<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR172462_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heerhugowaards Nieuwsblad d.d. 3 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2012020</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening participatie schoolgaande kinderen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand
                2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB 2012020</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 februari
                        2012</al><al/><al>Gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en gelet op artikel 8,
                        eerste lid, onderdeel g, van de Wet werk en bijstand</al><al/><al>en </al><al/><al>overwegende, dat het van wezenlijk belang wordt geacht dat kinderen zich
                        door maatschappelijke participatie kunnen ontplooien en ontwikkelen en
                        daarin niet belemmerd worden door de financiële positie van de ouder(s), dat
                        gemeenten daaraan dienen bij te dragen door het voeren van beleid, gericht
                        op inkomensondersteuning van ouders met schoolgaande kinderen; </al><al/><al>gezien het advies van de Cliëntenadviesraad</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al/><al><vet>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand
                            2012</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a)"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Heerhugowaard;</al></li><li nr="b)"><al>wet: de Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="c)"><al>maatschappelijke participatie: het deelnemen aan activiteiten met
                                een sportief, educatief, sociaal dan wel cultureel karakter door
                                schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen. </al></li><li nr="d)"><al>voorziening: een vorm van financiële ondersteuning of ondersteuning
                                in natura, gericht op de maatschappelijke participatie van
                                schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen, ter
                                bevordering van maatschappelijke participatie; </al></li><li nr="e)"><al>schoolgaand kind: ten laste komende kind tot en met 17 jaar van een
                                ouder met een laag inkomen, voor wie de leer- of kwalificatieplicht,
                                bedoeld in artikel 4 van de Leerplichtwet, geldt; </al></li><li nr="f)"><al>laag inkomen: een inkomen tot maximaal 110% van de van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm;</al></li><li nr="g)"><al>vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet op de
                                aanvraagdatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad beschouwt het als zijn taak om de maatschappelijke
                            participatie te bevorderen en het aantal schoolgaande kinderen dat
                            belemmeringen ondervindt in die participatie door de financiële positie
                            van hun ouders, terug te dringen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening stelt regels over de wijze waarop de in het eerste lid
                            genoemde taak door het college wordt uitgevoerd, met inbegrip van de
                            wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip maatschappelijke
                            participatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verantwoordelijkheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zet zich in voor het tot stand komen en ondersteunen van
                            diensten door rechtspersonen die naar zijn oordeel bijdragen aan
                            maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt voorzieningen aan, die gericht zijn op
                            maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een voorziening, bedoeld in het tweede lid, het rechtskarakter
                            heeft van categoriale bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 35, vijfde
                            lid, van de wet, wordt deze bijstand uitsluitend verstrekt aan een
                            belanghebbende met laag een inkomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college werkt bij het bevorderen van maatschappelijke participatie
                            samen met natuurlijke en rechtspersonen, voor zover die samenwerking
                            naar het oordeel van het college daaraan bijdraagt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Doelgroepen</titel></kop><al>Het college biedt voorzieningen aan ten behoeve van schoolgaande kinderen
                        tot en met 17 jaar die de basisschool en/of het voortgezet onderwijs
                        bezoeken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beleidsregels en –verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels vast waarin wordt uiteengezet: </al><lijst><li nr="a)"><al>welke voorzieningen door het college beschikbaar worden gesteld;
                                </al></li><li nr="b)"><al>voor welke doelgroepen die voorzieningen zijn bestemd; </al></li><li nr="c)"><al>welke vorm de voorzieningen hebben; </al></li><li nr="d)"><al>de hoogte van de financiële bijdrage per voorziening, en </al></li><li nr="e)"><al>indien er met natuurlijke of rechtspersonen wordt samengewerkt
                                    bij het aanbieden van voorzieningen, hoe die samenwerking
                                    vormgegeven wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beleidsnotitie zet het college in het bijzonder uiteen op welke
                            wijze middels categoriale bijzondere bijstand wordt bijgedragen aan de
                            maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een beleidsverslag zet het college uiteen welke voorzieningen in het
                            betreffende jaar zijn verstrekt en de totale uitgaven van de
                            voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt minimaal een keer per jaar een beleidsverslag op.
