<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17101_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Wormerland 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Aktief, 18-12-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Wormerland 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukV/Paragraaf1/Artikel84/geldigheidsdatum_19-05-2010">Gemeentewet, art. 84 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_19-05-2010">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_19-05-2010#HoofdstukII_2_Artikel12">Monumentenwet, art. 12, 14 en 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005/13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Wormerland 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wormerland;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Wormerland d.d. 15
                        februari 2005,nummer 2005/13;</al><al/><al>gehoord het advies van de raadscommissie WSB d.d 6 december 2004;</al><al/><al>gelet op artikel 84 en 149 van de Gemeentewet en artikelen 12, 14 en 15 van
                        de Monumentenwet 1988;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgendeMonumentenverordening Wormerland 2004", houdende
                        algemene regels voor het beschermen en instandhouden van monumenten in de
                        gemeente Wormerland,</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al> monument:</al><lijst><li nr="a."><al> zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap ofcultuur- historische
                                            waarde;</al></li><li nr="b."><al> terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder a;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>gemeentelijk archeologisch monument:</al></li><li nr=""><al>onroerende, bedoeld in lid 1, onder b, dat overeenkomstig van de
                                    bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    archeologisch monument is aangewezen;</al></li><li nr="3."><al> gemeentelijk monument:</al></li><li nr=""><al>onroerende zaak, dat overeenkomstig de bepalingen van deze
                                    verordening als beschermdgemeentelijk monument is aangewezen dat
                                    niet valt onder lid 2;</al></li><li nr="4."><al>gemeentelijke monumentenlijst:</al></li><li nr=""><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze
                                    verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen
                                    zaken;</al></li><li nr="5."><al> rijksmonument:</al></li><li nr=""><al>onroerende zaak, dat is ingeschreven in de ingevolge de
                                    Monumentenwet 1988 vastgestelderegisters en als beschermd
                                    rijksmonument is aangewezen;</al></li><li nr="6."><al>kerkelijk monument:</al></li><li nr=""><al>onroerende zaak, dat eigendom is van een kerkgenootschap,
                                    kerkelijke gemeente of parochieof van een kerkelijke instelling
                                    en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt
                                    gebruiktvoor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="7."><al> commissie:</al></li><li nr=""><al>monumentencommissie Wormerland, ook wel te noemen als de
                                    commissie van de cultuur-historische kwaliteit, de door het
                                    college van burgemeester en wethouders ingestelde commissie of
                                    aangewezen instantie, met als taak burgemeester en wethouders op
                                    verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de monumentenverordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="8."><al>bouwhistorisch onderzoek:</al></li><li nr=""><al>in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de
                                    bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een
                                    monument;</al></li><li nr="9."><al>archeologisch onderzoek:</al></li><li nr=""><al>in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek volgens
                                    archeologische methoden naar deontwikkelingsgeschiedenis en/of
                                    de archeologische waarde van een locatie, uitgevoerd volgens de
                                    Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;</al></li><li nr="10."><al> het college:</al></li><li nr=""><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Wormerland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Het gebruik van het monument</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 BESCHERMDE GEMEENTELIJKE (ARCHEOLOGISCHE) MONUMENTEN</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 De aanwijzing als geschermd gemeentelijk (archeologisch) monument en deregistratie op de gemeentelijke monumentenlijst.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3 Gemeentelijke monumentenlijst</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst geeft aan dat een monument
                                    geheel dan wel alleen voor met name omschreven onderdelen onder
                                    de werking van deze verordening valt, noemt de plaatselijke
                                    aanduiding, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en bevat
                                    een beschrijving van het monument,</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waarde van een monument wordt bepaald aan de hand van een of
                                    meer van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>architectuurhistorische waarde;</al></li><li nr="b."><al>cultuur historische waarde;</al></li><li nr="c."><al>stedenbouwkundige landschappelijke of
                                            situeringwaarde;</al></li><li nr="d."><al>gaafheid en oorspronkelijkheid;</al></li><li nr="e."><al>zeldzaamheidswaarde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De waarde van een archeologisch monument wordt bepaald aan de
                                    hand van een of meer van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>kenmerkendheid;</al></li><li nr="b."><al>gaafheid;</al></li><li nr="c."><al>herinneringswaarde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De gemeentelijke monumentenlijst ligt voor een ieder in het
                                    gemeentehuis ter inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 De voorlopige aanwijzing tot beschermd gemeentelijk (archeologisch) monument</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een
                                            belanghebbende, een onroerende zaakvoorlopig aanwijzen
                                            als beschermd gemeentelijk (archeologisch)
                                            monument.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing kan geen (archeologisch) monument
                                            betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van
                                            de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van
                                            de monumentenverordening van de provincie
                                            Noord-Holland.</al></li><li nr="3."><al>Met ingang van de datum volgend op dag waarop het in lid
                                            1 bedoelde besluit aan belanghebbende is meegedeeld, tot
                                            het moment dat de aanwijzing als gemeentelijk
                                            (archeologisch) monument heeft plaatsgevonden, dan wel
