<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR172866_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 2 mei 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentewet, subsidiebepalingen uit Hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de gelijknamige verordening uit 2008.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al><cursief>Awb</cursief>: </al><al>Algemene wet bestuursrecht. </al><al><cursief>Subsidie</cursief>: </al><al>de aanspraak op financiële middelen, door de gemeente </al><al>verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de
                            subsidieontvanger, anders dan als betaling voor aan de gemeente
                            geleverde goederen of diensten.</al><al><cursief>Budgetsubsidie</cursief>: </al><al>een subsidie voor activiteiten die bijdragen aan de realisering</al><al>van gemeentelijke beleidsdoelen voor de uitvoering waarvan een budget is
                            vastgesteld.</al><al><cursief>Budgetperiode</cursief>: </al><al>de periode waarover het budget in het kader van een budgetsubsidie is
                            vastgesteld.</al><al><cursief>Waarderingssubsidie:</cursief></al><al>een incidentele of structurele subsidie in een activiteit of
                            activiteiten, ongeacht de feitelijke kosten van deze activiteiten. </al><al><cursief>Subsidiejaar</cursief>: </al><al>het kalenderjaar waar de subsidie betrekking op heeft. </al><al><cursief>Subsidieplafond</cursief>: </al><al>het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is
                            voor de verstrekking van subsidie voor bepaalde activiteiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op alle door het gemeentebestuur te
                            verstrekken subsidies, tenzij een specifieke verordening van toepassing
                            is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheden raad en college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt bij raadsbesluit de beleidsdoelen vast en de
                                resultaten die hij met de voor subsidiëring beschikbaar gestelde
                                bedragen wil bereiken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen ter verdeling van
                                een in de begroting beschikbaar gesteld bedrag. Daarbij wordt
                                bepaald op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd met inachtneming van de Awb en deze
                                verordening besluiten te nemen tot verlening indien en voor zover de
                                voor de subsidie benodigde gelden in de gemeentebegroting zijn
                                opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd met inachtneming van de Awb en deze
                                verordening besluiten te nemen tot vaststelling, weigering,
                                intrekking, wijziging en terugvordering, alsmede tot het verlenen
                                van voorschotten. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt welke subsidiesoort van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan voor de uitvoering van de uit deze verordening
                                voortvloeiende bevoegdheden beleidsregels vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Rechtspersoonlijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies kunnen worden verleend aan rechtspersonen zonder
                                winstoogmerk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan subsidie worden verleend aan natuurlijke
                                personen. De in deze verordening opgenomen bepalingen zijn dan
                                zoveel mogelijk overeenkomstig van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gemeentelijk belang</titel></kop><al>Subsidiering van activiteiten vindt slechts plaats voor zover deze in
                            voldoende mate in het algemeen gemeentelijk belang worden geacht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag tot subsidieverlening kan naast de in de artikelen 4:25
                                en 4:35 Awb genoemde gevallen worden geweigerd, als naar het oordeel
                                van het college gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:</al><al>a. de gelden niet of in onvoldoende mate zullen worden besteed voor
                                het doel waarvoor de subsidie wordt verleend;</al><al>b. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien
                                die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare
                                orde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot subsidieverlening kan voorts worden geweigerd indien
                                naar het oordeel van het college:</al><al>a. de activiteiten niet in voldoende mate in het algemeen
                                gemeentelijk belang zijn; </al><al>b. de activiteiten niet in voldoende mate ten goede komen aan de
                                inwoners van de gemeente Midden-Drenthe;</al><al>c. subsidieverlening niet past binnen het beleid van de
                                gemeente;</al><al>d. de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden,
                                hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden beschikt
                                of kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;</al><al>e. de aanvraag te laat is ingediend of de voor de beoordeling van de
                                aanvraag gevraagde stukken niet of niet op tijd zijn
                                ingeleverd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Betalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een subsidiebedrag beneden € 25.000,- wordt het voorschotbedrag
                                in de eerste maand van het subsidiejaar in zijn geheel uitbetaald.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een hoger subsidiebedrag wordt 25% van het voorschotbedrag in de
                                eerste maand van elk kwartaal uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Terugbetaling van subsidiegelden door een subsidieontvanger
                                geschiedt binnen een maand na de verzenddatum van het verzoek
                                daartoe. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat
                                daaruit te allen tijde diens rechten en verplichtingen blijken,
                                evenals de betalingen en ontvangsten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarrekening en het jaarverslag moeten op dezelfde wijze worden
                                gepresenteerd als de begroting en het activiteitenplan, zodat
                                vergelijking en controle goed kunnen plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger verleent onmiddellijk medewerking aan
                                onderzoeken die het gemeentebestuur dan wel de rekenkamercommissie
                                in het kader van de subsidiëring redelijkerwijs nodig achten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien tijdens de subsidieperiode de statuten wijzigen of de
                                bestuurssamenstelling wijzigt, wordt het college hierover terstond
                                geïnformeerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Ontbinding, fusie en faillissement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger stelt het college onmiddellijk op de hoogte van
                                het voornemen tot ontbinding of fusie van de rechtspersoon of van
                                zijn faillissement, dan wel van het voornemen tot het doen van
                                aangifte daartoe of het aanvragen van surséance van betaling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij ontbinding van de rechtspersoon dienen de conform artikel 11 lid
                                4 en 5 opgebouwde reserves en de reeds uitbetaalde subsidiebedragen
                                dan wel voorschotten te worden terugbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Intrekking en wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een inhoudelijke of financiële verantwoording ook na ommekomst
                                van een redelijke hersteltermijn niet tijdig of niet volledig is
                                ingediend kan het college de subsidie ten nadele van de
                                subsidieontvanger wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een subsidiebeschikking intrekken in het geval: </al><al>a. de subsidieontvanger het voornemen heeft over te gaan tot
                                ontbinding of fusie van de rechtspersoon, of dit is geschied; </al><al>b. subsidieontvanger het voornemen heeft tot het doen van aangifte
