<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR172387_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heerhugowaards Nieuwsblad 3-04-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2012020</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>re-integratie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heerhugowaard; </al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14
                        februari 2012 </al><al/><al>Gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7, 8 en 10
                        tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en
                        de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers; </al><al/><al>Gezien het advies van de Cliëntenadviesraad;</al><al/><al>B E S L U I T </al><al/><al>vast te stellen de hierna volgende </al><al/><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2012</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsonge</al><al>schikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsonge</al><al> schikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>WI: Wet Inburgering;</al></li><li nr="e."><al>belanghebbenden: degene wiens belang rechstreeks bij een besluit
                                    is betrokken conform artikel 1:2 van de algemene wet
                                    bestuursrecht;</al></li><li nr="f."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV
                                    WERKbedrijf;</al></li><li nr="g."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="h."><al>Nugger: de Niet-uitkeringsgerechtigde zoals omschreven in
                                    artikel 6, onder a, van de wet;</al></li><li nr="i."><al>jongeren: personen die jonger zijn dan 27 jaar; </al></li><li nr="j."><al>Voorzieningen: voorzieningen bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                    onder a van de wet;</al></li><li nr="k."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="l."><al>De raad: de gemeenteraad;</al></li><li nr="m."><al>Arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                                    als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a van de wet; </al></li><li nr="n."><al> Algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, zonder beperkende
                                    voorwaarden qua aard en omvang van het werk en aansluiting op
                                    opleiding en ervaring, met uitzondering van illegale arbeid en
                                    arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk minimum en
                                    rekening houdend met gewetensbezwaren zodanig dat deze strikt
                                    persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en een
                                    onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten
                                    werk;</al></li><li nr="o."><al> Gesubsidieerde arbeid: werk, waarbij de werknemer over het
                                    algemeen wel in staat is om productieve arbeid te verrichten,
                                    maar waarbij een verschil bestaat tussen de loonkosten van de
                                    werkgever en de mate waarin een gemiddelde werknemer deze
                                    productieve arbeid verricht;</al></li><li nr="p."><al> Werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid van de wet;</al></li><li nr="q."><al> Doelgroep: de personen wonende in de gemeente Heerhugowaard en
                                    jonger dan 65 jaar die algemene bijstand ontvangen, personen als
                                    bedoeld in artikel 10 tweede lid van de wet, personen met een
                                    nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene
                                    nabestaandenwet, niet-uitkeringsgerechtigden en
                                    inburgeringsplichtigen op grond van de WI.</al></li><li nr="r."><al>Participatieplaats: een additionele werkplaats als bedoeld in
                                    artikel 10a van de WWB, artikel 38 van de IOAW of artikel 38 van
                                    de IOAZ, waar een uitkeringsgerechtigde, die op grond van
                                    persoonlijke werkbelemmeringen niet direct bemiddelbaar is, met
                                    behoud van uitkering werkzaamheden verricht, gericht op
                                    inschakeling op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan personen behorend tot de doelgroep,
                                ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college
                                dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. Artikel 40, 1<sup>e</sup> lid van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze voor de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging
                                gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de
                                voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                cliënt het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                                arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende aanbod aan ondersteuning en
                                voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Kadernota</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                iedere drie jaar een kadernota vast, waarin beleidsprioriteiten
                                worden aangegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze nota omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van het beleid ten aanzien van de
                                        verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en
                                        tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als
                                        uitgangspunt wordt genomen;</al></li><li nr="b."><al>de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de
                                        arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt
                                        besteed aan de combinatie van arbeid en zorg;</al></li><li nr="c."><al>het flankerend beleid ten aanzien van zorg en hulpverlening.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verantwoordt via de jaarrekening aan de gemeenteraad
                                over de rechtmatigheid, doeltreffendheid en de effecten van het
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kadernota als bedoeld in het eerste lid, alsmede het verslag als
                                bedoeld in het derde lid bevatten het advies van de
                                Cliëntenadviesraad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen behorend tot de doelgroep maken aanspraak op ondersteuning
                                bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en de in artikel 3 lid 1 genoemde
                                kadernota. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende, die door het college een voorziening wordt
                                aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Personen behorend tot de doelgroep die deelnemen aan een voorziening
                                zijn gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de
                                Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (Wet SUWI), alsmede aan de