                                            vaststaat dat de betreffende onroerende zaak niet als
                                            gemeentelijk (archeologisch) monument wordt aangewezen
                                            (de onderzoeksperiode), geniet de onroerende zaak
                                            voorbescherming doordat de artikelen 10 tot en met 12
                                            van deze verordening van toepassing zijn.</al></li><li nr="4."><al>De voorbescherming eindigt 26 weken na het in lid 1
                                            bedoelde besluit, met dien verstande, dat indien het
                                            college toepassing geeft aan het gestelde in artikel
                                            5.</al></li><li nr="5."><al>Het college vraagt over de aanwijzing van een
                                            (archeologisch) monument, terstond na het besluit als
                                            bedoeld in lid 1, een advies aan de commissie. De
                                            commissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                            ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt de eigenaar in de gelegenheid te
                                            worden gehoord.</al></li><li nr="7."><al>Het college kan bij hun in lid 1 bedoelde besluit
                                            bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                                            verricht.</al></li><li nr="8."><al>Het college kan bij hun in lid 1 bedoelde besluit
                                            bepalen dat archeologisch onderzoek wordtverricht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk (archeologisch) monument</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de commissie, maar in ieder geval binnen twintig
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in lid 1 genoemde termijn van twintig weken
                                    met twaalf weken verlengen. Hij stelt de belanghebbende hiervan
                                    in kennis binnen de in lid 1 genoemde termijn van twintig
                                    weken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt de beslissing omtrent aanwijzing op de
                                    gebruikelijke wijze bekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Mededeling</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan, aan bewoners/gebruikers van het
                                onroerend monument en aan de ingeschreven hypothecaire
                                schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Registratie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke
                                    (archeologisch) monument op degemeentelijke monumentenlijst.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    beschermde gemeentelijke (archeologisch) monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de aangewezen gemeentelijke
                                    (archeologische) monumenten als zodanig worden aangeduid op de
                                    bestemmingsplankaart.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college meldt de aangewezen gemeentelijk archeologische
                                    monumenten bij de provincie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Wijzigen van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4 en artikel 5 zijn overeenkomstig van toepassing op de
                                    wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is blijftovereenkomstige toepassing van
                                    artikel 4 en artikel 5 achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijstaangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 4, vijfde
                                    lid en artikel 5 overeenkomstig van toepassing op de intrekking.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing tot gemeentelijk (archeologisch) monument wordt
                                    geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan
                                    artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel 3 van de
                                    monumentenverordening van de provincie Nood-Holland (aangewezen
                                    als rijks- of provinciaal monument).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging ofafiraak van beschermde gemeentelijke monumenten.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Verbodsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk (archeologisch) monument te
                                    beschadigen ofte vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd
                                    met bij zodanige vergunninggestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht tewijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken
                                            ofte laten gebruiken op eendusdanige wijze, dat het
                                            wordt ontsierd of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>bij een gemeentelijk archeologisch monument de
                                            grondwaterspiegel te verlagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 De aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 10, tweede
                                    lid, wordt ingediend bij hetcollege.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet worden ingediend op een door het college
                                    vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    vijfvoud worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten door de aanvrager gegevens en bescheiden
                                    worden ingediendovereenkomstig door het college vastgestelde
                                    indieningseisen monumentenaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Procedure en beslissen op de aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 10, lid
                                    2 in behandeling wordt genomen, legt het college deze voor een
                                    ieder ter inzage. Kennisgeving van de ter inzage legging wordt
                                    op de gebruikelijke wijze gedaan waarbij de mogelijkheid vermeld
                                    wordt om binnen een termijn van veertien dagen zienswijzen naar
                                    voren te brengen bij burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt advies aan de commissie voordat zij beslist
                                    op de aanvraag en brengt hiertoe de aanvraag en de daartegen
                                    naar voren gebrachte zienswijzen terstond ter kennis van de
                                    commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie bedenkingen heeft tegen een bepaald plan of
                                    een ontwerp daarvoor, treedt zij in overleg met de aanvrager van
                                    de vergunning c.q. de indiener van het ontwerp. Deze kan zich
                                    bij dit overleg doen vertegenwoordigen of doen bijstaan door een
                                    of meer door hem aan te wijzen deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Resultaten van het in het derde lid bedoelde overleg worden de
                                    aanvrager van de vergunning c.q. de indiener van het
                                    schetsontwerp ter kennis gebracht onder de mededeling van de
                                    opvatting van de commissie over het plan c.q. schetsontwerp.
