<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17316_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling bestuurlijke boeten 2004.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Almere Vandaag, 2004-05-14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen Almere 2004.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet inzake rijksbelastingen, hoofdstuk VIIIA</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 231, lid 1 en lid 2, aanhef en onderdeel a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-05-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-05-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling bestuurlijke boeten 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Het college van burgemeester en wethouders van Almere;</al><al/><al>Gelet op hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en
                        artikel 231, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>Besluit vast te stellen de navolgende:</al><al/><al>Regeling bestuurlijke boeten 2004</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De regeling bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen Almere (hierna
                            te noemen: de regeling) bevat beleidsregels voor het opleggen van
                            bestuurlijke boeten bij de heffing van gemeentelijke belastingen,
                            heffingen en rechten waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                            (AWR) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Begrip belanghebbende</titel></kop><al>Onder de belanghebbende wordt voor de toepassing van deze regeling
                            verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toerekening</titel></kop><al>Een handeling of nalatigheid van een derde die voor of namens de
                            belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verzuimboete/vergrijpboete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale
                                verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van de
                                verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze
                                verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld legt
                                de heffingsambtenaar geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt
                                dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld, vernietigt de
                                heffingsambtenaar de boete. De belanghebbende dient afwezigheid van
                                alle schuld te stellen en te bewijzen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handeling of
                                nalatigheid waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De
                                heffingsambtenaar dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te
                                stellen en te bewijzen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichte keuze verzuimboete of vergrijpboete</titel></kop><al>Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij
                            wege van aanslag worden geheven alsmede bij het niet, gedeeltelijk niet
                            of niet tijdig betalen van belastingen die op aangifte moeten worden
                            voldaan, maakt de heffingsambtenaar een keuze tussen het opleggen van
                            een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal
                            opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor
                            hetzelfde feit uit. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien
                            opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gelijktijdigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een
                                met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in
                                beginsel gelijktijdig plaats. Uitzonderingen zijn met name de
                                gevallen in de artikelen 67e, derde lid, en 67f, vijfde lid,
                                AWR.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een afzonderlijke boetebeschikking wordt gegeven in de gevallen
                                waarin een boete kan worden opgelegd terwijl geen belasting
                                verschuldigd is, dan wel geen belastingaanslag wordt of kan worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ambtshalve vermindering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende niet meer in rechte tegen een hem opgelegde
                                boete op kan komen, gaat de heffingsambtenaar na ontvangst van een
                                verzoek om ambtshalve vermindering na of de boete tot de juiste
                                hoogte is vastgesteld. Indien het de heffingsambtenaar blijkt dat de
                                boete op een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij de
                                boete.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De termijn waarbinnen de belanghebbende kan verzoeken om
                                vermindering van de boete bedraagt drie jaar, te rekenen vanaf de
                                dag na het onherroepelijk worden van de boetebeschikking. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De heffingsambtenaar vermindert in elk geval ambtshalve een
                                opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de
                                grondslag voor de berekening van de boete voor verlaging in
                                aanmerking komt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr></kop><afdeling><kop><nr>A.</nr><titel>Algemene bepalingen met betrekking tot verzuim- en
                                vergrijpboeten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Dag van betaling</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:</al><lijst><li nr="-"><al>bij betalingen per bank of Postbank de datum van
                                        bijschrijving op de giro- of bankrekening van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="-"><al>bij contante betaling aan het loket de datum waarop het
                                        bedrag aan het loket is betaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Karakter boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen
                                    van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees
                                    Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                                    fundamentele vrijheden (EVRM). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aan de belanghebbende, in verband met het opleggen van
                                    boeten, toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het
                                    inzagerecht, vanaf het tijdstip waarop de heffingsambtenaar
                                    jegens de belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan
                                    deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
                                    wegens bepaald gedrag een boete is of zal worden opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Straftoemeting</titel></kop><al>Bij het opleggen van een boete gaat de heffingsambtenaar uit van de
                                percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken 3en 4 van deze
                                regeling. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van
                                straftoemeting is, houdt de heffingsambtenaar vervolgens in
                                voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding
                                geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze
                                hoofdstukken kan worden opgelegd (zie hoofdstuk 5 van dit besluit).