                                verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                                verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college een
                                maatregel opleggen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                afstemmingsverordening dan wel in de Wet boete, maatregelen en
                                terug- en invordering Sociale Zekerheid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende, niet zijnde een persoon die een uitkering
                                ingevolge de WWB, IOAW of IOAZ ontvangt, niet aan de verplichtingen
                                gesteld in het tweede lid voldoet, is hij gehouden de kosten van de
                                voorziening terug te betalen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke belanghebbende krijgt zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen 6
                                maanden na de dag waarop het recht op de uitkering is ontstaan,
                                zoals bedoeld in artikel 44 lid 1 van de wet, een aanbod voor een
                                voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde
                                arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft
                                bepaald dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de kadernota, als bedoeld in artikel 3, wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden, alsmede de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet, aan de voorziening nadere verplichtingen verbinden.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om voor de hieronder omschreven en opgesomde ondersteuning en
                                voorziening in aanmerking te komen, dient de persoon te behoren tot
                                de in artikel 1, onder p, van deze verordening opgenomen en
                                beschreven doelgroepen en als werkloos werkzoekende geregistreerd te
                                zijn bij het UWV WERKbedrijf, tenzij hiervoor ontheffing is
                                verleend</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de
                                artikelen 8 tot en met 15, nadere regels vaststellen. Deze regels
                                kunnen betrekking hebben op :</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        –vaststelling</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                        premies</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt de vorm en inhoud van het plan van aanpak vast,
                                alsmede de wijze waarop en de mate waarin de evaluatie van het plan
                                van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 5 lid 2 van deze
                                        verordening niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>4</nr><titel>INSTRUMENTEN VOOR RE-INTEGRATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Loon boven uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan belanghebbenden ter bevordering van de
                                arbeidsinschakeling een tijdelijk dienstverband aanbieden in plaats
                                van een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan belanghebbenden ter bevordering van de
                                arbeidsinschakeling een tijdelijke stage- of werkervaringsplaats
                                aanbieden zonder dat dit gevolgen heeft voor het recht op de
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gesubsidieerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan aan belanghebbenden ter bevordering van de
                                arbeidsinschakeling gesubsidieerde arbeid aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan hiervoor een loonkostensubsidie verstrekken aan
                                werkgevers die met personen als bedoeld in artikel 2 lid 1 een
                                arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de gelegenheid te stellen
                                werkervaring op te doen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bemiddeling voor en de realisering van de werkervaringsplaatsen
                                als bedoeld in lid 2 wordt in opdracht van het college verricht door
                                een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van beroep of
                                bedrijf de inschakeling van personen in het arbeidsproces bevordert.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de bemiddeling en realisering van gesubsidieerde arbeid sluit
                                het college een samenwerkingsovereenkomst en uitvoeringsovereenkomst
                                af. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt vast welke gegevens de werkgever moet verstrekken
                                om in aanmerking te komen voor een loonkostensubsidie. Het college
                                kan hiervoor aanwijzingen geven en modellen voorschrijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt voorafgaand aan elk kalenderjaar de taakstelling
                                voor de uitvoering vast. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de subsidieverstrekking
                                als bedoeld in lid 2, staan beschreven in de notitie Beleid
                                gesubsidieerde arbeid. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college zorgt bij de opdrachtverlening tot het realiseren van
                                werkervaringsplaatsen ervoor dat verdringing van reguliere arbeid en
                                concurrentieverstoring worden tegen gegaan. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het verstrekken van de loonkostensubsidie voldoet aan de Europese
                                wet- en regelgeving hieromtrent, en geschiedt op basis van de
                                beleidsaanbeveling Loonkostensubsidie en Europese regelgeving en de
                                toelichting daarop.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De Algemene subsidieverordening is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde die niet direct
                                bemiddelbaar is, een participatieplaats gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden conform artikel 10a van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de participatieplaats is het opdoen van werkervaring
                                dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie en daarnaast
                                werken aan belemmeringen opgeworpen door persoonsgebonden factoren.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De participatieplaats kan gecombineerd worden met een opleiding ter
                                verkrijging van een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De participatieplaats duurt maximaal 24 maanden, met de mogelijkheid
                                van verlenging van twee maal één jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentie-verhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het
                                doel en de omvang van de participatieplaats alsmede de wijze waarop
                                de begeleiding plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de inzet
