<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17317_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op een klacht die is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling, blijft de ‘Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen 2005’ van toepassing.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>REGELING KLACHTENCOMMISSIE ONGEWENST GEDRAG VOOR DE GEMEENTELIJKE
            OVERHEID</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Burgemeester en wethouders van van Almere,</al><al/><al>gelezen het voorstel van de afdeling P en O van de Stafdienst
                        bedrijfsvoering d.d. 19 februari 2007;</al><al/><al>gehoord de Ondernemingsraad;</al><al/><al>B E S L U I T EN:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen 2005,
                                vastgesteld op 18 oktober 2005;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de navolgende REGELING KLACHTENCOMMISSIE
                                ONGEWENST GEDRAG VOOR DE GEMEENTELJKE OVERHEID</al></li></lijst><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bevoegd gezag: het bestuursorgaan van de gemeente dat bevoegd is
                                    tot afdoening van een klacht met betrekking tot ongewenst
                                    gedrag;</al></li><li nr="b."><al>commissie: de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de
                                    gemeentelijke overheid;</al></li><li nr="c."><al>gemeente: de gemeente of gemeentelijke instelling die zich heeft
                                    aangesloten bij de commissie en deze regeling van toepassing heeft verklaard op de behandeling van
                                    klachten op het gebied van ongewenst ge-</al><al> drag;</al></li><li nr="d."><al>ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen seksuele
                                    intimidatie, agressie, geweld en pesten zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, sub e. van de
                                    Arbeidsomstandighedenwet, alsmede discriminatie zoals be-</al><al> doeld in de Algemene wet gelijke behandeling; </al></li><li nr="e."><al>klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en
                                    adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is
                                    omschreven; </al></li><li nr="f."><al>klager: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van
                                    de gemeente<vet>, </vet>die werkzaam is of werkzaam is geweest in de organisatie van de gemeente en een klacht over
                                    ongewenst gedrag indient;</al></li><li nr="g."><al>aangeklaagde: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager
                                    van de gemeente<vet>,</vet> die werkzaam is of werk-</al><al> zaam is geweest in de organisatie van de gemeente en over wiens
                                    gedrag geklaagd wordt;</al></li><li nr="h."><al>informant: degene die namens het bevoegd gezag informatie
                                    verstrekt aan de commissie;</al></li><li nr="i."><al>vertrouwenspersoon: de persoon als bedoeld in artikel 3 van deze
                                    regeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Klachten over politiek ambtsdragers</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 1 onder g. de commissie
                            ad hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die
                            betrekking heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager van de
                            gemeente jegens klager.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders wijst één of meerdere
                            vertrouwenspersonen aan. Deze vertrouwenspersonen zijn deskundig op het
                            gebied van ongewenste omgangsvormen.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Taken vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>de eerste opvang van klager;</al></li><li nr="b."><al>het bijstaan, begeleiden en adviseren van klager en zonodig
                                        verwijzen;</al></li><li nr="c."><al>in overleg met klager trachten te komen tot oplossing van de
                                        problemen;</al></li><li nr="d."><al>het ondersteunen van klager bij het indienen van een klacht
                                        bij de klachtencommissie of indien het een strafbaar feit
                                        betreft (aanranding, verkrachting, mishandeling) bij het
                                        doen van aangifte bij de politie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon verricht geen handelingen ter uitvoering van
                                zijn taak dan met toestemming van klager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overige taken vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon houdt een registratie bij van alle bij hem
                                ingediende meldingen van ongewenste omgangsvormen en de afdoening
                                ervan. De vertrouwenspersoon verstrekt jaarlijks een geanonimiseerd
                                overzicht van het aantal klachten en de afdoening ervan aan het
                                college van burgemeester en wethouders. De stukken behorend bij een
                                melding worden drie jaar na afdoening vernietigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon kan de dienstleiding gevraagd en ongevraagd
                                adviseren op het gebied van preventie en bestrijding van ongewenste
                                omgangsvormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Instelling, taakstelling en samenstelling van de
                                commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                                overheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover
                                advies uit te brengen aan het bevoegd</al><al> gezag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie bestaat uit drie leden waaronder een voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie beslist bij gewone meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een lid van de commissie wordt vervangen als deze direct of indirect
                                betrokken is geweest </al><al> bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend
                                dan wel een persoonlijk belang heeft</al><al> bij de afhandeling van de klacht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en
                                hun plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het College
                                voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd
                                voor een periode van zes jaar.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Secretaris en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van het College voor Arbeidszaken wijst na overleg met
                                de voorzitter van de commissie eensecretaris en een plaatsvervangend
                                secretaris aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het
                                secretariaat van het College voorArbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen van de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De klager dient een klacht bij de commissie in. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de klacht wordt zo mogelijk vermeld de datum, tijd, plaats van
                                het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde
                                en eventuele getuigen, alsmede de stappen die klager reeds heeft
                                ondernomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt
                                het bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en
                                vermeldt daarbij dat de commissie over de klacht zal adviseren. Het
                                bevoegd gezag zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst
                                is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en
                                stelt hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening
                                van de klacht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ontvankelijkheid van de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van de commissie alle op de
                                klacht betrekking hebbende gegevens waaronder de gemeentelijke
                                klachtenregeling, de adres- en functiegegevens van de klager en de
                                aangeklaagde, een overzicht van eventueel binnen de gemeente
                                ondernomen stappen en reeds geproduceerde stukken met betrekking tot
                                de klacht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien deze niet
                                valt binnen de begripsbepalingen van artikel 1 onder c, d, e, f en g
                                van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte
                                stappen uit de gemeentelijke klachten procedure niet zijn doorlopen.
