<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17283_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen- en handhavingsverordening sociale zaken</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Almere Vandaag, 2004-07-16</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen- en handhavingsverordening sociale zaken</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-418</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen- en handhavingsverordening sociale zaken</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Almere;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 8a en 18 van de Wet werk en bijstand
                        (WWB);</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>de Maatregelen- en handhavingsverordening sociale zaken, luidende als
                        volgt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel e, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet; </al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Almere.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt wordt door het college overeenkomstig
                                deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Wijze van opleggen van de maatregel</titel></kop><al>1.Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                            opgelegd met ingang van de eerste kalendermaand volgend op de datum
                            waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                            belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende bijstandsnorm.</al><al>2 . De maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor
                            zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is
                            uitbetaald.</al><al>3.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                            voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                            uiterlijk na drie maanden na het besluit heroverwogen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, dan wordt voor het bepalen
                            van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop
                            de zwaarste maatregel is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college stelt periodiek een handhavingsplan vast met daarin het te
                            voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en
                            oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te verwachten
                            resultaten en informeert de gemeenteraad periodiek over het plan en de
                            resultaten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders
                                    verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of
                                    voortzetting van de bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale
                                    activering.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>– Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>minimaal tien procent en maximaal honderd procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende minimaal een maand en maximaal drie
                                        maanden bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>minimaal twintig procent en maximaal honderd procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende minimaal een maand en maximaal drie
                                        maanden bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>minimaal vijftig procent en maximaal honderd procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende minimaal een maand en maximaal drie
                                        maanden bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twee jaar na bekendmaking van
                                een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging, kan een maatregel, als bedoeld
                                in het eerste lid, worden opgelegd van een hoger percentage en/of
                                langere duur. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>i.Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van
                            de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                            verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door
                            het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                            toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf
                            procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd artikel
                            2, tweede lid.</al><al>1.Indien de belanghebbende zich binnen twee jaar na bekendmaking van een
                            besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                            een verwijtbare gedraging, kan een maatregel, als bedoeld in het eerste
                            lid, worden opgelegd van een hoger percentage en/of langere duur. Met
                            een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                            besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                            artikel 5, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>– Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de hoogte
                                van de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid, tien procent
                                van het benadelingsbedrag, tot een maximum van EUR 600,--.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twee jaar na bekendmaking van
                                een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging, kan een maatregel, als bedoeld
                                in het eerste lid, worden opgelegd van vijftien procent van het
                                benadelingsbedrag, tot een maximum van EUR 900,--. Met een besluit
                                waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                                daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                                artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd over de periode dat de gedraging heeft
                                plaatsgevonden. Indien de maatregel niet of niet volledig kan worden
                                opgelegd over de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden,
                                wordt deze maatregel opgelegd met ingang van de eerste kalendermaand
                                volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de
                                maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Alsdan wordt de
                                oplegging van de maatregel gelijkelijk verdeeld over maximaal twaalf
                                maanden, met een minimum van tien procent van de bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>– Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel
                            opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                            benadelingsbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Zeer ernstige misdraging</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt als bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd van
                            minimaal tien procent en maximaal honderd procent van de bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag, wat de bijstandsnorm betreft gedurende minimaal
                            een maand en maximaal drie maanden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Maatregelen- en
                            handhavingsverordening sociale zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang 1 januari 2005.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad,
                        gehouden op ………. 2004.</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J. D. Pruim. A. Jorritsma - Lebbink.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>op de Maatregelen- en handhavingsverordening sociale
                        zaken</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand, per 1 januari 2004, als
                    opvolger van onder andere de Algemene bijstandswet, zijn de gemeenten verplicht
                    om uiterlijk per 1 januari 2005 een maatregelenverordening
                    (afstemmingsverordening) vast te stellen.</al><al>Deze verordening stelt regels inzake het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende. Het betreft hier het bij wijze van sanctie verlagen van de
                    uitkering.</al><al>In de verordening wordt ook aandacht besteed aan fraude. Een aparte
                    handhavingsverordening is daarmee niet noodzakelijk meer.</al><al>Voor de structuur en de redactie van de verordening is gebruik gemaakt van de
                    voorbeeldverordening van Divosa, StimulanSZ en de VNG, naar de toelichting
                    waarop derhalve kan worden verwezen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>