                                    Betrokkene wordt er daarbij op gewezen dat hij dan de keuze
                                    heeft tussen het trachten aan de wensen, die de commissie ten
                                    aanzien van het plan c.q. schetsontwerp heeft tegemoet te komen
                                    en een gewijzigd plan c.q. schetsontwerp in te dienen dan wel
                                    beschikking van het college te vragen op zijn al dan niet
                                    gewijzigde plan c.q. schetsontwerp.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Binnen acht weken na afloop van de termijn voor het indienen van
                                    zienswijzen brengt decommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het
                                    advies van de commissie, maar in ieder geval binnen zestien
                                    weken na ontvangst van de aanvraag om vergunning.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan de in het zesde lid genoemde termijn van zestien
                                    weken met ten hoogste tien weken verlengen, mits zij de
                                    aanvrager daarvan binnen de in het zesde lid genoemde termijn
                                    van zestien weken in kennis stelt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien het college niet voldoet aan het zesde of zevende lid,
                                    wordt de vergunning geacht te zijn geweigerd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van haar besluit
                                    aan de commissie en aan degenen die hun bezwaren kenbaar hebben
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al> Het college publiceert de kennisgeving van de beschikking op de
                                    gebruikelijke wijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Voorschriften aan vergunning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden in
                                    het belang van demonumentenzorg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken
                                            indien:</al></li><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                            bedoeld in artikel 10, tweede lid, nietnaleeft; </al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            (archeologisch) monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al> met binnen 26 weken van de vergunning gebruik wordt
                                            gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                    commissie.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om
                                vergunning voor een beschermd rijksmonument met de naar voren
                                gebrachte zienswijzen aan de commissie na afloop van de termijn van
                                14 dagen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Monumentenwet
                                1988.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie adviseert schrifelijk over de aanvraag binnen acht
                                weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de commissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 SCHADEVERGOEDING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Schadevergoeding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning tot wijziging,
                                        afbraak of verwijdering van eengemeentelijk (archeologisch)
                                        monument te verlenen als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                                        vandeze verordening;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                        tot wijziging, afbraak ofverwijdering van een gemeentelijk
                                        (archeologisch) monument;</al><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet
                                        geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent de
                                        gemeenteraad hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te
                                        bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                van:</al><al>een gebruiksbeperking van het betreffende terrein door de aanwijzing
                                of wijziging van eenarcheologisch monument schade lijdt of zal
                                lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent de gemeenteraad hem op zijn aanvraag een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                verordemng ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel
                                49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vanovereenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Strafbepaling</label></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 10 van deze verordening, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Toezichthouders</label></kop><al>Met het toezicht op naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn de door bij besluit van het college aan te wijzen
                            personen belast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Binnentreden</label></kop><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist,
                            wordt hierbij de machtiging verstrekt al dan niet besloten ruimten en
                            plaatsen, met uitzondering van woningen, desnoods tegen de wil van de
                            rechthebbende, bewoner of gebruiker, te betreden, aan hen die en voor
                            zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de
                            naleving van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken
                                van een termijn van zes weken na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De 'Monumentenverordening Wormerland 1991' vervalt op dag van
                                inwerkingtreding van deze nieuwe monumentverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij inwerking overeenkomstig het bepaalde in
                                artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de
                                gemeenteraad van 27 mei 1991, voor zover het betreft bepalingen over
                                beschermde rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het derde lid
                                toepassing vindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening
                                geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten worden geacht
                                aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de monumentenlijst van
                                de ingevolge hettweede lid genoemde vervallen verordening, worden
                                geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de
                                ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening
                            Wormerland 2004'.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>besluit:</ondertekening><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de Raad der gemeente Wormerland,</ondertekening><ondertekening>gehouden op: 1 maart 2005</ondertekening><ondertekening>de griffier, Mr. I.P. Vrolijk</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, P.C. Tange</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>op "Monumentenverordening Wormerland 2004"</titel></kop><al/><al/><al>A ALGEMENE TOELICHTING</al><al/><al>Bij het opstellen van deze verordening is de voorbeeld-monumentenverordening en
                    demodelmonumenten-verordening van de VNG als basis genomen. Hierdoor zijn de
                    'Aanwijzingen voor de regelgeving' van het Ministerie van Justitie en van de
                    VNG-publicatie ' Gemeente en regelgeving' in aanmerking genomen.</al><al/><al>De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen
                    eenbelangrijke basis voor de bepalingen van deze verordening.</al><al>Drie hoofdpunten zijn in de verordening geregeld:</al><al>1 de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk monument. Dit betreft ook
                    archeologische monumenten;</al><al>2 het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten;</al><al>3 de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor rijksmonumenten in de
                    Monumentenwet 1988.</al><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek en het archeologisch onderzoek
                    een nadrukkelijke rol te laten spelen bij de bepaling van het gemeentelijk
                    monumentenbeleid.</al><al/><al>B ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING (indien van toepassing)</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving m de Monumentenwet 1988.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder b bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumentenovergenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al/><al><cursief>lid 2</cursief></al><al>De term 'gemeentelijk archeologisch monument' wordt apart gedefinieerd m verband
                    met deenigszins afwijkende positie die een archeologisch monument inneemt ten
                    aanzien van devergunningverlening. Ten eerste is er verschil in behandeling
                    tussen een rijks- of gemeentelijkbeschermd archeologisch monument bij een
                    vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht
                    wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van
                    burgemeester en wethouders. Als er echter sprake is van een beschermd
                    archeologisch rijksmonument beslist de minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische plaatsen, wel of niet beschermd. Het
                    doen van opgravingen is altijdvergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen
                    van opgravingen kan onder bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de
                    rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente.