                                De commissie brengt de klager binnen twee weken na ontvangst van de
                                klacht hiervan schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al> de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het
                                        ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is
                                        voorgelegd;</al></li><li nr="b"><al> er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel
                                        9:8, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Onderzoek naar de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak
                                noodzakelijk acht stelt zij een onderzoek in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het
                                bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming
                                van haar advies nodig acht; het bevoegd gezag verschaft de commissie
                                de gevraagde inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de
                                gelegenheid de werkomgeving te aanschouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de organisatie van
                                gemeente in de gelegenheid te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse
                                maatregelen te nemen indien en voor zover dit in het belang is van
                                het onderzoek of van de positie van de in het onderzoek betrokken
                                personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Horen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de
                                aangeklaagde en de informant in de gelegenheid om te worden gehoord.
                                De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander
                                lid van de commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk
                                ongegrond is dan wel indien de klager heeftverklaard geen gebruik te
                                willen maken van het recht te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de
                                aangeklaagde - en voor zover nodig aanklager en informant - een
                                afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht
                                betrekking hebben. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie hoort de klager en de aangeklaagde in beginsel buiten
                                elkaars aanwezigheid. De commissiestelt klager en aangeklaagde in de
                                gelegenheid van elkaars zienswijze kennis te nemen en daarop te
                                reageren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De klager en aangeklaagde kunnen zich ter zitting laten bijstaan
                                door een (raads)persoon.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en
                                deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Van het horen wordt een verslag gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed
                                bereikbare locatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Omgang met persoonsgegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die
                                noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de
                                verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging
                                van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige
                                    verwerking<vet>.</vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot
                                geheimhouding van persoonsgegevens voor zoveroverdracht van
                                informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van
                                de commissie. Wanneer deinhoud van bepaalde informatie uitsluitend
                                ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de
                                commissie meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de
                                vertrouwelijkheid van hetgeen terzitting aan de orde komt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Advies over de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht
                                advies uit aan het bevoegd gezag over degegrondheid van de klacht
                                vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een
                                verslag van het horen.Een afschrift van het
                                advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het
                                bevoegd gezag te nemen maatregelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie op grond van artikel 7, tweede of vierde lid,
                                van deze regeling een klacht niet in behandeling neemt brengt de
                                commissie zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken na
                                ontvangst van de klacht advies uit aan het bevoegd gezag de klacht
                                niet ontvankelijk te verklaren.Een afschrift van het
                                advies wordt aan klager toegezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Afdoening van de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het
                                advies van de commissie bedoeld in artikel11, eerste lid, klager en
                                aangeklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de
                                bevindingen van het onderzoek naar de gegrondheid van de klacht
                                alsmede de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Indiende
                                conclusies van het bevoegd gezag afwijken van het advies van de
                                commissie wordt de reden van die afwijking vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het eerste lid voor
                                ten hoogste vier weken verdagen. Van deverdaging wordt schriftelijk
                                mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het
                                advies van de commissie bedoeld in artikel11, derde lid, klager
                                schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het
                                onderzoek naar de ontvankelijkheid van de klacht alsmede de
                                eventuele conclusies die het daaraan verbindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het derde lid voor ten
                                hoogste vier weken verdagen. Van deverdaging wordt schriftelijk
                                mededeling gedaan aan de klager. Indien de conclusies van het
                                bevoegd gezag afwijken van het advies van de commissie wordt de
                                reden van die afwijking vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de conclusies bedoeld in
                                het eerste en derde lid naar de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming
                                van de terzake geldende wettelijke bepalingen vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en
                                        ongegrond geachte klachten;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de klachten;</al></li><li nr="d."><al>statistische gegevens over klagers en aangeklaagden
                                        (man-vrouw; leeftijdscategorieën; leidinggevend of niet;
                                        geboren in Nederland of niet); </al></li><li nr="e."><al>de doorlooptijd van de adviezen;</al></li><li nr="f."><al>aanbevelingen en tendensen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag wordt toegezonden aan het bevoegd gezag van de gemeenten
                                waarin deze regeling van toepassing is verklaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op een klacht die is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze
                            regeling blijft de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen 2005 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op
                            haar vaststelling.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d.