                                tot faillissement, dit is geschied of faillissement is uitgesproken; </al><al>c. de subsidieontvanger het voornemen heeft tot het vragen van
                                surseance van betaling of deze is aangevraagd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Budgetsubsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Een budgetsubsidie is een subsidie voor activiteiten die bijdragen aan
                            de realisering van gemeentelijke beleidsdoelen voor de uitvoering
                            waarvan een budget is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetoverleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treedt voor 1 juni van het jaar voor aanvang van een
                                nieuwe budgetperiode in overleg met de subsidieaanvrager over de
                                activiteiten, de prestaties, het financiële kader en de door het
                                college voorgenomen subsidievoorwaarden teneinde voor een bepaalde
                                budgetperiode tot overeenstemming te komen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de budgetperiode vast op minimaal één en maximaal
                                vier jaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor 1 juli van het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar deelt het
                                college aan de subsidieaanvrager het in de gemeentebegroting
                                opgenomen voorlopige budgetbedrag mee voor het subsidiejaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet worden ingediend vóór 1 oktober van het jaar
                                voorafgaand aan het subsidiejaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag worden gevoegd een activiteitenplan en een
                                begroting. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het activiteitenplan wordt de relatie aangetoond tussen de
                                voorgenomen activiteiten en de gemeentelijke beleidsdoelen en in
                                meetbare prestaties aangegeven hoe met de voorgenomen activiteiten
                                de gemeentelijke beleidsdoelen worden bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidieaanvraag gaat vergezeld van kopieën van actuele
                                exemplaren van de statuten en de reglementen die de inrichting en de
                                werkzaamheden regelen, en een kopie van de inschrijving van de
                                rechtspersoon in de registers van de Kamer van Koophandel, indien en
                                voor zover deze stukken niet bij een eerdere aanvraag zijn
                                ingediend. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan, indien hij dit voor de beoordeling van de aanvraag
                                noodzakelijk acht, andere dan in het derde lid genoemde gegevens
                                vragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nieuwe activiteiten gedurende looptijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor nieuwe activiteiten wordt uiterlijk 1 april van het
                                jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar schriftelijk en gemotiveerd
                                bij het college ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de aanvraag is het bepaalde in het vorige artikel, de leden 1, 3,
                                4, 5 en 6 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de subsidie als naar zijn oordeel met de
                                activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de beleidsdoelen
                                zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 voldoende worden gehaald en de
                                middelen beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking wordt bepaald op basis waarvan achteraf de
                                vaststelling van de subsidie zal plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschikking tot subsidieverlening wordt medegedeeld uiterlijk op
                                31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verantwoording en vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na afloop van ieder subsidiejaar dient de subsidieontvanger vóór 1
                                mei volgend op dat subsidiejaar een aanvraag tot vaststelling
                                in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag wordt gevoegd een jaarrekening, een jaarverslag
                                waaruit de kosten per activiteit blijken, en een balans per 31
                                december van het subsidiejaar. De balans moet zijn voorzien van een
                                uitgebreide toelichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidievaststelling geschiedt op basis van het bijgestelde
                                bedrag als bedoeld in artikel 18 lid 4. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidievaststelling geschiedt op basis van de in de
                                verleningsbeschikking omschreven activiteiten. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vaststelling vindt plaats binnen 3 maanden na indiening van de
                                aanvraag met de jaarstukken als bedoeld in het eerste en tweede lid.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Accountantsverklaring</titel></kop><al>Bij een subsidiebedrag hoger dan € 300.000,- is een subsidieontvanger
                            verplicht om de jaarrekening te voorzien van een accountantsverklaring.
                            Deze dient een “getrouw beeld” verklaring te bevatten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Indexering en reservering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de in de gemeentebegroting voor budgetsubsidie beschikbaar
                                gestelde bedragen wordt uitgegaan van de index “loon- en
                                prijsontwikkeling” in de meicirculaire van het voorafgaande jaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het budget wordt jaarlijks geïndexeerd met het samengesteld gewogen
                                gemiddelde van de CPB indexen “materiële overheidsconsumptie” en
                                “lonen en salarissen voor de overheidssector”, zoals opgenomen in de
                                betreffende circulaire van het gemeentefonds. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De procentuele verdeling in het samengesteld gewogen gemiddelde
                                tussen de component “lonen” en de component “overige
                                exploitatiekosten” in het budget wordt door het college vastgesteld
                                in de verleningsbeschikking. Deze verdeling staat gedurende de
                                gehele budgetperiode vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het budget wordt bijgesteld op basis van de geactualiseerde index
                                “loon- en prijsontwikkeling” in de meicirculaire van het betreffende
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidieontvanger mag een algemene reserve ter hoogte van
                                maximaal 10% van het jaarlijkse subsidiebedrag aanhouden. Deze
                                reserve is bestemd om tegenvallers in de exploitatie op te vangen.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de subsidieontvanger toestaan dat
                                naast de algemene reserve bestemmingsreserves worden aangehouden,
                                indien daarvoor naar het oordeel van het college gegronde redenen
                                zijn. Het college bepaalt in de beschikking de bestemming en het
                                bedrag waarvoor de reserve mag worden opgebouwd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Waarderingssubsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Een waarderingssubsidie is een incidentele of structurele subsidie voor
                            een activiteit of activiteiten, ongeacht de feitelijke kosten van deze
                            activiteiten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag voor een structurele bijdrage moet worden
                                ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het
                                subsidiejaar, tenzij een andere termijn is bepaald bij de
                                vaststelling van het subsidieplafond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag voor een incidentele stimuleringsbijdrage moet
                                uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de activiteit worden ingediend,