                                van participatieplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigeren loonkostensubsidie</titel></kop><al>De subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 10 kan, naast de in
                            artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen, worden
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gelden niet of in onvoldoende mate besteed worden voor het
                                    doel waarvoor de subsidie beschikbaar is gesteld;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="c."><al>de werkgever voor de arbeidskosten van de werknemer een andere
                                    subsidie ontvangt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden vrijwilligerswerk
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hieronder wordt verstaan: onbetaalde, onverplichte activiteiten voor
                                minimaal 8 uur en maximaal 20 uur per week als gevolg waarvan de
                                re-integratie van de deelnemer wordt bevorderd en gericht is op
                                (gesubsidieerde) arbeidsinschakeling of maatschappelijke
                                participatie. Het is een middel voor het opdoen of behouden van
                                werkritme.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan het college een
                                onkostenvergoeding verstrekken tot het wettelijk maximum per jaar.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een
                                re-integratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                activering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten of het deelnemen aan
                                activiteiten ter voorbereiding op een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van sociaal
                                isolement. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de doelgroep een vorm van scholing aanbieden
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid moet het college alleenstaande
                                ouders met een ontheffing van de arbeidsverplichting een
                                scholingsaanbod doen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor uitkeringsgerechtigden, die onbeloonde additionele
                                werkzaamheden verrichten, zoals bedoeld in artikel 10a van de wet en
                                artikel 13 van deze verordening, en die niet beschikken over een
                                startkwalificatie, wordt binnen zes maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan het vergroten van
                                de kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende
                                        de additionele werkzaamheden uitvoert;</al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>de eventuele test door het scholingsinstituut.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zorg en hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het college geeft aan hoe een verantwoorde combinatie van werk en
                                zorg op individueel niveau mogelijk is. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Voorzieningen voor jongeren</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 10 t/m 20 kunnen de volgende
                            voorzieningen, als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b van de wet,
                            niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van</al><al>belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                    wet;</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de
                                    wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>5</nr><titel>INKOMSTENVRIJLATING. PREMIES EN TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is op grond van artikel 31, tweede lid, onder o van de
                                Wet werk en bijstand bevoegd inkomsten uit arbeid gedurende 6
                                maanden tot 25% van het wettelijk vastgestelde maximum vrij te
                                laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Voorzieningen voor alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is op grond van artikel 31, tweede lid, onder r van de
                                WWB bevoegd inkomsten uit arbeid gedurende 30 maanden tot 12,5% van
                                de arbeidsinkomsten tot maximaal € 120 per maand vrij te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Premies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is op grond van artikel 31, tweede lid onder j van de
                                Wet werk en bijstand bevoegd uitkeringsgerechtigden die deelnemen
                                aan een arbeidsmarktgericht re-integratietraject, een
                                activeringspremie te verstrekken tot het wettelijk vastgestelde
                                maximum. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt een premie aan uitkeringsgerechtigden die
                                onbeloonde additionele arbeid verrichten conform artikel 10a, zesde
                                lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het recht op een premie als bedoeld in het tweede lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over het gebruik en de hoogte
                                van de hier bedoelde premie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een deelnemer van een arbeidsmarktgerichte
                                re-integratieactiviteit of aan de inburgeringsplichtige die een
                                gecombineerd dan wel een volgtijdelijk re-integratie en
                                inburgeringstraject volgt, een bijdrage verstrekken in de directe
                                kosten die hiervoor moeten worden gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over het toekennen van de in
                                lid 1 bedoelde vergoedingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet </al><al>voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                            “re-integratieverordening”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking en
                            werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 28 maart 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><al>De directe aanleiding voor deze verordening is de per 1 januari 2012 gewijzigde
                    WWB. Voor de re-integratieverordening brengt de gewijzigde WWB de consequentie
                    met zich mee dat deze moet worden aangepast aan het feit, dat de Wet investeren
                    in jongeren per 1 januari 2012 is vervallen en samengevoegd met, c.q. opgaat in
                    de WWB. </al><al>De intrekking van de wet investeren in jongeren (WIJ) per 1 januari 2012 is van
                    invloed op de re-integratieverordening. Met deze intrekking vervalt ook van
                    rechtswege de Verordening Werkleeraanbod WIJ. Voor de arbeidsinschakeling komen
                    jongeren dan onder het regime van de WWB en de re-integratieverordening WWB te
                    vallen. </al><al>In artikel 78t, derde lid WWB is specifiek overgangsrecht geformuleerd ten
                    aanzien van een werkleeraanbod (WIJ) dat aan jongeren is gedaan voor 1 januari
                    2012. Dit aanbod moet gestand worden gedaan tot uiterlijk 1 juli 2012 maar wordt
                    vanaf 1 januari 2012 geacht ondersteuning in de zin van artikel 9 WWB te zijn.
