<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR172399_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hollands Kroon</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hollands Kroon</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Schager Courant, 03-01-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, 95, 96, 97</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Agendapunt 17</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN
                                COMMISSIELEDEN</vet></al><al><vet>HOLLANDS KROON</vet></al><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al><vet><cursief>Algemene toelichting</cursief></vet>
                            pag. 2 t/m 7</al><al> V<vet><cursief>erordening:</cursief></vet> pag. 8
                            t/m 17</al><al> Hfdst. I Begripsomschrijvingen pag. 8</al><al> Hfdst. II Voorzieningen voor raadsleden pag. 9 t/m 11</al><al> Hfdst III Voorzieningen voor wethouders pag. 12 t/m 13</al><al> Hfdst IV Voorzieningen voor commissieleden pag. 14 t/m 15</al><al> Hfdst V De procedure van declaratie pag. 16</al><al>Hfdst VI Intrekking, Citeertitel en inwerkingtreding pag. 17</al><al><vet><cursief>Artikelsgewijze toelichting</cursief></vet> pag. 18 t/m
                            23</al><al> Bijlage 1 Wettelijke regelingen pag. 24 t/m 30</al><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De gemeentewet biedt de mogelijkheid om naast de vaste
                            onkostenvergoeding voor raads- en commissieleden bij verordening nadere
                            vergoedingen toe te kennen aan wethouders, raadsleden en commissieleden.
                            De achterliggende gedachte hiervan is dat voor de uitoefening van het
                            politieke ambt bestuurders niet het eigen vermogen hoeven aan te
                            spreken. Het gaat hierbij om vergoeding van reiskosten, kosten van
                            cursussen e.d., verstrekken van computers.</al><al>Anders dan de gemeente Wieringen hebben de gemeenten Anna Paulowna,
                            Niedorp en Wieringermeer een verordening vastgesteld die dergelijke
                            vergoedingen regelt.</al><al>In deze notitie worden voor de nieuw te vormen gemeente Hollands Kroon
                            handvatten aangereikt om een besluit te nemen omtrent het verstrekken
                            van vergoedingen aan wethouders, raads- en commissieleden.</al><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>Sinds 1975 zijn in de gemeentewet bepalingen opgenomen over financiële
                            vergoedingen aan raadsleden en aan leden van een commissie, die geen
                            raadslid zijn. Het doel hiervan is het zodanig wijzigen van de
                            financiële positie van raadsleden, dat daardoor de best mogelijke
                            voorwaarden voor het functioneren van de lokale democratie worden
                            geschapen. Het recht op toekenning van bepaalde vergoedingen beoogt
                            voorts bij te dragen aan het opheffen van financiële belemmeringen bij
                            het uitoefenen van het raadslidmaatschap. </al><al>De gemeentewet geeft in de artikelen 95 tot en met 97 aan welke
                            vergoedingen toegekend kunnen worden. Dit zijn voor de raadsleden
                            (artikel 95):</al><lijst><li nr="a."><al>een vergoeding voor hun werkzaamheden en</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming in de kosten.</al></li></lijst><al>Voor de commissieleden zijn dit (artikel 96):</al><lijst><li nr="a."><al>een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen en</al></li><li nr="b."><al>een vergoeding van reis- en verblijfkosten in verband met reizen
                                        <vet>binnen</vet> de gemeente.</al></li></lijst><al>Aan raads- en commissieleden kan ook een vergoeding worden toegekend van
                            de reis- en verblijfkosten in verband met reizen <vet>buiten</vet> het
                            grondgebied van de gemeente (artikel 97).</al><al>De tegemoetkoming in en de vergoeding van bijzondere kosten en andere
                            financiële voorzieningen, die aan wethouders verleend kunnen worden,
                            zijn geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders. </al><al>De gemeenteraad heeft de vrijheid om een en ander verder uit te werken
                            binnen de kaders die gesteld worden in het Rechtspositiebesluit
                            wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- een commissieleden geeft hoofdregels
                            over de aan de raads- en commissieleden toe te kennen vergoedingen.
