                    opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot
                    die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit
                    buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid
                    te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><tussenkop>Artikel 14. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening in
                    werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 15. Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor de
                    rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                    eerbiedigen. Indien de gemeente een wachtlijst hanteert, dient hiervoor apart
                    overgangsrecht te worden gecreëerd. Dit is in dit geval opgenomen in de
                    verordening. Nieuw is de afschaffing van de wachtlijst per 1 januari 2011,
                    waarna met een systeem van gerichte inschrijving wordt gewerkt. In het door ons
                    vast te stellen Marktreglement Zevenaar 2009 worden nadere regels hiervoor
                    vastgelegd. Met deze wijziging hopen wij meer te kunnen sturen op kwaliteit en
                    diversiteit van het aanbod aan branches op de markt. Door een ruime
                    overgangstermijn in acht te nemen, wordt voldoende rekening gehouden met de
                    rechten van diegenen die thans op de wachtlijst staan ingeschreven.</al><tussenkop>Artikel 16. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt met
                    zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling uit artikel 142
                    van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze bepaalt dat alle verordeningen
                    in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                    daarvoor is aangewezen.</al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                    waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                    bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang
                    dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                    aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge art. 8:2,
                    aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar
                    openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.)</al><tussenkop>Artikel 17. Citeertitel</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>