                    Een en ander heeft geen specifieke consequenties voor de
                    re-integratieverordening WWB. </al><al/><al>De Wet werk en bijstand stelt de eigen verantwoordelijkheid van de burger
                    centraal om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel
                    van arbeid. De gemeente heeft de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en
                    ruimte voor het voeren van een actief re-integratiebeleid. De gemeente heeft
                    voor de uitvoering van haar re-integratietaak regels gesteld bij verordening. </al><al/><al>Ook voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen geldt dat een verordening opgesteld
                    dient te worden. De onderhavige verordening is ook voor deze categorieën
                    uitkeringsgerechtigden van toepassing. </al><al/><al>Gekozen is voor een procedurele verordening, waarin is vastgelegd op welke wijze
                    het beleid bepaald wordt, hoe de verhouding tussen raad en college is, alsmede
                    enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college, de aanspraak op
                    voorzieningen, de inzet van voorzieningen en de rechten en plichten van de
                    belanghebbende. </al><al/><tussenkop>Relatie met andere verordeningen </tussenkop><al>De WWB geeft de gemeenteraad ook opdracht om verordeningen vast te stellen op
                    een tweetal terreinen, die een relatie hebben met de re-integratieverordening:
                    afstemming en cliëntenparticipatie. </al><al/><tussenkop>Afstemmingsverordening </tussenkop><al>De WWB draagt tevens de gemeente op een verordening op te stellen waarin het
                    samenstel van de rechten en plichten van de belanghebbende wordt geregeld. </al><al>De re-integratieverordening en de afstemmingsverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou
                    ervoor pleiten de beide verordeningen te integreren. Echter, de gemeente kan ook
                    aan de verstrekking van bijstand verplichtingen verbinden, die geen directe
                    relatie hebben met re-integratie. Dit pleit ervoor om de verordeningen te
                    scheiden, maar wel om duidelijke verwijzingen aan te brengen. </al><al/><tussenkop>Verordening cliëntenparticipatie </tussenkop><al>De WWB geeft aan de gemeenteraad tevens de opdracht een verordening
                    cliëntenparticipatie op te stellen. In de re-integratieverordening kan worden
                    opgenomen dat bij de vaststelling van de kadernota de Cliëntenadviesraad wordt
                    betrokken.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel worden een aantal begrippen omschreven, die meer dan eens
                    voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt
                    verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de wet om
                    ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving die
                    van toepassing is. Onder college en raad worden verstaan de betreffende organen
                    van de gemeente Heerhugowaard. Hiermee wordt ook tot uitdrukking gebracht dat de
                    verordening alleen op de gemeente Heerhugowaard van toepassing is. </al><al/><al>Doel van het beleid is daar waar mogelijk mensen die tot de doelgroep behoren te
                    helpen regulier werk te vinden en daar waar dat (nog) niet kan alles in het werk
                    te stellen om belemmeringen weg te nemen, problemen op te lossen,
                    uitstroomkansen te vergroten en (ondertussen) sociaal isolement te voorkomen. </al><al/><al>De gemeente is verantwoordelijk voor het aanbieden van voorzieningen voor
                    cliënten die niet op eigen kracht aan de slag komen. Cliënten hebben aanspraak
                    op ondersteuning door de gemeente bij re-integratie. Het is aan de gemeente te
                    beoordelen op welke wijze de ondersteuning wordt ingezet. Voor elk onderdeel
                    geldt dat het college nadere regels stelt omtrent de uitvoering hiervan.</al><al/><al>Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan het verrichten van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop
                    gerichte voorziening, die door de gemeente wordt aangeboden. Met deze beperking
                    wordt aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de
                    wet, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid is, maar in principe geen einddoel
                    kan zijn. </al><al/><al>Algemene grenzen van wat algemeen geaccepteerde arbeid is, zijn niet primair
                    terug te vinden in de WWB, maar wel in aanverwante wet- en regelgeving, zoals de
                    arbeidswetgeving. Illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het
                    wettelijk minimum vallen niet onder algemeen geaccepteerde arbeid. Bij
                    gewetensbezwaren ligt het meer gecompliceerd. Over het algemeen zal gelden dat
                    aan dergelijke strikt persoonlijke omstandigheden slechts betekenis zal worden
                    gehecht voor zover deze zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk conflict
                    opleveren met het te verrichten werk. </al><al/><al>Gesubsidieerde arbeid is arbeid waarbij de werknemer in dienst komt van de
                    opdrachtnemer dan wel een gesubsidieerde arbeidspool. Het doel van het opdoen
                    van gesubsidieerde werkervaring is uitstroom naar regulier werk. </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Opdracht college</tussenkop><al>De werkzaamheden in het kader van de voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling, met uitzondering van gesubsidieerde arbeid, worden in
                    opdracht van het college in beginsel uitgevoerd door een of meer externe
                    opdrachtnemers. Voor gesubsidieerd werk geldt dat er geen sprake is van een
                    verplichting tot uitbesteding aan private partijen. Ingevolge de Wet Structuur
                    Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen zal de gemeente gebruik moeten maken van
                    transparante en toetsbare aanbestedingsprocedures, waarbij meerdere offertes
                    worden gevraagd op basis van vooraf vastgestelde criteria. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Kadernota</tussenkop><al>De WWB vraagt aan de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een verordening
                    vast te leggen. Gekozen is voor de systematiek van een procedurele verordening.
                    Deze bevat de wettelijke bepalingen en procedures, maar geen invulling van het
                    beleid. Het beleid is vastgelegd in de bij de verordening behorende kadernota.