                        15 mei 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Almere, 15 mei 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>B.M. Arnold A. Jorritsma-Lebbink </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Regeling Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid</titel></kop><al>Deze regeling voorziet in de instelling en procedure van de Klachtencommissie
                    ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid. Deze landelijke commissie geeft
                    advies aan het bevoegd gezag van aangesloten gemeenten met betrekking tot
                    klachten op het gebied van ongewenst gedrag. Bij afzonderlijk besluit kunnen
                    gemeenten zich op vrijwillige basis aansluiten bij de commissie. Ook
                    instellingen zoals gemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen zich aansluiten
                    bij de commissie.</al><tussenkop>Arbeidsomstandighedenwet </tussenkop><al>Uitgangspunt bij de regelgeving over ongewenst gedrag is de verantwoordelijkheid
                    van de werkgever voor een veilige werkomgeving en de plicht werknemers te
                    beschermen tegen seksuele intimidatie, agressie en geweld. Dit is neergelegd in
                    de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Ook bij het ontbreken van een (aanwijsbare)
                    veroorzaker van ongewenst gedrag blijft de werkgever verantwoordelijkheid dragen
                    voor het doen ophouden van ongewenst gedrag.</al><al>Per 1 januari 2007 geldt de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet (staatsblad
                    2006, 673). In artikel 3 van de (nieuwe) Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd
                    dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers en een
                    beleid voert gericht op het voorkomen, en indien dat niet mogelijk is, beperken
                    van psychosociale arbeidsbelasting. De term ‘psychosociale arbeidsbelasting’ is
                    een nieuw begrip dat in de wet als volgt is gedefinieerd: “de factoren seksuele
                    intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die
                    stress teweeg brengen”. De begripsbepaling ongewenst gedrag in deze
                    klachtenregeling verwijst naar de omschrijving van deze begrippen in de
                    gewijzigde Arbeidsomstandighedenwetgeving. </al><tussenkop>Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><al>De verantwoordelijkheid van de werkgever komt ook tot uitdrukking in de Algemene
                    wet bestuursrecht waarin bepaald is dat een gedraging van een persoon werkzaam
                    onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan wordt aangemerkt als een
                    gedraging van dat bestuursorgaan (artikel 9:1, lid 2). </al><al>De procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag is deels gebaseerd op
                    hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over klachtbehandeling door
                    een bestuursorgaan. Het gaat in de Awb in de eerste plaats om klachten van
                    burgers, maar het kan ook gaan om klachten van ambtenaren tegen het
                    bestuursorgaan als werkgever, zoals een klacht over ongewenst gedrag. De Awb
                    bevat minimumeisen voor behoorlijke klachtafhandeling. Op grond van de Awb is
                    het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de afdoening van de klacht. Het kan
                    daarbij gebruikmaken van een klachtenadviesinstantie, zoals de landelijke
                    Klachtencommissie ongewenst gedrag. Deze commissie geeft een advies op basis
                    waarvan een college de klacht afhandelt. Het advies van de commissie maakt deel
                    uit van de interne klachtprocedure.</al><al>De Awb regelt voorts het recht van een klager om zich na interne behandeling van
                    een klacht tot een externe adviesinstantie te wenden zoals de Ombudsman.</al><tussenkop>Gelijke behandelingswetgeving</tussenkop><al>Het wettelijk kader met betrekking tot (seksuele) intimidatie wordt daarnaast
                    gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling
                    mannen en vrouwen. In het kader van de gelijke behandelingswetgeving wordt
                    (seksuele) intimidatie beschouwd als het maken van onderscheid, hetgeen verboden
                    is. </al><al>In recent gewijzigde Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (kamerstukken
                    30237) is opgenomen dat het verbod op direct onderscheid tussen mannen en
                    vrouwen ook het verbod op (seksuele) intimidatie omvat. Dit leidt tot een
                    versterking van de rechtspositie van de werknemer tegen ongelijke behandeling op
                    grond van geslacht, waaronder (seksuele) intimidatie. De wetswijziging maakt het
                    noodzakelijker voor werkgevers om maatregelen ter voorkoming van (seksuele)
                    intimidatie te nemen en adequaat te reageren op signalen van (seksuele)
                    intimidatie. Zulke maatregelen zijn onder meer het instellen van een
                    vertrouwenspersoon en een klachtenprocedure. </al><al>Met het opnemen van het verbod op (seksuele) intimidatie in de gelijke
                    behandelingswetgeving geldt de regel van de verschuiving van de bewijslast ook
                    voor (seksuele) intimidatie. Dat betekent dat degene die meent geïntimideerd te
                    zijn (slechts) feiten moet aandragen waaruit een vermoeden van (seksuele)
                    intimidatie voortvloeit. De werkgever moet dan aantonen dat er géén sprake was
                    van (seksuele) intimidatie óf bewijzen dat hij de ongewenste situatie tijdig en
                    adequaat heeft gecorrigeerd. Deze regel is bijvoorbeeld van belang in het kader
                    van schadeclaims van een werknemer op een werkgever </al><tussenkop>Toelichting artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Begrip bevoegd gezag (artikel 1, sub a)</tussenkop><al>Het college is bevoegd om besluiten te nemen over de afdoening van klachten.
