<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR170149_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns Stadsblad, d.d. 9 mei
                2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 5 Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>39-2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>vervangt de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 29 februari
                        2012, nr. 2012-005827;</al><al/><al>gelet op artikel 5 Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al/><al>besluit vast te stellen de navolgende Verordening maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al/><al><vet>aanvraag: </vet>het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking
                            te komen voor één of meerdere voorzieningen om een resultaat te bereiken
                            in het kader van deze verordening; </al><al><vet>algemeen gebruikelijke voorziening: </vet>een voorziening die naar
                            geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                            bestedingspatroon van de belanghebbende behorend; </al><al><vet>algemene voorziening: </vet>een voorliggende voorziening die door
                            de belanghebbende op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is; </al><al><vet>belanghebbende: </vet>een persoon met een beperking, een chronisch
                            psychisch probleem of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan
                            compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor
                            zichzelf of met behulp van een machtiging door een ander, contact heeft
                            of een aanvraag doet of laat doen; </al><al><vet>beleidsregels: </vet>de beleidsregels maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Apeldoorn waarin op grond van deze verordening
                            door het college nadere regels zijn gesteld; </al><al><vet>beperkingen: </vet>moeilijkheden die een persoon ten gevolge van
                            ziekte en/of chronisch psychische en psychosociale problemen heeft met
                            het uitvoeren van activiteiten bij normale deelname aan het
                            maatschappelijke verkeer <vet>Besluit: </vet>het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn waarin op grond van
                            deze verordening door het college nadere regels zijn gesteld; </al><al><vet>Bmo: </vet>het Besluit maatschappelijk ondersteuning van het Rijk,
                            een algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 15 en 19 van de
                            Wet; </al><al/><al><vet>chronisch psychisch probleem:</vet>onomkeerbare geestelijke
                            aandoening zonder uitzicht op volledig herstel en met een relatief lange
                            ziekteduur van tenminste 6 maanden en een langdurig beroep op zorg. </al><al><vet>collectieve voorziening: </vet>een individuele voorziening die door
                            meerdere personen tegelijk wordt gebruikt; </al><al><vet>college: </vet>college van burgemeester en wethouders; </al><al><vet>compensatieplicht: </vet>de plicht van het college aan personen met
                            een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem
                            voorzieningen te bieden ter compensatie van de beperkingen die zij
                            ondervinden op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                            participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren,
                            zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                            vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                            verbanden aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de Wet het college de
                            plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en
                            dat in het individuele geval maatwerk is; </al><al><vet>contact: </vet>de mededeling van een belanghebbende aan het college
                            dat hij beperkingen ondervindt op grond waarvan hij verzoekt een
                            afspraak te maken voor een gesprek; </al><al><vet>eigen aandeel: </vet>een door het college op te leggen en door het
                            Centraal Administratie Kantoor (CAK) vast te stellen bijdrage, die bij
                            de verstrekking van een financiële tegemoetkoming betaald moet worden en
                            waarop de regels van het Bmo op van toepassing zijn; </al><al><vet>eigen bijdrage: </vet>een door het college op te leggen en door het
                            Centraal Administratie Kantoor (CAK) vast te stellen bijdrage, die bij
                            verstrekking van een voorziening in natura of persoonsgebonden budget
                            betaald moet worden en waarop de regels van het Bmo van toepassing zijn; </al><al><vet>financiële tegemoetkoming: </vet>een geldbedrag, al dan niet
                            forfaitair, bedoeld om een voorziening mee aan te schaffen voor het te
                            bereiken resultaat; </al><al><vet>gebruikelijke zorg</vet>: de zorg waarvan verondersteld mag worden
                            dat die binnen de leefeenheid gebruikelijk aan elkaar kan worden
                            verleend;</al><al><vet>gemeenschappelijke ruimte: </vet>gedeelte(n) van een woongebouw,
                            niet behorend tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om
                            de woning van de belanghebbende vanaf de toegang tot de woning te
                            bereiken; </al><al><vet>Het gesprek: </vet>Het gesprek waarin met de belanghebbende zijn
                            gehele situatie wordt geïnventariseerd ten aanzien van de beperkingen en
                            de gevolgen daarvan, de te bereiken resultaten, de te kiezen oplossingen
                            via eigen mogelijkheden of via mogelijkheden van het netwerk dan wel via
                            algemene, algemeen gebruikelijke, (wettelijk) voorliggende, collectieve
                            en individuele voorzieningen; </al><al><vet>hoofdverblijf: </vet>de plaats waar een belanghebbende
                            daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt; </al><al><vet>individuele voorziening: </vet>een voorziening die door het college
                            ten behoeve van één belanghebbende wordt verstrekt; </al><al><vet>inkomen:</vet></al><al>1. bruto-inkomen van de belanghebbende indien de belanghebbende 18 jaar
                            of ouder is en geen echtgenoot heeft; </al><al>2. het gezamenlijk bruto-inkomen van de ouders of pleegouders van de
                            belanghebbende indien de belanghebbende jonger is dan 18 jaar; </al><al>3. het gezamenlijk bruto-inkomen van de belanghebbende en zijn
                            echtgenoot indien de </al><al>belanghebbende een echtgenoot heeft, </al><al>verminderd met de over het bruto-inkomen verschuldigde belasting met
                            uitzondering van de procentuele premie voor de verplichte
                            ziekenfondsverzekering en de algemene heffingskorting;</al><al><vet>inkomensgrens:</vet> de grens die gevormd wordt door 1,5 maal het
                            van toepassing zijnde norminkomen inclusief vakantietoeslag;</al><al><vet>leefeenheid: </vet>alle bewoners van één adres die samen duurzaam
                            een huishouden voeren niet zijnde kamerbewoners of personen die vanwege
                            een zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen; </al><al/><al><vet>lokaal: </vet>directe woon- en leefomgeving;</al><al><vet>mantelzorger: </vet>een persoon die mantelzorg biedt in de zin van
                            artikel 1, eerste lid, onder b van de Wet; </al><al/><al><vet>maatwerk:</vet> bij het bepalen van de voorzieningen houdt het
                            college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de
                            belanghebbende van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in
                            verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de
                            belanghebbende om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te
                            voorzien;</al><al><vet>meerkosten: </vet>kosten van een mogelijk krachtens de Wet te
                            verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven
                            voor de belanghebbende als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten
                            van een dergelijke voorziening; </al><al/><al><vet>norminkomen:</vet> de van toepassing zijnde norm in het kader van
                            de Wet werk en bijstand;</al><al><vet>persoonsgebonden budget: </vet>een geldbedrag om te gebruiken voor
                            het te bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in
                            natura; </al><al><vet>psychosociaal probleem: </vet>een situatie van verlies van
                            zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan mogelijkheden tot deelname
                            aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die
                            iemand ondervindt in zijn relatie met anderen, met zijn sociale
                            omgeving; </al><al><vet>resultaat: </vet>datgene wat met het verstrekken van een
                            voorziening wordt beoogd en waarmee de belanghebbende naar het oordeel
                            van het college in aanvaardbare mate zelfredzaam is en in staat is tot
                            maatschappelijke participatie; </al><al><vet>resultaatgebied: </vet>resultaatgebied zoals vermeld in de Wet en
                            benoemd in hoofdstuk 2 van deze verordening;</al><al/><al><vet>ritbijdrage of gebruikersbijdrage<cursief>:</cursief></vet> een
                            door de geïndiceerde gebruiker te betalen bijdrage aan het gebruik van
                            een collectieve voorziening;</al><al><vet>voorliggende voorziening: </vet>een voorziening die normaal in de
                            maatschappij aanwezig en beschikbaar is en bedoeld voor iedereen die
                            daar behoefte aan heeft; </al><al><vet>voorziening in natura: </vet>een voorziening, in te zetten om het
                            resultaat te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in
                            eigendom, of als persoonlijke dienstverlening </al><al><vet>Wet: </vet>de Wet maatschappelijke ondersteuning; </al><al/><al><vet>Wvg</vet>: Wet voorzieningen gehandicapten;</al><al><vet>wettelijk voorliggende voorziening: </vet>een voorziening op grond
                            van een wettelijke bepaling anders dan ingevolge de Wet, waarmee het
                            resultaat geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden; </al><al><vet>woning: </vet>besloten ruimte die, bereikbaar door een eigen
                            toegang, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of
                            geschikt is voor permanente bewoning door een huishouden. Daarbij worden
                            geen elementaire woonfuncties, zoals woon-, en slaapkamer, keuken,
                            badkamer en toilet met andere woningen gedeeld. Met uitzondering van de
                            kamers die zelfstandig verhuurd worden; </al><al/><al><vet>zelfredzaam: </vet>het lichamelijke, verstandelijk, geestelijk en
                            financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het
                            normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Resultaatgerichte compensatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de Wet via compenserende maatregelen
                            te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een schone en leefbare woning;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikte woning;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan
                                    te gaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Contact</titel></kop><al>Er kan schriftelijk, elektronisch of mondeling contact worden gezocht
                            met het college door of namens de belanghebbende, die behoefte heeft aan
                            compensatie op een of meer van de acht resultaatgebieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met de belanghebbende kan naar aanleiding van het eerste contact Het
                                gesprek gevoerd worden. Het gesprek kan persoonlijk maar ook
                                telefonisch plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende een mantelzorger is wordt met de mantelzorger
                                en zo mogelijk met de verzorgde geïnventariseerd welke belemmeringen
                                de belanghebbende ondervindt bij de uitvoering van de
                                mantelzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Het verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het gesprek kan worden beschreven of samengevat in een schriftelijk
                                verslag. Opmerkingen van de belanghebbende over dit verslag kunnen
                                als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag van Het gesprek kan als aanvraag voor een individuele