                    Het voordeel van een procedureel ingerichte verordening is flexibiliteit: het
                    beleid kan verder ontwikkeld en/of bijgesteld worden zonder dat de verordening
                    aangepast moet worden. De gemeenteraad stelt de kadernota vast. </al><al/><al>In het tweede lid is genoemd welke onderwerpen in ieder geval in beleidskaders
                    uitgewerkt worden. Het is geen limitatieve opsomming. </al><al/><al>Het derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het college
                    verantwoordt via de jaarrekening aan de gemeenteraad over de rechtmatigheid,
                    doeltreffendheid en de effecten van het beleid. </al><al/><al>In het vierde lid is geregeld dat nadrukkelijk de Cliëntenadviesraad wordt
                    betrokken bij de vaststelling van en de verantwoording over het beleid. Hier is
                    ook een relatie gelegd met de verordening cliëntenparticipatie.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>Naast de verantwoordelijkheid van gemeenten om voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling aan te bieden, is in het wetsvoorstel een aanspraak van de
                    betrokkene opgenomen op ondersteuning door de gemeente bij re-integratie. Het
                    gaat daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht
                    om door de gemeente geholpen te worden bij re-integratie. Een dergelijke
                    aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene voor zijn
                    re-integratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten niet ten onrechte personen
                    negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen. Het is aan
                    de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de betrokkene wordt
                    gehonoreerd. De gemeente bepaalt allereerst, mede op basis van het
                    re-integratieadvies van het UWV WERKbedrijf, of een ondersteuning richting
                    arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Vervolgens moet de gemeente bepalen uit
                    welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten
                    passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders,
                    in een verordening heeft opgenomen over haar re-integratiebeleid. Van belang bij
                    de uiteindelijke keuze van een traject is een actieve opstelling van de cliënt
                    in de contacten met de casemanager en met het re-integratiebedrijf. Cliënten die
                    hun eigen traject mee kunnen samenstellen, zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op
                    de persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke
                    succesfactoren voor een geslaagde re-integratie. De ideeën en voorstellen van de
                    cliënt worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het
                    arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op
                    termijn) duurzame plaatsing in een reguliere baan. De aanspraak op ondersteuning
                    door de gemeente bij re-integratie geldt ook voor personen aan wie de gemeente
                    tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de
                    betrokkene van mening is, dat de situatie is veranderd en dat toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt weer aan de orde is. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Verplichtingen van de cliënt</tussenkop><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Uitkeringsgerechtigden zijn
                    reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden.
                    Voor diegenen zonder uitkering moeten voorwaarden aan het re-integratietraject
                    gekoppeld worden. Deze gelden vanzelfsprekend ook voor de
                    uitkeringsgerechtigden. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de
                    mogelijkheid om een traject af te breken of de gevraagde ondersteuning te
                    weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Ook is
                    denkbaar dat gemaakte kosten op de belanghebbende worden verhaald als door
                    verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt of
                    belanghebbende zich niet houdt aan de informatieplicht. Terugvorderen op
                    civielrechtelijke basis kan alleen als de kosten van het traject onverschuldigd
                    aan de belanghebbende zijn betaald. Er wordt echter niets aan de belanghebbende
                    betaald maar aan het re-integratiebedrijf. </al><al>Door het afsluiten van een (traject)overeenkomst met daarin opgenomen een
                    boeteclausule kan worden gesteld dat de belanghebbende bij het niet nakomen van
                    de verplichtingen (uit de overeenkomst) het onverschuldigd betaalde bedrag moet
                    terugbetalen aan de gemeente.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Sluitende aanpak</tussenkop><al>In de WWB is de sluitende aanpak niet meer expliciet geregeld. Echter om
                    langdurige werkloosheid te voorkomen onder mensen die er niet in slagen op eigen
                    kracht een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren, is de zogeheten sluitende
                    aanpak ontstaan. Deze in Europees verband afgesproken aanpak houdt in dat voor
                    iedere cliënt een aanbod voor werk, scholing of sociale activering wordt gedaan.
                    De zorg voor uitkeringsgerechtigden vormt een integraal onderdeel van de
                    gemeentelijke zorgplicht. Het gaat hier om de aanpak, waarbij er voor een
                    werkloze die zich als werkzoekende inschrijft bij het UWV WERKbedrijf wordt
                    beoordeeld of hij binnen zes maanden een baan kan vinden zonder extra
                    bemiddeling. Wordt dat niet verwacht, dan komt de werkzoekende in aanmerking
                    voor extra bemiddeling naar regulier werk of wordt er mogelijk gezocht naar
                    niet-regulier werk, als dat tenminste tot de mogelijkheden behoort. Ingeval
                    betrokkene valt onder de doelgroep als genoemd in artikel 2 lid 1 doet het
                    college een aanbod voor een voorziening voor zover het college dit noodzakelijk
                    acht. </al><al>Extra bemiddeling betekent dat de werkzoekende een bemiddelingstraject
                    doorloopt, waarmee hij aan activiteiten deelneemt om hem naar werk te
                    begeleiden. </al><al>Het college streeft er naar de sluitende aanpak als hiervoor genoemd als zodanig
                    uit te voeren voor zover de beschikbare middelen daarvoor toereikend zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Algemene bepalingen over
