<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR172741_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Boekel &amp; Venhorst d.d. 7 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>z/013529 AB/007913</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>RaadsbesluitDe raad van de gemeente Boekel;gezien het voorstel van burgemeester en
            wethouders d.d. 10 januari 2012gelet op:artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de
            Wet werk en bijstand</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al>vast te stellen de </al><al>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 –</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="7*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="63*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>College</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Het college van burgemeester en wethouders van
                                            Boekel;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>De wet</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De Wet werk en bijstand (WWB);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Gezinsnorm</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De norm voor een gezin waarvan alle meerderjarige
                                            gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn zoals bedoeld in
                                            artikel 21 lid 1 WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Ouder</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De vader of moeder als bedoeld in respectievelijk de
                                            artikelen 1:197 t/m 1:199 van het Burgerlijk
                                            Wetboek;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Woning</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op
                                            de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                            zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Woonkosten</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>: </al></entry><entry colname="col3"><al>a.Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel
                                            d Wet op de huurtoeslag;</al><al>b.Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                            bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van
                                            de financiering van de woning verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 - </nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                        jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van een gezin gelden de
                        bepalingen van deze verordening uitsluitend indien alle gezinsleden jonger
                        dan 65 jaar zijn en ten minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 - </nr><titel>Toeslag alleenstaande
                            (ouder)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende die met
                                        één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>een inwonend studerend kind dat aanspraak kan maken op
                                        studiefinanciering of een tegemoetkoming in de
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="b."><al>een verzorgingsbehoevend gezinslid dat niet als gezinslid
                                        wordt aangemerkt zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van de
                                        wet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 of 22 jaar nul procent (0%).</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 - </nr><titel>Verlagen norm gezin</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedraagt 10 procent van de gezinsnorm voor een gezin
                                dat met één of meer anderen hoofdverblijf in dezelfde woning
                                heeft.</al></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>een inwonend studerend kind dat aanspraak kan maken op
                                        studiefinanciering of een tegemoetkoming in de
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="b."><al>een verzorgingsbehoevend gezinslid dat niet als gezinslid
                                        wordt aangemerkt zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van de
                                        wet.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 - </nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                                woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 van
                        de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                                voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm indien geen woning wordt bewoond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 - </nr><titel>Verlagen algemene bijstand
                                schoolverlaters</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 van de
                                wet bedraagt 10 procent van de gezinsnorm gedurende 3 maanden,
                                gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op
                                studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                schoolkosten.</al></li><li nr="2."><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 - </nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening geschiedt
                        zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gezinsnorm voor een gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 - </nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening,
                        indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard
                        leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 - </nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012. </al></li><li nr="2."><al>De Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2004 (vastgesteld op 21
                                oktober 2004) wordt met ingang van 1 januari 2012 ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 - </nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk en
                        bijstand.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 16 februari 2012</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                        bestaan een systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen
                        zijn geregeld in paragraaf 3.2, artikelen 20 tot en met 24. Paragraaf 3.3
                        voorziet in toeslagen en verlagingen, artikelen 25 tot en met 29. De som van
                        deze drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de
                        bijstandsnorm op. Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot
                        65 jaar die niet in een inrichting verblijven.</al><al>Voor bijstandsgerechtigden van 21 tot 65 jaar bestaan er een drietal
                        basisnormen (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>Gezin 100% van het netto wettelijk minimumloon (=de gezinsnorm)</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaande ouders 70% van de gezinsnorm</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaanden 50% van de gezinsnorm</al></li></lijst><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders
                        en gezinnen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor
                        een toeslag als zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                        kunnen delen van deze kosten met een ander.Het betreft dan zaken als huur,
                        gas, water en licht, maar ook de krant etc. De woonsituatie is hierbij van
                        doorslaggevende aard. De hoogte van de toeslag bedraagt maximaal 20 procent
                        van het netto minimumloon en moet aansluiten bij het niveau van de
                        noodzakelijke bestaanskosten.</al><al>De uitkering bedraagt dan maximaal voor:</al><lijst><li nr="·"><al>Alleenstaande ouders 90% van de gezinsnorm</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaanden 70% van de gezinsnorm</al></li></lijst><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van
                        21 tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te
                        verlagen:</al><lijst><li nr="·"><al>Het gezin dat de kosten kan delen met een ander;</al></li><li nr="·"><al>De woonsituatie;</al></li><li nr="·"><al>De recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                                beroepsopleiding.</al></li></lijst><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde:</al><al>Eerst de norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlaging. Het
                        college is bevoegd om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van
                        eventuele inkomsten) in afwijking van deze regel hoger of lager vast te
                        stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe
                        aanleiding geven.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1 – Begripsbepalingen</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren. Dit voorkomt dat in geval van
                        wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook de
                        Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Lid 2 begrip Gezinsnorm</al><al>Voor het begrip ‘gezinsnorm’ wordt verwezen naar de norm voor een gezin
                        waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals
                        bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm
                        zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65
                        jaar zijn.</al><al>Lid 2 begrip Woning</al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                        moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat
                        voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op
                        de huurtoeslag. Daarom si in deze verordening bepaalt dat onder ‘woning’
                        wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3
                        lid 6 WWB.</al><al>Lid 2 begrip Woonkosten</al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Er is aangesloten bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur
                        van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996)
                        was opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de
                        totstandkoming van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw
                        (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1
                        januari 1996 geldende Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet
                        worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. Bij “het
                        in eigendom hebben van de woning betalen zakelijke lasten” kan worden
                        gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                        zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                        waterschapslasten en de erfpachtcanon.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 2 – Doelgroep</onderstreept></vet></al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is
                        ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van
                        18 tot 21 jaar.</al><al>In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze verordening uitsluitend
                        tot te passen indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en ten minste
                        twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn. Hier is aansluiting gezocht bij de
                        gezinsnormen zoals neergelegd in artikel 21 WWB. Ten aanzien van een gezin
                        waarvan ten minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                        zijn, geldt immers de gezinsnorm zoals neergelegd in artikel 21 lid 1 WWB.