                        </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college brengt de beleidsnotitie en het beleidsverslag binnen 3
                            maanden na afloop van het kalenderjaar ter kennis van de gemeenteraad.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vorm van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij de gemeenteraad anders heeft bepaald, stelt het college de vorm
                            van een voorziening vast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het bepalen van de vorm van een voorziening kiest het college voor
                            de vorm die naar zijn oordeel het meest doeltreffend is om de
                            maatschappelijke participatie te bevorderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jongere afwijken
                        van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening
                        tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening participatie schoolgaande
                        kinderen Wet werk en bijstand 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                        bekendmaking.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 28 maart 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Gebruikte begrippen waarvan de betekenis niet zondermeer duidelijk is worden
                        hier omschreven. Het begrip ‘maatschappelijke participatie’ is hier
                        omschreven, ter uitvoering van de opdracht van de wetgever, bedoeld in
                        artikel 8, eerste lid, onderdeel g WWB. Er is gekozen voor een ruime
                        betekenis. Maatschappelijke participatie kan op vele wijzen plaatsvinden en
                        niet ieder kind is hetzelfde. Om die reden wordt het begrip op deze plaats
                        in zo algemeen mogelijke bewoordingen gedefinieerd, en wordt het toegespitst
                        op ouders van schoolgaande kinderen, met een laag inkomen. Een dergelijke
                        begripsomschrijving heeft als voordeel dat op andere plaatsen in de
                        verordening volstaan kan worden met het begrip ‘maatschappelijke
                        participatie’, waarmee dan gedoeld wordt op de participatie van de hier
                        beschreven doelgroep. </al><al>In het vervolg van de verordening wordt verduidelijkt op welke wijze
                        gemeenteraad en college invulling geven aan de ondersteuning van
                        maatschappelijke participatie. </al><al>Het begrip ‘voorziening’ is in de verordening gebruikt en heeft een ruime
                        betekenis gekregen. In wezen wordt met iedere vorm van financiële
                        ondersteuning of ondersteuning in natura door het college die specifiek is
                        bestemd voor de maatschappelijke participatie van kinderen, uitvoering
                        gegeven aan de wens van de wetgever als verwoord in de Memorie van
                        Toelichting op artikel 8, eerste lid, onderdeel g WWB.</al><al>Een dergelijke voorziening kan bijzondere bijstand zijn, maar ook een
                        tegemoetkoming of kostenvergoeding dan wel een subsidie of verstrekking ‘in
                        natura’, zolang dit maar bijdraagt aan de participatie. </al><al>‘Schoolgaand kind’ is gedefinieerd. Schoolgaande kinderen staan centraal in
                        het beleid m.b.t. maatschappelijke participatie. Dit begrip wordt ook
                        genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, WWB maar niet nader
                        omschreven. Onder schoolgaande kinderen wordt in dit verband verstaan, niet
                        alleen kinderen die feitelijk schoolgaand zijn, maar ook zij die de
                        verplichting hebben omdat ze onder de leerplicht of kwalificatieplicht
                        vallen. </al><al>Het begrip ‘laag inkomen’ is omschreven, omdat daarmee in deze verordening
                        de doelgroep van het gemeentelijk armoedebeleid wordt aangeduid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>In artikel 2 is verduidelijkt wat de gemeenteraad, gegeven bovengenoemde
                        motie ‘Blanksma-Spekman’ als zijn taak aanmerkt. Die taak is enerzijds
                        gelegen in het in algemene zin vergroten van de maatschappelijke
                        participatie van de doelgroep (kwalitatief) en anderzijds het terugdringen
                        van het aantal kinderen dat onvoldoende participeert (kwantitatief). In het
                        tweede lid is aangegeven wat gegeven die taken, het doel is van deze
                        verordening. Dat is het stellen van regels voor het bestuursorgaan dat
                        belast is met uitvoering van deze verordening, het college. Het is
                        vervolgens aan het college om die regels tot uitvoering te brengen. Voor een
                        zuivere plaatsbepaling is tevens de wettelijke opdracht herhaald om
                        invulling te geven aan het begrip ‘maatschappelijke participatie’. Daaraan
                        is uitvoering gegeven in het eerste lid, onderdeel b van deze verordening.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verantwoordelijkheid college</titel></kop><al>Met betrekking tot het beleid, gericht op maatschappelijke
                        kinderparticipatie, krijgt het college in dit artikel nog enkele opdrachten.