                                voorziening dienen, mits dit verslag door de belanghebbende voor
                                akkoord is ondertekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag van een individuele voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een individuele voorziening kan voortkomen uit Het
                                gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag kan ook worden ingenomen zonder dat Het gesprek daaraan
                                vooraf gaat en vindt dan mondeling, schriftelijk of elektronisch
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor een individuele voorziening dient te worden
                                ingediend bij het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Algemene regels ter beoordeling van de te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Het maken van een afweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op het bereiken van een of meerdere resultaten verstrekt
                                het college voor zover noodzakelijk individuele voorzieningen
                                waarmee belanghebbende naar het oordeel van het college in
                                aanvaardbare mate zelfredzaam is en in staat tot maatschappelijke
                                participatie. De wijze waarop het resultaat bereikt wordt is
                                maatwerk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij zijn beoordeling omtrent de noodzaak een
                                individuele voorziening te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>De vastgestelde beperkingen, chronisch psychische of
                                        psychosociale problemen die de belanghebbende ondervindt op
                                        één of meerdere resultaatsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>De woon- en gezinssituatie van de belanghebbende en het
                                        sociale netwerk om de belanghebbende heen;</al></li><li nr="c."><al>De beschikbaarheid van mantelzorg en overige hulp;</al></li><li nr="d."><al>De beschikbaarheid en bruikbaarheid van algemene
                                        voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en
                                        (wettelijke) voorliggende voorzieningen zoals door het
                                        college verder uitgewerkt in de beleidsregels;</al></li><li nr="e."><al>De capaciteit van de belanghebbende om uit een oogpunt van
                                        kosten zelf in maatregelen te voorzien;</al></li><li nr="f."><al>De keuzes die de belanghebbende maakt in het leven, waarbij
                                        verwacht mag worden dat hij keuzes maakt die passend en
                                        verantwoord zijn gelet op zijn individuele situatie;</al></li><li nr="g."><al>De beschikbaarheid en bruikbaarheid van collectieve
                                        voorzieningen zoals door het college verder uitgewerkt in de
                                        beleidsregels.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Voorwaarden bij compensatie</titel></kop><al>Een voorziening kan slechts worden verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende niet zelf in een oplossing kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>de te verstrekken voorziening als de goedkoopst compenserende
                                    voorziening is aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een langdurige noodzaak voor het te bereiken
                                    resultaat. Uitgezonderd zijn de resultaatsgebieden: een schone
                                    en leefbare woning, beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften, beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding en het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                    gezin behoren waarvoor de noodzaak niet langdurig hoeft te
                                    zijn.</al></li><li nr="d."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li><li nr="e."><al>deze als proportioneel en doeltreffend valt aan te merken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Geen compensatie</titel></kop><al>Een voorziening wordt niet toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de belanghebbende niet zijn hoofdverblijf heeft in de
                                    gemeente Apeldoorn.</al></li><li nr="b."><al>indien de voorziening voor de belanghebbende algemeen
                                    gebruikelijk is.</al></li><li nr="c."><al>indien de belanghebbende ter compensatie van zijn beperkingen
                                    gebruik kan maken van een (wettelijke) voorliggende voorziening
                                    of een algemene voorziening die passend en toereikend is.</al></li><li nr="d."><al>voor zover de belanghebbende de beperkingen die hij ondervindt
                                    kan opheffen of verminderen door het anders organiseren van het
                                    dagelijkse leven waaronder het huishouden, eventueel met behulp
                                    van de leefeenheid of anderen uit zijn sociale netwerk.</al></li><li nr="e."><al>deze als gevolg van de beperkingen van de belanghebbende voor
                                    zichzelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s met
                                    zich meebrengt.</al></li><li nr="f."><al>de belanghebbende zich bewust in een situatie heeft gebracht
                                    waarin hij, al dan niet opnieuw, aanspraak moet maken op een
                                    voorziening.</al></li><li nr="g."><al>voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of
                                    regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de
                                    voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of
                                    verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                    omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te
                                    rekenen, of tenzij de belanghebbende geheel of gedeeltelijk
                                    tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten door vroegtijdige
                                    vervanging van de voorziening.</al></li><li nr="h."><al>een voorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van
                                    leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie van de belanghebbende
                                    ruim van te voren te voorzien was dat deze voorziening
                                    noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht
                                    optredende noodzaak.</al></li><li nr="i."><al> indien de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan
                                    het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw.</al></li><li nr="j."><al> voor zover er aan de zijde van de belanghebbende geen sprake is
                                    van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                    voorafgaand aan het optreden van de beperking waarvoor de
                                    voorziening wordt aangevraagd.</al></li><li nr="k."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen heeft
                                    gemaakt. </al></li><li nr="l."><al> Indien de voorziening op therapeutische basis wordt
                                    aangevraagd.</al></li><li nr="m."><al>indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent om de
                                    noodzaak van een voorziening te kunnen vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.</nr></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen in het Besluit. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>De acht resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.</nr><titel>Een schone en leefbare woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een woning die schoon is.
                                Dit geldt ten aanzien van de ruimten die voor dagelijks gebruik
                                noodzakelijk zijn: woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, badkamer en
                                toilet en de toegang tot deze ruimten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op een schone en leefbare woning kan een individuele
                                voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                huishoudelijke werk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen de leefeenheid één of meer
                                huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden
                                over te nemen wordt dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg
                                beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de hand van de gestelde regels in hoofdstuk 5 wordt bepaald of
                                belanghebbende in aanmerking kan komen voor compensatie op dit
                                resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.</nr><titel>Wonen in een geschikte woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een volgend te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de
                                woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, badkamer, toilet, berging,
                                terras of balkon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele
                                voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of de belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatgebied.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte
                                woning, of een gemakkelijker geschikt te maken woning, en de
                                verhuizing leidt tot het te bereiken resultaat zal deze mogelijkheid
                                eerst beoordeeld worden. Er kan dan een verhuiskostenvergoeding
                                verstrekt worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
                                wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste 2 weken voordat de belanghebbende de oude woning
                                        gaat verlaten contact is gezocht met het college.</al></li><li nr="b."><al>de gevonden woonruimte gemeld is binnen 1 jaar na datum van
                                        het besluit van het college, waarin vastgesteld wordt dat de
                                        belanghebbende in principe in aanmerking kan komen voor een
                                        tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende verhuist naar een woning die voldoet aan
                                        de eisen zoals die door het college zijn gesteld.</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                        wonen.</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende niet verhuisd is vanuit een andere
                                        gemeente.</al></li><li nr="f."><al>de financiële tegemoetkoming wordt verminderd met de
                                        tegemoetkoming waarover de belanghebbende uit andere hoofde
                                        kan beschikken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Er vindt geen compensatie plaats indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is
                                        van een verhuizing waartoe op grond van de beperkingen bij
                                        het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en
                                        er geen sprake was van een overmachtsituatie;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare
                                        woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijke toestemming is
                                        verleend door het college.</al></li><li nr="c."><al>het voorzieningen betreft in gemeenschappelijke ruimten
                                        anders dan automatische deuropeners en hellingbanen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie van de
                                        belanghebbende te voorzien was dat deze voorziening
                                        noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                                        onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende verhuisd is vanuit of naar een woonruimte
                                        die niet geschikt en bedoeld is het gehele jaar door bewoond
                                        te worden, verhuisd is naar een door de Algemene Wet
                                        Bijzondere Ziektekosten-erkende instelling of een andere
                                        instelling gericht op het verstrekken van zorg of verhuisd
                                        is vanuit een woonruimte waar geen problemen met het normale
                                        gebruik van de woning zijn ondervonden.</al></li><li nr="f."><al>de belanghebbende verblijft in hotels of pensions,
                                        trekkerswoonwagens, kloosters, vakantiewoningen,
                                        recreatiewoningen, tweede woningen, onzelfstandige woningen
                                        die niet voldoen aan artikel 11, eerste lid, onderdeel b.