                                tenzij een andere termijn is bepaald bij de vaststelling van het
                                subsidieplafond. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag bevat een adequate motivering en een duidelijke
                                beschrijving van de activiteiten. Bij de aanvraag is gevoegd een op
                                de activiteiten betrekking hebbende begroting. Tevens wordt in de
                                aanvraag aangegeven of voor de activiteiten aanspraak wordt gedaan
                                op andere gelden, voor zover dat niet uit de begroting blijkt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieaanvraag gaat vergezeld van kopieën van actuele
                                exemplaren van de statuten en de reglementen die de inrichting en de
                                werkzaamheden regelen, en een kopie van de inschrijving van de
                                rechtspersoon in de registers van de Kamer van Koophandel, indien en
                                voor zover deze stukken niet bij een eerdere aanvraag zijn
                                ingediend. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, indien hij dit voor de beoordeling van de aanvraag
                                noodzakelijk acht, andere dan in het derde lid genoemde gegevens
                                vragen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan van het bepaalde in dit artikel afwijken indien naar
                                zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij waarderingssubsidies tot een bedrag van € 5.000,- is de
                                verleningsbeschikking tevens de vaststellingsbeschikking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschikking tot subsidieverlening van een structurele
                                waarderingssubsidie wordt meegedeeld uiterlijk op 31 december van
                                het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschikking tot subsidieverlening van een incidentele
                                waarderingssubsidie wordt binnen 6 weken na het indienen van de
                                aanvraag meegedeeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de beschikking met een subsidiebedrag van € 5.000,- of meer wordt
                                bepaald op basis waarvan achteraf de vaststelling van de subsidie
                                zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verantwoording en vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vaststelling vindt plaats op basis van de in de
                                verleningsbeschikking opgenomen voorwaarden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in de verleningsbeschikking niet kenbaar is gemaakt welke
                                bescheiden benodigd zijn voor de vaststelling, dient de aanvraag tot
                                vaststelling vergezeld te gaan van een afrekening en een verslag
                                waaruit de kosten per activiteit blijken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet worden ingediend
                                binnen een termijn van 6 weken na afloop van de activiteiten dan wel
                                de termijn waarop de subsidie betrekking heeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De definitieve vaststelling vindt plaats binnen 3 maanden na de
                                ontvangst van aanvraag als bedoeld in het vorige lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Ontheffing en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van één of meerdere uit deze
                                verordening voortvloeiende verplichtingen indien bijzondere
                                omstandigheden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college in bijzondere individuele
                                gevallen de toepassing van een artikel van deze verordening of van
                                een op deze verordening gebaseerde beleidsregel leidt tot een
                                onbillijke situatie, dan is het college bevoegd hiervan af te
                                wijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beleidsregels op grond van de “Algemene subsidieverordening gemeente
                                Midden-Drenthe”, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 27 november
                                2008, blijven onverminderd van kracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De “Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Drenthe”, zoals
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 27 november 2008, vervalt met
                                ingang van 1 mei 2012. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Algemene subsidieverordening
                            gemeente Midden-Drenthe”. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 26 april 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>C.J. Onderwater</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Broertjes</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Algemene subsidieverordening Midden-Drenthe</titel></kop><al/><al>I.Algemene toelichting</al><al>Algemeen</al><al>Het kader voor de modernisering van het subsidiebeleid is door de gemeenteraad
                    vastgelegd in de “Nota ex artikel 212 verstrekking gemeentelijke subsidies 2008
                    – 2010. </al><al>Hierbij is gekozen voor een regisserende rol van de gemeente met als
                    doelstelling dat een subsidiebeleid wordt gevoerd dat zorgt voor een efficiënte
                    inzet van de middelen in relatie tot het realiseren van de gemeentelijke
                    beleidsdoelen. </al><al>De verordening is zodanig vernieuwd dat de nadruk is komen te liggen op de
                    regisserende rol van de gemeente. In het kader van het dualisme is de uitvoering
                    volledig bij het college komen te liggen. Uit oogpunt van deregulering is
                    gekozen voor eenvoudige regelgeving. </al><al>De in de verordening opgenomen regels zijn aanvullend op de subsidiebepalingen
                    in de Algemene wet bestuursrecht. Ook wordt op een aantal punten inhoudelijk
                    invulling gegeven aan de facultatieve bevoegdheden van de Awb. Zowel de
                    verordening als de Awb bieden de basis voor de subsidieverstrekking.
                    Subsidieverstrekking op grond van deze verordening (of enig andere
                    subsidieverordening binnen de gemeente) kan niet zonder gelijktijdige
                    raadpleging van de Awb. </al><al>De verordening geeft, naast een algemeen deel, welke van toepassing is op alle
                    door de gemeente te verstrekken subsidies, regels voor de behandeling van twee
                    subsidievormen, budgetsubsidie en waarderingssubsidie.</al><al>Andere vormen van subsidie, bijvoorbeeld de investeringssubsidie, zijn in deze
                    verordening niet afzonderlijk geregeld. De reden hiervan is dat deze, voor zover
                    deze niet in speciale verordeningen zijn geregeld, in de gemeente niet vaak
                    voorkomen, en dat de algemene regels van hoofdstuk 1, samen met de Awb genoeg
                    aanknopingspunten bieden om eventuele aanvragen te behandelen. Bovendien zal, in
                    het geval sprake is van een investeringssubsidie, hiervoor geen bedrag in de
                    begroting zijn opgenomen, zodat hiervoor alsnog een raadsbesluit nodig is.</al><al>De budgetsubsidie</al><al>Regisserende rol</al><al>De raad is verantwoordelijk voor het brede sociale beleid van de gemeente. Met
                    de budgetsubsidie wordt invulling gegeven aan de regisserende rol van de
                    gemeente door middel van het maken van budgetafspraken die gericht zijn op het
                    bereiken van de door de gemeenteraad gestelde beleidsdoelen. Het sturingselement
                    bestaat uit de formulering van de beleidsdoelen en de vaststelling van het
                    budget dat nodig is om die doelen te bereiken. </al><al>Om de sturing actief gestalte te geven is het nodig dat de raad duidelijke en
                    meetbare doelen vaststelt waarin de visie van de raad duidelijk tot uiting
                    komt.</al><al>In het bereiken van die doelen staat de samenwerking tussen de gemeente en de
                    maatschappelijke instellingen centraal. De samenwerking komt tot uitdrukking in
                    het budgetoverleg. Uitgangspunt daarbij is dat de maatschappelijke instellingen
                    vanuit hun eigen visie en missie invulling kunnen geven aan het beleid.