                        Allereerst is in lid 1 bepaald dat het college zich inzet voor
                        dienstverlening door derden aan kinderen die bijdraagt aan maatschappelijke
                        participatie. Maatschappelijke participatie is niet een exclusieve taak van
                        de overheid. Ook allerlei maatschappelijke instellingen dragen daaraan bij.
                        Het college krijgt de opdracht om te zoeken naar wegen om de dienstverlening
                        van dergelijke instellingen te ondersteunen zodat de participatie wordt
                        bevorderd. </al><al>In het tweede lid is vastgelegd dat het college de opdracht krijgt om
                        zelfstandig vormen van ondersteuning te creëren die de participatie
                        ondersteunen. Zoals ook uit artikel 8 volgt, bepaalt het college de vorm,
                        tenzij de vorm in deze verordening is bepaald. </al><al>Het derde lid bepaalt dat voorzieningen met het karakter van categoriale
                        bijstand, onder de beperking van de inkomensgrens van 110% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm vallen. Zoals uit de algemene toelichting ook
                        blijkt, kan evenzeer middels individuele voorzieningen in maatschappelijke
                        participatie voor de doelgroep worden voorzien. </al><al>Het vierde lid geeft uitdrukking aan de idee dat samenwerking gewenst c.q.
                        noodzakelijk is in het bevorderen van maatschappelijke participatie.
                        Armoedebestrijding is niet alleen iets van gemeenten, maatschappelijke
                        instellingen spelen hier ook een belangrijke rol bij.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Doelgroepen</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beleidsregels en –verslag (formele invulling)</titel></kop><al>Overeenkomstig de Re-integratieverordening WWB is ook voor deze verordening
                        een formele invulling van de verordeningsplicht mogelijk. De regelstelling
                        blijft dan beperkt door het stellen van voorschriften over de wijze waarop
                        het college in beleidsregels vastlegt op welke wijze kinderparticipatie
                        wordt bevorderd. Voor de helderheid en transparantie van het gevoerde beleid
                        is een aantal onderwerpen aangegeven waarvoor de planverplichting geldt.
                        Door daaraan invulling te geven en dit aan de raad te presenteren ontstaat
                        de door de wetgever aangeduide verantwoording voor het gevoerde beleid en
                        wordt het ook voor de burger duidelijk op welke wijze de gemeente de
                        participatie vorm geeft. </al><al>Bij beleidsregels hoort ook een beleidsverslag waarin de resultaten van het
                        gevoerde beleid worden toegelicht. Dat geeft de gemeenteraad de mogelijkheid
                        om desgewenst bij te sturen en nieuwe opdrachten te geven aan het college
                        voor de noodzakelijke invulling van ‘maatschappelijke participatie’.
                        Beleidsregels en –verslag kunnen uiteraard gezamenlijk ter kennis van de
                        gemeenteraad worden gebracht. In het derde lid wordt de periodiciteit
                        aangegeven waarin beleidsregels en –verslag moeten worden gepresenteerd. </al><al>Momenteel wordt vorm gegeven aan de Participatie van schoolgaande kinderen
                        middels het Schoolfonds en de Huygenpas.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vorm van een voorziening</titel></kop><al>Het college kiest de vorm van een voorziening, tenzij daarover reeds iets is
                        bepaald in deze verordening of de gemeenteraad langs andere wegen daarover
                        ander een standpunt inneemt. Uitgangspunt is de meest doeltreffende vorm,
                        dit kan zijn in natura of het kan gaan om een financiële vergoeding,
                        uiteraard voor zover dat financieel- en uitvoeringstechnisch realiseerbaar
                        is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet beslist het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking een dag na publicatie. </al><al>Hoewel in artikel 78v WWB is opgenomen dat de verordeningsplicht geen
                        structureel karakter heeft, is geen concrete datum genoemd waarop die plicht
                        komt te vervallen. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>