                        Voor gezinnen die bestaan uit twee meerderjarige personen waarvan één of
                        beide 18, 19 of 20 jaar zijn en gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige
                        personen, waarvan 2 personen 18, 19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen
                        zoals opgenomen in artikel 21 lid 2 WWB. Ten aanzien van deze gezinnen is
                        deze verordening niet van toepassing.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 3 – Toeslag alleenstaande
                            (ouder)</onderstreept></vet></al><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel
                        4 van deze verordening. De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB
                        verplicht te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt
                        voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm
                        of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1
                        onderdeel a van deze verordening. Als in de woning een ander zijn
                        hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het
                        bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake is van een gezinslid of
                        van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle
                        kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is
                        voor 10 procent van de gezinsnorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze
                        verordening).</al><al>Lid 2</al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                        thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan
                        is sprake indien dat een kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van
                        ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>Uit het systeem van de WWB volgt dat een alleenstaande ouder in theorie
                        kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18 en 27 jaar dat
                        per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat meer bedraagt dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 WWB (€ 604,15) en minder dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 WWB (€ 1.023,42). Het kind behoort
                        dan immers op grond van artikel 4 lid 2 WWB niet tot het gezin. Het is dus
                        ‘een ander’ (als bedoeld in artikel 25 WWB) waarmee de kosten gedeeld kunnen
                        worden.</al><al>Een studerend kind dat meer verdient dan € 1.023,42, is een nietrechthebbend
                        gezinslid. In theorie kunnen weliswaar kosten gedeeld worden met dit
                        nietrechthebbende gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook reeds meegenomen
                        bij het rechthebbende gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook reeds
                        meegenomen bij het bepalen van het recht op bijstand van de overige
                        gezinsleden (voor zover dit hoger is dan € 1.023,42). Het ligt niet voor de
                        hand daarbovenop nog een verlaging toe te passen wegens kostendeling. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen
                        kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit betekent
                        dat de gemeenteraad geen gebruik maakt van de theoretische mogelijkheid een
                        lagere toeslag te verstrekken aan een alleenstaande ouder met een inwonend
                        studerend kind van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen
                        tussen € 604,15 en € 1.023,42. Een alleenstaande met een inwonend studeren
                        kind komt daarmee in aanmerking voor een toeslag van 20 procent van de
                        gezinsnorm. Met deze keuze wordt een inconsequent systeem voorkomen, met
                        name wanneer het inwonend studerend kind weinig meer verdient dan €
                        1.023,42. In dat geval zou immers ook geen verlaging worden toegepast omdat
                        hij een nietrechthebbend gezinslid is.</al><al>Voor gezinsleden die een zorgbehoevende verzorgen, geldt dat er een
                        volledige toeslag wordt toegekend, omdat de woonkosten niet gedeeld kunnen
                        worden. Deze zienswijze sluit aan bij de maatschappelijke ontwikkelingen op
                        het gebied van het verlenen van ondersteuning aan en het erkennen van de
                        positie van mantelzorgers. Voor de criteria met betrekking tot het
                        vaststellen van mantelzorg, zoeken we aansluiting bij de criteria in artikel
                        4 lid 5 WWB.</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3 lid 3 van deze verordening.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 4 – Verlagen norm gezin</onderstreept></vet></al><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gezinsnorm verlagen indien
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        gezinsnorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                        opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook
                        naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3. </al><al><vet><onderstreept>Artikel 5 – Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                                woonkosten</onderstreept></vet></al><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) of gezin, of de toeslag voor een alleenstaand (ouder) lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heet dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                        woning.</al><al><onderstreept>Geen woonkosten</onderstreept></al><al>In onderdeel a van dit artikel is bepaald dat de norm of toeslag wordt
                        verlaagd met 20 procent van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond
                        waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 1 van
                        deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan.