                    Ditzelfde uitgangspunt ligt ten grondslag aan de invoering van het vaste budget
                    over meerdere jaren. </al><al>Met de regeling van de budgetsubsidie worden twee belangrijke onderwerpen
                    geregeld: de vaststelling van een budget over een of meerdere jaren, en, als
                    noodzakelijke voorwaarde daarvoor, de mogelijkheid om te reserveren.</al><al>De regeling</al><al>Voor de budgetsubsidie is de in de regeling voorziene handelwijze in een
                    notendop als volgt. </al><al>Het college treedt in het jaar voor de budgetperiode in overleg met de
                    instelling over de wijze waarop de instelling de door de raad vastgestelde
                    doelen wil bereiken. </al><al>Dit overleg is gericht op het vaststellen van de door de instelling te
                    ontplooien activiteiten, de te behalen resultaten en de daartoe in te zetten
                    middelen, in relatie tot het door de raad beschikbaar gestelde budget. Daarnaast
                    is het overleg gericht op het vaststellen van de budgetperiode en de procentuele
                    verdeling tussen de personeelskosten en de overige kosten die aan de activiteit
                    verbonden zijn. </al><al>Indien overeenstemming wordt bereikt dan zal deze overeenstemming, ook genoemd
                    de “budgetafspraken” worden opgenomen als bijlage bij de verleningsbeschikking. </al><al>Het bij de aanvraag te voegen activiteitenplan zal logischerwijs overeenkomstig
                    de overeenstemming moeten zijn. Het activiteitenplan voorziet in een
                    gedetailleerde beschrijving van de activiteiten, en geeft een gemotiveerd
                    overzicht van de middelen (fysieke middelen, personeel, etc.) die de instelling
                    daartoe wil aanwenden, alsmede de kosten van deze middelen. </al><al>Het doel van dit plan is tweeërlei. In de eerste plaats het inzichtelijk maken
                    wat de activiteiten inhouden, zodat het college kan bepalen of daarmee de doelen
                    van de raad voldoende worden bereikt en kan bepalen welk budget voldoende moet
                    worden geacht. Voorts heeft het plan tot doel een eenvoudige toets mogelijk te
                    maken bij de vaststelling van de subsidie door het uitdrukken van de activiteit
                    in meetbare prestaties. </al><al>Het college toetst of het plan hiertoe voldoende informatie biedt. Indien dat
                    het geval is, zal het college kunnen overgaan tot het verlenen van de subsidie. </al><al>Indien bij het budgetoverleg op bepaalde onderdelen geen overeenstemming is
                    bereikt, dan wacht het college de aanvraag en het activiteitenplan af. Het
                    college kan dan subsidie verlenen of de aanvraag (gedeeltelijk) afwijzen. Het
                    college kan ook voor wat betreft gedeelten waarvoor geen overeenstemming is
                    bereikt voorwaarden opnemen in de verleningsbeschikking, rekening houdende met
                    hetgeen is besproken in het budgetoverleg. </al><al>Het college stelt in de verleningsbeschikking het budget en de budgetperiode
                    vast. Het budget, en de verhouding personeelskosten - overige kosten staat voor
                    de subsidieperiode vast. In de verordening is daarom voorzien in een indexatie
                    van beide gedeelten van het budgetbedrag met van de begroting onafhankelijke
                    indexcijfers. De verhouding personeelskosten - overige kosten geldt alleen voor
                    de berekening van de indexering. </al><al>Het voordeel voor de subsidieontvanger bij vaststelling van een budget over
                    meerdere jaren is dat de subsidieontvanger met meer zekerheid naar de nabije
                    toekomst kan kijken. De vaststelling van het budget over een langere periode
                    brengt mee dat de instelling binnen de periode de vrijheid heeft dat budget naar
                    eigen inzicht te besteden voor de activiteiten.</al><al>Het spreekt daarom vanzelf dat binnen de budgetperiode niet eenvoudig inbreuk
                    gemaakt kan worden op dit budget en de indexering. Indien de raad wil
                    bezuinigen, en/of andere prioriteiten wil stellen zal de raad dit op tijd
                    kenbaar moeten maken en zal opnieuw budgetoverleg moeten plaatsvinden. In het
                    geval dat voor afloop van de budgetperiode taken moeten worden afgestoten, zal
                    in het budgetoverleg aan de orde moeten komen of de instelling voor die af te
                    stoten taken voor de rest van de budgetperiode redelijkerwijs verplichtingen is
                    aangegaan. Als dat het geval is, zal beoordeeld moeten worden of er aanleiding
                    is daarvoor een regeling te treffen.</al><al>Binnen de budgetperiode blijft de jaarlijkse cyclus van aanvraag – verlening –
                    vaststelling in stand. </al><al>Voor wat betreft de activiteiten waarvoor het budget is vastgesteld blijft het
                    budgetbedrag gedurende de budgetperiode constant, zij het dat het budgetbedrag
                    wordt geïndexeerd met de CPB-indexen die lopende het jaar naar aanleiding van de
                    indexen van de meicirculaire definitief worden bijgesteld. </al><al>Ook het actieplan zal logischerwijze betrekking moeten hebben op dezelfde
                    activiteiten als die waarvoor het budget beschikbaar is gesteld. De lopende de
                    budgetperiode in te dienen activiteitenplannen zijn daarom mede (naast het
                    stellen van meetbare prestaties gericht op de jaarlijkse vaststelling) gericht
                    op het informeren van het college aangaande het verloop van de activiteiten en
                    de verwachte ontwikkelingen.</al><al>Indien, bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen of bijgestelde