                            Binnen de aangegeven grenzen is het mogelijk om bij de vaststelling van
                            de diverse vergoedingen en tegemoetkomingen rekening te houden met
                            plaatselijke omstandigheden.</al><al>Artikel 95, lid 1, van de gemeentewet is uitgewerkt in de artikelen 2
                            t/m 8 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al><al>Uitgangspunt voor de hoogte van de vergoeding voor de werkzaamheden en
                            van de tegemoetkoming in de kosten is het jaarlijks vastgestelde
                            maximum. </al><al>De raad kan maximaal 20% naar beneden afwijken. Ook kan de raad bepalen
                            dat ten hoogste 20% van de vergoeding wordt uitgekeerd naar rato van het
                            aantal bijgewoonde vergaderingen. </al><al>Voorts is het mogelijk om computerapparatuur ter beschikking te
                            stellen.</al><al>Daarnaast is het mogelijk om secundaire rechtspositionele maatregelen te
                            treffen. Hierbij moet gedacht worden aan wachtgeld, aan een collectieve
                            verzekering voor opbouw van ouderdomspensioen en voor geldelijke
                            voorziening bij invaliditeit en overlijden, aan een tegemoetkoming in
                            ziektekosten, aan een compensatieregeling bij werkloosheidsuitkering en
                            WAO-uitkering, aan een tegemoetkoming in studiekosten. </al><al>Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                            rijksambtenaren, zijn om pragmatische redenen sinds 1 januari 2004
                            opgenomen in de ministeriële Regeling rechtspositie wethouders. In deze
                            wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang
                            zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte
                            van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in beide
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                            secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming
                            in de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij
                            aftreden als wethouder, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze
                            voorzieningen te treffen.</al><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De
                            grondslag hiervoor is te vinden in de gemeentewet en de hiervoor
                            genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de
                            wet is toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in
                            welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de
                            Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor
                            zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                            gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                            rechtspositie wethouders en de (nog vast te stellen) Verordening
                            rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders
                            ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen aan de
                            Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                            commissieleden opgenomen in artikel 99 van de gemeentewet. Het tweede
                            lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                            aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                            ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de (nog vast te
                            stellen) Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                            commissieleden.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="·"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                                    (artikelen 2 en 21), waarbij is op te merken dat voor wethouders
                                    niets is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld
                                    in het Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="·"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en
                                    raadsleden (artikelen 3 en 14); </al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en
                                    commissieleden, waarbij voor wethouders een onderscheid is
                                    gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen
                                    5, 6, 16 en 22); </al></li><li nr="·"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                                    verhuisplichtige wethouder (artikel 20);` </al></li><li nr="·"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                                    wethouders, raads- en commissieleden (artikelen 8, 18, 19 en 24)
                                    en faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders, raads-
                                    en commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 7,
                                    17 en 23); </al></li></lijst><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht
                            op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                            2006, 660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in
                            de kosten van een ziektekostenverzekering toekennen. Daardoor is
                            tegemoet gekomen aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage.
                            Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge
                            de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld
                            en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                            materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                            op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven,
                            beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                            dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                            is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
                            Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                            loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                            derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te
                            opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet,
                            Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening
                            bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen
                            zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op
                            vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde
                            inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting</vet></al><al>Opting in regeling</al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting
                            in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                            ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In
                            een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                            Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als wordt
                            gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de
                            ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid
                            geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd
                            vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving.
                            Om die reden worden over de raadsvergoeding dan ook geen premies sociale
                            zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van
                            reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                            congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen
                            worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor
                            na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert.
                            Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                            raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting in’ als een bruto bedrag
                            wordt verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling
                            ontvangen een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat
                            van de bruto vergoeding. </al><al>Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen
                            hebben voor de standaardregeling zullen dan ook over het lagere bedrag
                            dat zij als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten
                            betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat
                            de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                            raadslidmaatschap. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden door middel van een jaaropgave. Verstrekkingen moeten naar de
                            waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk
                            zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                            kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet
                            heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                            toelichting op artikel 3).</al><al>Eenmalige keuze per zittingsperiode</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te
                            opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen
                            hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                            per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                            (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant
                            terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor
                            de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                            gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                            periode gedaan worden.</al><al>De vergoedingssystematiek</al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                            gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                            de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                            wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="·"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                                    (bedrijfsvoering en bestuurskosten); </al></li><li nr="·"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de
                                    organisatie; </al></li><li nr="·"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                                    aangeboden (indien de loonbelasting geldt); </al></li><li nr="·"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden,
                                    kan een (bruto) vergoeding worden verstrekt. </al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><lijst><li nr="·"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur; </al></li><li nr="·"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de
                            wethouder of het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en
                            de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen
                            derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                            worden vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten,
                            blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven aan de
                            wethouder of aan het raadslid op basis van declaratie worden vergoed.