                    Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt
                    tussen een 'normaal' en een (gemeentelijk)'archeologisch' monument. </al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikelen 42 tot en
                    met 49) deeigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze regels
                    gelden m alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of menbij toeval op een
                    vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er wordt
                    geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke monumenten.</al><al/><al><cursief>Lid 2,3 en 6</cursief></al><al>Het tweede derde en zesde lid spreken van onroerende zaken (monumenten).
                    Roerende zakenworden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het
                    effectueren van de bescherming een probleem vormt. Roerende zaken kunnen meestal
                    eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en
                    daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken
                    zijn bijvoorbeeld schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten (voor zover ze
                    niet toebehoren aan de gebouwen; een kruiswegstatie / altaar / doopvont worden
                    wel geacht aan het gebouw toe te behoren) en gebruiksvoorwerpen. Zaken die naar
                    hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                    krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al/><al><cursief>lid 4 </cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen(archeologische) monumenten registreert.</al><al>Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Dit betreft slechts
                    eenadministratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de
                    aanwijzingtot beschermd gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is
                    inzichtelijker om deaanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 4, lid 1, en artikel 7.</al><al/><al><cursief>lid 5</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door burgemeester en wethouders van de
                    bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde
                    rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde
                    rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet
                    1988 van toepassing.</al><al/><al><cursief>Sub 7</cursief></al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Bijkomende taken zijn
                    in het reglement op de monumentencommissie nader aangegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar degebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand en/of het
                    archeologisch terrein. Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij
                    de aanwijzing van (archeologische) monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De criteria die de waarde bepalen van een gemeentelijk monument en een
                    gemeentelijk archeologisch monument zijn voornamelijk verschillend omdat het één
                    zich boven de grond bevindt en het ander eronder.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk (archeologisch) monument en het plaatsen op de
                    monumentenlijst zijn uit elkaar getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het
                    daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is nu slechts een
                    administratieve handeling. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de
                    plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                    besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de
                    te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit
                    naar voren komen (de redengeving).</al><al>De aanwijzing tot een gemeentelijk monument geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het
                    gebruik van het monument.</al><al>Bij het aanwijzen van een gemeentelijk archeologisch monument kan dit anders
                    liggen. Als er geen beperking wordt gegeven in het normale gebruik geeft dit ook
                    geen recht op schadevergoeding.</al><al>Wordt er wel een beperking gegeven in het normale gebruik dan geeft deze
                    aanwijzing geeft wel recht op schadevergoeding.</al><al/><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen met
                    voor aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument in aanmerking.</al><al/><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>De verordening bevat ook voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de Monumentenwet 1988
                    dat doet bij rijksmonumenten. De voorbescherming is gekoppeld aan
                    termijnen.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders moeten het advies inwinnen van de
                    monumentencommissie.</al><al>Bij het beslissen omtrent archeologische monumenten wordt tevens altijd een
                    archeologischedeskundige geraadpleegd, eventueel als lid van de
                    monumentencommissie.</al><al>De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en
                    inhoud. De taak en werkwijze van de monumentencommissie wordt geregeld in het
                    reglement op demonumentencommissie. Hierin worden de termijnen genoemd
                    waarbinnen de monumentencommissie moet adviseren.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Hoewel de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de artikelen 4:8 en 4:9 regelt dat
                    voordatburgemeester en wethouders over een aanwijzing een besluit nemen de
                    aanvrager en anderebelanghebbenden worden gehoord, is het hier voor de
                    duidelijkheid toch aangegeven. Daarbij is ook aangegeven dat de gelegenheid tot
                    horen geboden wordt. Het kan dus niet zo zijn dat het college geen besluit kan
                    nemen als de eigenaar weigert om gehoord te worden.</al><al/><al><cursief>Lid 7 </cursief></al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de
                    bouwgeschiedenis van een gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over
                    bouwhistorisch onderzoek opgenomen.</al><al>Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot de
                    beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen. </al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De iniormatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                    invloed zijn op de beslissing van burgemeester en wethouders om het pand al dan
                    niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het
                    pand in de registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van
                    burgemeester en wethouders.</al><al/><al>Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens
                    belang de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument of de
                    vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan met een
                    woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een gebouw als
                    gemeente binnen te kunnen treden.</al><al/><al>Aanwijzing tot beschermd monument. </al><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is in veel
                    gevallen niet atkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een
                    belangenvereniging voor monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die
                    gevallen dat een ander dan de eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing
                    indient, dan wel de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de
                    gemeente de eigenaar moeilijk verplichten bouwhistorisch onderzoek laten uit te
                    voeren. Indien de eigenaar of</al><al>gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan
                    de gemeente hieraan de voorwaarde verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                    verricht. In dat geval zullen (een deel van) de kosten van het bouwhistorisch
                    onderzoek ten laste van de eigenaar kunnen worden gebracht, gezien het belang
                    dat deze bij de vergunningverlening heeft (zie verder bij 'Vergunning tot
                    wijziging van een beschermd monument').</al><al/><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    hetbinnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld.</al><al/><al>De situatie is anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen
                    betreft. In de verordening is in artikel 20 opgenomen dat door het bevoegd gezag
                    aangewezen personen in het kader van het toezicht op de naleving van de
                    verordening ruimten binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van
                    bouwhistorisch onderzoek op grond van deze verordening.</al><al/><al>Vergunning tot wijziging van een beschermd monument</al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een beschermd monument bepalen dat informatie over de
                    bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om het
                    vragen van bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De
                    voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een
                    beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende
                    houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van
                    belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                    onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van
                    deslechts voor een deel van het pand een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd.