                    voorzieningen</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel strekt in de lijn van het systeem van deze
                    verordening ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle
                    voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn
                    opgenomen. Dit lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende
                    opsomming van voorzieningen bevat.</al><al/><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al><al/><al>Het derde lid behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten. De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, eventueel
                    gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn plaats zijn. </al><al/><al>De nieuwe WWB per 1 januari 2012 stelt verplicht dat er ten aanzien van jongeren
                    een plan van aanpak wordt opgesteld. Dat plan van aanpak bevat een uitwerking
                    van de ondersteuning door de gemeente en de verplichtingen die de jongeren
                    heeft, gericht op de arbeidsinschakeling. Bij een besluit tot toekenning van
                    algemene bijstand wordt, in een bijlage, een plan van aanpak opgenomen. In lid
                    vijf is geregeld dat het college een plan van aanpak moet vaststellen.</al><al/><al>Het zesde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan
                    re-integratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit
                    handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract met het
                    re-integratiebedrijf wordt verklaard dat deze re-integratieverordening van
                    toepassing is.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Loon boven uitkering</tussenkop><al>Centraal bij de benadering van werk boven uitkering staat het uitgangspunt dat
                    instroom in de uitkering voorkomen moet worden door het direct aanbieden van
                    tijdelijk werk. Hierdoor wordt bereikt dat de cliënt direct in een werkritme
                    komt en kosten voor de bijstand (uitkering/uitvoering) worden voorkomen. Door
                    het direct aanbieden van werk bestaat de verwachting dat een deel van de normale
                    instroom niet in de uitkering instroomt en ook geen gebruik zal maken van het
                    aanbod om aan het werk te gaan. Daarnaast bestaat de verwachting dat degenen die
                    aan het werk gaan gemotiveerder zullen zijn om op eigen kracht zelf een
                    reguliere baan te zoeken. </al><al/><tussenkop>Artikel 9. Werken met behoud van uitkering</tussenkop><al>De doelstelling van dit artikel is leer- en werkervaringsprojecten mogelijk te
                    maken zonder dat dit financiële gevolgen heeft voor uitkeringsgerechtigden.
                    Hierbij kan gedacht worden aan stageplaatsen waardoor een opleiding door
                    praktijkervaring ondersteund kan worden. Vooral voor jonge mensen geldt dat als
                    zij aan kunnen tonen over enige praktijkervaring te beschikken, zij eerder in
                    aanmerking komen voor een reguliere baan. Een dergelijke ervaringsplaats vormt
                    een eerste fase in een traject naar regulier werk. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Gesubsidieerde arbeid</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de WWB zijn geen specifieke eisen
                    opgenomen voor gesubsidieerde arbeid. </al><al/><al>Nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid zijn participatiebanen en
                    detacheringsbanen. </al><al>Bij een <cursief>participatiebaan</cursief> is het doel maatschappelijke
                    participatie met als achterliggend doel een eerste opstap naar regulier werk.
                    Voor mensen met een participatiebaan is regulier werk op de korte of middellange
                    termijn geen haalbaar doel, wellicht wel op de lange termijn. Een
                    participatiebaan heeft een tijdelijk karakter. De maximale termijn is 24
                    maanden. Een participatiebaan maakt deel uit van een traject. Onder
                    participatiebanen worden ook brug- en opstapbanen begrepen.</al><al/><al>Het instrument <cursief>detacheringsbaan</cursief> kan in zijn geheel, inclusief
                    het formeel werkgeverschap, uitbesteed worden aan een detacheringsorganisatie.
                    De gemeente kan met die organisatie afspraken maken over de uitstroom naar
                    regulier werk. Aan de realisatie van uitstroomafspraken kunnen financiële
                    prikkels worden verbonden.</al><al/><al>Ondanks het vervallen van de landelijke regelgeving op dit punt blijft de
                    Europese regelgeving gelden. Op grond van de EU-regelgeving worden
                    overheidssubsidies onder bepaalde omstandigheden aangemerkt als
                    staatssteun.</al><al>In de beleidsaanbeveling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                    is aangegeven in welke situaties loonkostensubsidie buiten de Europese
                    regelgeving vallen. Daarnaast wordt vermeld waarop gelet moet worden wanneer
                    loonkostensubsidie wel als staatssteun moet worden aangemerkt. De
                    beleidsaanbeveling is vooral bedoeld om de administratieve last te
                    beperken.</al><al>Wanneer </al><lijst><li nr="a."><al>deze beleidsaanbeveling wordt geïncorporeerd in de
                            re-integratieverordening;</al></li><li nr="b."><al>voldaan wordt aan de in de beleidsaanbeveling gestelde voorwaarden,
                            en</al></li><li nr="c."><al>in de re-integratieverordening expliciet wordt verwezen naar de
                            beleidsaanbeveling,</al></li></lijst><al>dan behoeft de re-integratieverordening niet ter goedkeuring voorgelegd te
                    worden aan de Europese commissie. Tevens hoeft er dan geen samenvatting van de
                    regeling gezonden te worden aan de commissie. De beleidsaanbeveling is zowel van
                    toepassing op het verstrekken van loonkostensubsidie als op de financiering van
                    detacheringsbanen. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Participatieplaats </tussenkop><al>Participatieplaatsen zijn bedoeld voor mensen die op grond van persoonlijke
                    belemmeringen niet naar regulier werk bemiddeld kunnen worden. De werkzaamheden
                    dienen additioneel van aard te zijn en op re-integratie gericht. Het mogen
                    werkzaamheden zijn die maatschappelijk als nuttig worden ervaren. Werkgevers
                    zijn verplicht te investeren in begeleiding en scholing van mensen. De
                    participatieplaats kan in eerste instantie maximaal twee jaar worden ingezet.