                                        Van de Wet op de huurtoeslag en specifiek op belanghebbende
                                        gerichte woningen voor wat betreft voorzieningen in
                                        gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                                        nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                                        meegenomen kunnen worden.</al></li><li nr="g."><al>de beperking bij het normale gebruik van de woning
                                        voortvloeit uit de aard van de in de woning gebruikte
                                        materialen;</al></li><li nr="h."><al>voor zover de voorziening betrekking heeft op een hoger
                                        niveau dan de sociale woningbouw;</al></li><li nr="i."><al>ten behoeve van de woning waar de belanghebbende niet zijn
                                        hoofdverblijf heeft of zal hebben en die niet geschikt is om
                                        het hele jaar door bewoond te worden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden kan ook bestaan uit het voorzien in maaltijden, evenals
                                het doen van boodschappen die voor de dagelijkse activiteiten nodig
                                zijn (levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakartikelen).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het doen van boodschappen alsmede het bereiden, opwarmen
                                en aanreiken van maaltijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen de leefeenheid één of meer
                                huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden
                                over te nemen wordt dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg
                                beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het gewassen en zonodig gestreken, opgevouwen
                                of opgehangen zijn van de aanwezige kleding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige,
                                reeds aanwezige kleding, kan een individuele voorziening worden
                                getroffen ten aanzien van het wassen, drogen, opvouwen, strijken en
                                opruimen van de was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen de leefeenheid één of meer
                                huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden
                                over te nemen wordt dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg
                                beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of de belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                behoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het volgende te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                een huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor in
                                het huishouden aanwezige kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het – tijdelijk ter overbrugging van een periode
                                noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve maatregelen –
                                vervangen van zorgmomenten of de gehele zorg die de belanghebbende
                                aan de kinderen biedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en
                                om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, de keuken,
                                het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de
                                badkamer, de berging, het terras of balkon en bestemmingen in de
                                directe woon- en leefomgeving kunnen bereiken en er zich zodanig
                                kunnen redden dat het in aanvaardbare mate zelfstandig functioneren
                                mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                individuele voorziening worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.7</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie, kennissen
                                en het doen van gewenste of noodzakelijke activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan
                                een individuele voorziening worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een eigen auto of
                                vervoer door derden die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat wordt deze
                                mogelijkheid eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.8.</nr><titel>Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan
                                te gaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat betreft de mogelijkheid om lokaal
                                medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                                gaan.</al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de mogelijkheid om lokaal medemensen te ontmoeten en
                                op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan kan een individuele
                                voorziening worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de hand van algemene regels, gesteld in hoofdstuk 5, wordt
                                bepaald of belanghebbende daadwerkelijk in aanmerking komt voor
                                compensatie op dit resultaatsgebied.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten einde de belanghebbende in staat te stellen om lokaal in
                                sportverenigingsverband medemensen te ontmoeten, kan een
                                sportrolstoel worden verstrekt indien de belanghebbende aantoonbare
                                beperkingen ondervindt die sportbeoefening zonder sportrolstoel
                                onmogelijk maken.</al><al>Een sportrolstoel wordt verstrekt onder voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="a."><al>een sportactiviteit van recreatieve aard is;</al></li><li nr="b."><al>In de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag geen
                                        sportrolstoel is verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Andere sportvoorzieningen dan een sportrolstoel zijn van compensatie
                                uitgesloten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Er kan één woning bezoekbaar worden gemaakt indien de belanghebbende
                                zijn hoofdverblijf heeft in door de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten-erkende instelling. Onder bezoekbaar maken wordt
                                uitsluitend verstaan dat de belanghebbende de woning, de woonkamer
                                en een toilet kan bereiken en gebruiken met voorzieningen die
                                hiervoor noodzakelijk zijn.</al><al>Een woning wordt bezoekbaar gemaakt onder voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende de woning regelmatig bezoekt;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanpassing niet meer bedragen dan een door
                                        het college in het Besluit bepaald bedrag;</al></li><li nr="c."><al>de aan te passen woning in de gemeente Apeldoorn staat;</al></li><li nr="d."><al>niet eerder in de gemeente Apeldoorn of in een andere
                                        gemeente een woning voor de belanghebbende bezoekbaar is
                                        gemaakt, onverlet bijzondere situaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij uitzondering kan een vervoersvoorziening voor bovenlokale
                                verplaatsingen worden verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële
                            tegemoetkoming.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Mogelijke verstrekkingwijzen van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als
                                persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende heeft indien de voorziening niet een financiële
                                tegemoetkoming betreft de keuze uit een verstrekking in natura of in
                                de vorm van een persoonsgebonden budget, tenzij daar overwegende
                                bezwaren tegen bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                                bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de belanghebbende van
                                toepassing, tenzij de voorziening in eigendom wordt gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening die in natura is verstrekt, kan zodra deze niet meer
                                gebruikt wordt, door het college worden opgehaald en voor
                                herverstrekking beschikbaar worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de
                                belanghebbende hierover schriftelijk geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Verstrekking als persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt stelt het college schriftelijk nadere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende heeft niet de mogelijkheid om te kiezen voor een
                                persoonsgebonden budget als hiertegen overwegende bezwaren bestaan.
                                Daarvan is in ieder geval sprake als zich een van de volgende
                                situaties voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening betreft een vervoerspas voor gebruik van het
                                        collectief vraagafhankelijk vervoer.</al></li><li nr="b."><al>de voorziening een kilometerbudget voor de (rolstoel)taxi
                                        betreft.</al></li><li nr="c."><al>de voorziening een herplaatsbare losse woonunit
                                        betreft.</al></li><li nr="d."><al>er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
                                        belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een
                                        verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget en
                                        (professionele) hulp niet beschikbaar is.</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van een voorziening voor huishoudelijke
                                        verzorging die naar verwachting niet langer dan drie maanden
                                        zal duren.</al></li><li nr="f."><al>uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende een eerder
                                        ontvangen persoonsgebonden budget niet in overeenstemming
                                        met het doel en/of bestemming heeft ingezet of niet heeft
                                        verantwoord.</al></li><li nr="g."><al>de voorziening kortdurend en naar verwachting niet de
                                        gestelde gebruiksduur adequaat zal zijn </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een voorziening binnen de gestelde periode waarvoor het
                                persoonsgebonden budget is verstrekt niet langer wordt gebruikt,
                                dient het bedrag van het persoonsgebonden budget naar rato van de
                                resterende periode te worden terugbetaald of de voorziening dient in
                                eigendom aan de gemeente te worden overgedragen. Hiervoor kan een
                                financiële tegemoetkoming worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de
                                belanghebbende hierover schriftelijk geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Verstrekking als financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aantal voorzieningen wordt uitsluitend in de vorm van een
                                financiële tegemoetkoming verstrekt. Een deel hiervan is in de vorm
                                van een forfaitair bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Meerkosten van een voorziening worden in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                wordt verstrekt kan het college schriftelijk nadere voorwaarden
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt de
                                belanghebbende hierover schriftelijk geïnformeerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een sportrolstoel welke met een financiële tegemoetkoming is
                                aangeschaft niet langer wordt gebruikt, dient het bedrag van het
                                financiële tegemoetkoming naar rato van de resterende periode te
                                worden terugbetaald of de voorziening dient in eigendom aan de
                                gemeente te worden overgedragen. Hiervoor kan een financiële
                                tegemoetkoming worden verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een
                                eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende
                                resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>een schone en leefbare woning;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikte woning;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                        behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in, om en nabij de woning voor zover het
                                        geen rolstoel betreft;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                        verbanden aan te gaan voor zover het geen rolstoel
                                        betreft..</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigen bijdrage en het eigen aandeel worden vastgesteld en geïnd
                                door het CAK.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Ritbijdrage en gebruikersbijdrage voor collectieve
                                voorzieningen</titel></kop><al>Bij gebruikmaking van collectieve voorzieningen kan een rit- of
                            gebruikersbijdrage worden opgelegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming,
                            intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Medewerking aan (her)onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd
                                medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
                                uitvoering van de Wet.</al><al>Onder de verplichting, genoemd in het voorgaande lid, wordt mede
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>Het voldoen aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en
                                        plaats te verschijnen;</al></li><li nr="b."><al>Het meewerken aan een onderzoek door een of meer daartoe
                                        aangewezen deskundigen daaronder zonodig begrepen een
                                        lichamelijk onderzoek naar de beperkingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd de belanghebbende, na verlening van een
                                voorziening, aan een heronderzoek te onderwerpen ten einde vast te
                                stellen of de omstandigheden die hebben geleid tot de verlening van
                                de voorziening gewijzigd zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien het college dat gewenst vindt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Een belanghebbende is verplicht, bij of na het indienen van een aanvraag
                            of nadat een voorziening is verleend, zo spoedig mogelijk aan het
                            college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op
                            het recht op een voorziening, dan wel de aard, hoogte of duur
                            ervan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Intrekking en wijziging van een besluit tot verlening van een
                                individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking genomen op grond van deze
                                verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld
                                        bij of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>bij de aanvraag of tijdens de behandeling daarvan onjuiste
                                        of onvolledige gegevens zijn verstrekt en verstrekking van
                                        juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de
                                        aanvraag zou hebben geleid;</al></li><li nr="c."><al>bij de aanvraag of tijdens de behandeling daarvan onjuiste
                                        of onvolledige gegevens zijn verstrekt met het oogmerk om
                                        aldus voor zichzelf of degene voor wie aanvrager optreedt
                                        een voorziening te verkrijgen dan wel te behouden;</al></li><li nr="d."><al>de individuele voorziening onjuist was of ten onrechte is
                                        verleend en de belanghebbende dit wist of behoorde te