                    Deze bevoegdheid kan gemandateerd zijn aan een ambtenaar, bijvoorbeeld een
                    diensthoofd.</al><tussenkop>Begrip ongewenst gedrag (artikel 1, sub d) </tussenkop><al>Het begrip “ongewenst gedrag” dient ruim te worden geïnterpreteerd. Alle vormen
                    van verbale, fysieke en psychische agressie worden tot ongewenst gedrag
                    gerekend, waaronder ook sociale uitsluiting, negeren, pesten. Ter toelichting
                    dient de omschrijving van de begrippen seksuele intimidatie, agressie, geweld en
                    pesten uit de memorie van toelichting op de Arbeidsomstandighedenwet zoals deze
                    luidt per 1 januari 2007 (TK 30552 nr. 3): </al><al>´In artikel 1, derde lid, worden de definities van seksuele intimidatie en
                    agressie en geweld vervangen door een definitie van psychosociale
                    arbeidsbelasting. (…) Onder psychosociale arbeidsbelasting worden factoren in de
                    arbeidssituatie verstaan, die stress veroorzaken. Het gaat om seksuele
                    intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk.</al><al>Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal, non-verbaal of
                    fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de
                    waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een
                    bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt
                    gecreëerd. (…) Seksuele intimidatie, kan zich voordoen in een aantal
                    verschijningsvormen. Het kan gaan om dubbelzinnige opmerkingen, onnodig
                    aanraken, gluren, pornografische afbeeldingen op het werk, maar ook om
                    aanranding en verkrachting. De definitie van seksuele intimidatie geeft tevens
                    aan dat hieronder moeten worden verstaan de gevallen waarin sprake kan zijn van
                    seksuele chantage, zodanig dat de kans op promotie en beslissingen over het werk
                    afhangt van verrichte seksuele diensten. Door dit gedrag kan een vijandige of
                    seksueel intimiderende en kwetsende omgeving ontstaan die een aanslag is op de
                    waardigheid van de betrokken werknemer. In een dergelijke omgeving kan
                    tegelijkertijd psychologisch geweld gedijen die mogelijkerwijs ook ruimte biedt
                    aan seksuele chantage als hiervoor bedoeld.</al><al>Onder pesten wordt verstaan alle vormen van intimiderend gedrag met een
                    structureel karakter, van een of meerdere werknemers (collega’s,
                    leidinggevenden) gericht tegen een werknemer of een groep van werknemers die
                    zich niet kan of kunnen verdedigen tegen dit gedrag. Een belangrijk element
                    aangaande pesten op het werk is de herhaling van die gedraging in de tijd. Het
                    gaat bij pesten dus niet om een eenmalige gedraging. Dit gedrag uit zich op
                    verschillende manieren maar in het bijzonder door woorden, gebaren, handelingen
                    of bedreigingen. Deze opsomming is niet limitatief. Veelal is het doel van de
                    dader om opzettelijk een andere persoon te kwetsen en te vernederen.</al><al>Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer
                    psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid.