                    Daarnaast moet de gemeente bij het stellen van voorwaarden rekening houden met
                    de kosten die met het bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten
                    in redelijke verhouding tot de kosten van de verbouwing staan. Er zijn binnen
                    het bouwhistorisch onderzoek verschillende gradaties aan te geven (mate van
                    gedetailleerdheid).</al><al/><al>De VNG adviseert om in het aanvraagformulier op te nemen dat bouwhistorisch
                    onderzoek mogelijk nodig is om tot een beoordeling op de aanvraag te komen. Op
                    deze manier is de aanvrager op het moment van aanvragen op de hoogte van wat er
                    van hem wordt verlangd. In de toelichting op het aanvraagformulier kan de
                    gemeente aangeven dat het bouwhistorisch onderzoek door ter zake deskundigen
                    moet worden uitgevoerd. De gemeente kan hierbij aangeven welke personen of
                    instanties in haar ogen voldoende gekwalificeerd zijn. Als de gemeente besluit
                    om het bouwhistorisch onderzoek te subsidiëren kunnen meer verplichtend
                    kwalitatieve eisen aan het onderzoek of onderzoekers worden gesteld.</al><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zullen burgemeester en wethouders de aanvraag, na herhaald
                    verzoek de verlangde gegevens te leveren, niet-ontvankelijk verklaren.</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><al/><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>Het archeologisch onderzoek van een locatie geeft meer inzicht m de waarde en
                    deontwikkelingsgeschiedenis van de plek. In de Monumentenwet 1988 is het
                    verrichten van eenarcheologisch onderzoek geregeld. Het is voorbehouden aan de
                    Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, enkele universiteiten en een
                    aantal gemeenten met een eigen archeoloog. Sinds in september 2001 het
                    Interim-beleid van kracht werd, kunnen ook particuliere bedrijven opgravingen
                    verrichten, mits toegestaan door het College voor de Archeologische Kwaliteit.
                    Voorafgaand aan het archeologisch veldwerk dient een programma van eisen te
                    worden beschreven, dan wel goedgekeurd, door een onafhankelijke
                    seniorarcheoloog, niet verbonden aan het betrokken opgravend bedrijf of</al><al>opgravende instelling. Bij het uitvoeren van de archeologische werkzaamheden
                    dient deKwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie gevolgd te worden. De
                    Rijksinspectie voor de Archeologieziet hierop toe.</al><al>Naar verwachting zal begin 2006 een wijziging van de Monumentenwet 1988 worden
                    doorgevoerd, waarbij de verantwoordelijkheid voor behoud van archeologische
                    waarden in grotere mate bij de gemeenten wordt gelegd.</al><al>Ten behoeve van het plaatsen van archeologische waardevolle terreinen op de
                    gemeentelijkemonumentenlijst zal het in sommige gevallen noodzakelijk of
                    wenselijk zijn om de bestaandegegevens over het betreffende terrein aan te
                    vullen. Hierdoor kan tot een goed waardeoordeel worden gekomen, bij
                    vergunningverlening de juiste afweging worden gemaakt en zonodig de juiste
                    beheersmaatregelen worden getroffen. De verantwoordelijkheid voor het voeren van
                    dit onderzoek ligt uiteraard geheel bij de gemeente. </al><al>Bij vergunningaanvragen betreffende een gemeentelijk (archeologisch) monument
                    kan de eis van voorafgaand archeologisch onderzoek worden gesteld, enerzijds om
                    de mate van bedreiging van archeologische waarden door de vergunningsplichtige
                    werkzaamheden vast te kunnen stellen, anderzijds om archeologische waarden te
                    documenteren voordat zij door deze werkzaamheden verloren zullen gaan. De
                    verantwoordelijkheid voor het laten uitvoeren van dit onderzoek ligt bij de
                    vergunningaanvrager, de gemeente legt eisen en de randvoorwaarden vast in het
                    Programma van Eisen en ziet toe op een juiste uitvoering.</al><al>Bij beslissingen over archeologische monumenten wordt steeds een archeologisch
                    deskundigegeraadpleegd, eventueel als lid van de monumentencommissie.</al><al>Aangezien ook bij het verlenen van vergunningen van bouwkundige monumenten
                    somsarcheologische waarden in het geding kunnen zijn, is het aan te raden om in
                    het aanvraagformulier voor vergunningen bij bouwkundige monumenten op te nemen,
                    dat archeologisch onderzoek mogelijk nodig is om tot een beoordeling op de
                    aanvraag te komen.</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><cursief>lid 1 en 2 </cursief>.</al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen het college een beslissing
                    moet nemen.</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en anderebelanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2 heeft
                    tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake
                    van een fictieve weigering met betrekking tot de aanwijzing tot gemeentelijk
                    (archeologisch) monument. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                    mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    besluit open zou staan.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Conform de Awb afdeling 3.6 maakt het college het besluit over aanwijzing op de
                    gebruikelijke wijze bekend. Zie ook artikel 12 lid 10.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden vanessentieel belang. Toegevoegd is hierbij dat ook de