                            Deze kunnen, als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden
                            vergoed.</al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                            kunnen worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                            kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is
                            aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt
                            dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen
                            alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte
                            kosten fiscaal kunnen verrekenen worden hun vergoedingen niet gebruteerd
                            toegekend.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe zijn
                            enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen nodig die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee een aantal belangrijke procedures
                            vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven,
                            declaratie van vooruit betaalde kosten. In de bruikleenovereenkomsten
                            zullen heldere afspraken moeten worden vastgelegd over het gebruik van
                            computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor
                            de uitoefening van de politieke functie. In een gedragscode kunnen
                            aanvullend nadere gedragsregels worden vastgelegd. Daarbij gaat het
                            onder meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in
                            aanmerking komen voor bespreking en zonodig besluitvorming in het
                            college, de bekostiging van zakendiners met derden en omtrent
                            administratieve procedures over de afwikkeling van declaraties en
                            facturen en de daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden
                            en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.
                            In de artikelen 25 en 26 van de verordening is geregeld, dat de
                            declaraties van de raads- en commissieleden ingediend moeten worden bij
                            de griffier en de declaraties van de wethouders bij de
                            gemeentesecretaris (of bij een door hem aangewezen ambtenaar), die de
                            declaraties op rechtmatigheid beoordelen. </al><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                                2012</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                        <onderstreept>Gemeentewet</onderstreept>;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Rechtspositiebesluit wethouders</onderstreept> :
                                    het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Rechtspositiebesluit raads- en
                                        commissieleden</onderstreept> : het Koninklijk Besluit van
                                    22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al><onderstreept>Regeling rechtspositie wethouders</onderstreept> :
                                    de ministeriële regeling van 20 februari 2001, Stcrt. 41 als
                                    bedoeld in <onderstreept>artikel 23 van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders</onderstreept> ;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Verplaatsingskostenregeling 1989</onderstreept> :
                                    het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20
                                    oktober 1989, nr. AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>Reisregeling binnenland</onderstreept> : het
                                    besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart
                                    1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56; </al></li><li nr="g."><al><onderstreept>Reisregeling buitenland</onderstreept> : het
                                    besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 september
                                    1994, nr. AD94/U1011, Stcrt. 181;</al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in <onderstreept>artikel 107 van
                                        de Gemeentewet</onderstreept> ;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 102 van de
                                    Gemeentewet</onderstreept>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in <onderstreept>artikel 2,
                                eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden</onderstreept> , is gelijk aan het door de minister
                            van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 5
                            (inwonertal 40.001 tot en met 60.000) vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 5
                                (inwonertal 40.001 tot en met 60.000), vermeld in tabel II van het
                                    <onderstreept>Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden</onderstreept> .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                    <onderstreept>artikel 4, aanhef en
                                    </onderstreept><onderstreept>onderdeel f, van de Wet op de
                                    loonbelasting 1964</onderstreept> voor de toepassing van die wet
                                als dienstbetrekking wordt aangemerkt, is in afwijking van het
                                eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor
                                gemeenteklasse 5 (inwonertal 40.001 tot en met 60.000), vermeld in
                                tabel III van het <onderstreept>Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden</onderstreept> . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de
                                    <onderstreept>artikelen 2</onderstreept> en
                                    <onderstreept>3</onderstreept>, naar evenredigheid van het
                                aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de
                                    <onderstreept>artikelen 2</onderstreept> en
                                    <onderstreept>3</onderstreept>, geschiedt in maandelijkse
                                termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                        vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                        reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in <onderstreept>artikel 4,
                                            onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                            wethouders</onderstreept>.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed. Volgens de normen zoals die gelden voor rijksambtenaren, welke
                            zijn neergelegd in het Reisbesluit binnenland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                griffier. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                vervulling van het raadslidmaatschap. Hierbij dient rekening te
                                worden gehouden met het beschikbare budget voor raadsleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de gemeente
                                voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een computer,
                                bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in <onderstreept>artikel
                                2</onderstreept>, kan op verzoek van een raadslid worden verlaagd in
                            het geval hij een uitkering ontvangt in verband met gehele of
                            gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    <onderstreept>Werkloosheidswet</onderstreept> ontvangt en de na
                                toepassing van <onderstreept>artikel 20 van die wet</onderstreept>
                                ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen
                                van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    <onderstreept>artikel 2</onderstreept> bedoelde vergoeding voor
                                de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding
                                ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde
                                korting. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    <onderstreept>Besluit Werkloosheid onderwijs- en
                                    onderzoekpersoneel</onderstreept> ontvangt en de na toepassing
                                van <onderstreept>artikel 6, vierde lid, van dat
                                    besluit</onderstreept> ontstane korting op deze uitkering ten
                                gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt
                                dan de in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> bedoelde vergoeding
                                voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze
                                vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van
                                bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van <onderstreept>artikel 77, lid 1, van
                                    de Gemeentewet</onderstreept> meer dan 30 dagen onafgebroken het