                    Bij agressie en geweld gaat het om gedragingen van verbaal geweld (uitschelden,
                    beledigen) en fysiek geweld (schoppen, slaan, met een wapen dreigen en/of
                    overvallen worden). Het kan ook gaan om psychisch geweld: bedreigen,
                    intimideren, onder druk zetten, thuissituatie bedreigen en het beschadigen van
                    eigendommen.´</al><al>Naast seksuele intimidatie, pesten, agressie en geweld wordt uitdrukkelijk ook
                    discriminatie tot ongewenst gedrag in de zin van deze regeling gerekend. Voor
                    uitleg van het begrip discriminatie wordt verwezen naar de Algemene wet gelijke
                    behandeling. Wettelijk is het begrip discriminatie overigens niet gedefinieerd.
                    De Awgb noemt de gronden waarop het maken van onderscheid verboden is.</al><tussenkop>Begrip klacht</tussenkop><al>Een klacht is schriftelijk en mag niet anoniem worden ingediend. Bij de
                    omschrijving van het begrip klacht is aangesloten op de ontvankelijkheideisen
                    die de Awb stelt. In artikel 4 van deze regeling is opgenomen dat de klacht
                    indien mogelijk nog nadere gegevens bevat. </al><tussenkop>Begrip klager (artikel 1, sub f)</tussenkop><al>De personen die een beroep kunnen doen op de klachtenregeling dienen werkzaam te
                    zijn in de organisatie van de aangesloten gemeente. Dit kan betreffen
                    ambtenaren, arbeidscontractanten, medewerkers van de griffie, stagiairs,
                    gedetacheerden, uitzendkrachten, vrijwilligers bij de brandweer en andere
                    vrijwilligers. </al><al>Ten behoeve van de toepassing op medewerkers van de griffie dient de raad een
                    klachtenregeling vast te stellen of de bevoegdheid tot vaststelling en
                    uitvoering hiervan gedelegeerd te hebben aan het college.</al><al>Daarnaast is de regeling ook van toepassing op personen die in het verleden
                    werkzaam waren bij de gemeente. De ervaring leert dat er vaak pas na verloop van
                    tijd een formele klacht over ongewenst gedrag wordt geuit, soms pas na
                    beëindiging van het dienstverband. Voor de gemeente als werkgever zijn
                    dergelijke klachten ook dan nog relevant. Behandeling van de klacht kan
                    aanleiding zijn om de aangeklaagde alsnog met maatregelen te confronteren of om
                    de werking van het beleid tegen ongewenst gedrag te evalueren. </al><al>Niet binnen deze regeling vallen klachten van en over onderwijspersoneel (in de
                    zin van het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel), politieke ambtsdragers van
                    de gemeente en burgers. </al><tussenkop>Begrip aangeklaagde (artikel 1, sub g)</tussenkop><al>Net als de klager dient ook de aangeklaagde werkzaam te zijn of te zijn geweest
                    in de organisatie van de aangesloten gemeente. Ook een klacht over een
                    ex-medewerker kan relevant zijn voor de gemeente als werkgever. Opgemerkt wordt
                    dat de behandeling van een klacht tegen een voormalig medewerker zijn
                    beperkingen kent omdat aan een voormalig medewerker niet dezelfde verplichtingen
                    kunnen worden opgelegd als een in dienst zijnde medewerker of omdat een
                    ex-medewerker niet meer te traceren is. </al><al>Zie voor klachten over politieke ambtsdragers ook de toelichting bij artikel
                    2.</al><tussenkop>Overige, niet binnen de regeling vallende klachten </tussenkop><al>Met betrekking tot klachten over ongewenst gedrag die niet binnen deze regeling
                    vallen, bijvoorbeeld een mondelinge klacht, een klacht van een derde of een
                    klacht tegen een burger, geldt dat los van deze klachtenregeling het bevoegd
                    gezag op grond van de Algemene wet bestuursrecht zorg dient te dragen voor een
                    behoorlijke behandeling van zowel mondelinge en schriftelijke klachten. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2 Klachten over politieke
                    ambtsdragers </tussenkop><al>De klachtenregeling is niet van toepassing op burgemeester, wethouders en
                    raadsleden, noch als klager noch als aangeklaagde. De gemeente heeft met
                    bestuurders juridisch een andere relatie dan met medewerkers. Anderzijds kan in
                    de (hiërarchische) relatie tussen een medewerker en een bestuurder sprake zijn
                    van ongewenst gedrag waartegen de medewerker beschermd dient te worden. Om deze
                    reden is in de regeling de mogelijkheid opgenomen dat het college in voorkomende
                    gevallen een beroep kan doen op de klachtencommissie voor het behandelen van een
                    klacht over ongewenst gedrag van een bestuurder (of raadlid). Indien van deze
                    mogelijkheid gebruik wordt gemaakt geldt de procedure uit deze regeling in
