<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR17065_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang Wassenaar</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wassenaarder, 14-10-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang Wassenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-10-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>04085</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING WET KINDEROPVANG WASSENAAR
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>De raad van de gemeente Wassenaar;</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders,
                        nr.04085, </al>
          <al>d.d. 13 september 2004</al>
          <al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al>
          <al>
            <vet>VERORDENING WET KINDEROPVANG WASSENAAR</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Wassenaar;</al></li>
              <li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN SOCIAAL-MEDISCHE
                            INDICATIE</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Te verstrekken gegevens</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23
                                van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit
                                        een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van
                                        de partner;</al></li>
                <li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag geschiedt met behulp van een door het college
                                vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Beslistermijn</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; </al></li>
              <li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouders: het adres van de partner;</al></li>
                <li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li>
                <li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per week, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li>
                <li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li>
                <li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag geschiedt met behulp van een door het college
                                vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Weigeringsgrond</titel>
            </kop>
            <al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Omvang van de kinderopvang</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel 1, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor een aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Verrekening met de voorschotten</titel>
            </kop>
            <al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt
                            deze verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang (VWk)
                            Wassenaar. </al>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Algemene toelichting</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
        <al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term “tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)”.</al>
        <al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben
                    betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                    tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke
                    opdracht.</al>
        <al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteiten van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                    tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen
                    van toepassing zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li>
          <li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li>
          <li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li>
        </lijst>
        <al>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE TEGEMOETKOMINGEN</al>
        <al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.</al>
        <al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    open-einde regeling. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente. </al>
        <al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking
                    van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de verordening de
                    volgende bepalingen opgenomen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de opvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                            eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt
                            aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze
                            groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                            kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken.</al></li>
          <li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                            waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst
                            is genomen.</al></li>
          <li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt.</al></li>
          <li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen beperkt.</al></li>
        </lijst>
        <al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij de wijze waarop de betalingen door
                    de Belastingdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk
                    jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                    gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                    tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al>
        <al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen
                    van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming
                    een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak. De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van
                    de tegemoetkoming. In deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de
                    ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke
                    bedrag van de tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                    de tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindercentrum of gastouderbureau op te vragen.</al>
        <al>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN</al>
        <al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                    gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze criteria
                    zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen. Gemeenten hebben
                    bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkoming dus geen
                    beleidsvrijheid. </al>
        <al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn
                    benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                    tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Bij de behandeling van het
                    raadsvoorstel over de Consequenties van de invoering van de Wet Kinderopvang
                    heeft de commissie Samenleving besloten in eerste instantie niet voor
                    uitbreiding van de doelgroepen voor eigen rekening te kiezen. Vandaar dat in
                    Wassenaar alleen de doelgroepen zoals benoemd in de Wet Kinderopvang recht
                    hebben op een tegemoetkoming in hun kosten voor kinderopvang.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aangevuld.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Te verstrekken gegevens</tussenkop>
        <al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning
                    van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden
                    ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van een sociaal-medische
                    indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                    kunnen in één beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht
                    worden genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                    tegemoetkoming.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Beslistermijn</tussenkop>
        <al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met de
                    tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid (artikel 23, derde lid, Wet
                    kinderopvang).</al>
        <al>Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, zullen harde afspraken
                    gemaakt worden met de adviserende organisaties over de termijn waarbinnen
                    adviezen worden uitgebracht.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Weigeringsgronden</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft aan
                    dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie
                    een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere
                    bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in
                    de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de
                    kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak.</al>
        <al>De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</tussenkop>
        <al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al>
        <al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de
                    lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, zal het
                    aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders worden toegestuurd,
                    waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente
                    bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier
                    aan te geven.</al>
        <al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal
                    uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging
                    van de tegemoetkoming in verband met een vermindering van de omvang van de
