<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17279_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Almere Vandaag, 2006-06-30</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-55/2006</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze Inspraakverordening vervangt de Inspraakverordening zoals vastgesteld op 10 oktober 1996.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij
                            de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                            (Inspraakverordening).</vet></al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Almere;</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening).</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij
                                    de voorbereiding vangemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                    gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                    vaststellen of wijzigen vanbeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedurevaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing
                                        van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening zoals vastgesteld op 10 oktober 1996 en inwerking
                            getreden op 10 november 1996 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Inspraakverordening”.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Almere op 22 juni
                        2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Inspraakverordening</label><titel/></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr).</al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb</tussenkop><al>Met deze herziening is tevens de inspraakverordening aangepast aan de Wet
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). Op grond van deze
                    wet is afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. De Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is op 1 juli
                    2005 in werking getreden, tegelijk met de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure. Artikel 150 van de Gemeentewet treedt op grond van het
                    overgangsrecht een jaar na de inwerkingtreding van de Wet uniforme
                    voorbereidingsprocedure in werking; op 1 juli 2006. Vanaf die datum dienen
                    gemeenten te beschikken over een nieuwe inspraakverordening die aan de nieuwe
                    wetgeving voldoet. De Modelinspraakverordening stelt gemeenten in staat te
                    stellen tijdig aan de nieuwe wetgeving te voldoen.</al><tussenkop>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</tussenkop><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn deze twee procedures ineengeschoven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigd. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. </al><tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder gedereguleerd. Nu
                    resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers.</al><tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij de politieke markt.
                    Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van
                    brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten,
                    referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid
                    om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van
                    bezwaar en beroep.</al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>a.Inspraak:</al><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet
                    ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het
                    bestuursorgaan is inbegrepen. Uiteraard is dat niet uitgesloten en soms ook
                    wenselijk voor het creëren van draagvlak. (zie ook de algemene toelichting,
                    onder Alternatieven voor inspraak, over interactieve beleidsvorming)</al><al>b.Inspraakprocedure:</al><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene
                    toelichting is vermeld,is in de modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing
                    verklaard. Artikel 4, tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte
                    om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk
                    voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak.</al><al>c.Beleidsvoornemen:</al><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                    bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                    maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij opgesomd welke
                    wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan afgezien om dit op te nemen
                    in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe
                    wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in de
                    tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening
                    hiermee onoverzichtelijk wordt. Wettelijke verplichtingen tot het bieden van
                    inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7 derde lid aanhef en onder a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="d."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="e."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                            (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder
                            d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder
                            d);</al></li><li nr="f."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van
                            het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak
                            onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen
                            ten opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat
                            een geheel ander plan is ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak
                            opnieuw een aanvang te laten nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe
                            inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari 2003, inzake nummer
                            200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al></li><li nr="-"><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel
                            6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van
                            een uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in
                            strijd met artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden
                            geen inspraak is verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart
                            2000, GS, 151 (2001) 7133, 7).</al></li><li nr="-"><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                            noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid van
                            de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het
                            voorontwerp van het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling
                            heeft laten blijken, alvorens in het kader van de inspraakprocedure de
                            bevolking daarover te raadplegen. De afdeling concludeert dat de
                            gevolgde inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake
                            nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                    voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                    betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is
                    dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is verleend, in
                    strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer 200102132/1,
                    LJNnummer AE6455).</al><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen op grond van deze afdeling belanghebbenden gedurende zes
                    weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Het is
                    daarbij een bevoegdheid van het desbetreffende bestuursorgaan om op grond van
                    het tweede lid van de Inspraakverordening een andere inspraakprocedure vast te
                    stellen. In de gemeentelijke praktijk is dit bijvoorbeeld aan de orde bij het
                    verlenen van inspraak op voorontwerp-bestemmingsplannen en de zogenaamde artikel
                    19 WRO vrijstelling (project)procedures. Indien op deze voornemens inspraak
                    wordt verleend (geen wettelijke verplichting) dan wordt de termijn van zes weken
                    in de regel vastgesteld op twee weken. Dit aangezien eenieder – maar dan op
                    grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening – het recht heeft om in het
                    vervolgtraject gedurende zes weken blijk te geven van een zienswijze. Inspraak
                    wordt in voorkomende gevallen verleend indien dit de kwaliteit van het
                    bestemmingsplan of het project ten goede kan komen. Gezien de zienswijzentermijn
                    van zes weken is het dan niet nodig een gelijke termijn voor inspraak voor
                    hetzelfde beleidsvoornemen te verlenen. </al><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum omvatten
                    (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren kan brengen).
                    Referenda worden in den lande overigens vanwege de complexiteit van organisatie
                    en daarmee verbonden kosten op beperkte schaal toegepast en vanwege de
                    bijzondere wijze van volksraadpleging bij afzonderlijke Verordening geregeld. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van
                    hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Bekendmaking van de resultaten van de
                    inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben
                    ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het
                    eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke
                    website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het
                    volstaan met een algemene bekendmaking. </al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn</al><al>burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b, van
                    de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Behoeft geen toelichting </al><tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>