<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17112_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Wormerland 2002</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Aktief, 24-12-2002</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Wormerland 2002</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003764/geldigheidsdatum_04-03-2010">Brandweerwet 1985, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-07-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-05-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>brandweer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Wormerland 2002</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1. Begripsomschrijving</label></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2. Werkingssfeer</label></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en debouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 Brandveilig gebruik</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Vergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1. Vergunning gebruik inrichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeesterenwethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    ofte houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2. bedoelde stoffen
                                            zullen worden opgeslagen;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijfzal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan personen in het kader van de Wet op de
                                            bejaardenoorden huisvesting zal wordenverschaft;</al></li><li nr="e."><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijken/of geestelijk
                                            gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                                            verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de vergunning
                                    voorschriftenverbinden in het belang van het voorkomen, beperken
                                    en bestrijden van brand, hetbeperken van brandgevaar en het
                                    voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van eenverandering van de inzichten en/of veranderingen
                                    van de omstandigheden gelegen buitende inrichting, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester enwethouders
                                    aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde
                                    voorschriftenwijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2. Weigeren vergunning</label></kop><al>Een aanvraag moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde
                                wijze van gebruikvan de inrichting in relatie tot de beoogde
                                gebruiksfunctie niet geacht kan worden eenbrandveilig gebruik te
                                zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveiliggebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3. Intrekken vergunning</label></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning
                                intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebbenverleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorschrift van devergunning; </al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                        na het onherroepelijkworden van de vergunning; dan wel de
                                        datum of periode waarop of waarin een activiteitis voorzien
                                        waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat
                                        bedoeldeactiviteit heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                        langer geen gebruik isgemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een veranderingvan inzichten en/of verandering van
                                        de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,opgetreden na
                                        het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt
                                        door hetstellen of wijzigen van voorschriften dat belang
                                        voldoende te beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4. Verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>De vergunninghouder is verplicht ervoor zorgt te dragen dat de
                                vergunning aanwezig is in deinrichting waar de activiteiten waarop
                                de vergunning betrekking heeft plaatsvinden, alsmededat de
                                vergunning - indien degene, die belast is met het toezicht op de
                                naleving van dezeverordening, daarom verzoekt - ter inzage worden
                                gegeven aan de toezichthouder.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1. Gebruikseisen voor inrichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichtingin relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    tezijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die peronderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij
                                    debouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde eenwoonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel
                                    enbegeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerpvermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan het vijfde en het
                                    zesde lid van artikel 3van bijlage 3, buiten toepassing
                                    verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2. Verbod stoffen aanwezig te hebben</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling
                                        Bouwbesluit brandbeveiliging (Stcrt.1992, nr. 104), alsmede
                                        artikel II van de Regeling tot wijziging (Stort. 1992, nr.
                                        188) in, opof nabij een inrichting aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                                andere niet-bedrijfsmatige gebruikvan de in het
                                                eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in
                                                bijlage 5 van de bouwverordening aangegeven maximum
                                                hoeveelheden niet overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid
                                                bedoelde stoffen in een inrichtingwaarvoor een
                                                vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1. is
                                                verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                                verbrandingsmotor;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings-
                                                of een andere warmte-ontwikkelendtoestel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het
                                        tweede lid, onder a, worden deinhoudmaten van vaatwerk dat
                                        gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in
                                        datlid volledig meegerekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3. Opslag en verwerking stoffen</label></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                (Stort. 1992, nr. 104), alsmedeartikel II van de Regeling tot
                                wijziging (Stort. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagenvolgens de
                                in de bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1. Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</label></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is,is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswaterkan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.2. Gebruik middelen en voorzieningen</label></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                ofte hebben dat daardoorhet onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij een
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.4. Verrichten van werkzaamheden</label></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- ofsloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als
                                bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid(Stort. 1992, nr.