                    inzichten, de in het activiteitenplan naar voren gebrachte activiteiten
                    substantieel afwijken van de activiteiten zoals die zijn vastgelegd in de eerste
                    verleningsbeschikking, dan kan dit, indien het college na goed overleg dit als
                    redelijk oordeelt, verdisconteerd worden in het budget en de voorwaarden bij het
                    budget, of beschouwd worden als een nieuwe aanvraag. Het college kan in het
                    laatste geval hiervoor bijvoorbeeld een waarderingssubsidie verlenen, maar ook
                    een afzonderlijke budgetsubsidie. Voor dat laatste biedt de verordening een
                    aparte regeling in artikel 14.</al><al>Indien de raad nieuwe of gewijzigde doelen stelt en daarvoor in de begroting
                    gelden reserveert, kan de procedure van artikel 14 ook gevolgd worden. Gekozen
                    kan dan worden voor het aanpassen van het bestaande budget en de voorwaarden bij
                    het budget, of een afzonderlijke budgetsubsidie. Het is in dat laatste geval
                    logisch dat de budgetperiode voor deze nieuwe activiteit aansluit bij de
                    einddatum van de reeds bepaalde budgetperiode. </al><al>Volgens de Awb geeft pas de vaststellingsbeschikking recht op betaling van de
                    subsidie. Het spreekt voor zich dat het college voor het voldoen aan de lopende
                    verplichtingen een voorschot verleent. Dit voorschot zal in het algemeen de
                    hoogte van het geïndexeerde budgetbedrag hebben. </al><al>Vaststelling van de subsidie vindt jaarlijks plaats na de toetsing van de
                    jaarstukken op grond van het subsidiebedrag zoals dat op grond van de indexen in
                    de meicirculaire van het lopende jaar is berekend. Om de toetsing eenvoudiger te
                    maken moet in de jaarstukken duidelijk zijn aangegeven in hoeverre de in het
                    activiteitenplan gepresenteerde prestaties en resultaten zijn gehaald. Voor
                    zover de prestaties naar het oordeel van het college niet geheel gehaald zijn,
                    kan het college de subsidie op grond van artikel 4:46 lid 2 onder a Awb lager
                    vaststellen en het verleende voorschot voor dat gedeelte terugvorderen.</al><al>Het college beoordeelt welke instellingen worden benaderd voor budgetsubsidie.
                    Instellingen die niet in aanmerking komen voor de budgetsubsidie kunnen via de
                    regels van de waarderingssubsidie (jaarlijks) gesubsidieerd worden. Het college
                    kan in de verleningsbeschikking verplichtingen en andere voorwaarden stellen </al><al>Reserveringen</al><al>De raad is in beginsel het bevoegde orgaan om te bepalen of een instelling een
                    reserve of een voorziening mag aanhouden voor de door de gemeente gesubsidieerde
                    onderdelen. De raad zal zich in het algemeen terughoudend opstellen ten aanzien
                    van het instellen van reserves bij gesubsidieerde instellingen. Het gaat immers
                    om gemeentelijke middelen die geparkeerd staan bij de gesubsidieerde
                    instellingen. Reserves maken onderdeel uit van het eigen vermogen.</al><al>Ten aanzien van budgetsubsidie is een afzonderlijke regeling opgenomen. Bepaald
                    is dat een algemene reserve van 10% van het subsidiebedrag mag worden
                    aangehouden. Verder is bepaald dat het college bevoegd is bestemmingsreserves
                    toe te staan.</al><al>algemene reserve</al><al>De algemene reserve is dat deel van het eigen vermogen waaraan geen specifieke
                    bestemming is gegeven. De algemene reserve is bedoeld voor de dekking van
                    nadelige rekeningresultaten, onvoorziene incidentele uitgaven en andere niet
                    voorziene risico’s, voor zover hierin niet op andere wijze is voorzien. </al><al>De reservecapaciteit van 10% wordt redelijk geacht omdat het budget voor een
                    aantal jaren vast staat. Weliswaar wordt het te betalen voorschot geïndexeerd
                    met een algemene prijsindex, zodat de algemene prijsstijgingen van lonen en
                    overige kosten worden gecompenseerd, voor onvoorziene uitgaven is het handig een
                    reserve te hebben, zodat men niet hoeft te lenen. Het is aan de instelling de
                    algemene reserve niet lichtvaardig aan te spreken. Het spreekt voor zich dat de
                    reserve alleen betrekking heeft op de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend. De opbouw van de algemene reserve kan over het algemeen gesproken
                    alleen plaatsvinden met voordelen die ontstaan zijn door efficiënt gebruik van
                    de subsidiegelden. Bij de motivering van de opbouw van de reserve, zoals dat bij
                    de aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient te geschieden, dient
                    aangetoond te worden in hoeverre en efficiëntievoordelen zijn behaald. Het is
                    aan het college te beoordelen in hoeverre de gestelde voordelen kunnen worden
                    toegevoegd aan de algemene reserve.</al><al>bestemmingsreserve</al><al>In de verordening is bepaald dat het college op aanvraag van de
                    subsidieontvanger kan toestaan dat naast de algemene reserve een
                    bestemmingsreserve wordt aangehouden. </al><al>Bestemmingsreserves kunnen worden gevormd ten behoeve van de dekking van
                    omvangrijke, toekomstige en voorzienbare uitgaven in verband met de realisering
                    van nieuw beleid of de versterking van bestaand beleid. Deze doelen worden
                    concreet omschreven en onderbouwd in een projectplan. De omvang van de