                                        weten;</al></li><li nr="e."><al>uit onderzoek blijkt dat de belanghebbende geen of
                                        onvoldoende gebruik maakt van een hem toegekende voorziening
                                        en naar alle waarschijnlijkheid het komende jaar ook niet of
                                        nauwelijks van deze voorziening gebruik zal maken;</al></li><li nr="f."><al> de belanghebbende zijn verplichtingen ingevolge de
                                        artikelen 9.1, 9.2 en 9.3 onvoldoende nakomt en zij daardoor
                                        het recht op, de noodzaak van de gevraagde voorziening of de
                                        noodzaak tot het behoud daarvan, niet kunnen vaststellen.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking of wijziging van het besluit als bedoeld in het vorige
                                lid werkt terug tot het tijdstip waarop de voorziening is verleend,
                                tenzij bij de intrekking of de wijziging anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een besluit tot verlening van een persoonsgebonden
                                budget of een financiële tegemoetkoming, naast op de in het eerste
                                lid genoemde gronden, geheel of gedeeltelijk intrekken of ten nadele
                                van betrokkene wijzigen indien blijkt dat het budget of de
                                tegemoetkoming niet of niet volledig is aangewend voor het doel
                                waarvoor deze was verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Ingeval een besluit tot verlening van een voorziening geheel of
                            gedeeltelijk is ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende is
                            gewijzigd, kan het college de ten onrechte reeds uitbetaalde
                            persoonsgebonden budgetten, financiële tegemoetkomingen dan wel de in
                            natura verstrekte voorzieningen, terugvorderen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan de in het kader van deze verordening en de in het
                            Besluit geldende bedragen aanpassen aan het prijspeil met een
                            inflatiepercentage. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 10 mei 2012 en vervangt de
                            Verordening maatschappelijke ondersteuning 2007, vastgesteld door de
                            raad op 22 maart 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van d.d. 26 april 2012</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in Apeldoorns Stadsblad d.d. 9 mei 2012</ondertekening><ondertekening>In werking getreden d.d. 10 mei 2012</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><tussenkop>aanvraag: een aanvraag in het kader van de Wmo kan vooraf gegaan worden
                    door Het gesprek. Het moge duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven
                    als de situatie van betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is
                    bij de gemeente. Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van
                    voorzieningen wegens het bereiken van de afschrijvingstermijn of een aanpassing
                    aan of een accessoire voor een bestaande voorziening.</tussenkop><al>De aanvraag kan schriftelijk, elektronisch of mondeling gedaan worden. </al><tussenkop>algemeen gebruikelijke voorziening: volgens de jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep is een voorziening algemeen gebruikelijk als deze niet
                    speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, en de voorziening ook op
                    grote schaal door niet-beperkten wordt gebruikt en gewoon in de reguliere handel
                    te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of bij soortgelijke
                    bedrijven. Bovendien is de voorziening niet (aanzienlijk) duurder dan
                    vergelijkbare voorzieningen. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat
                    om vervanging van een zaak die (nog lang) niet is afgeschreven is en als het
                    gaat om een belanghebbende die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten
                    op grond van de beperking onder het norminkomen komt, wellicht een uitzondering
                    op dit principe gemaakt moet worden.</tussenkop><tussenkop>algemene voorziening: dit zijn voorzieningen, met name diensten of een
                    combinatie van een dienst en product, die niet persé bestemd zijn voor, noch te
                    gebruiken zijn door alle inwoners. Anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze
                    bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te
                    verkrijgen of te gebruiken. Voorbeelden zijn:</tussenkop><al> De dagrecreatie voor ouderen </al><al> De personenalarmering </al><al> De boodschappenservice of de vrijwillige boodschappendienst</al><al> De maaltijdservice en het eetcafé</al><al> Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                    buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al><al> De (ramen)wasservice </al><al> Openbaar vervoer</al><al> Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen </al><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. </al><tussenkop>belanghebbende: doordat in de Wet gesproken wordt over mantelzorgers en
                    vrijwilligers als doelgroep voor de compensatieplicht, kan het begrip
                    ‘belanghebbende’ ruimer zijn dan alleen betrokkene zelf. Daarom is het begrip
                    belanghebbende opgenomen. Onder belanghebbende kan dus ook verstaan worden de
                    mantelzorger(s) van betrokkene.</tussenkop><tussenkop>collectieve voorziening: dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel
                    worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt.
                    Tot nu toe is het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) het meest duidelijke
                    voorbeeld.</tussenkop><al><vet>compensatieplicht: </vet>de compensatieplicht houdt een plicht in voor het
                    college. Die plicht geldt in ieder geval ten aanzien van personen met een
                    beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem, waaronder ook
                    ouderen kunnen vallen. Daarbij moet het gaan om ondervonden beperkingen op het
                    gebied van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Doel is de
                    belanghebbenden in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te
                    verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en
                    medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Het gaat om maatwerk. Uitgegaan wordt van de persoonskenmerken en behoeften van
                    de belanghebbende. Dat legt een beperking op aan de mogelijkheid algemene
                    maatregelen te treffen, zoals het hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits
                    in het individuele geval steeds wordt nagegaan of die algemene maatregel wel
                    leidt tot maatwerk. Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.</al><al><vet>contact:</vet>in het kader van het gesprek wordt niet gesproken van
                    een aanvraag maar van een contact. Wanneer een belanghebbende contact opneemt
                    kan dit leiden tot het beantwoorden van een vraag. Dit is meestal een kortdurend
                    contact er is dan geen sprake van het gesprek. Uit het contact kan ook een
                    aanvraag voor een of meerdere voorzieningen voortkomen. Indien daar aanleiding
                    voor is, bijvoorbeeld wanneer de omstandigheden van de belanghebbende sterk zijn
                    gewijzigd of wanneer de belanghebbende onbekend is, kan het gesprek worden
                    gevoerd. Het contact wordt altijd vastgelegd zodat achteraf duidelijk is wanneer
                    er met de belanghebbende is gesproken, wat er is besproken en wat er eventueel
                    is afgesproken. </al><al><vet>eigen aandeel:</vet>de bevoegdheid voor het vragen van een eigen
                    bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit
                    artikel 15 lid 1 van de Wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het
                    dat daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van het Bmo nadere regels worden
                    gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het Besluit.</al><al><vet>eigen bijdrage: </vet>zie eigen aandeel</al><tussenkop>financiële tegemoetkoming: een financiële tegemoetkoming is een
                    geldbedrag al dan niet ineens uitbetaald dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </tussenkop><tussenkop>gebruikelijke zorg: als in een leefeenheid meerdere personen wonen hebben
                    zij gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te
                    verrichten. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt
                    heeft voor personen van 18 jaar of ouder een verplichtend karakter.</tussenkop><al><vet>Het gesprek: </vet>onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij
                    degene die problemen ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van
                    toepassing is, en na het eerste contact in gesprek komt met een
                    vertegenwoordiger van het college, die samen met de belanghebbende en eventueel
                    aanwezige mantelzorger(s) inventariseert waar de belanghebbende en zijn
                    mantelzorger(s) problemen ondervindt. Wat de belanghebbende nog zelf kan. Wat de
                    te bereiken resultaten zijn in de ogen van de belanghebbende. Wat de behoeften
                    daarbij zijn. Welke oplossingen er in de maatschappij beschikbaar zijn via
                    algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en collectieve
                    voorzieningen. Op deze wijze ontstaat een basis voor het zoeken naar oplossingen
                    voor de problemen. Met die oplossingen wordt het te bereiken resultaat
                    gerealiseerd. Voor zover die resultaten niet te behalen zijn, kan een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag van een individuele voorziening.
                    Het gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. In een aantal gevallen is het
                    mogelijk een aanvraag te doen zonder dat het gesprek plaatsvindt, bijvoorbeeld
                    bij bekende klanten die een vervolgaanvraag doen. </al><al>Van het gesprek worden aantekeningen gemaakt die zonodig uitgewerkt worden tot
                    een verslag, dat bij de aanvraag gevoegd <cursief>kan</cursief> worden om te
                    voorkomen dat zaken dubbel gedaan moeten worden.</al><tussenkop>hoofdverblijf: het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het
                    begrip is omschreven naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan
                    de plaats waar per jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden
                    als de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als
                    de belanghebbende meerdere plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt
                    doorgebracht, zoals de belanghebbenden die het jaar deels in het buitenland
                    doorbrengen, belanghebbenden die deels in een AWBZ-instelling verblijven en
                    deels elders, enz.</tussenkop><tussenkop>individuele voorziening: in dit lid wordt de individuele voorziening
                    gedefinieerd. Deze is niet voor iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor de
                    belanghebbenden die onder artikel 4 van de Wet vallen. Er wordt individueel
                    onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening en er staat bezwaar en
                    beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die rond
                    eigen bijdragen en eigen aandeel.</tussenkop><al><vet>inkomen: </vet>voor het begrip inkomen is aangesloten op de begripsbepaling
                    zoals gehanteerd wordt in het kader van de Wet werk en bijstand. Onder inkomsten
                    wordt verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen,
                    een premie als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel j van de Wet werk en
                    bijstand, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel k van
                    de Wet werk en bijstand, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van
                    een of meer kostgangers, en uitkeringen tot levensonderhoud.</al><al>In artikel 31 lid 2 van de Wet werk en bijstand staan verder middelen vermeld
                    welke niet tot inkomsten gerekend kunnen worden. </al><al>In dit artikel wordt onder meer genoemd: </al><lijst><li nr="-"><al>kinderbijslag;</al></li><li nr="-"><al>uitkeringen of vergoedingen voor specifieke kosten;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten uit bescheiden vermogen.</al></li></lijst><al>In artikel 34 lid 2 Wet werk en bijstand wordt de vermogensgrens voor dit
                    bescheiden vermogen genoemd.</al><al><vet>leefeenheid: </vet>hieronder worden alle bewoners begrepen van één adres
                    die samen een duurzaam huishouden voeren het begrip leefeenheid. Dit begrip
                    wordt gedefinieerd om de voorziening vast te kunnen stellen onder in acht name
                    van gebruikelijke zorg. Indien er sprake is van kamerverhuur, wordt de
                    verhuurder niet tot de leefeenheid gerekend. Een soortgelijke positie wordt
                    ingenomen door mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder
                    zelfstandig wonen zoals kloosterlingen, ouderen of gehandicapten.</al><al><vet>lokaal: </vet>onder directe woon- en leefomgeving word ingevolge
                    Wvg-jurisprudentie verstaan een straal van15 tot 20 kilometer rond de woning van
                    de belanghebbende.</al><al><vet>mantelzorger:</vet> mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van
                    een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit
                    diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                    sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                    overstijgt.</al><al>In ieder geval wordt in deze verordening onder mantelzorg verstaan: het verlenen
                    van intensieve zorg langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week aan een ziek
                    familielid, vriend of kennis. Het verlenen van de zorg is geen vrije keuze maar
                    wordt verleend uit plichtsbesef of liefde voor de ander.</al><al><vet>maatwerk: </vet>maatwerk wordt slechts geleverd nadat de noodzaak voor
                    compensatie in de vorm van een voorziening is vastgesteld. Binnen het
                    noodzakelijk te compenseren deel kan rekening worden gehouden met de
                    persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende. Compensatie wordt niet
                    geboden voor wensen van de belanghebbende die het noodzakelijke deel
                    overstijgen. </al><al><vet>meerkosten: </vet>het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip
                    “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De
                    meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het
                    compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals
                    die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. van de Wet. Een met de persoon
                    als de belanghebbende vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat
                    psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor
                    in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten,
                    dus de kosten die voor een persoon als de belanghebbende niet algemeen
                    gebruikelijk zijn, is de Wet gericht.</al><al><vet>persoonsgebonden budget: </vet>een geldbedrag dat de belanghebbende onder
                    door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende
                    voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse
                    compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten
                    vindt plaats in het Besluit.</al><tussenkop>psychosociaal probleem: het begrip psychosociaal probleem is vanuit de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in de Wmo opgenomen, maar inmiddels
                    als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken is dat deze
                    grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo heeft –
                    volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke betekenis.