                                voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die
                                waarneming een toeslag van 8% van de in <onderstreept>artikel
                                    2</onderstreept> bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over
                                de tijd van de waarneming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    3</onderstreept>. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                bedraagt per jaar het bedrag als bedoeld in <onderstreept>artikel 11
                                    van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden</onderstreept>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <onderstreept>artikelen 2 tot en met 4</onderstreept> , 8 tot en
                                met 10 en 12 blijven van toepassing op het raadslid aan wie
                                ingevolge <onderstreept>artikel X 10 van de Kieswet</onderstreept>
                                tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of
                                ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit
                                raadslid op grond van <onderstreept>artikel 3, eerste of tweede
                                    lid</onderstreept>, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag
                                dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <onderstreept>artikelen 1 tot en met 7</onderstreept>,
                                    <onderstreept>8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                    lid</onderstreept>, en 9<onderstreept> tot en met 10 van deze
                                    verordening</onderstreept> zijn van toepassing op raadsleden die
                                tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                                ingevolge <onderstreept>artikel X 10 van de Kieswet</onderstreept>
                                tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling
                                of ziekte. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenten met meer dan
                            18.001 inwoners, vermeld in <onderstreept>artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders</onderstreept> .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 3 (inwonertal van 20.001 tot en met 50.000)
                                van d</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>
                                Regeling rechtspositie wethouders</onderstreept> .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>1.Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al><al>De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer : een volledige
                                    vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: de vergoeding als
                                    bedoeld in <onderstreept>artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders</onderstreept>;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten. Volgens de normen zoals die gelden voor
                                    rijksambtenaren, welke zijn neergelegd in het Reisbesluit
                                    binnenland. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                burgemeester. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie
                                en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                uitoefening van het ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag worden de wethouder ten laste van de gemeente voor de
                                uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in
                                        <onderstreept>artikel 1 van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders</onderstreept> ;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in <onderstreept>artikel 2 van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders</onderstreept> . </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Vergoeding voor deelname aan de vergaderingen van een
                                commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor deelname aan de vergaderingen van een commissie
                                en haar subcommissies bedoeld in <onderstreept>artikel 14 van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</onderstreept> is
                                gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in <onderstreept>artikel 96 van de
                                    Gemeentewet</onderstreept> ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste 200 % van het
                                in het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien van </al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid is en niet in zijn
                                hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is benoemd
                                worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de
                                commissie vergoed. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                        vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                        reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in <onderstreept>artikel 4, onderdeel c,
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders</onderstreept> . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                griffier. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                vervulling van het commissielidmaatschap. Hierbij dient rekening te
                                worden gehouden met het beschikbare budget voor raadsleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag worden het commissielid ten laste van de gemeente voor
                                de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Declaratie achteraf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de
                                    <onderstreept>artikelen 5</onderstreept>,
                                    <onderstreept>6</onderstreept>, 16, en
                                    <onderstreept>2</onderstreept>2 wordt gebruik gemaakt van een
                                declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig digitaal ingevuld in Youpp,
                                onderdeel van het personeelsinformatiesysteem. Het raadslid,
                                onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient het
                                declaratieformulier binnen 1 kwartaal, digitaal in voor akkoord,
                                onder bijvoeging van de originele bewijsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de <onderstreept>artikelen
                                    7</onderstreept>, <onderstreept>1</onderstreept>7, en 23 kan
                                plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het raadslid,
                                onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende factuur aan
                                de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 1 kwartaal in bij de
                                griffier of de burgemeester.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>De Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van
                            de gemeente Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer komen te
                            vervallen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad van de gemeente Hollands Kroon op 2 januari
                        2012</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                        raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                        vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding
                        bepaald op het maximale bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar beneden
                        af te wijken van het door de minister vastgestelde maximum. De afwijking
                        naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr="·"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                                percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                                maximum; </al></li><li nr="·"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                                raadsvergoeding zijn. </al></li><li nr="·"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.
                            </al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                        raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt
                        voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                        jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                        overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in
                        de verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk
                        is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                        daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006
                        verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van
                        indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze
                        keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in
                        artikel 9 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</titel></kop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q.