                    beginsel niet. College en klachtencommissie dienen ad hoc een procedure af te
                    spreken.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4 Taak- en samenstelling
                    commissie</tussenkop><al>De commissie fungeert als adviesorgaan van het bevoegd gezag bij klachten over
                    ongewenst gedrag indien het bevoegd gezag zich heeft aangesloten bij de
                    commissie en de regeling klachtencommissie lokaal heeft vastgesteld. </al><al>Voor de samenstelling van de commissie wordt gebruik gemaakt van een pool van
                    deskundigen met ervaring in het behandelen van klachten over ongewenst gedrag en
                    discriminatie en met kennis van de sector gemeenten. Afhankelijk van de aard van
                    de ontvangen klacht wordt bij het samenstellen van de commissie gekeken naar
                    specifieke deskundigheid en diversiteit (onder meer psychosociale, medische en
                    juridische deskundigheid, man-vrouw verhouding). Er wordt op toegezien dat de
                    betrokken commissieleden geen binding hebben met de organisatie waaruit de
                    klacht afkomstig is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5 Secretaris en
                    administratie</tussenkop><al>De klachtencommissie wordt bij de behandeling van een klacht inhoudelijk
                    ondersteund door een extern secretaris. </al><al>Het algemeen secretariaat en de administratie rondom aansluitingen en declaratie
                    van de kosten van een klachtenprocedure wordt gevoerd door het secretariaat van
                    het College voor Arbeidszaken van de VNG. Gemeenten, maar ook individuele
                    medewerkers van aangesloten gemeenten die overwegen een klacht in te dienen,
                    kunnen voor nadere informatie rechtstreeks contact opnemen met het secretariaat
                    van de commissie.</al><al>College voor Arbeidszaken</al><al>Postbus 30435</al><al>2500 GK Den Haag</al><al>070 373 8523</al><al>cva@vng.nl</al><tussenkop>Toelichting artikel 6 Het indienen van de klacht </tussenkop><al>Het college is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht. Het is in
                    veel klachtenregelingen ongewenst gedrag echter gebruikelijk dat een klager een
                    klacht niet aan het bevoegd gezag adresseert maar rechtstreeks aan de commissie.
                    Ook in deze regeling is gekozen voor rechtstreekse toegang tot commissie. Door
                    middel van aansluiting bij de commissie machtigt de gemeente de commissie om
                    klachten over ongewenst gedrag te ontvangen. Mocht een klager zich met een
                    klacht wenden tot het bevoegd gezag, dan zendt het bevoegd gezag de klacht door
                    naar de commissie. Voor het bepalen van de termijn geldt in dat geval de datum
                    waarop het bevoegd gezag de klacht heeft ontvangen.</al><tussenkop>Toelichting artikel 7 Ontvankelijkheid </tussenkop><tussenkop>Beoordeling van de ontvankelijkheid en in behandeling name</tussenkop><al>Het is de taak van de commissie om het college te adviseren in de beoordeling en
                    afdoening van een klacht. Daartoe behoort ook de ontvankelijkheidtoetsing.
                    Hierbij zijn drie situaties te onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>De klacht valt binnen de regeling en wordt in behandeling genomen. In
                            het kader van de behandeling stelt de commissie de gemeente op de hoogte
                            van het bestaan van de klacht, voor zover het college hiervan nog niet
                            op de hoogte was gesteld in het kader van het onderzoek naar de
                            ontvankelijkheid (artikel 7, lid 1 en artikel 8, lid 2). De aangeklaagde
                            wordt ten behoeve van de behandeling tijdig op de hoogte gesteld
                            (artikel 9 lid 3).</al></li><li nr="-"><al>De klacht valt niet binnen de regeling of wordt niet binnen redelijke
                            termijn voorgelegd of valt onder de uitzonderingen van artikel 9:8 Awb.
                            De commissie adviseert (dan wel: kan adviseren) het college de klacht
                            niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 7, leden 2 en 4 en artikel 11,
                            lid 3). De aangeklaagde wordt in beginsel niet op de hoogte
                            gesteld.</al></li><li nr="-"><al>De klacht valt binnen de regeling maar klager heeft (nog) niet de lokaal
                            verplichte stappen ondernomen. De commissie stelt klager hiervan op de
                            hoogte. Het college wordt niet op de hoogte gesteld van de klacht, de
                            aangeklaagde ook niet. Aan klager is de keuze om de verplichte stappen
                            alsnog te doorlopen of af te zien van verdere actie (artikel 7, lid 3).