                    Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is overgenomen
                    uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009. LJN:
                    BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname aan het
                    maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo. Ontleend aan uitspraak
                    CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832. </tussenkop><tussenkop>ritbijdrage of gebruikersbijdrage: het college ontwikkelt
                    scootmobielpools. Voor het gebruik van een voorziening uit een pool kan een
                    gebruikersbijdrage worden gevraagd. Hierover zijn nog geen bedragen opgenomen in
                    het Besluit. Er moet nog nadere invulling gegeven worden aan de pools. Voor het
                    gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer en het
                    (rolstoel)taxikilometerbudget wordt een ritbijdrage gevraagd.</tussenkop><tussenkop>voorliggende voorziening: voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of collectieve
                    voorzieningen. Bij deze voorzieningen is de functie bepalend: zij gaan voor
                    individuele voorzieningen. </tussenkop><al><vet>wettelijk voorliggende voorziening: </vet>de wettelijk voorliggende
                    voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en in regelgeving vastgelegd,
                    die op basis van artikel 2 van de Wet voorgaan op de Wmo. Te denken valt hierbij
                    aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,
                    de Wet op de kinderopvang en de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten. </al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo, zo is in
                    artikel 2 Wmo bepaald.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Resultaatgerichte compensatie</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. De te bereiken resultaten</tussenkop><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid. Op deze 8 terreinen heeft het
                    college een resultaatverplichting: door de te nemen algemene of individuele
                    maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt kunnen worden. Ook de Centrale
                    Raad spreekt over resultaatverplichting, bijvoorbeeld in de eerdergenoemde
                    uitspraak van december 2010.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Contact </tussenkop><al>Een gesprek wordt aangevraagd door middel van een contact. Het gesprek leidt
                    niet per definitie tot een aanvraag die de regels van de Algemene wet
                    bestuursrecht dient te volgen. </al><al>Neemt de belanghebbende mondeling contact op, dan kan het gaan om een vraag die
                    direct wordt beantwoord en is het gesprek niet nodig. Een contact kan ook
                    resulteren in het , zo mogelijk direct voeren van het gesprek. Het gesprek kan
                    leiden tot een aanvraag voor een individuele voorziening. </al><al>Als er schriftelijk of elektronisch contact is opgenomen dient binnen een
                    bepaald aantal werkdagen een gestelde vraag beantwoord te worden of wordt er een
                    afspraak voor het gesprek gemaakt. Dit is van belang, omdat de belanghebbende
                    direct het gevoel dient te hebben serieus genomen te worden. Een vlotte afspraak
                    duidt daar (onder andere) op. Bovendien geeft een eerste contact aan dat de
                    betrokkene een probleem ervaart. Het is van belang te laten blijken dat er vaart
                    gezet wordt achter het meedenken over het oplossen van het probleem. En tot slot
                    mag de extra stap van het gesprek niet leiden tot tijdverlies; Het gesprek zou
                    moeten leiden tot tijdwinst.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Het Gesprek </tussenkop><al>Lid1</al><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Na een gewijzigde situatie kan het van belang zijn een nieuw
                    of een aanvullend gesprek te houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder de belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><al> De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal probleem
                    dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al><al> De eigen mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al><al> De onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                    ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al><al> De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in deze
                    verordening weergegeven terreinen.</al><al> Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande belemmeringen
                    op te lossen.</al><al> De mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                    oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen of via collectieve voorzieningen te bereiken.</al><al> De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een
                    individuele voorziening op te lossen.</al><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, lid 1 onder g sub 6
                    Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte invulling
                    van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de doelstelling van de
                    Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een claimgerichte aanvraag komt
                    en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien kan dit betekenen dat een
                    gemeente moeilijk maatwerk kan leveren. </al><al>Doordat het gesprek geheel vanuit de belanghebbende gevoerd moet worden, kan het
                    college ervoor kiezen het gesprek niet zelf te voeren, maar uit te besteden aan
                    een andere professional, of professionele vrijwilliger, die na het gesprek niet
                    ook de eventuele besluitvorming rond een individuele voorziening behandelt. </al><al>Indien het gesprek door een ander gevoerd wordt dan de persoon die uiteindelijk
                    de eventuele beslissing over een individuele voorziening neemt is de overdracht
                    van alle informatie vanuit het gesprek naar de aanvraagprocedure van groot
                    belang. Omdat het op zich al van belang is dat het gesprek uitmondt in
                    volstrekte duidelijkheid over datgene wat in het gesprek is aangegeven, is er
                    voor gekozen in bepaalde situaties dit gesprek uit te laten monden in een
                    verslag, dat door de belanghebbende voor akkoord wordt getekend, zodat het
                    verslag indien gewenst als aanvraag gebruikt kan worden indien individuele
                    voorzieningen noodzakelijk blijken.</al><al>Het gesprek zal alleen gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke
                    uitstekend bekend is: kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan
                    algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen
                    is onmisbaar voor het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een
                    college er immers van uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door belanghebbende
                    zelfstandig aan te spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan niet de
                    bedoeling zijn dat dit na een aanvraag alsnog beoordeeld moet worden.</al><al>Mocht het college nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij de belanghebbende en zijn wensen en
                    persoonskenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al>Het gesprek wordt in principe telefonisch met de belanghebbende gevoerd. Als
                    daartoe aanleiding is wordt het gesprek ook bij de belanghebbende thuis gevoerd.
                    Ook kan de belanghebbende uitgenodigd worden het gesprek op locatie van de
                    professional te voeren.</al><al>Bij een huisbezoek wordt de belanghebbende van te voren mondeling of op verzoek
                    van de belanghebbende schriftelijk geïnformeerd over de te bespreken punten in
                    het kader van het gesprek zodat hij of eventuele derden zich kan/kunnen
                    voorbereiden.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt dat als de aanmelding gedaan is door een mantelzorger, het gesprek
                    met de mantelzorger en zo mogelijk ook met degene die door de mantelzorger
                    verzorgd wordt, gevoerd zal worden. Er wordt uitgegaan van een afgeleid recht op
                    voorzieningen. Een eventuele voorziening wordt toegekend aan de verzorgde. </al><tussenkop>Artikel 3.3 Het verslag </tussenkop><al>Lid 1</al><al>Het gesprek kan met een verslag worden afgesloten. De belanghebbende heeft de
                    mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen aan te brengen. Deze
                    komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het
                    oorspronkelijke verslag toegevoegd.</al><al>Als de belanghebbende het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van
                    zijn naam, adres en een dagtekening kan het verslag functioneren als
                    aanvraagformulier voor een individuele aanvraag, als dat (mede) de uitkomst is
                    van het gesprek.</al><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Van het verslag kan
                    dan ook niet verwacht worden dat het een objectieve weergave van de situatie van
                    de betrokkene weergeeft: het zal duidelijk subjectieve aspecten bevatten. Deze
                    subjectieve aspecten zullen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er
                    uiteindelijk behoefte aan een objectieve onderbouwing, dan zal dat na de
                    aanvraag plaats moeten hebben.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt dat het mogelijk is, indien daar aanleiding toe bestaat, het
                    verslag van het gesprek te gebruiken als uitgangspunt voor een formele aanvraag
                    bij de gemeente. </al><al>Met die aanvraag wordt een formele procedure ingezet die gebonden is aan de
                    regels van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het een ander traject is met een
                    ander regime en een andere sfeer is de aanvraag in een nieuw hoofdstuk
                    opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een individuele voorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 4. De aanvraag</tussenkop><lijst><li nr=""><al>Lid 1</al></li><li nr=""><al>Een aanvraag voor een individuele voorziening kan voortkomen uit het
                            gesprek. Samen met de belanghebbende is tijdens het gesprek
                            geïnventariseerd welke oplossingen er kunnen zijn voor een probleem.