                    kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel
                    onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                    kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al>
        <al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. </al>
        <al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                    ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerste lid, Wet
                    kinderopvang).</al>
        <al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van WWB,
                            IOAW/IOAZ of Anw èn maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI èn maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al></li>
          <li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li>
        </lijst>
        <al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de
                                        Wet inkomensvoorziening kunstenaars</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Indien de uitkering wordt ver- kregen in een andere
                                        gemeente: de naam van deze gemeente.</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                        ontvangen.</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut.</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>De ouder of dienst partner zijn ingeschreven bij een school
                                        of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoet- koming onderwijsbijdragen of in de artikelen2.8
                                        tot en met 2.11 van de Wet Studie- financiering 2000</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut.</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>De ouder of dienst partner ontvangt een WW- uitkering en
                                        maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Trajectplan van het UWV</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Trajectplan van het UWV </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <tussenkop>Artikel 6 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste vier weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al>
        <al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken vóór 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen. </al>
        <al>Het feit dat het college een termijn van vier weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college
                    deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. Er zal naar worden gestreefd de
                    behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name
                    aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden versneld. </al>
        <tussenkop>Artikel 7 Weigeringsgrond</tussenkop>
        <al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een
                    gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li>
          <li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li>
          <li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn. </al></li>
        </lijst>
        <al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li>
          <li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 8 Ingangsdatum van de tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li>
          <li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt.</al></li>
        </lijst>
        <al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                    Dit betekent dat een aanvraag:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li>
          <li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li>
          <li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li>
          <li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li>
        </lijst>
        <al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen.</al>
        <al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door
                    het college in ontvangst is genomen. </al>
        <tussenkop>Artikel 9 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop>
        <al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen.</al>
        <al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een
                    bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming
                    te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Omvang van de kinderopvang</tussenkop>
        <al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort, heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg.</al>
        <al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a
                    en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang.) Bij deze ouders zet de hoogte van
                    de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling
                    tot ouders die wel een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen
                    in hun vraag naar kinderopvang.</al>
        <al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt.
                    Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen
                    eigen bijdrage betaalt, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder
                    redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren
                    met zorgtaken.</al>
        <al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om
                    arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 van de Wet kinderopvang,
                    hoeft voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.</al>
        <al>Het college kan in beleidsregels neerleggen hoe het wil omgaan met zijn
                    bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk
                    geobjectiveerd. </al>
        <tussenkop>Artikel 11 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele tegemoetkomingsjaar betreft).</al>
        <al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al>
        <al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang. </al>
        <tussenkop>Artikel 12 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 4:47 onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus ook
                    een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat
                    het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven
                    geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te
                    dienen.</al>
        <al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindercentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al>
        <al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen
                    van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                    basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van
                    een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al>
        <al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het twee lid kan de subsidie lager worden
                    vastgesteld indien:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li>
          <li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidieverbonden
                            verplichtingen;</al></li>
          <li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li>
          <li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: Voor zover het bedrag aan de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Verrekening met de voorschotten</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet
                    kinderopvang.</al>
        <tussenkop>Artikel 14 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van het
                    implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder steeds groeiende
                    tijdsdruk komen te staan. Zodra artikel 25 van de Wet kinderopvang in werking is
                    getreden, is er een juridische grondslag voor deze verordening. </al>
        <al>Nu de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede en de Eerste Kamer een
                    aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en de wet toch per 1 januari 2005 in
                    werking zal treden moet een tweetal maatregelen genomen worden om de verordening
                    toch tijdig in werking te laten treden </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet (trw) de
                            inwerkingtreding van de verordening niet laten voorafgaan door de door
                            die wet vereiste termijn van 6 weken. Dit omdat het inwerkingtreden van
                            de verordening geen uitstel kan leiden.</al></li>
          <li nr="-"><al>In de aanhef van de verordening is naast artikel 25 van de Wet
                            kinderopvang ook artikel 149 van de Gemeentewet als grondslag voor de
                            verordening opgenomen. Op deze wijze wordt voorkomen dat de verordening
                            niet in werking kan treden omdat artikel 25 Wk nog niet in werking is
                            getreden op het moment dat de gemeenteraad de verordening vaststelt.
                            Burgers kunnen dan toch tijdig aanvragen indienen, waardoor gemeenten in
                            staat zijn om tijdig besluiten te nemen op deze aanvragen. Het risico
                            voor gemeenten bij deze handelwijze is beperkt, omdat de materiële
                            normen voor de aanspraken op een tegemoetkoming in de wet kinderopvang
                            zijn vastgelegd. Mochten de artikelen 22, 23 of 24 niet tijdig in
                            werking treden dan kan de gemeente dergelijke aanvragen afwijzen omdat
                            er geen recht bestaat op een tegemoetkoming.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 15 Citeerartikel</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>