                    bewoners/gebruikers van het betreffende object deze mededeling ontvangen. Het is
                    dan ook zaak dat de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de
                    regel zal de mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie
                    kan hij zich er dan niet op beroepen van niets te weten.</al><al/><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Door aanwijzing ais gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de
                    werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde
                    monument is dus een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in
                    verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden
                    aangehecht.</al><al/><al>Door aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument is, tenzij anders
                    aangegeven, het gehele terrein inclusief de ondergrond en eventuele aangrenzende
                    sloten onder de werking van de verordening geplaatst. Voor archeologische
                    monumenten dient altijd een kadastrale tekening aanwezig te zijn.De registratie
                    van de aanwijzing is een administratieve handeling. De bedoeling van de aldus
                    bij te houden monumentenlijst is om eenieder snel inzicht te geven in welke
                    zaken om welke reden als voor bepaalde activiteiten geen of niet de gewenste
                    vergunning is verleend.</al><al>Daarnaats meldt het college een aangewezen gemeentelijk archeologisch monument
                    aan de provincie in verband met evenuele aanpassing van de cultuurhistorische
                    waardenkaarten van de provincie.</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    (archeologische) monumenten tewijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                    voorbereidingsprocedure (lid 2), tenzij de wijziging vanondergeschikte betekenis
                    is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op degemeentelijke
                    monumentenlijst (lid 4).</al><al>De begrippen wijziging en intrekking uit elkaar getrokken. Dit sluit aan bij de
                    nieuwe methodiek (omrechtsgevolg te verbinden aan de aanwijzing, niet aan de
                    plaatsing op de monumentenlijst) enbevordert de duidelijkheid.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    (archeologische) monumenten m te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het
                    advies van de monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende
                    gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvande
                    aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor
                    gegaan), wordt door het college van de monumentenlijst gehaald.</al><al><cursief>Lid 3</cursief> regelt dat monumenten die nadat ze zijn aangewezen als
                    gemeentelijk (archeologisch)monument worden geregistreerd als
                    provinciaalmonument of rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer
                    te zijn aangewezen als gemeentelijk (archeologisch) monument. Op een onroerend
                    goed kan niet een dubbele monumentele bescherming rusten.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd, dan wel het
                    betreffende terrein door middel van een archeologisch onderzoek in kaart
                    gebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumentenwet 1988.De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    rijksmonumenten op basis van de Monumentenwet 1988 in handen van het
                    college.</al><al>Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor
                    de aanvrager, maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor
                    burgemeester en wethouders van praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel
                    mogelijk langs dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot en met 21 jo artikel 24
                    van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen over
                    beschermde gemeentelijke monumenten.</al><al/><al>Het artikel regelt dat een vergunning nodig is om een beschermd monument te
                    verstoren (lid 2). Dit geldt ook voor archeologische monumenten. Over
                    opgravingen en vondsten is niets in de verordening geregeld. Reden hiervoor is
                    dat deze aspecten uitputtend in de Monumentenwet 1988 zijn geregeld.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt:</al><al>* dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al><al>* dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de opgravingsbevoegde
                    zijn terreinbetreedt en eventueel opgravingen verricht;</al><al>* de eigendomskwestie van vondsten;</al><al>* een schaderegeling.</al><al/><al>Als we als de gemeente <vet>Wormerland</vet> in dé toekomst ook archeologische
                    monumenten wilbeschermen, dient in de toelichting van de verordening aangegeven
                    te worden wat degemeente onder verstoren verstaat. In de Monumentenwet 1988
                    wordt hierover geen uitspraakgedaan. In verband hiermee wordt een nader uitleg
                    gegeven over verstoring wat archeologie betreft.</al><al>Ingrepen die de bestemming van de grond veranderen en waardoor het
                    grondwaterpeil verandert of waarbij bijvoorbeeld graafwerk wordt verricht dat
                    dieper gaat dan het niveau in de redengenoemde omschrijving van het monument is
                    vermeld, kunnen worden aangemerkt als het verstoren van een archeologisch
                    monument in de zin van artikel 10. Namelijk door het verlagen van de
                    grondwaterspiegel ter plaatse van een archeologisch monument of directe