                    bestemmingsreserve wordt bij het instellen van de reserve vastgelegd.</al><al>Gezien het doel van bestemmingsreserves, zal het aan de instelling slechts bij
                    hoge uitzondering worden toegestaan een bestemmingsreserve te vormen. In het
                    budgetoverleg, dat gericht is op overeenstemming over de gehele budgetperiode,
                    zullen immers voorzienbare ontwikkelingen worden meegenomen. De budgetafspraken
                    kunnen daarop worden afgestemd. Indien het voorzienbaar is dat binnen de
                    budgetperiode ten behoeve van een te subsidiëren activiteit een grote uitgave
                    gedaan moet worden, kan de bestemmingsreserve als instrument gebruikt worden om
                    voor deze voorzienbare uitgave binnen het budget te reserveren. </al><al>Als gedurende de budgetperiode nieuw beleid wordt ontwikkeld dat nog niet
                    voorzienbaar was, ligt het voor de hand een subsidie aan te vragen voor die
                    nieuwe activiteiten. Dit vergt een nadere beoordeling. Met het opbouwen van een
                    reserve voor onvoorzienbare nieuwe activiteiten zou deze beoordeling worden
                    omzeild. Het spreekt voor zich dat hiervoor geen bestemmingsreserve toegestaan
                    zal worden.</al><al>Indien het doel van de reserve komt te vervallen wordt de bestemmingsreserve
                    opgeheven. Het is ter beoordeling van het college of de gelden dan toegevoegd
                    worden aan de Algemene reserve. In elk geval geldt dat in de
                    vaststellingsbeschikking de subsidie zal worden berekend naar gelang de
                    activiteiten hebben plaatsgevonden. Indien binnen het budget was gereserveerd
                    voor een activiteit welke niet plaatsgevonden heeft, zal het bedrag lager worden
                    vastgesteld.</al><al>voorzieningen</al><al>In de verordening wordt geen regeling gegeven voor voorzieningen. Voorzieningen
                    worden gerekend tot het vreemd vermogen en zijn vastgelegd voor toekomstige
                    eventueel optredende uitgaven. Het zijn fondsen voor concrete verplichtingen of
                    dienen om risico’s af te dekken. Omdat er sprake is van een achterliggende
                    verplichting is dit deel van het vermogen niet vrij aanwendbaar. Tot de
                    voorzieningen worden ook gerekend de van derden verkregen middelen die specifiek
                    besteed moeten worden, zoals subsidies. Of voorzieningen moeten worden getroffen
                    is aan de instelling. Het spreekt voor zich dat het niet is toegestaan dat
                    subsidiegelden zomaar worden gebruikt voor het treffen van voorzieningen. </al><al>Jaarlijks zal het college ten behoeve van de vaststelling van de subsidie de
                    reserves en voorzieningen toetsen op nut en noodzaak. In de toelichting op de
                    balans moet de gesubsidieerde instelling de aard en de reden van elke reserve en
                    voorziening en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toelichten.</al><al>Indien subsidiegelden zonder dat er sprake is van een relatie met activiteiten
                    en een goede reden in een voorziening of reserve geplaatst zijn, kan dit een
                    reden zijn het subsidiebedrag lager vast te stellen en het voorschot
                    gedeeltelijk terug te vorderen.</al><al>De waarderingssubsidie</al><al>Bij de waarderingssubsidie wordt ten behoeve van de procedure onderscheid
                    gemaakt tussen een incidentele en structurele stimuleringsbijdrage. Bij deze
                    subsidievorm gaat het over het algemeen om kleinere subsidiebedragen voor
                    activiteiten en instellingen die de gemeente graag wil ondersteunen of
                    aanmoedigen. De procedure en verantwoording zijn licht. Wel is het mogelijk aan
                    een waarderingssubsidie een prestatie te verbinden.</al><al/><al/><al><vet>II. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 2 Reikwijdte</al><al>Zie het algemene deel. Het artikel behoeft verder geen toelichting.</al><al>Artikel 3 Bevoegdheden raad en college</al><al><cursief>Lid 1</cursief> Gezien het dualisme tussen de raad en het college is
                    ervoor gekozen de volledige uitvoering van de subsidieverlening bij het college
                    te leggen. De raad stelt gelden beschikbaar en bepaalt wat met het geld moet
                    gebeuren. Het is dus aan de raad de beleidsdoelen te stellen waarop de
                    subsidieverlening gericht moet zijn. Dat de programmabegroting het stuk is
                    waarin de raad de doelen vastlegt ligt voor de hand. In de programmabegroting
                    geeft de raad zijn visie op het te voeren beleid. Hij stelt daarbij de doelen
                    vast. De subsidieverlening moet gericht zijn op deze beleidsdoelen. </al><al>Het is met het oog op de verlening van budgetsubsidie van groot belang hoe
                    concreet de beleidsdoelen worden gesteld. Een concreet gesteld doel
                    verduidelijkt de bevoegdheid van college, en zal de bevoegdheid in die zin ook
                    beperken. Een concreet gesteld doel biedt ook richtpunt voor de instellingen die
                    naar het oordeel van het college voor budgetsubsidie in aanmerking komen. </al><al>Voor de verlening van budgetsubsidies is de datum van vaststelling van de
                    programmabegroting niet gunstig. Immers voor het budgetoverleg en vervolgens de
                    aanvraag, waarbij het activiteitenplan moet worden overgelegd is het
                    noodzakelijk de beleidsdoelen te kennen. Voor de aanvraag, die voor 1 oktober
                    moet worden ingediend komt de vaststelling van de begroting in november