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Redelijke termijn</titel></kop><al>Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van
                                het EVRM kan aanleiding zijn tot matiging van de boete, dan wel in
                                uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de
                                beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden,
                                moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het
                                processuele gedrag van de belanghebbende en de wijze waarop de
                                heffingsambtenaar de zaak behandelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beperking van de informatieverplichtingen</titel></kop><al>Indien de heffingsambtenaar jegens de belanghebbende een handeling
                                heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
                                verbinden dat aan hem wegens bepaald gedrag een boete zal worden
                                opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van
                                dit gedrag een verklaring af te leggen voor zover het de
                                boeteoplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met
                                het oog op de boeteoplegging gevraagde inlichtingen en gegevens
                                leidt niet tot omkering van de bewijslast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verhoor</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van een verhoor in de zin van artikel
                                        67<cursief>l</cursief> van de AWR indien de
                                    heffingsambtenaar de belanghebbende in een directe confrontatie
                                    ondervraagt in het kader van zijn voornemen een boete op te
                                    leggen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verhoor vindt niet eerder plaats dan na schriftelijke oproep
                                    door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar vermeldt in de
                                    oproep dat de belanghebbende tijdens het verhoor niet tot
                                    antwoorden is verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belanghebbende dient zelf te verschijnen. Met instemming van
                                    de heffingsambtenaar kan de belanghebbende zich laten
                                    vertegenwoordigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden
                                    verplicht. Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te
                                    worden gewezen (cautie).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De belanghebbende kan zich tijdens het verhoor doen
                                    bijstaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer een belanghebbende die de Nederlandse taal niet of
                                    gebrekkig beheerst, vóór het verhoor verzoekt om bijstand van
                                    een tolk, draagt de heffingsambtenaar er zorg voor dat deze
                                    wordt benoemd. Indien de heffingsambtenaar wéét dat de
                                    Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, draagt hij zorg
                                    voor de aanwezigheid van een tolk. Indien tijdens het verhoor
                                    blijkt dat de belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst,
                                    wordt het verhoor afgebroken. Het verhoor vindt dan plaats op
                                    een later moment waarbij de heffingsambtenaar zorg draagt voor
                                    de aanwezigheid van een tolk. Voor dat nieuwe verhoor wordt een
                                    aparte oproep verzonden of uitgereikt. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De heffingsambtenaar maakt na afloop van het verhoor een verslag
                                    waarin hij vermeldt dat de cautie is gegeven. De belanghebbende
                                    krijgt een afschrift van het verslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Recht op inzage</titel></kop><al>Het aan de belanghebbende in artikel 67m van de AWR toegekende recht
                                op inzage geldt vanaf het moment waarop de heffingsambtenaar de
                                belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een verzuimboete is
                                opgelegd of hem ervan in kennis heeft gesteld dat hem een
                                vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het
                                opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden
                                de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk,
                                geanonimiseerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Mededelingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 67g, tweede lid, AWR bedoelde mededeling geschiedt
                                    schriftelijk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opleggen van een verzuimboete vermeldt de mededeling het
                                    feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete
                                    alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde
                                    uitgangspunten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opleggen van een vergrijpboete vermeldt de mededeling de
                                    feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de
                                    boete alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan
                                    worden aangenomen dat er sprake is van opzet of grove schuld. In
                                    voorkomende gevallen dient de mededeling tevens de bijzondere
                                    omstandigheden te vermelden van hoofdstuk 6 van dit besluit die
                                    tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben
                                    geleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Begrijpelijke taal</titel></kop><al>Indien de heffingsambtenaar weet dat de belanghebbende noch zijn
                                gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de
                                mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave
                                in een voor de belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke
                                taal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Termijnoverschrijding</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn
                                in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de
                                termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden
                                toegerekend, verklaart de heffingsambtenaar hem ontvankelijk in zijn
                                bezwaar, tenzij de heffingsambtenaar aantoont dat deze stelling van
                                de belanghebbende niet juist is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overlijden van belanghebbende</titel></kop><al>Indien de heffingsambtenaar binnen drie jaar na het tijdstip van
                                overlijden van de belanghebbende daarvan op de hoogte raakt en hem
                                geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen,
                                dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en
                                derde lid, AWR ambtshalve toe. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>B</nr><titel>Bijzondere bepalingen met betrekking tot vergrijpboeten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Kennisgeving/hoorplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen
                                    en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt
                                    schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De heffingsambtenaar geeft de belanghebbende een redelijke
                                    termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan
                                    betwisten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde
                                    gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de
                                    heffingsambtenaar gehoord. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 16 van dit besluit is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Una via</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het ‘una via’-beginsel sluit het opleggen van een vergrijpboete
                                    op grond van de artikelen 67d of 67e AWR uit in gevallen waarin
                                    ter zake van hetzelfde feit tegen de belanghebbende een
                                    strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting
                                    een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging
                                    is vervallen omdat de belanghebbende aan de hem daartoe gestelde
                                    voorwaarden heeft voldaan (transactie). Omgekeerd sluit het
                                    opleggen van een vergrijpboete aan de belanghebbende
                                    strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid houdt in dat de heffingsambtenaar het opleggen
                                    van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat bepaald gedrag
                                    onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van
                                    een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de
                                    belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd,
                                    dreigt te verstrijken, treedt de heffingsambtenaar tijdig in
                                    overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of
                                    er definitief voor strafrechtelijke afwikkeling wordt gekozen of
                                    dat er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Verzuimboeten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanslagbelastingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig
                                doen van aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden
                                voldaan (tijdvakbelastingen en tijdstipbelastingen), wordt een
                                onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend
                                verzuim.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake
                                is van afwezigheid van alle schuld telt het verzuim niet mee voor de
                                verzuimenreeks.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een tweede, derde en volgend verzuim is sprake als een
                                belanghebbende in een periode van vijf jaar direct voorafgaande aan
                                het tijdvak waarover deze in verzuim is, voor dezelfde
                                belastingsoort al eerder in verzuim is geweest. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsambtenaar legt in geval van een eerste verzuim een
                                verzuimboete op € 25,-. In geval van een tweede verzuim legt de
                                heffingsambtenaar een boete op van € 56,-. De heffingsambtenaar legt
                                een boete van € 113,- op per verzuim, indien sprake is van een
                                derde/volgend verzuim.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Aangiftebelastingen</titel></kop><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig
                                doen van aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden
                                voldaan (tijdvakbelastingen en tijdstipbelastingen), wordt een
                                onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend
                                verzuim.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake
                                is van afwezigheid van alle schuld telt het verzuim niet mee voor de
                                verzuimenreeks.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Van een tweede, derde en volgend verzuim is sprake als een
                                belanghebbende in een periode van vijf jaar direct voorafgaande aan
                                het tijdvak waarover deze in verzuim is, voor dezelfde
                                belastingsoort al eerder in verzuim is geweest. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De heffingsambtenaar legt in geval van een eerste verzuim een
                                verzuimboete op € 25,-. In geval van een tweede verzuim legt de
                                heffingsambtenaar een boete op van € 56,-. De heffingsambtenaar legt
                                een boete van € 113,- op per verzuim, indien sprake is van een
                                derde/volgend verzuim.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Vergrijpboeten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove
                            schuld of opzet. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet.