                            Indien de oplossing een individuele voorziening op grond van de Wet kan
                            zijn, wordt daarvoor een aanvraag ingenomen.</al></li><li nr=""><al>Niet altijd is het gesprek noodzakelijk. Voor de belanghebbenden die
                            reeds bekend zijn bij het Wmo-loket heeft het gesprek niet altijd
                            meerwaarde. Het is aan de professional om te beoordelen of het gesprek
                            al dan niet gevoerd moet worden. </al></li><li nr=""><al>Lid 2</al></li><li nr=""><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een individuele voorziening
                            altijd schriftelijk moet worden gedaan, waarbij elektronisch
                            (bijvoorbeeld per email door middel van een contactformulier) een vorm
                            van schriftelijk is. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1
                            van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat, tenzij bij wettelijk
                            voorschrift anders bepaald, een aanvraag schriftelijk moet worden
                            ingediend. Het college heeft het mogelijk gemaakt dat een aanvraag ook
                            mondeling kan worden ingediend door bij wettelijk voorschrift, namelijk
                            in voorliggende verordening, dit te bepalen. Onder mondeling wordt zowel
                            telefonisch als een persoonlijk contact verstaan.</al></li><li nr=""><al>Lid 3</al></li></lijst><al>Lid 3 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere
                    manier)</al><al>of schriftelijk wordt ingediend, de gemeente de datum waarop de mondelinge
                    aanvraag is ingediend of de datum waarop de schriftelijk aanvraag is ontvangen
                    registreert om deze aanvraag formeel te maken. </al><al>Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    besluit (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat de
                    aanvraag, voorzien van alle benodigde bijlagen waaronder het eventuele verslag
                    van het gesprek, bij de gemeente is ingenomen of binnengekomen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Algemene regels ter beoordeling van de te bereiken
                    resultaten</tussenkop><al>In hoofdstuk 5 worden de algemene regels opgesomd die voor alle 8 te bereiken
                    resultaten gelden. Het betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom
                    deze maatregel, deze voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken
                    voorziening niet (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot
                    belang: het gaat immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan aan
                    moeten kunnen geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In hoofdstuk 6 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                    kaders zijn.</al><al>Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk zijn
                    zodat maatwerk en creatieve oplossingen mogelijk zijn. Allereerst laat de Wet
                    deze mogelijkheid toe.</al><al>Vervolgens is het principe van het gesprek en de daaropvolgende aanvraag zodanig
                    dat niet van meet af aan een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet
                    staan maar het te bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een
                    bepaalde voorziening kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde
                    voorziening wordt toegekend.</al><tussenkop>Artikel 5.1 Het maken van een afweging</tussenkop><al>Lid 1</al><al>In lid 1 is vastgelegd dat het college het verslag van het gesprek tot
                    uitgangspunt van de beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen gaan
                    worden, dient te nemen. Daarbij gaat het college uit van de persoonskenmerken en
                    behoeften van de belanghebbende, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. "Uitgaan van"
                    betekent dat het college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van
                    het onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar
                    wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken
                    resultaten mogelijk is. Het college kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van
                    belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald
                    hulpmiddel.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt dat alle (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke en
                    collectieve voorzieningen die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook
                    daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen
                    dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij logischerwijs
                    voorhanden voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt
                    kunnen worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen er
                    normaal voorhanden zijn. Anderzijds wordt ook gekeken naar de totale woon- en
                    gezinssituatie, de sociale structuur en de aanwezigheid van mantelzorg. </al><al>Bij een aanvraag voor huishoudelijke verzorging wordt gekeken naar de
                    aanwezigheid van gebruikelijke zorg en de zorg die daarnaast nog nodig is. Als
                    vorenstaande toch niet leidt tot het te bereiken resultaat zal naar andere
                    oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter
                    beoordeling in perspectief.</al><al>Bij het onderzoek naar de capaciteit van de belanghebbende om uit een oogpunt
                    van kosten zelf in maatregelen te voorzien, wordt in het gesprek altijd
                    gesproken over de eigen (financiële) mogelijkheden (vermogen, inkomen,
                    overwaarde woning) om zelf in een oplossing te voorzien. In samenspraak met de
                    belanghebbende wordt afgewogen of een voorziening met eigen middelen wordt
                    aangeschaft, waarbij de rol van het college zich beperkt tot het verstrekken van
                    informatie en advies, of dat een individuele voorziening wordt verstrekt
                    waarvoor waar mogelijk een eigen bijdrage of eigen aandeel wordt gevraagd. Het
                    is immers denkbaar dat de belanghebbende geen (periodieke) eigen bijdrage wenst
                    te betalen, en er de voorkeur aan geeft de voorziening met eigen middelen aan te
                    schaffen. </al><al>Als er geen gesprek voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden zal dit na
                    de aanvraag gebeuren. Dus met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst
                    beoordeeld welke eigen oplossingen, voorliggende, algemeen gebruikelijke en
                    collectieve voorzieningen een oplossing zouden kunnen bieden om het te bereiken
                    resultaat daadwerkelijk te bereiken. </al><tussenkop>Artikel 5.2 Voorwaarden bij compensatie</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>wanneer de belanghebbende zelf in staat is de beperkingen te compenseren
                            door middel van eigen oplossingen, algemeen gebruikelijke, algemene, of
                            (wettelijk) voorliggende voorzieningen, hoeft geen individuele
                            voorziening te worden verstrekt.</al></li><li nr="b."><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt
                            dienen naar objectieve maatstaven gemeten de goedkoopst compenserende
                            voorzieningen te zijn. Hierbij geldt natuurlijk ook dat ze adequaat
                            moeten zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                            adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend.
                            Hoewel datgene wat de belanghebbende als adequaat beschouwt mee zal
                            moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening,
                            zal ook het criterium van het goedkoopst compenserend zijn, de kosten
                            van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van
                            het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                            gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                            zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor
                            vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                            bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                            functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een
                            product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en
                            dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan
                            uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                            maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is
                            uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                            duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de
                            belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te
                            betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college
                            mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.</al></li><li nr="c."><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                            voorzieningen gehandicapten en aan de Wet aangepast. Wat langdurig
                            noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in
                            tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in
                            een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar,
                            in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel
                            van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden
                            beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de
                            aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                            verwachten in de situatie van de belanghebbende. In dit kader zal de
                            prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na
                            enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen
                            functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                            wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van
                            terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige
                            noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er
                            al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                            voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder
                            geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een
                            ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is,
                            niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in
                            aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots
                            van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de
                            Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Uit deze depots kan men twee maal
                            drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden
                            verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens
                            ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                            verschillen.</al></li><li nr="d."><al>Het probleem van het individu dient op grond van de Wet te worden
                            gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de
                            beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                            Wet.</al></li><li nr="e."><al>Een voorziening moet proportioneel en doeltreffend te zijn. Dat wil
                            zeggen dat het probleem van de belanghebbende gecompenseerd dient te
                            worden, maar het moet ook de goedkoopst compenserende voorziening
                            zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.3 Geen compensatie</tussenkop><al>a.In de Wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de Wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    belanghebbende niet woonachtig is. Onder woonachtig wordt verstaan dat de
                    belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in de betreffende gemeente. Dit betekent
                    niet per definitie dat hij ook in de gemeentelijke basisadministratie van deze
                    gemeente is opgenomen.</al><al>Een uitzondering kan gemaakt worden voor personen die voornemens zijn naar de
                    gemeente Apeldoorn te verhuizen zoals omschreven in artikel 1 lid m. bij de
                    definitie van het begrip hoofdverblijf.</al><al>b.Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    belanghebbende vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Hiervan is sprake als:</al><al>de voorziening niet specifiek op mensen met een beperking is gericht, èn </al><al>in de vrije handel verkrijgbaar is en</al><al>niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.</al><al>Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al
                    tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige
                    Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is
                    vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1
                    van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt
                    dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de
                    (financiële) situatie van de belanghebbende een rol, bezien in relatie tot de
                    maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële
                    situatie van de belanghebbende kan leiden tot een uitzondering op het beginsel
                    dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de
                    bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich
                    voordoet als het inkomen van de belanghebbende, mede ten gevolge van aantoonbare
                    kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende
                    bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge
                    van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet
                    zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>c.Van een voorliggende voorziening op grond van een andere wettelijke
                    bepaling kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een hulpmiddel die iemand op grond van