                        aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op
                        basis van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="·"><al>representatie </al></li><li nr="·"><al>vakliteratuur </al></li><li nr="·"><al>contributies, lidmaatschappen </al></li><li nr="·"><al>telefoonkosten </al></li><li nr="·"><al>bureaukosten, porti </al></li><li nr="·"><al>zakelijke giften </al></li><li nr="·"><al>bijdrage aan fractiekosten </al></li><li nr="·"><al>ontvangsten thuis </al></li><li nr="·"><al>excursies. </al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                        cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                        voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 17, 18, 23 en 24). De
                        onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                        bijgesteld.</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                        verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te
                        houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze
                        brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben
                        geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                        aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                        onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                        brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                        raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                        belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                        bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden
                        het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en
                        14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook
                        de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald,
                        dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                        maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                        januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                        gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene
                        zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de
                        minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5,</nr><titel>6 en 22 reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</titel></kop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                        raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                        raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                        grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor
                        raads- en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en
                        verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                        uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                        echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in
                        verband met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                        Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de
                        sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de
                        ‘Regeling rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling
                        rechtspositie burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen
                        zijn in principe dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen,
                        maar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door
                        deze specifieke regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer
                        op het ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen
                        voor burgemeesters en wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de
                        rijksregeling. De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                        verblijfkosten is niet nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale
                        aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een voor de wethouders door het
                        college en voor de raadsleden door de raad vast te stellen
                        uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden bij de
                        rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale uitvoeringsregelingen op
                        elkaar af te stemmen.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                        vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                        aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals
                        gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland.
                        Daardoor wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden,
                        beperkt. De vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt
                        verblijfkosten is ook voor raads- en commissieleden een lokale
                        aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de raad vast te stellen
                        uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting gezocht kan worden bij de
                        uitvoeringsregeling voor de wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 7 en 17 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                        de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                        congressen e.d. waaraan het individuele raadslid in verband met de
                        vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.
                        Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                        gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                        cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                        gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                        kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                        aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                        ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                        karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8,</nr><titel>18 Computer</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van wethouder of het
                        lidmaatschap van een commissie wordt op aanvraag om niet een computer met
                        bijbehorende apparatuur en software in bruikleen beschikbaar gesteld. De
                        nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het
                        raadslid, het commissielid en de wethouder met de gemeente sluit. Het model
                        van die overeenkomst is door het college vastgesteld.</al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten
                        voor wethouders en raads- en commissieleden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                        aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient
                        te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te
                        blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                        indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                        verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
                        Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                        Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het
                        inkomen door een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte
                        van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                        anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding
                        van een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden.
                        Op grond van artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te
                        vinden in artikel 9 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag
                        een raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                        voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de
                        wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                        iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                        werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren
                        dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs-
                        en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het
                        inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve
                        iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met
                        het aantal uren dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking neemt.
                        Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor
                        de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de
                        mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 10 van de
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                        gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                        waargenomen door een aangewezen raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                        raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In
                        overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                        artikel 11 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming
                        van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming
                        recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en
                        van de vaste onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of
                        de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding
                        een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%.</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze
                        door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de
                        inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand van de
                        vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus
                        alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen)
                        worden vastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal
                        dat door de Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de
                        inhoudingen van 4,4%.</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel
                        11 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                        tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald.
                        Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op
                        verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                        inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert.