                    Voor afloop van deze termijn dient een evaluatie plaats te vinden, waarbij
                    beoordeeld wordt of de participatieplaats nog het meest geschikte instrument is,
                    of dat een andere re-integratievoorziening meer adequaat is. Indien dit niet het
                    geval is kan de participatieplaats voor de duur van één jaar verlengd worden.
                    Dit onder de voorwaarde dat de participatieplaats in een andere organisatie
                    gevonden wordt en dat de werkzaamheden ook anders van aard zijn. Voor het einde
                    van het derde jaar vindt opnieuw een evaluatie plaats. Indien de
                    participatieplaats nog steeds de meest adequate voorziening is, dan kan die voor
                    de laatste keer voor de duur van één jaar verlengd worden. In totaal kan een
                    participatieplaats daarmee vier jaar doorlopen. Perioden van werken in een
                    Work-First-traject voorafgaand aan de participatieplaats tellen mee in de
                    maximale termijn van vier jaar. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Weigeren loonkostensubsidie</tussenkop><al>De Awb kent een aantal weigeringsgronden. Artikel 4:25 Awb bepaalt dat een
                    subsidie moet worden geweigerd als door verstrekking van de subsidie het
                    subsidieplafond zou worden overschreden. Artikel 4:35 lid 1 Awb bepaalt dat de
                    subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan
                    te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al/><al>Het tweede lid van artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                    ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend, dan
                            wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst><al/><al>In aanvulling op deze wettelijke weigeringsgronden, bevat artikel 7 nog drie
                    gronden om de subsidie te weigeren. De eerste twee gronden verwijzen naar het
                    gemeentelijk beleid inzake de bevordering van arbeidsinschakeling. De derde
                    weigeringsgrond is het gevolg van het uitgangspunt dat cumulatie van subsidies
                    moet worden voorkomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Vrijwilligerswerk </tussenkop><al>Vrijwilligerswerk met behoud van uitkering kan een nuttig instrument zijn om
                    werkritme op te doen of te laten behouden. Het kan worden ingezet als uitstroom
                    naar algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is, of als dat pas op
                    middellange of lange termijn mogelijk is. Er is bewust voor gekozen om geen
                    exacte termijnen te noemen voor dit arbeidsperspectief. Niet alleen zou dat ten
                    onrechte de suggestie wekken dat dit altijd vooraf exact vast te stellen is, het
                    arbeidsperspectief is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen
                    omstandigheden. Ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat het
                    arbeidsperspectief wijzigt. </al><al/><al>Voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan het college een onkostenvergoeding
                    verstrekken tot het in de WWB omschreven wettelijk maximum per jaar. Deze
                    vergoeding is onbelast en heeft geen negatieve effecten ten aanzien van
                    aanspraken op inkomensafhankelijke regelingen. Deze onkostenvergoeding wordt
                    overeenkomstig artikel 31 lid 2 sub k van de wet niet gerekend tot de middelen
                    van de belanghebbende. </al><al/><tussenkop>Artikel 14. Sociale activering </tussenkop><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                    arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling vooralsnog
                    een te hoog gegrepen doel. In het kader van sociale activering en het voorkomen
                    van een sociaal isolement kan het voor deze uitkeringsgerechtigden noodzakelijk
                    zijn om deel te nemen aan een andere activiteit. Hierbij kan onder andere
                    gedacht worden aan het volgen van een cursus en het deelnemen aan het
                    verenigingsleven. </al><al/><tussenkop>Artikel 15. Scholing</tussenkop><al>Uitgangspunt is de kortste weg naar uitstroom naar reguliere algemeen
                    geaccepteerde arbeid, waaronder ook gesubsidieerde arbeid. Als het vinden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet lukt, komt pas scholing aan de orde. Bij de
                    beoordeling van scholing staat arbeidsrelevantie voorop. </al><al/><al>Het college dient bij voorrang de re-integratieplicht voor alleenstaande ouders
                    zonder startkwalificatie, die de volledige zorg hebben voor een of meer tot zijn
                    laste komende kinderen tot vijf jaar en die om ontheffing van de arbeidsplicht
                    hebben verzocht, ten minste in te vullen met scholing of opleiding die de
                    toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, mits dit niet de krachten of bekwaamheden
                    van de alleenstaande ouder te boven gaat en de alleenstaande ouder geen
                    startkwalificatie heeft. Welke scholing in individuele gevallen zal worden
                    aangeboden is afhankelijk van de individuele omstandigheden en wordt bepaald
                    door het college in samenspraak met de alleenstaande ouder.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Zorg en hulpverlening </tussenkop><al>Voor personen tussen de 18 en 65 jaar wordt het niet wenselijk geacht om groepen
                    uit te sluiten van re-integratie: iedereen heeft immers mogelijkheden en
                    talenten. Eventueel aanwezige belemmeringen om deelname aan arbeid te
                    realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen, zoals
                    passende kinderopvang, schuldhulpverlening etc. Er kan slechts in individuele
                    gevallen om dringende redenen worden afgezien van het opleggen van
                    re-integratieverplichtingen, voor zover en voor zolang re-integratie niet in
                    redelijkheid mogelijk is. </al><al/><tussenkop>Artikel 17. Voorzieningen voor jongeren</tussenkop><al>Een aantal van de genoemde voorzieningen kan voor jongeren niet worden ingezet.