                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kan ontvangen, zoals een rollator of een
                    rolstoel voor iemand die in een instelling behandeld wordt.</al><al>Het gaat hier dus niet altijd om Wmo-voorzieningen. Dit kunnen ook andersoortige
                    voorzieningen betreffen vanuit een andere regeling die een adequate oplossing
                    kunnen zijn. Het komt wel eens voor dat burgers bij het verkeerde loket hun
                    aanvraag indienen. Daar dient deze regel onder meer voor. </al><al>Voorts zijn er voorzieningen die vergelijkbaar zijn aan Wmo-voorzieningen maar
                    waarvoor wettelijk een voorliggende regeling geldt. Veelal betreft dit
                    voorzieningen die vanuit de AWBZ verstrekt dienen te worden. Artikel 5.2, sub c
                    dient dan als afwijzingsgrond. Deze afwijzing heeft de belanghebbende nodig om
                    bij de juiste instantie aan te kloppen. Meestal gaat dit goed. In een enkel
                    geval is de andere partij weigerachtig. Afhankelijk van de ernst van het geval
                    volhardt de gemeente in haar standpunt of treft zij een (voorlopige) voorziening
                    om de belanghebbende niet de dupe te laten worden. Deze kosten kunnen echter
                    niet door de gemeente op de andere partij verhaald worden omdat de gemeente in
                    deze in feite geen partij is.</al><lijst><li nr="d."><al>Onder het anders organiseren van zijn dagelijkse leven of het huishouden
                            vallen bijvoorbeeld het anders verdelen van huishoudelijke taken tussen
                            twee partners, het anders inrichten van de woning of het uitoefenen van
                            een hobby op een andere locatie (dichter bij de woning of in een andere
                            ruimte). Ook komt hier de eigen verantwoordelijkheid van de
                            belanghebbende en de leefeenheid waartoe hij behoort nadrukkelijk aan de
                            orde.</al></li><li nr="e."><al>Onder een onveilige voorziening of een voorziening die
                            gezondheidsrisico’s met zich meebrengt valt bijvoorbeeld de situatie dat
                            het voor de belanghebbende met een visuele beperking of een slecht
                            reactievermogen niet verantwoord is gebruik te maken van een
                            scootmobiel.</al></li><li nr="f."><al>Dit speelt bijvoorbeeld bij een belanghebbende die, zich bewust van zijn
                            beperking, bij de laatste of een eerdere verhuizing een woonruimte
                            verliet waarin hij geen belemmeringen bij het normale gebruik van zijn
                            woning ondervond.</al></li><li nr="g."><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd
                            kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds
                            eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de belanghebbende verwijtbaar is
                            dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of
                            verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de belanghebbende geen
                            schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan,
                            wordt bekeken of het mogelijk is deze derde door de belanghebbende
                            hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                            verhalen. Indien in een woning een in hoogte verstelbare keuken of een
                            andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te
                            verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                            opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt
                            dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen
                            beroep op deze verordening worden gedaan.</al></li><li nr="h."><al>Gedacht moet worden aan een belanghebbende die op hoge leeftijd in een
                            woning gaat wonen die voorzienbaar binnen afzienbare termijn problemen
                            voor de belanghebbende zal opleveren omdat de woning bijvoorbeeld geen
                            douche maar alleen een bad heeft of niet gelijkvloers is en de
                            bovenverdieping middels een trap bereikbaar is.</al></li></lijst><al>Dit artikel is onder meer bedoeld om mensen die al jaren bekend zijn met hun
                    beperkingen, hier steeds meer moeite mee hebben gekregen en die geen maatregelen
                    hebben getroffen om een andere woning te zoeken op het moment dat dit nog niet
                    urgent was, te kunnen afwijzen voor een woonvoorziening. De achterliggende
                    gedachte is dat het niet redelijk is mensen die het er op aan hebben laten komen
                    te bevoordelen tegenover de mensen die wèl tijdig hun maatregelen hebben
                    getroffen en bijvoorbeeld wel verhuisd zijn zonder enige vorm van financiële
                    compensatie. Het gaat hier dus niet om onvoorzienbare handicaps.</al><lijst><li nr="i."><al>Hierbij wordt uitgegaan van het uitrustingsniveau voor sociale
                            woningbouw zoals in Bouwbesluit 2003 is vastgesteld. Woonvoorzieningen
                            die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van
                            voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te
                            worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages
                            bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen
                            dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld,
                            kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard
                            gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden.
                            Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien
                            bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat
                            men in een veel grotere of veel luxueuzere woning woont, geeft deze
                            bepaling een duidelijke grens aan.</al></li><li nr="j."><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en
                            vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in
                            hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van
                            belemmeringen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze
                            bepaling bedoeld. Te denken valt aan de situatie dat een belanghebbende
                            zonder beperkingen al jarenlang een particuliere hulp heeft voor de
                            overname van alle huishoudelijke taken. De belanghebbende wordt ziek als
                            gevolg waarvan er belemmeringen optreden bij het uitvoeren van
                            huishoudelijke taken. De belanghebbende vraagt vervolgens hulp bij het
                            huishouden aan voor dezelfde taken die de particuliere hulp al doet. Het
                            feit dat de belanghebbende ziek is geworden en belemmeringen ondervindt
                            bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, betekent niet zondermeer dat
                            er compensatie moet plaatsvinden. De belanghebbende verrichtte voordat
                            zij ziek werd ook geen huishoudelijke taken en liet en laat deze nog
                            steeds overnemen door de hulp. Er is dus geen probleem dat opgelost moet
                            worden en er zijn geen meerkosten doordat er meer taken overgenomen
                            moeten worden.</al></li><li nr="k."><al>Onder k. wordt gedoeld op de situatie dat de belanghebbende een
                            voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de belanghebbende
                            gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden
                            meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                            verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken
                            voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.</al></li></lijst><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening wordt aangeschaft of
                    aangebracht die uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als
                    goedkoopst compenserende voorziening beschouwt en wordt voorkomen dat de
                    gemeente voor een voldongen keuze wordt gezet. Dit geldt zowel voor rolstoelen
                    als voor vervoersvoorzieningen, woonvoorzieningen en voorzieningen voor het
                    voeren van een huishouding.</al><al>Bijvoorbeeld pas nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een
                    woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden. Op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking
                    hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te
                    treffen voorziening. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen
                    die buiten de woonruimte van de belanghebbende gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positief besluit heeft genomen, komt een
                    belanghebbende hiervoor in aanmerking. Met deze voorwaarde wordt tevens
                    voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de belanghebbende reeds is verhuisd,
                    met een claim voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
                    geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de
                    belanghebbende snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere
                    woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het
                    verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Het hoeft hier
                    uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin
                    men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een
                    verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake
                    de te betrekken woning.</al><lijst><li nr="l."><al>Onder l wordt aangeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als
                            het gaat om een voorziening op therapeutische basis. Voorzieningen op
                            therapeutische basis zijn voorzieningen die nodig zijn vanwege een
                            behandelplan gericht op genezing of instandhouding van de gezondheid op
                            een bepaald niveau. Deze worden vanuit de AWBZ vergoed. Soms ontstaat er
                            verwarring omdat vanuit 2 verschillende regelingen aanspraak mogelijk is
                            op eenzelfde soort voorziening. Het verschil zit hem dan in het doel
                            waarvoor de voorziening nodig is. Te denken valt aan een ligbad. Een
                            Wmo-woonvoorziening zal altijd gericht zijn op het normale gebruik van
                            de woning. Indien een ligbad primair nodig is bijvoorbeeld voor het
                            langdurig inweken vanwege psoriasis, wordt een dergelijke voorziening
                            als therapeutisch beschouwd en vanuit de Wmo afgewezen. De AWBZ is dan
                            de voorliggende regeling.</al></li><li nr="m."><al>In het geval de belanghebbende niet wil meewerken aan medisch onderzoek
                            is het niet mogelijk om vast te stellen of er belemmeringen zijn die
                            mogelijk middels een individuele voorziening of anderszins kunnen worden
                            gecompenseerd. Bij een aanvraag voor huishoudelijke verzorging wordt ook
                            van een huisgenoot verwacht dat hij meewerkt aan onderzoek om te kunnen
                            vastgestellen of verwacht mag worden dat deze taken overneemt die de
                            belanghebbende niet kan uitvoeren. Werkt de huisgenoot niet mee door
                            bijvoorbeeld onderzoek te weigeren of benodigde gegevens niet te
                            verstrekken, dan kan dit leiden tot het niet toekennen van een
                            voorziening.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 6 De acht resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Een schone en leefbare woning</tussenkop><al>Lid 1</al><al>In lid 1 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten aanzien van een
                    schone en leefbare woning. </al><al>Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen in een woning die schoon
                    is volgens de normen zoals die tot nu toe zijn gehanteerd. Wat betreft de vraag
                    wat onder schoon verstaan moet worden zijn normen geformuleerd in de
                    beleidsregels. Die normen zijn ontleend aan gangbare ideeën die bestaan in de
                    maatschappij. Er zijn ook beperkingen ten aanzien de omvang van de woning, zoals
                    het aantal kamers, de oppervlakte van de kamers, waarbij uitgangspunt is de
                    omvang van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is
                    niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of naar
                    beneden (maatwerk). Maar een belanghebbende kan met een (sterk) afwijkende vraag
                    ten aanzien van het onderdeel omvang sociale woningbouw geen compensatie
                    afdwingen voor het meerdere boven het niveau sociale woningbouw. Dit is in de
                    beleidsregels nader uitgewerkt.</al><al>Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen de ruimten die
                    dagelijks worden gebruikt: een woonkamer, de aanwezige slaapkamers, de keuken en
                    de sanitaire ruimten en de toegang naar deze ruimten. Denk hierbij aan een hal
                    of een overloop. </al><al>Lid 2</al><al>In lid 2 wordt geschetst welke individuele voorzieningen beschikbaar gesteld
                    kunnen worden om de schone en leefbare woning te bereiken. Dat gaat allereerst
                    via licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z. om het droog en nat schoon en
                    stofvrij maken en houden van de woning. Daarbij valt bijvoorbeeld het reinigen
                    van de ramen aan de buitenkant niet onder de compensatieplicht, omdat daarvoor
                    een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat: de glazenwasser. Het aantal
                    benodigde uren voor deze activiteit is bepaald via een normenschema. Hierbij
                    staat het te bereiken resultaat centraal.</al><al>Lid 3</al><al>Lid 3 van artikel 9 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. </al><al>Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar.