                        De tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al><al>In het tweede lid van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden is bepaald dat als de nominale eindejaarsuitkering van het
                        personeel werkzaam bij de sector Rijk wijziging ondergaat, het bedrag van de
                        tegemoetkoming in de kosten van de ziektekostenverzekering naar
                        evenredigheid wordt gewijzigd. </al><al>De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het
                        rijkspersoneel is overeengekomen voor de periode van 1 januari 2007 tot en
                        met 31 december 2010. Vanaf 1 april 2009 geldt voor de tegemoetkoming in de
                        kosten van een ziektekostenverzekering een bedrag van € 203,21 bruto per
                        jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                        bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen
                        in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In
                        de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er
                        is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het
                        tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                        vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt
                        over de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer
                        binnen de termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin
                        is het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw
                        een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat
                        verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                        waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                        beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                        behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming
                        van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het
                        einde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor
                        korter zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder
                        enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de
                        hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk
                        raadslidmaatschap als de rechtspositionele aspecten daarvan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                            reiskosten</titel></kop><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                        woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                        Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                        gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding sinds 1 januari
                        2004: € 0,15 per afgelegde kilometer.</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                        openbaar vervoer, volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien
                        gemaakt met de eigen vervoermiddel sinds 1 januari 2006 € 0,37 per afgelegde
                        kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan €
                        0,19, belast.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Bijlage 1: Wettelijke regelingen</titel></kop><tussenkop>Gemeentewet</tussenkop><al>Artikel 44:</al><lijst><li nr="1."><al>De wethouders genieten ten laste van de gemeente een bezoldiging. Die
                            bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.</al></li><li nr="2."><al>Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming
                            in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere financiële
                            voorzieningen die verband houden met de vervulling van het
                            wethoudersambt.</al></li><li nr="3."><al>Buiten hetgeen bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                            wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van
                            de gemeente.</al></li></lijst><al>Artikel 95:</al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de raad en de deelraad en de leden van de raad en de
                            deelraad aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet ontslag is
                            verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een bij
                            verordening van de raad vast te stellen vergoeding voor hun
                            werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.</al></li><li nr="2."><al>De raad kan bij verordening regels stellen over de tegemoetkoming in of
                            vergoeding van bijzondere kosten en over andere financiële voorzieningen
                            die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de raad of
                            de deelraad.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de raad
                            of de deelraad dat met inschatneming van artikel 13, tweede lid,
                            onderscheidenlijk artikel 89, derde lid, tevens wethouder
                            onderscheidenlijk lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente
                            is.</al></li><li nr="4."><al>De verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
                            vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
                            bestuur te stellen regels.</al></li></lijst><al>Artikel 96:</al><lijst><li nr="1."><al>De leden van een door de raad, het college of de burgemeester instelde
                            commissie ontvangen, voorzover zij geen lid zijn van de raad of het
                            college, een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en </al></li><li nr="b."><al>van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de
                                    gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat de leden
                            van het dagelijks bestuur van een bestuurscommissie of een andere
                            commissie als bedoeld in artikel 84 een vaste vergoeding voor hun
                            werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
                            a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
                            gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel
                            kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
                            worden gesteld. </al></li></lijst><al>Artikel 97:</al><al>Aan de leden van de raad en de personen genoemd in artikel 96, eerste lid, vindt
                    vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het
                    grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                    gemeentebestuur, slechts plaats overeenkomstig door de raad bij verordening
                    vastgestelde regels.</al><al>Artikel 98:</al><al>De verordeningen bedoeld in de artikel 95 tot en met 97 worden aan gedeputeerde
                    staten gezonden.</al><al>Artikel 99:</al><lijst><li nr="1."><al>Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de
                            leden van de raad, van een door de raad, het college of de burgemeester
                            ingestelde commissie, van een deelraad en van het dagelijks bestuur van
                            een deelgemeente als zodanig geen andere vergoedingen en
                            tegemoetkomingen ten laste van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Voordelen ten laste van de gemeente, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover de
                            raad dit bij verordening bepaalt. De verordening behoeft de goedkeuring
                            van gedeputeerde staten.</al></li></lijst><al>Artikel 147:</al><lijst><li nr="1."><al>Gemeentelijke verordeningen worden door de raad vastgesteld voor zover
                            de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet
                            aan het college of de burgemeester is toegekend.</al></li><li nr="2."><al>De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, eerste lid, berusten