                        Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten zijn,
                        maar er wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat geval bedraagt de
                        verlaging 20 procent van de gezinsnorm. Van lagere bestaanskosten als gevolg
                        van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Bij het niet aanhouden van een woning (in dat geval is artikel 5 lid
                                1 onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al></li><li nr="·"><al>Bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="·"><al>Indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten van de woning betaalt.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                        aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003, 28
                        870, nr. 3, p. 54-55). </al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch
                        in het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de
                        situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de
                        bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><al><onderstreept>Geen woning wordt bewoond</onderstreept></al><al>In onderdeel b van dit artikel is bepaald dat de verlaging 10 procent van de
                        gezinsnorm bedraagt indien geen woning wordt bewoond. Deze bepaling ziet op
                        de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen omdat
                        deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een woning
                        bewonen. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
                        aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten
                        maken voor dak- en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging
                        van slechts 10 procent van de gezinsnorm.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 6 – Verlagen algemene bijstand
                                schoolverlaters</onderstreept></vet></al><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die
                        recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de
                        norm of de toeslag gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging
                        lager vaststellen. Het moet dan wel gaan om onderwijs of een
                        beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond
                        van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                        onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald dat de verlaging voor schoolverlaters 10
                        procent van de gezinsnorm bedraagt gedurende 3 maanden, gerekend vanaf het
                        tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op de studiefinanciering of
                        tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.</al><al>In lid 2 van dit artikel staat dat deze verlaging niet kan worden toegepast
                        ten aanzien van een belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 van deze
                        verordening van toepassing is. Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b
                        WWB waarin is bepaald dat jegens een belanghebbende niet tegelijkertijd een
                        schoolverlatersverlaging en een verlaging voor een alleenstaande van 21 of
                        22 jaar mag worden toegepast. Bij toepassing van de verlaging voor
                        schoolverlaters is het volgende van belang. Om de verlaging te kunnen
                        toepassen moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat voor het onderwijs of de
                        beroepsopleiding recht bestond op studiefinanciering op grond van de Wet op
                        de studiefinanciering (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten
                        op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderhoudsbijdrage en
                        schoolkosten (WTOS).</al><al>Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                        studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in
                        theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die
                        blijkt uit de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang dat de
                        belanghebbende zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000 of
                        de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor is inschrijving
                        als student vereist. Een voormalig extraneus is dus geen schoolverlater in
                        de zin van artikel 28 WWB. Indien het inkomen van belanghebbende
                        voorafgaande aan de bijstand hoger is dan de bijstandsnorm omdat
                        belanghebbende naast zijn studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld
                        arbeid of stagevergoeding ontving ( en de belanghebbende er bij
                        bijstandsverlening dus op achteruit gaat in plaats van – zoals bij een
                        overgang van alléén WSF 2000 naar bijstand – op vooruit), maakt niet dat de
                        schoolverlatersverlaging in zo’n geval niet kan worden toegepast. De invloed
                        van inkomsten naast de studiefinanciering van de belanghebbende spelen in
                        het kader van de schoolverlagersverlaging geen rol.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 7 –
                        Anti-cumulatiebepaling</onderstreept></vet></al><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                        omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.
                        Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                        college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                        moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                        uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van
                        het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                        vaststellen. Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een
                        absoluut minimumbedrag vast te leggen waarop het college de bijstandsnorm
                        (norm inclusief eventuele toeslag en verlaging) tenminste moet vaststellen.
                        Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij
                        samenloop ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel
                        genoemde percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan
                        over te gaan, gelet op alle omstandigheden van belanghebbende. Aan de
                        verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 28 WWB) niet gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds
                        voldaan door de formulering van artikel 6 lid 2 van de
                        Toeslagenverordening.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 8 – Hardheidsclausule</onderstreept></vet></al><al>In voorkomende situaties kan het college ten gunste van de belanghebbende
                        afwijken. Het gaat dan om situaties waarin deze verordening niet voorziet of
                        waarbij op grond van bijzondere omstandigheden van het geval een afwijking
                        gerechtvaardigd is.</al><al>Artikel 9 – Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en
                        werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting gezocht bij de
                        datum van inwerkingtreding van een aantal voor de WWB van belang zijnde
                        wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en
                        bijstanden samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
                        gericht op de bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van
                        de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (32 815). Voor de
                        bestaande uitkeringsgerechtigden die onder het overgangsrecht van het
                        huishoudinkomen vallen blijven de bepalingen van de Verordening toeslagen en
                        verlagingen WWB 2004 gelden tot uiterlijk 1 juli 2012.</al><al>Artikel 10 Citeertitel</al><al>Citeertitel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>