                    goedbeschouwd te laat. Het zal dan ook zo zijn dat de beleidsdoelen van het
                    vorige jaar richtinggevend zijn. Aangezien het niet waarschijnlijk is dat in de
                    beleidsdoelen van jaar tot jaar sterke wisselingen optreden zal een dergelijk
                    verloop van tijd geen problemen opleveren. In het budgetoverleg zullen recente
                    wijzigingen in de beleidsdoelen kunnen worden meegenomen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief> Een subsidieplafond kan worden ingesteld als de
                    subsidieregeling, bijvoorbeeld geregeld in beleid, het college verplicht
                    subsidie te verlenen als aan bepaalde criteria wordt voldaan, en het de
                    verwachting is dat het in de begroting opgenomen bedrag niet voldoende zal zijn
                    voor de dekking van de aanvragen.</al><al>Bij de instelling van het subsidieplafond moet bepaald worden:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdvak, bijvoorbeeld een jaar, en;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de aanvragen worden afgehandeld, bijvoorbeeld op
                            volgorde van binnenkomst, of verdeling van de beschikbare gelden over de
                            voor een bepaalde datum binnengekomen aanvragen.</al></li></lijst><al>Om werking te verkrijgen moet de vaststelling van het subsidieplafond voor het
                    tijdvak waarop het betrekking heeft, zijn vastgesteld en gepubliceerd. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief>De bevoegdheid gaat niet verder dan de gelden
                    die in de begroting zijn opgenomen. Indien een subsidie wordt aangevraagd
                    waarvoor geen of niet voldoende gelden op de begroting zijn gereserveerd, dan is
                    dat een grond de subsidie te weigeren. Indien het college van oordeel is dat
                    toch subsidie zou moeten worden gegeven, kan het college de raad vragen gelden
                    beschikbaar te stellen. </al><al>Artikel 4 Rechtspersoonlijkheid </al><al>Vanwege het gevaar van misbruik worden subsidies in principe alleen verleend aan
                    rechtspersonen met een solide achtergrond (zie ook de weigeringsgrond van
                    artikel 6 lid 1). Rechtspersonen zonder winstoogmerk zijn verenigingen en
                    stichtingen. In bijzondere gevallen kan er subsidie worden verleend aan
                    natuurlijke personen.</al><al>Artikel 5 Gemeentelijk belang</al><al>Met deze bepaling wordt de richting aangegeven van de subsidieverlening. De
                    subsudieverlening moet gericht zijn op gemeentelijk belang. Het gemeentelijk
                    belang komt tot uitdrukking in de visie en de beleidsdoelen van de gemeenteraad.
                    Als de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet gericht zijn op het
                    gemeentebelang kan de aanvraag afgewezen worden. Dit artikel is een positieve
                    weergave van de weigeringsgrond van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a.</al><al>Artikel 6 Weigeringsgronden</al><al>Gekozen is om een grote variëteit aan weigeringsgronden op te nemen. Het
                    onderscheid tussen het eertse lid en het tweede lid is de bewijsplicht van het
                    college. Aan weigering op grond van het eerste lid hangt een zware
                    motiveringsplicht. Het spreekt voor zich dat de weigeringsgrond van lid 2 aanhef
                    en onder d met zich mee brengt dat de aanvrager voldoende inzicht dient te geven
                    in de begroting, de balans en jaarrekening. </al><al>Artikel 7 Betalingen</al><al>Bij waarderingssubsidies beneden de € 5.000,- valt de vaststelling samen met de
                    verlening. Deze verleningsbeschikking geeft recht op betaling van het bedrag.
                    Een voorschot is niet nodig. Het bepaalde in lid 1 is bij dergelijke subsidies
                    niet van toepassing.</al><al>Artikel 8 Verplichtingen van de subsidieontvanger</al><al><cursief>Lid 3</cursief>De subsidieontvanger verleent onmiddellijk
                    medewerking aan onderzoeken die de raad of het college nodig achten. Het gaat in
                    dit artikel om onderzoeken in relatie met de besteding van subsidiegelden en het
                    voldoen aan de beleidsdoelen van de raad. Ook de rekenkamercommissie kan bij
                    gesubsidieerde instellingen onderzoek plegen naar de besteding van
                    subsidiegelden. </al><al>Artikel 9 Ontbinding fusie en faillissement</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 10 Intrekking en wijziging</al><al>De intrekkings- en wijzigingsgronden zijn vrij uitputtend in de wettelijke
                    regeling opgenomen. De in de verordening geregelde gronden zijn invullingen van
                    de wettelijke regels in de Awb.</al><al>Artikel 11 Begripsomschrijving</al><al>De begripsomschrijving van artikel 1 is voor de duidelijkheid hier
                    herhaald.</al><al>Artikel 12 Budgetoverleg</al><al>Het budgetoverleg is in het algemeen gedeelte uitvoerig behandeld.</al><al>Artikel 13 Subsidieaanvraag</al><al>Lid 5 De statuten en reglementen regelen de interne organisatieprocessen binnen
                    de rechtspersoon, maar ook de bevoegdheden van de bestuurders de rechtspersoon
                    in het maatschappelijk verkeer te vertegenwoordigen. Deze dienen bij de eerste
                    aanvraag te worden overgelegd. Op grond van artikel 8 lid 3 kunnen deze stukken
                    ten allen tijde worden opgevraagd door het college.</al><al>Artikel 14 Nieuwe activiteiten gedurende de looptijd</al><al>De mogelijkheden van dit artikel zijn in het algemeen gedeelte voldoende
                    behandeld.</al><al>Artikel 15 Subsidieverlening</al><al>De subsidieverlening in het algemeen gedeelte voldoende behandeld. De verlening