                            bij de raad.</al></li><li nr="3."><al>De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, tweede lid, berusten
                            bij het college, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de
                            raad of de burgemeester zijn toegekend.</al></li></lijst><tussenkop>Rechtspositiebesluit wethouders</tussenkop><al>Artikel 22:</al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan bij verordening bepalen dat indien de wethouder bij
                            benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente beschikt, hij ten
                            laste van de gemeente aanspraak heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al>een vergoeding van reis- en pensionkosten;</al></li><li nr="b."><al>een vergoeding van verhuiskosten in verband met de benoeming in
                                    de gemeente.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 23:</al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan bij verordening bepalen dat de wethouder aanspraak heeft op
                            een vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor woon-werkverkeer;</al></li><li nr="b."><al>reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening
                                    van het ambt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de
                            hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraak.</al></li></lijst><al>Artikel 25:</al><al>1.De raad kan bij verordening bepalen dat aan een wethouder een
                    onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten
                    wordt toegekend tot de maximumbedragen genoemd in volgende tabel:</al><table><tgroup cols="2" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colwidth="39*"/><colspec colname="col2" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Aantal inwoners gemeente</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>maximale onkostenvergoeding per maand </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>8.000</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>€ 269,13</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>8.001–14.000</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>€ 442,26</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>14.001–18.000</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>€ 572,11</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>18.001–</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>€ 624,28</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar door
                    Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de
                    maand september van het voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de
                    Staatscourant.</al><al>Artikel 26:</al><lijst><li nr="1."><al>De wethouder die in de loop van het kalenderjaar is benoemd dan wel het
                            wethouderschap heeft beëindigd als bedoeld in artikel 1, onderdeel f ,
                            ontvangt de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 25, naar
                            evenredigheid met de periode van uitoefening van het ambt in bedoeld
                            kalenderjaar.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die met toepassing van artikel 36, tweede lid, van de
                            Gemeentewet de betrekking in deeltijd uitoefent, ontvangt de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 25, naar evenredigheid met de
                            vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van
                            de Gemeentewet.</al></li></lijst><al>Artikel 27:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een gemeente op grond van artikel 7 in een andere klasse is
                            geplaatst, wordt voor de toepassing van artikel 25 uitgegaan van het bij
                            die klasse behorende inwonertal.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van artikel 25 zijn de artikelen 8 en 9 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 27a:</al><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de wethouder voor de
                            uitoefening van het ambt, een computer, bijbehorende apparatuur en
                            software in bruikleen ter beschikking gesteld. De gemeenteraad verstrekt
                            op aanvraag een tegemoetkoming voor de belastingheffing als gevolg
                            hiervan.</al></li><li nr="2."><al>Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter
                            beschikking is gesteld wordt door de raad aan de wethouder op
                            aanvraag,voor de uitoefening van het ambt, een tegemoetkoming verleend
                            voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software,
                                    of,</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                    software.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan de wethouder voor de
                            uitoefening van het ambt communicatieapparatuur in bruikleen ter
                            beschikking gesteld. De gemeenteraad verstrekt op aanvraag een
                            tegemoetkoming voor de belastingheffing als gevolg hiervan.</al></li><li nr="4."><al>Op aanvraag wordt door de raad een vergoeding aan de wethouder verleend
                            voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor
                            de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>De raad kan bij verordening nadere regels stellen over het ter
                            beschikking stellen van computer- en communicatieapparatuur en de
                            tegemoetkoming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid en de
                            vergoeding, bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al>Artikel 28:</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen
                            wordt door de wethouder genoten met ingang van de dag van de
                            benoeming.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen
                            eindigt op het tijdstip van beëindiging van het wethouderschap.</al></li></lijst><tussenkop>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aan een lid van de raad wordt een vergoeding voor de werkzaamheden
                            toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel I bij dit
                            besluit.</al></li><li nr="2."><al>De bedragen, genoemd in tabel I, worden per 1 januari van elk jaar door
                            Onze Minister herzien aan de hand van het door het Centraal Bureau voor
                            de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande
                            kalenderjaarvastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid inclusief
                            bijzondere beloningen en bekend gemaakt in de Staatscourant.</al></li><li nr="3."><al>Aan een lid van de raad wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                            uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend tot de
                            maximumbedragen, genoemd in tabel II bij dit besluit.</al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van een lid van de raad van wie de arbeidsverhouding
                            ingevolge <onderstreept>artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op
                                de loonbelasting 1964</onderstreept> voor de toepassing van die wet
                            als dienstbetrekking wordt aangemerkt, gelden in afwijking van het
                            tweede lid voor de vergoeding de maximumbedragen, genoemd in tabel III
                            bij dit besluit.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen, genoemd in de tabellen II en III, worden per januari van
                            elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de
                            consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het
                            voorafgaande kalenderjaar en bekend gemaakt in de Staatscourant.</al></li></lijst><al>Artikel 3:</al><al>De raad kan bij verordening tot ten hoogste 20% naar beneden afwijken van de