                        </al></li></lijst><tussenkop>Verplichte stappen uit de gemeentelijke klachtenprocedure
                    (artikel 7, lid 3)</tussenkop><al>Bij lokale stappen kan gedacht worden aan overleg met of bemiddeling door de
                    vertrouwenspersoon of de leidinggevende. De commissie zal alleen dan afzien van
                    behandeling als een actie in de lokale regeling uitdrukkelijk verplicht is
                    gesteld. In de meeste lokale regelingen is dat overigens niet het geval. Wel is
                    het beleid in gemeenten er doorgaans op gericht dat de medewerkers eerst contact
                    zoeken met een vertrouwenspersoon om de zaak te overleggen en zo mogelijk op te
                    lossen. </al><tussenkop>Indieningtermijn (artikel 7, lid 4, sub a)</tussenkop><al>Een klacht is niet ontvankelijk indien deze niet is ingediend binnen een
                    redelijke termijn nadat het ongewenst gedrag heeft plaats gevonden. Als
                    richtlijn kan worden aangehouden een termijn van twee jaar (in afwijking van de
                    termijn van een jaar uit artikel 9:8 van de Awb).</al><al>De ervaring leert dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd
                    worden ingediend, nadat de klager op andere wijze naar oplossingen heeft
                    gezocht. De commissie kan een langere indieningtermijn dan twee jaar redelijk
                    achten, indien de aard van de klacht daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van ernstige feiten. </al><al>Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een onderzoek naar de feiten
                    moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat ongewenst gedrag heeft
                    plaats gevonden. </al><tussenkop>Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid (artikel 7, lid
                    4, sub b en artikel 9:8 Awb)</tussenkop><al>In de Awb worden uitzonderingen op de plicht tot klachtbehandeling genoemd. Deze
                    uitzonderingen zijn in deze regeling overgenomen. Indien er reeds een klacht
                    over het gedrag is behandeld is het college niet verplicht de klacht opnieuw in
                    behandeling te nemen. Ook in gevallen van voor beroep vatbare besluiten en van
                    samenloop met een opsporingsonderzoek onderzoek is die plicht niet aanwezig.
                    Beoordeeld zal moeten worden of de samenloop met de strafrechtelijke procedure
                    onwenselijk is. Bepaald is dat de commissie <onderstreept>kan</onderstreept>
                    adviseren om een dergelijke klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Het ligt voor
                    de hand dat in dergelijke gevallen overleg gepleegd wordt tussen de commissie en
                    het college. Voorts geldt dat het een derde (in dit geval: de commissie) op
                    grond van de Wet bescherming persoonsgegevens in beginsel niet is toegestaan om
                    strafrechtelijke gegevens te verwerken.</al><al>Een derde uitzonderingsgrond op de verplichte klachtbehandeling betreft de
                    situatie dat het belang van de klager dan wel het gewicht van het ongewenst
                    gedrag kennelijk onvoldoende is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 9 Horen</tussenkop><tussenkop>Informant (artikel 1, sub h en artikel 9, lid 1)</tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan een informant aanwijzen om de commissie van informatie te
                    voorzien. Hierbij kan worden gedacht aan informatie over de gemeentelijke
                    organisatie, de cultuur en de procedures bij ongewenst gedrag. Als informant kan
                    bijvoorbeeld fungeren een medewerker P&amp;O, een manager of de
                    vertrouwenspersoon.</al><tussenkop>Hoor en wederhoor</tussenkop><al>De commissie past hoor en wederhoor toe. De commissie dient er met het oog
                    hierop voor te zorgen dat de aangeklaagde tijdig op de hoogte is van de klacht
                    en eventuele andere voor hem relevante stukken. </al><al>Er zullen doorgaans één of meer zittingen gehouden waarop betrokkenen worden
                    gehoord. Omdat betrokkenen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid worden
                    gehoord (artikel 9, lid 4) kan het nodig zijn dat men tweemaal tijdens de
                    zitting wordt gehoord om te reageren op nieuwe informatie en op de zienswijzen
                    van andere betrokkenen. Een andere mogelijkheid is dat men reageert op
                    gespreksverslagen. Aan de commissie wordt overgelaten op welke wijze het
                    wederhoor wordt gerealiseerd.</al><tussenkop>Verplichting tot medewerking</tussenkop><al>Ten behoeve van het onderzoek van de commissie stelt het bevoegd gezag van de
                    desbetreffende gemeente zijn medewerkers in de gelegenheid te worden gehoord
                    (artikel 8, lid 3). Op grond van het goed ambtenaarschap zijn medewerkers in
                    beginsel verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar een klacht.