                            Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van
                            verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.</al><al>Ingeval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op
                            van 25% van het bedrag van de aanslag.</al><al>In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van
                            50% van het bedrag van de aanslag.</al><al>Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van
                            de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van de
                            belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald,
                            berekent de heffingsambtenaar de boete over dat – naar evenredigheid
                            bepaalde – gedeelte.</al><al>Het in het vierde lid neergelegde beginsel vindt overeenkomstige
                            toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Aangiftebelastingen</titel></kop><al>Gelijktijdig met de aanslag legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete
                            op indien een aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt
                            geheven, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.</al><al>Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de
                            vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan
                            de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte
                            waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden.</al><al>De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag. Onder
                            het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf
                            verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde
                            voorlopige aanslagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Aanslagbelastingen</titel></kop><al>Met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven,
                            legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met het vaststellen van de
                            navorderingsaanslag, een vergrijpboete op, indien het aan opzet of grove
                            schuld van de belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag
                            bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.</al><al>Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd
                            eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het
                            verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar
                            binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een
                            vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de
                            belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de
                            navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen
                            van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Bijzondere omstandigheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de met toepassing van
                            de hoofdstukken 3 en 4 bepaalde hoogte van de boete te verhogen of te
                            matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Strafverzwarende omstandigheden</titel></kop><al>In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden
                            met het aantal malen dat vergrijpen in een bepaalde periode hebben
                            plaatsgevonden (recidive). Van recidive is sprake als aan de
                            belanghebbende voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een
                            vergrijpboete of een straf is opgelegd. In geval van recidive wordt de
                            vergrijpboete bij grove schuld verhoogd tot maximaal 50% van het bedrag
                            van de aanslag en de vergrijpboete bij opzet tot maximaal 100% van het
                            bedrag van de aanslag. Met een straf wordt gelijkgesteld het vervallen
                            van het recht tot strafvordering volgens artikel 76, tweede lid van de
                            AWR of op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. Verhoging
                            van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de
                            periode van vijf jaar voorafgaand aan de door de heffingsambtenaar
                            opgelegde vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd, een
                            transactie is voldaan, dan wel strafoplegging heeft plaatsgevonden. </al><al>Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van
                            opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de
                            vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve
                            gecorrigeerd.</al><al>De ernst van het te beboeten gedrag kan aanleiding geven de op de voet
                            van artikel 4.25, tweede en derde lid, van deze regeling, op te leggen
                            boete te verhogen tot maximaal 100% van het bedrag van de aanslag.
                            Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van fraude of
                            zwendel. Van fraude of zwendel is met name sprake in geval van
                            listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het gevolg van het te
                            beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven
                            dan wel betaald omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk is, verhoogt
                            de heffingsambtenaar de vergrijpboete eveneens tot maximaal 100% van het
                            bedrag van de aanslag.</al><al>Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een vergrijpboete te
                            verhogen, dan wel een vermindering van een vergrijpboete te beperken of
                            na te laten op grond van de persoonlijke omstandigheden van de
                            belanghebbende of de wijze waarop, dan wel de omstandigheden waaronder,
                            het feit heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Wanverhouding/Verzachtende omstandigheden</titel></kop><al>Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of
                            opgelegde boete te matigen behoren een wanverhouding tussen de ernst van
                            het feit en de op grond van de hoofdstukken 3 en 4 op te leggen of
                            opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare
                            feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende
                            liggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Financiële omstandigheden</titel></kop><al>Zowel bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als voor de
                            mate waarin de boete de belanghebbende treft, spelen de financiële
                            omstandigheden van de belanghebbende geen rol.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Dit besluit is van toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen
                            die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen
                            onderscheidenlijk liggen op of na de achtste dag na de bekendmaking van
                            deze regeling, maar niet eerder dan 1 januari 2004.</al><al>Voor het bepalen van het aantal verzuimen als bedoeld in de artikelen 21
                            en 23 van dit besluit, worden mede in aanmerking genomen, de verzuimen
                            die zijn begaan voor de in het eerste lid genoemde datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als Regeling bestuurlijke boeten
                            gemeentelijke belastingen Almere 2004.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en
                        wethouders d.d. 4 mei 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Almere, 4 mei 2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>B.M. Arnold A. Jorritsma-Lebbink</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>