                    Voor hen behoren de volgende “incentives” niet tot het re-integratie
                    instrumentarium:</al><lijst><li nr="·"><al>inkomstenvrijlating;</al></li><li nr="·"><al>premies;</al></li><li nr="·"><al>vrijlating van onkostenvergoedingen van vrijwilligerswerk;</al></li><li nr="·"><al>plaatsing in participatieplaatsen.</al></li></lijst><al/><al>Dit is conform de bedoeling van de wetgever en conform artikel 31 vijfde lid WWB
                    waarin is geregeld dat deze middelen voor jongeren niet buiten beschouwing
                    worden gelaten bij de algemene bijstandsverlening. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Inkomensvrijlating</tussenkop><al>Het college is bevoegd de inkomsten van uitkeringsgerechtigden die in deeltijd
                    werken voor een deel vrij te laten. De vrijlating wordt in artikel 31, tweede
                    lid, sub n WWB beperkt tot het individueel toe te kennen recht van maximaal 6
                    maanden vrijlating en bedraagt maximaal 25% van de inkomsten per maand, met een
                    maximum van een jaarlijks te indexeren door de overheid vastgesteld bedrag. Er
                    kan een lagere vrijlating dan de maximale worden toegekend. Individueel moet
                    zijn vastgesteld, dat deeltijdwerk bevorderlijk is voor de re-integratie van
                    betrokkene. Doel hiervan is om mensen met een uitkering te stimuleren een gehele
                    of gedeeltelijke baan te accepteren. </al><al/><al>De WWB verplicht eveneens fiscale heffingskortingen buiten beschouwing te laten,
                    zoals kindertoeslag, aanvullende kindertoeslag, jong gehandicaptenkorting,
                    aanvullende alleenstaande ouderkorting en de combinatiekorting in het kader van
                    het bepalen van het recht op een uitkering. Dit betekent extra vrijlating voor
                    jonge gehandicapten en alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar. </al><al/><tussenkop>Artikel 19. Voorzieningen voor alleenstaande
                    ouders</tussenkop><al>Alleenstaande ouders kunnen een beroep doen op de verlengde vrijlating van 12,5%
                    van de arbeidsinkomsten tot maximaal € 120 per maand voor een maximale periode
                    van 30 maanden overeenkomstig artikel 31 tweede lid onderdeel r van de wet. Een
                    en ander onder de voorwaarden:</al><lijst><li nr="·"><al>dat de zes maanden termijn van de “reguliere” inkomstenvrijlating van
                            artikel 18 van deze verordening is verstreken;</al></li><li nr="·"><al>dat de ouder de volledige zorg heeft van een ten laste komend kind tot
                            12 jaar; en </al></li><li nr="·"><al>dat de arbeid bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. </al></li></lijst><al>Deze voorzieningen gelden <onderstreept>niet</onderstreept> voor jongeren zie
                    daarvoor artikel 17 van deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Premies</tussenkop><al>In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van premies in algemene
                    zin te regelen. De criteria en de doelgroepen worden omschreven in
                    beleidsregels. Deze premie is onbelast en telt dus ook niet mee bij de
                    toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. </al><al>Het premiebeleid is afgestemd op de verschillende activiteiten die in het kader
                    van activering verricht worden. De hoogte van de premie kan variëren en aan
                    bepaalde activiteiten kan in het geheel geen premie worden verstrekt. </al><al/><tussenkop>Artikel 21. Overige vergoedingen</tussenkop><al>De gemeente kan besluiten ter stimulering van de arbeidsinschakeling diverse
                    kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Het gaat daarbij in
                    ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuiskosten;</al></li><li nr="b."><al>reiskosten;</al></li><li nr="c."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="d."><al>overige kosten.</al></li></lijst><al>Voor de toekennen van vergoedingen worden nadere regels vastgesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Beslissing van college in gevallen waarin de
                    verordening niet voorziet</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 23. Hardheidsclausule </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 24. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 25. Citeerwijze</vet></tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>