                    Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het niet verlenen van
                    medewerking door een medewerker als plichtsverzuim beschouwd worden. </al><al>Voor de aangeklaagde geldt dat deze niet verplicht kan worden om informatie te
                    verstrekken die zijn positie kan schaden.</al><tussenkop>Bijstand </tussenkop><al>Indien een klager of een aangeklaagde zich laat bijstaan door een raadsman of
                    -vrouw (advocaat, rechtsbijstandjurist) zijn de kosten daarvan voor eigen
                    rekening. Betrokkenen kunnen ook kiezen voor een niet-professionele
                    raadspersoon. </al><al>In sommige organisaties is het mogelijk dat de vertrouwenspersoon tevens als
                    raadspersoon van de klager fungeert bij een zitting. Of dit mogelijk en
                    wenselijk is hangt af van de rolopvatting/functiebeschrijving van
                    vertrouwenspersoon die de betreffende organisatie hanteert. Het fungeren van de
                    vertrouwenspersoon als raadspersoon ter zitting kan in conflict komen met andere
                    aspecten van de rol van de vertrouwenspersoon zoals geheimhouding en
                    onafhankelijkheid.</al><tussenkop>Toelichting artikel 10 Omgang met persoonsgegevens </tussenkop><al>De commissie werkt met (persoons)gegevens, waartoe ook bijzondere
                    persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen
                    behoren. Persoonsgegevens mogen door de commissie slechts verzameld en verwerkt
                    worden met het doel een advies uit te brengen over de klacht. Grondslag hiervoor
                    is de verplichting van het bevoegd gezag om klachten op zorgvuldige wijze te
                    behandelen. </al><al>De commissie verwerkt de gegevens op een veilige wijze. In de praktijk betekent
                    dit dat de secretaris van de commissie de gegevens op zodanige wijze opslaat en
                    communiceert dat er geen risico is op onbevoegde kennisname. </al><tussenkop>Toelichting artikel 11 Advies van de
                    commissie</tussenkop><al>Het bevoegd gezag dient de klacht binnen 10 weken af te doen. Daarbinnen geldt
                    de termijn van 8 weken voor het advies van de commissie aan het bevoegd gezag. </al><al>Er zijn twee soorten advies mogelijk: het advies over de gegrondheid van de
                    klacht (artikel 11, lid 1) en het advies om de klacht niet ontvankelijk te
                    verklaren (artikel 11, lid 3). </al><al>De commissie is niet verplicht het afschrift van een advies tot niet
                    ontvankelijkverklaring aan de aangeklaagde te zenden. Dit wordt niet nodig
                    geacht omdat het niet tot klachtbehandeling komt. </al><tussenkop>Toelichting artikel 12 Afdoening van de
                    klacht</tussenkop><tussenkop>Termijnen</tussenkop><al>De wettelijke termijnen gelden, hetgeen wil zeggen dat de klacht binnen 10 weken
                    wordt afgedaan, met de mogelijkheid van verdaging voor ten hoogste 4 weken. Er
                    kan bijvoorbeeld verdaagd worden indien de klachtencommissie niet binnen 8 weken
                    advies uitbrengt. </al><tussenkop>Bezwaar en beroep</tussenkop><al>De conclusie van het bevoegd gezag in het kader van een klachtenprocedure, de
                    afdoeningsbrief, is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Als de conclusies van
                    de klachtenprocedure aanleiding geven tot het nemen van een ander besluit,
                    bijvoorbeeld een rechtspositionele maatregel, staat daar voor de belanghebbende
                    de normale rechtsgang tegen open.</al><al>Een klager kan zich in tweede instantie wenden tot een externe klachtinstantie
                    met een klacht over het bestuursorgaan. Het bevoegd gezag dient klager in de
                    afdoeningsbrief op deze externe klachtenprocedure (zoals de gemeentelijke of
                    nationale Ombudsman) te wijzen.</al><tussenkop>Niet-ontvankelijkheid</tussenkop><al>Indien het bevoegd gezag concludeert dat een klacht niet ontvankelijk is in de
                    zin van deze regeling dient de klacht op andere wijze te worden behandeld. Op
                    grond van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om een klacht behoorlijk te
                    behandelen.</al><tussenkop>Openbaarheid</tussenkop><al>Informatie van een bestuursorgaan is in beginsel openbaar. Verstrekking van
                    informatie blijft achterwege indien het persoonsgegevens betreft. Dit laatste
                    geldt bijvoorbeeld voor schriftelijke stukken omtrent een klacht, zoals een
                    verslag van het horen, het advies en de afdoeningsbrief. Verstrekking van deze
                    documenten is mogelijk indien deze geanonimiseerd zijn, dat wil zeggen geen
                    gegevens bevatten die tot personen herleidbaar zijn, of wanneer degenen op wie
                    de persoonsgegevens betrekking hebben daarvoor toestemming geven. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>