                    omgeving, bestaat er een grote kans op schade van de ter plekke aanwezige
                    archeologische waarden door verdroging, waar met name de ecologische component
                    onder te lijden heeft. Voor behoud van de in de bodem aanwezige archeologische
                    waarden, is het daarom van groot belang dat de grondwaterspiegel tenminste op
                    het bestaande niveau gehandhaafd blijft.</al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Het artikel dat de vergunningaanvraag voor gemeentelijke (archeologisch)
                    monumenten betreft, is zeer kort gehouden omdat het verlangen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens is geregeld in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15).</al><al>In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                    gegevens zijn vereist.</al><al>Hiertoe zal het college in een apart besluit vaststellen waar de gegevens en
                    bescheiden minimaal aan dienen te voldoen.</al><al>Wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch onderzoek betreft wordt
                    verwezen naar de toelichting van artikel 4, lid 7, voor een archeologisch
                    onderzoek artikel 4, lid 8.</al><al/><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hen op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moeten zij ermee rekening houden dat artikel 4:7
                    of artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de beschikking af
                    te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de aanvrager en de
                    belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun zienswijzen
                    schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond van artikel 4:9 Awb.</al><al>Voor het kennisgeven van ingekomen aanvragen (lid 1) wordt in de Awb de termijn
                    hiervoor 4 weken gesteld. Gekozen is om hiervan af te wijken en de termijn te
                    stellen op 14 dagen hierbij aangesloten met artikel 24, lid 1 waarin volgens de
                    Monumentenwet (concept monumentenverordening van de VNG) ook een termijn gesteld
                    wordt van veertien dagen als het een rijksmonumenten betreft.Procedureel is het
                    dan gelijk voor alle monumenten. Daarnaast is het bijkomend voordeel dat er
                    eerder uitsluitsel is of er wel of geen zienswijzen ingediend zijn zodat de
                    monumentencommissie dit in hun advies mee kunnen nemen.</al><al>De monumentencommissie adviseert het college binnen acht weken na de
                    adviesaanvraag (lid 5).Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslist het
                    college binnen acht weken (lid 6). Deredactie van lid 6 heeft tot gevolg dat,
                    wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, burgemeester en wethouders
                    de volgende keuze kunnen maken: zonder advies een beslissing nemen of besluiten
                    om het (te laat uitgebrachte advies) toch in hun overwegingen betrekken.</al><al>De totale termijn kan met maximaal tien weken worden verlengd, mits de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 7).</al><al/><al>Als het college niet tijdig beslist, wordt de vergunning geacht te zijn
                    geweigerd (lid 8), <onderstreept>fictieve weigering</onderstreept>. Hierbij is
                    aangesloten bij de Awb (die kent immers de fictieve weigering) en niet bij de
                    bouwvergunning en rijksmonumentenvergunning. Deze laatste vergunningen kennen
                    namelijk een fictieve vergunningverlening bij overschrijding van de fatale
                    termijnen. Het voordeel van de keuze is dat er dan nog niets onherroepelijks kan
                    gebeuren en dat het cultuurhistorisch erfgoed daardoor het best blijft
                    beschermd.</al><al>In de Monumentenwet 1988 is geregeld dat na het verlenen van een vergunning op
                    grond van deze wet de vergunning zes weken buiten werking blijft na de datum
                    waarop zij is verleend. Dit betekent dus een schorsende werking.</al><al>Volgens de Awb en de systematiek van de bouwvergunning geldt dat na een besluit
                    meteenrechtskracht heeft. Indien belanghebbenden in dat geval schorsende werking
                    wensen, moeten zij hiervoor bij de rechtbank een voorziening vragen.</al><al>Gekozen is om aan te sluiten bij de systematiek van de Awb en de bouwvergunning
                    om het voordeel dat tijdverlies wordt voorkomen in gevallen dat geen bezwaren
                    tegen de vergunningverlening bestaan. Daarnaast wordt de mogelijkheid van het
                    indien van zienswijzen en beoordeling van de monumentencommissie als voldoende
                    waarborg aangemerkt dat zorgvuldig is omgegaan met het cultureel erfgoed.</al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Het is niet nodig om te regelen dat het college aan een vergunning voorschriften
                    kan verbinden in het belang van de monumentenzorg of dat de vergunning voor
                    bepaalde tijd kan worden verleend (zie artikel 8 van de
                    Model-monumentenverordening 1988). Het verbinden van voorschriften aan een
                    vergunning en het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd is namelijk een
                    ongeschreven regel van het bestuursrecht. Dat kan dus ook zonder het in de
                    verordening te regelen.</al><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunning-</al><al>voorwaarden op te nemen dat de rechthebbende op het terrein toestemming moet
                    verlenen aan door het college aan te wij zen personen om het terrein te betreden
                    en om graafwerk ofdocumentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten.