                                104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stort. 1992,
                                nr. 188), ofgereedschappen worden gebruik, waarvan het gebruik
                                aanleiding kan geven tot het ontstaan</al><al>van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het
                                ontstaan van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.5. Verbod open vuur en roken</label></kop><lid><lidnr>1. </lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit
                                            brandveiligheid ( Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel
                                            II van de Regeling tot wijziging ( Stcrt 1992, nr. 188),
                                            onder a tot en met h:</al></li><li nr="b."><al> bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen
                                            van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken:</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kan het college van
                                    burgemeester en wethoudersontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.6. Verboden handelingen met stoffen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te
                                    doen overstromen in eenander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- ensportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaaldeluchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of eenbrandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien opzodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.7. Melden van brand en broei</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht
                                    dit onmiddellijk aan debrandweer te melden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder die een gasontsnapping van een giftig, explosief of
                                    verstikkend gas ontdekt of dezevermoedt, is verplicht dit
                                    onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3.8. Bossen, heidevelden, venen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat metbrandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht - na een van het college van burgemeester enwethouders
                                    ontvangen aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    het college in die brief geven tot het voorkomen van brand en
                                    het beperken van de gevolgen van brand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten ofvrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1. Strafbepaling</label></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenisvan ten hoogste een jaar of geldboete van maximaal
                            de derde categorie en kan bovendiengestraft worden met openbaarmaking
                            van de rechtelijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2. Toezicht op de naleving</label></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aanambtenaren van de brandweer en daartoe door het college
                            van burgemeester en wethoudersaangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3. Inwerkingtreden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste van de
                                maand volgende opdie waarin zij is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat moment vervalt de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld
                                bij raadsbesluit d.d.23 oktober 1972.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.4. Overgangsbepalingen (aanvragen om) gebruiksvergunning</label></kop><al>Gezien het feit dat er tot op heden geen inhoud aan het aspect
                            gebruiksvergunningen is eenovergangsbepaling niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.5. Bekendmaking</label></kop><al>Deze verordening zal worden bekend gemaakt door het plaatsen van deze
                            verordening in hettweewekelijks huis-aan-huisblad Aktief d.d. 9 juli
                            2002.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.6. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Brandbeveiligingsverordening
                            Wormerland</al><al>2002.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>behorende bij de brandbeveiligingsverordening Wormerland 2002</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening regelt het gebruik van inrichtingen.</al><al>De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven:
                    debrandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij
                    regelt niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet.</al><al>(<cursief>artikel 12 Brandweerwet 1985: De'gemeenteraad stelt bij verordening
                        regels vast omtrent het voorkomen, beperken enbestrijden van brand, het
                        beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                        brand en al hetgeen daarmee verband houdt, voor zover daarin niet bij of
                        krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien).</cursief></al><al>Bouwwerken zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig
                    gebruik daarvaningevolge de Woningwet 1991 verplicht in de bouwverordening is
                    opgenomen. Als gevolg hiervan is de brandbeveiligingsverordening ingrijpend
                    gewijzigd. </al><al>De brandbeveiligingsverordening kan slecht regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid isvoorzien bij of krachtens die "voor mensen toegankelijke
                    ruimtelijk begrensde plaatsen", diegeen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op
                    artikel 1).</al><al/><al>De vergunningplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd inartikel 2.1.1 wordt voldaan.</al><al/><al>De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbereiden en
                    het beslissenop een verzoek om een vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in
                    de Algemene wetbestuursrecht (=Awb). </al><al>Artikel 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de vergunningaanvraag van
                    toepassing. Devoorschriften hebben onder andere betrekking op: bij wie de