                    bedragen, genoemd in de tabellen I, II en III.</al><al>Artikel 4:</al><al>De raad kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor
                    de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden
                    vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van de raad op
                    basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.</al><al>Artikel 4a:</al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan bij verordening bepalen dat ten aanzien van een lid van de
                            raad dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 61, derde lid, van de
                                Gemeentewet</onderstreept> dan wel de rekenkamerfunctie, bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 81oa van de Gemeentewet</onderstreept>,
                            uitoefent dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 155a, derde lid, van de
                                Gemeentewet</onderstreept>, voor de duur van het lidmaatschap van de
                            commissie dan wel de duur van de activiteiten per jaar een toelage
                            ontvangt tot ten hoogste 5% van de vergoeding voor de werkzaamheden op
                            jaarbasis. Aan de verordening kan terugwerkende kracht worden verleend
                            tot en met 1 januari 2009.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van
                            het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten
                            vast.</al></li></lijst><al>Artikel 5:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien ten aanzien van een gemeente toepassing is gegeven aan
                                <onderstreept>artikel 7 van het Rechtspositiebesluit
                                wethouders</onderstreept>, passen gedeputeerde staten, op voorstel
                            van de gemeenteraad, voor een bepaald tijdvak, de indeling van de
                            raadsleden in een van de klassen, genoemd in de tabellen I, II en III,
                            dienovereenkomstig aan.</al></li><li nr="2."><al>Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het
                            eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Van de besluiten, genoemd in het eerste en tweede lid, doen gedeputeerde
                            staten onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister.</al></li></lijst><al>Artikel 6:</al><al>1 .Overgang van een gemeente naar een hogere klasse in verband met toeneming van
                    het inwonertal vindt plaats met ingang van het jaar waarin op 1 januari het
                    inwonertal van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse heeft bereikt
                    en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op:</al><lijst><li nr="a."><al>1 januari van het volgende jaar, of</al></li><li nr="b."><al>de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling,
                            waarbij zij is betrokken.</al><lijst><li nr="2."><al>Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met
                                    vermindering van het inwonertal vindt plaats met ingang van het
                                    jaar waarin het inwonertal van de gemeente op 1 januari voor de
                                    tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de
                                    klasse, waarin de gemeente tot dusver was ingedeeld, gedaald
                                    is.</al></li><li nr="3."><al>Voor gemeenten waarvan het inwonertal ten gevolge van
                                    grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling
                                    wijziging heeft ondergaan, vindt overgang naar een hogere of
                                    lagere klasse plaats met ingang van de datum van de
                                    grenscorrectie of de wijziging van de gemeentelijke indeling.
                                    Hierbij geldt het inwonertal, zoals dit voor de eerste maal na
                                    die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging
                                    van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de
                                    Statistiek wordt openbaar gemaakt.</al></li><li nr="4."><al>Voor de eerste indeling van nieuw ingestelde gemeenten vindt het
                                    derde lid overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 7:</al><al>De overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de
                    vermindering van het aantal inwoners is niet van invloed op de geldende
                    vergoeding voor de werkzaamheden en onkostenvergoeding van de op het tijdstip
                    van overgang zittende leden van de raad tot hun aftreden.</al><al>Artikel 7a:</al><al>1.Op aanvraag wordt ten laste van de gemeente aan een lid van de raad voor de
                    uitoefening van het raadslidmaatschap een computer, bijbehorende apparatuur en
                    software in bruikleen ter beschikking gesteld. Het college van burgemeester en
                    wethouders verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming voor de belastingheffing als
                    gevolg hiervan.</al><al>2 .Indien geen computer en bijbehorende apparatuur en software ter beschikking
                    is gesteld wordt door het college van burgemeester en wethouders aan raadsleden
                    op aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, een tegemoetkoming
                    verleend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software, of,</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                            software.</al><lijst><li nr="3."><al>Op aanvraag wordt door het college van burgemeester en
                                    wethouders een vergoeding aan het lid van de raad verleend voor
                                    de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding
                                    voor de in het eerste of het tweede lid genoemde
                                    computerapparatuur.</al></li><li nr="4."><al>De raad kan nadere regels stellen over het ter beschikking
                                    stellen van computerapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in
                                    het eerste en tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het derde
                                    lid.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 8:</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding worden door
                            het lid van de raad genoten met ingang van de dag van de beëdiging.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding eindigt op
                            het tijdstip van beëindiging van het raadslidmaatschap.</al></li></lijst><al>Artikel 8a:</al><lijst><li nr="1."><al>Een lid van de raad dat op grond van <onderstreept>artikel 77 van de
                                Gemeentewet</onderstreept> meer dan dertig dagen onafgebroken het
                            voorzitterschap van de raad waarneemt, ontvangt voor die tijd voor die
                            waarneming een toeslag van 8% van zijn vergoeding als lid van de
                            raad.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in <onderstreept>tabel II</onderstreept> en
                                <onderstreept>III</onderstreept>.</al></li></lijst><al>Artikel 8b:</al><lijst><li nr="1."><al>Naast de vergoeding voor de werkzaamheden ontvangen fractievoorzitters
                            voor de duur van hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan
                            1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van
                            de vergoeding op jaarbasis voor elk lid dat de fractie buiten de
                            fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4%
                            van de vergoeding op jaarbasis.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester vast:</al><lijst><li nr="a."><al>hoeveel leden een fractie telt;</al></li><li nr="b."><al>de duur van het fractievoorzitterschap.</al></li></lijst></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>