<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR173161_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 1 april 2009 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Brandpreventie ; brandveiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                            plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                            ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>Meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn.</al></li><li nr="b."><al>Aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft.</al></li><li nr="c."><al>Aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden in
                                het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het
                                beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen
                                bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn analoog van toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen
                            bij brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.4, 2.5 2.6, 2.7 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig
                            gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn analoog van toepassing</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander terrein, dat met brandbare gewassen in Midden-Drenthe is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door het college
                            aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe 2000 van 4 december 1997
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe 2000 en die van kracht
                                zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden
                                aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de
                                Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe 2000 is ingediend waarop
                                nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening Midden-Drenthe
                                2000 wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking
                            ervan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            Midden-Drenthe. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 26 maart 2009,</ondertekening><ondertekening>de griffier</ondertekening><ondertekening>J.Pit</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Broertjes</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever geeft in de Brandweerwet 1985 de raad de opdracht bij verordening
                    regels vast te stellen omtrent het voorkomen, beperken en bestrijden van brand,
                    het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                    brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor zover daarin niet bij of
                    krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien. De wetgever heeft ook de
                    titel van de verordening bepaald: brandbeveiligingsverordening.</al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen 'voor zover daarin bij of
                    krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien'. Hierop moet bij het
                    stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente zich
                    telkens weer afvragen in hoeverre een wet voorziet of mede (indirect) voorziet
                    in de brandveiligheid die in de Brandweerwet 1985 als opdacht aan het college is
                    opgedragen. Als dit het geval is gaat die wet als juridische basis voor op de
                    Brandweerwet 1985. Het kan ook zijn dat de gemeente niet bevoegd is om eisen te
                    stellen. Een bekend voorbeeld is een bedrijfshulpverleningsorganisatie die tot
                    doel heeft werknemers te beschermen tegen gevaren, waaronder brandgevaar. Dit is
                    een aangelegenheid die regeling vindt in de Arbeidsomstandighedenwet. Het rijk
                    is hier het bevoegd gezag. De gemeente kan daarom geen eisen stellen aan een
                    organisatie die tot doel heeft in de (brand)veiligheid van werknemers te
                    voorzien. Gemeenten zijn in dit geval afhankelijk van anderen of en in hoeverre
                    zaken goed zijn geregeld. Met andere woorden: de brandbeveiligingsverordening is
                    een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar
                    waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van
                    de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek plaatsvinden
                    naar wetgeving die mogelijk van toepassing zou kunnen zijn en van rechtswege
                    voorrang heeft. In de dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal
                    standaard gevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een open bron. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld
                    een omheind weiland of een los met de wal verbonden drijvend hotel of
                    discotheek. De omschrijving in de Brandweerwet 1985 zelf kent een beperking van
                    doel, n.l. brandveiligheid, maar behoudens door andere wetgeving, geen beperking
                    van object, de omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving. </al><al>Voor zo'n object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk is
                    waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken evenwel
                    op bekende zaken. Analoog daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk van
                    een specifieke situatie. Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat.
                    Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de
                    bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip
                    bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het
                    Gebruiksbesluit, dat is gekozen naar aanleiding van de definitie van het begrip
                    bouwen in de Woningwet, is een constructie die drijft op het water meestal geen
                    bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de
                    grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader, voor hetzelfde
                    object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor
                    de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde
                    plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde
                    tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond
                    van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over de lastige
                    vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van
                    staande jurisprudentie, een uitgebreide toelichting</al><al>Het spreekt voor zich dat gemeenten bij de uitvoering van de
                    brandbeveiligingsverordening de nodige zorg moeten betrachten, vooral omdat de
                    regels van de brandbeveiligingsverordening met hun algemene omschrijving van
                    geval tot geval in concrete eisen moeten worden omgezet. </al><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het oprichten en veranderen van bouwwerken (zoals
                    gebouwen), de technische staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen en het
                    gebruik van bouwwerken. De beperking als gevolg van het bepaalde in de Woningwet
                    laat zich het best omschrijven door de definities van de begrippen. </al><al>bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
                    veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk
                    oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats; </al><al>gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of
                    gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;</al><al>standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
                    voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven,
                    andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.</al><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de model bouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-b<cursief>ouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald op een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. Een uitgebreide opsomming van
                    jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de Model-bouwverordening van
                    de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><tussenkop>Gebruiksvergunning</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht behoeven. Gezien de zo grote verscheidenheid aan situaties is er niet
                    voor gekozen een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht in te stellen omdat
                    tussen die situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast
                    staan in de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet
                    worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één woord: inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. </al><al>Het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit geven richtlijnen voor de te stellen
                    voorwaarden. Langs die lijnen (analoog) moet met verstand van zaken worden
                    gehandeld.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet). Voor de
                    goede orde voor de laatstgenoemde 'boot' kunt u eisen stellen aan
                    energiezuinigheid etc.op grond van het Bouwbesluit. Aan de eerstgenoemde
                    'boot' kan dit niet omdat deze immers geen bouwwerk is in de zin van de
                    bouwverordening en de Woningwet. </al><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt aangegeven dat
                    onder toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of
                    krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een
                    persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in
                    afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de
                    Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college
                    worden beperkt. In dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang.
                    Hierin staat beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te
                    vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht. Het college wijst in verband met het bepaalde in artikel 1,
                    lid 6 van de Brandweerwet 1985 in elk geval de brandweer aan als gemeentelijke
                    dienst belast met het toezicht op de naleving van de
                    brandbeveiligingsverordening. Tevens kunnen ook andere personen met het toezicht
                    op de naleving worden belast, zoals ambtenaren van het bouw- en woningtoezicht
                    en de regionale brandweer. Aanwijzing betekent niet dat zij tevens
                    opsporingbevoegd zijn.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast
                    met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten
                    betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                    hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                    regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder is de grondslag voor de
                    aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de
                    buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij
                    toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon
                    opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen
                    en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Op overtreding van de regels van deze verordening kan op grond van artikel 23
                    van de Brandweerwet 1985 als straf worden gesteld hechtenis van ten hoogste een
                    jaar of geldboete van de derde categorie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>