                    aanvraag moet worden ingediend,welke gegevens tenminste op de aanvraag moeten
                    staan en wanneer de aanvraag inbehandeling kan worden genomen.</al><al>Artikel 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen welke termijn een
                    aanvraag omvergunning moet worden afgewikkeld. De Awb geeft geen vaste termijn
                    in weken, maar geeftaan dat de aanvraag binnen redelijke termijn tot een
                    beschikking moet leiden. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken als
                    niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van</al><al>de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen
                    welketermijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt.</al><al/><al>Door het hanteren van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan
                    afhankelijk van deinhoud van de aanvraag aangegeven worden binnen welke termijn
                    de aanvraag wordtafgehandeld.</al><al>Derhalve is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste termijn voor
                    eenvergunningaanvraag voorschrijft.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.2. Werkingssfeer</vet></al><al>De in artikel 1.1. bedoelde "voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen" is eenruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immersregeling in de bouwverordening.</al><al>In dit verband ware te denken aan alle "bouwwerken" die op het water drijven los
                    met de walverbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende
                    restaurants. Deze zijn namelijkgeen bouwwerken in de zin van de woningwet 1991
                    en vallen derhalve niet onder de werkingvan het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening.</al><al>Er bestaat een in dit kader relevante uitspraak van het Hof Arnhem d.d. 6 juni
                    1972, NJ 73,209.Daarin werd uitgemaakt "dat een op het water drijvend bouwsel
                    niet valt onder het begrip'gebouw' en evenmin onder de definitie in de
                    gemeentelijke bouwverordening, omdat het nietin de geest van die verordening met
                    de grond is verbonden is noch steun vindt in of op degrond".</al><al>Er was hier sprake van het aanmeren middels twee lijnen aan in de grond
                    geplaatste meerpalen,teneinde afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten dat
                    bij een "minder losse verbinding"de bouwsels onder de werking van de Woningwet
                    zullen vallen.Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals
                    (feest) tenten e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1. Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de vergunning voorschriften
                    verbinden,zoals voorschriften met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>stoffering en versiering;</al></li><li nr="-"><al>uitgangen en vluchtwegen;</al></li><li nr="-"><al>installaties;</al></li><li nr="-"><al>standbouw, podia, kramen en dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="-"><al>verbod voor open vuur en vuurwerk;</al></li><li nr="-"><al>bewaking en controle;</al></li><li nr="-"><al>ventilatie en werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                            stoffen;</al></li><li nr="-"><al>opstellingsplannen;</al></li><li nr="-"><al>afval;</al></li><li nr="-"><al>doorlopend toezicht; .</al></li><li nr="-"><al>brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                            interneorganisatie;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                            inrichting of in eeninrichting met het oog op de brandveiligheid.</al></li></lijst><al/><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwselsniet onder de werking van de woningwet vallen.</al><al>De aantallen, genoemd in artikel 2.1.1. zijn volgens de Vereniging van
                    NederlandseGemeenten gebaseerd op jarenlange praktijkervaring. De gemeente
                    Wormerland heeft deaantallen van het model van de Vereniging van Nederlandse
                    Gemeenten overgenomen. Erbestaat - gelet op de feitelijke situatie - geen
                    aanleiding andere grenzen te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2. Weigeren vergunning</vet></al><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2. niet expliciet genoemd. De
                    toetsingsgronden voor eenvergunning kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de constructies - het bouwbesluit en de bouwverordening;</al></li><li nr="b."><al>voor hetgebruik - de bijlagen van bouwverordening en van de toelichting
                            op debouwverordening 1998.</al></li></lijst><al/><al>De situaties a. en b. betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid.</al><al/><al>Een andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige
                    inrichtingen zijn deboeken die de Nederlandse Brandweer federatie uitgeeft in de
                    serie "Een brandveilig gebouw".</al><al/><al>Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de
                    inrichtingen(tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1. Gebruikseisen inrichtingen</vet></al><al>Alleen de in de artikel 2.1.1. genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig.
                    In artikel 2.2.1.vindt de brandveiligheid van niet vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 3.1. Strafbepalingen</vet></al><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985genoemde strafbepaling is het mogelijk dat op overtreding van de regels van
                    debrandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de eerste
                    of tweedecategorie in de verordening gesteld worden. Van die mogelijkheid is
                    geen gebruik gemaakt.</al><al>Wel is - in aanvulling op de model-tekst van de V.N.G. - de bepaling opgenomen
                    dat deovertreder bovendien gestraft kan worden met openbaarmaking van de
                    rechtelijke uitspraak.</al><al>Daartoe is gebruik gemaakt van de in artikel 154 Gemeentewet neergelegde
                    mogelijkheid.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>