                    Een en ander kan ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende
                    gegevens om op de vergunningaanvraag te kunnen beschikken. </al><al>Een en ander geldt ook voor bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning
                    als by de intrekking van de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop
                    voorwaarden worden gesteld ter documentatie van het monument voor de lokale
                    geschiedenis en om afkomende bouwhistorische elementen veilig te stellen.Gekozen
                    wordt voor de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te verbinden dan wel
                    een vergunning voor een bepaalde tijd verleend kan worden.</al><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft de
                    volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener de mogelijkheden hebben om
                    de vergunning in te trekken.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van deintrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. </al><al>De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit regelt.</al><al/><al><vet>Artikel 15</vet></al><al><cursief>Lid l</cursief></al><al>Dit artikel vloeit voort uit artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988.</al><al>Alhoewel de Awb termijnen doorgaans in aantallen weken uitdrukt, is in lid 1 de
                    dagentermijn uit de Monumentenwet 1988 gevolgd.</al><al>De procedure voor de afgifte door burgemeester en wethouders van de vergunning
                    voor beschermde rijksmonumenten staat in de artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><al/><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    omvergunning voor beschermde rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen
                    dat ditwettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    monumentencommissie tot</al><al>moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald dat de
                    monumentencommissiegeacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken van de
                    in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 16 </vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht.</al><al>Alternatief voor een schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke
                    jurisprudentie over schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6,
                    artikel 126 BW).</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling devolgende voordelen:</al><al>* een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                    (administratieve voorprocedure);</al><al>* samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO);</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de</al><al>volgende nadelen:</al><al>* zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al><al>* de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al><al>* er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al><al>Indien een belanghebbende meent schade te lijden zal hij er waarschijnlijk toch
                    hier mee doorgaan.De civielrechtelijke procedure is meteen een zware rechtsgang
                    waarbij zowel de burger als degemeente direct een advocaat zullen moeten
                    inhuren. De bestuursrechtelijke weg is daarentegen veel eenvoudiger en biedt het
                    grote voordeel van meer mogelijkheden van overleg tussen burger en de gemeente
                    om tot een oplossing te komen. De civielrechtelijke weg blijft daarnaast wel
                    altijd open.</al><al>In de afweging van de voor- en nadelen wordt voor Wormerland voorgesteld te
                    kiezen voor het voorstel van de VNG om het college een naar billikheid te
                    bepalen schadevergoeding toe te laten kennen.</al><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit hetschadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat eventuele
                    schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de gewenste
                    vergunning is verleend.</al><al>Het aanwijzen of wijzigen van een gemeentelijk archeologisch monument geeft
                    alleen recht op schadevergoeding als dit een beperking inhoudt van het normale
                    gebruik van het betreffende terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 226,89; in de tweede
                    categorie maximaal € 2.268,90. Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere
                    geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.In de Monumentenwet 1988 is
                    handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een beschermdmonument zonder
                    vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de
                    vijfde categorie (€ 45.378,02).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voorbeschermde rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking
                    te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de hand
                    liggend.</al><al>In tegenstelling tot de Model-monumentenverordening 1988 (artikel 12, lid 2) is
                    nu niet gekozen voor de mogelijke straf om bij overtreding de rechterlijke
                    uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke strafbepaling is overbodig, omdat
                    iedere rechterlijke uitspraak openbaar is.</al><al/><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren
                    aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Artikel 141 noemt de
                    ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de
                    bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om
                    in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al>Op basis van deze bepaling kan het college medewerkers van de bouw- en
                    woningdienst enmonumentenzorg aanwijzen als toezichthouders of buitengewoon
                    opsporingsambtenaar.</al><al/><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Dit artikel is de grondslag voor de betreding van open ruimten en de
                    binnentreding van beschermde gemeentelijke monumenten die geen woning zijn,
                    tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker. Woningen zijn
                    uitgezonderd in de Wet op het binnentreden.</al><al>Voor het betreden of binnentreden van woningen, andere gebouwen en terreinen
                    wordt verwezen naar artikel 6.5 van de Model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor beschermde rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat
                    de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst
                    voorkomende monumenten geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd
                    overeenkomstig deze nieuwe verordening (de leden 5 en 6). Ten slotte is in lid 7
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al>In dit artikel is geen overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van
                    rijksmonumenten omdat artikel 14 van de VNG-monumentenverordening, noch artikel
                    12 van de Monumentenwet 1988 is gewijzigd.</al><al>Evenmin is een regeling getroffen inzake het toepasselijk recht ten aanzien van
                    bezwaarschriften die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening.
                    Dit betekent dat het nieuwe recht op deze bezwaarschriften van toepassing
                    is.</al><al/><al><vet>Artikel 21</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>