                    is imperatief voorgeschreven. Vanzelf spreekt dat dit voorschrift niet een recht
                    geeft op velening conform de aanvraag. Hierover is in het algemeen gedeelte
                    voldoende uitgeweid. De termijn van lid 4 is een termijn van orde.</al><al>Artikel 16 Verantwoording en vaststelling</al><al>De termijn in lid 5 is een termijn van orde. Verder behoeft dit artikel geen
                    nadere toelichting.</al><al>Artikel 17 Accountantsverklaring</al><al>Het onderzoek van de accountant is gericht op het verkrijgen van een getrouw
                    beeld. Een zwaardere onderzoekplicht is voor de behandeling van de aanvraag tot
                    vaststelling niet noodzakelijk. Indien een nader onderzoek noodzakelijk is, kan
                    dat op grond van het derde lid van artikel 8. </al><al>Artikel 18 Indexering en reservering</al><al>De reservering en indexering zijn in het algemeen gedeelte uitvoerig behandeld. </al><al>Het eerste lid heeft betrekking op de indexering van de in de gemeentebegroting
                    opgenomen bedragen. Deze lopen dan gelijk met de indexering van de
                    budgetbedragen, zoals dat geregeld is in het vierde lid. </al><al>De leden 2, 3 en 4 van dit artikel hebben betrekking op de indexering van het
                    subsidiebedrag. De indexering vindt in eerste instantie plaats op een
                    samengestelde prijsindex. Rekening wordt gehouden met twee indexen. </al><al>Het subsidiebedrag is opgebouwd uit twee componenten, te weten de component
                    “lonen” en de component “overige exploitatiekosten”. De component lonen betreft
                    alleen de lonen en de direct daarmee gepaard gaande noodzakelijke kosten.</al><al>De verhouding tussen beide beide componenten is onderwerp van gesprek in het
                    budgetoverleg. In de verleningsbeschikking wordt de verhouding voor de gehele
                    budgetperiode vastgelegd. De indexering vindt plaats door op de afzonderlijke
                    componenten een corresponderende index van het Centraal Planburau te berekenen.
                    Gekozen is voor de indexen die betrekking hebben op de overheid. De reden
                    hiervoor is dat de in de begroting voor subsidiëring beschikbare gelden dan
                    gelijk opgaan met het budget.</al><al>De CPB index “Lonen en salarissen voor de overheidssector” omvat de
                    loonontwikkeling in de overheidssector en incidentele ontwikkelingen. Onder
                    incidentele ontwikkelingen vallen onder andere een stijging of daling van de
                    werkgeversbijdrage particuliere ziektekosten, toe- of afname van het
                    ziekteverzuim, bruteringsoperaties, extra beloningscomponenten zoals
                    periodieken. De index houdt overigens rekening met meer onderwerpen dan waarmee
                    in de prijsstijging van de CAO’s wordt rekening gehouden. In deze index is ook
                    rekening gehouden met de autonome stijgingen voor premies, pensioenen en
                    periodieken. </al><al>De CPB index “materiele overheidsconsumptie” omvat onder andere de som van de
                    lopende aankopen van goederen en diensten (kosten van energie, huisvesting,
                    kantoorartikelen, uitzendkrachten) en de afschrijvingen op gebouwen, wagenpark
                    en computers.</al><al>Het budgetbedrag wordt lopende het subsidiejaar bijgesteld op basis van de index
                    “loon- en prijsontwikkelingen”, zoals deze is opgenomen in de meicirculaire van
                    het Gemeentefonds.</al><al>Artikel 19 Begripsomschrijving</al><al>De begripsomschrijving van artikel 1 is voor de duidelijkheid hier herhaald. </al><al>Artikel 20 Subsidieaanvraag</al><al>Indien door het college een subsidieplafond is ingesteld dient indiening te
                    geschieden volgens de daarbij gestelde regels.</al><al>Artikel 21 Subsidieverlening</al><al>Bij waarderingssubsidies tot een bedrag van € 5.000,- vindt er uit pragmatische
                    overwegingen géén vaststelling achteraf meer plaats. De verleningsbeschikking is
                    tevens de vaststellingsbeschikking. De grens van € 5.000,- is zodanig gekozen
                    dat bijna alle waarderingssubsidies voor kleinere activiteiten hieronder vallen.
                    Voor grotere subsidies aan instellingen dient een verantwoording achteraf plaats
                    te vinden.</al><al>Voor de goede orde zij gezegd dat de onderzoeksplicht van artikel 8 lid 3 ook
                    geldt in het geval het subsidiebedrag beneden de in het eerste lid genoemde
                    grens ligt. </al><al>In de verleningsbeschikking van subsidies boven de grens moet worden opgenomen
                    op grond waarvan de vaststelling wordt getoetst. Het ligt voor de hand een
                    zelfde constructie te kiezen als bij de budgetsubsidie, namelijk de verlening op
                    grond van een duidelijk en gespecificeerd activiteitenplan, waarin duidelijk
                    staat wat de activiteit inhoudt en wat de kosten daarvan zijn (begroting). De
                    afrekening dient ten behoeve van de vaststelling inzicht te verschaffen in
                    hoeverre aan het activiteitenplan is voldaan. </al><al>Artikel 22 Verantwoording en vaststelling</al><al>Zie de opmerkingen bij artikel 21.</al><al>Artikel 23 Ontheffing en hardheidsclausule</al><al>Lid 1 De ontheffingsmogelijkheid is alleen in bijzondere omstandigheden te
                    gebruiken. </al><al>Lid 2 Ook de hardheidsclausule is in bijzondere gevallen te gebruiken. Het
                    spreekt vanzelf dat terughoudenden alleen goed gemotiveerd dient te worden
                    omgegaan met beide instrumenten.</al><al>Artikel 24 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 25 Citeertitel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>