                    Wanneer die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de
                    compensatieplicht vallen over te nemen zal allereerst gekeken moeten worden of
                    dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar zijn
                    met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dat
                    wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk doet, uitvalt, via een
                    herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen
                    als er geen huisgenoten zijn of als de huisgenoten met enige regelmaat langdurig
                    afwezig zijn zal er plicht tot compensatie bestaan. Ook aanwezige personen
                    jonger dan 18 jaar, zoals thuiswonende kinderen, worden geacht hun bijdrage aan
                    het huishouden te leveren door hun kamer bij te houden en hand- en spandiensten
                    te verrichten.</al><al>Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet in
                    staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat onderzoek
                    gedaan moeten worden om dit vast te stellen.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten of de leeftijd van de
                    huisgenoot is geen reden tot compensatie. Alleen dreigende overbelasting of
                    bestaande overbelasting van huisgenoten, waaronder begrepen de kinderen, kan
                    compensatieplicht betekenen. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld
                    moeten worden.</al><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van algemene, algemeen gebruikelijke,
                    andere voorliggende voorzieningen of gebruikelijke zorg en er geen reden is om
                    aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in
                    principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om
                    maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden.
                    Hetzelfde geldt de in artikel 7 lid 2 gestelde uitzondering voor voorliggende en
                    andere voorzieningen die gewoon in de maatschappij beschikbaar zijn.</al><tussenkop>Artikel 6.2. Wonen in een geschikte woning</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                    woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij
                    dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat
                    een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid
                    van de belanghebbende. De gemeente kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het
                    zoeken naar een (geschikte) woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd
                    zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning,
                    uiteraard passend bij het bestedingspatroon.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele
                    problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan
                    veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten
                    zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. Er
                    kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en
                    zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.</al><al>Lid 2</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van
                    compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het
                    mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een
                    woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging
                    moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij zijn de
                    behoeften van de belanghebbende. Maar aan de andere kant is er ook de noodzaak
                    tot een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk
                    belanghebbenden gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Door
                    hier gericht beleid op te maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De
                    verschillende regels die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de
                    beleidsregels opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van
                    een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over
                    afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later
                    hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt aanpassingen die
                    bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als vastgelegd kan worden dat
                    deze aanpassing tijdens de gehele looptijd beschikbaar kan blijven voor een
                    gehandicapte. Dit zal over het algemeen uitsluitend te realiseren zijn bij
                    huurwoningen van sociaal verhuurders. In andere situaties zal indien mogelijk
                    gekozen worden voor het plaatsen van een losse woonunit.</al><al>Lid 3</al><al>Betreft een verwijzing naar de algemene regels van hoofdstuk 5.</al><al>Lid 4</al><al>Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                    woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning.
                    Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat
                    er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk
                    rekening gehouden worden met de behoeften van de belanghebbende. Dat wil zeggen
                    dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de
                    belangen (met name financiële) van de gemeente.</al><al>Lid 5</al><al>Aanvullende beperkingen specifiek voor de verhuis- en inrichtingskosten zijn
                    opgenomen onder dit lid. </al><al>De belanghebbende dient zich 2 weken voordat hij gaat verhuizen te melden bij
                    het Wmo-loket, zodat de mogelijkheid bestaat vast te stellen of de te verlaten
                    woning al dan niet geschikt is voor de belanghebbende om in te wonen. </al><al>Sub b is opgenomen met als reden dat indien de aanvrager niet binnen een jaar na
                    datum van het besluit van het college verhuist, er niet gesteld kan worden dat
                    er sprake is van onvoorziene kosten welke door het college gecompenseerd dienen
                    te worden. De verhuizing is dan wel voorzienbaar en belanghebbende wordt dan
                    geacht hiervoor te reserveren.</al><al>Lid 6</al><al>Er vindt geen compensatie plaats indien</al><lijst><li nr="a."><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd
                            als weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden
                            beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de
                            voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft
                            voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder
                            specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering
                            in deze bepaling is de zogeheten overmachtsituatie. Hiervan kan sprake
                            zijn als de verhuizing noodzakelijk is geworden in verband met
                            werkaanvaarding van de belanghebbende of diens partner of bij een
                            echtscheiding of overlijden van een partner waardoor de belanghebbende
                            niet meer in staat is de woning te betalen of te onderhouden.</al></li><li nr="b."><al>Als een belanghebbende met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie
                            tot die beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke
                            woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning
                            kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente
                            indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de
                            feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die
                            normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van
                            een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1, waarin
                            wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                            woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al></li><li nr="c."><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de Wet in hoofdzaak
                            zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                            gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de
                            Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt
                            voor de in de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk
                            ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer
                            hoeft te worden verstrekt dan er in de verordening is genoemd.</al></li><li nr="d."><al>Onder d. wordt met name gedoeld op de tegemoetkoming in de verhuis- en
                            inrichtingskosten; veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te
                            beschouwen, ook los van de beperking die men heeft. Te denken valt aan
                            verhuizingen van de ouderlijke woning naar een zelfstandige woonruimte,
                            verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de
                            eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                            wonen.</al></li><li nr="e."><al>Verhuizingen naar AWBZ- erkende en andere zorginstellingen leiden ertoe
                            dat de belanghebbende buiten de doelgroep van de Wet valt; deze mensen
                            kunnen immers niet meer zelfstandig participeren en hebben dus geen
                            aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de Wvg ook al
                            niet hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het
                            normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de
                            nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd
                            naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder
                            de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                            hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al></li><li nr="g."><al>Geen woonvoorziening wordt verleend indien de in of aan de woning
                            gebruikte materialen (mede) oorzaak zijn van de ondervonden beperking,
                            zoals bijvoorbeeld een allergie. Een uitzondering geldt indien er sprake
                            is van niet voorziene, onverwacht optredende meerkosten waarvoor de
                            belanghebbende niet heeft kunnen reserveren, bijvoorbeeld in het geval
                            dat uit een medisch onderzoek plotseling blijkt dat de belanghebbende
                            aan een ziekte of gebrek lijdt waardoor hij zijn woning dient te
                            saneren. Ook wordt geen woonvoorziening verstrekt indien de ondervonden
                            beperking het gevolg is van achterstallig onderhoud of vocht en tocht,
                            veroorzaakt door in de woning gelegen factoren. De eigenaar van een
                            woning dient zijn woning deugdelijk te onderhouden.</al></li><li nr="h."><al>Het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw is vastgesteld in het
                            Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                            verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere
                            voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing
                            dus.</al></li><li nr="h."><al>niveau sociale woningbouw geldt voor zowel het niveau van afwerking als
                            de oppervlaktes van ruimten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6.3 Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Lid 1 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor
                    maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt beschikbaar moet zijn.
                    Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze dagelijkse
                    benodigdheden kunnen op vele manieren in de woning komen. Compensatie houdt niet
                    per definitie in dat de belanghebbende zelf de boodschappen moet kunnen doen. Er
                    zal in redelijkheid gezocht worden naar een oplossing waarmee het resultaat
                    bereikt wordt. Te denken valt aan de inzet van vrijwilligersorganisaties of een
                    boodschappenservice, waarbij wel opgelet wordt dat de supermarkt qua prijsniveau
                    past bij het bestedingspatroon van de belanghebbende.</al><al>Het gaat niet alleen om het doen van de wekelijkse boodschappen maar ook om de
                    maaltijden. Compensatie betekent dat de belanghebbende beschikt over de
                    verschillende maaltijden door de dag heen (brood- en/of warme maaltijden).
                    Daarbij dient rekening te worden met medische geïndiceerde diëten en kan
                    rekening worden gehouden met de wensen van de belanghebbende. Het te bereiken
                    doel kan behaald worden via kant-en-klaar maaltijden die via de supermarkt
                    verkrijgbaar zijn, via een maaltijdservice die warm of koel-vries maaltijden
                    bezorgd, via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of </al><al>via het – met behulp van een vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van
                    maaltijden etc. Is de belanghebbende niet in staat maaltijden op te warmen, dan
                    kan dit worden overgenomen. Ook kan in uitzonderlijke situaties het bereiden van
                    maaltijden worden overgenomen. Dit is slechts het geval als er sprake is van
                    medische geïndiceerde diëten die niet door een maaltijdservice bereid kunnen
                    worden.</al><al>Lid 4</al><al>Lid 4 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                    maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is op
                    eventueel individuele voorzieningen. Om te bepalen of een boodschappenservice of
                    maaltijdvoorziening bruikbaar is, zal gekeken moeten worden naar
                    gezinssamenstelling, kosten en concrete beschikbaarheid. Als een voorliggende
                    voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen gebruik van worden
                    gemaakt.</al><al>Indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het resultaat bereikt
                    kan worden, bestaat er geen ruimte voor het verstrekken van een individuele
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 6.4 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                    kleding</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken,
                    opgevouwen, opgeborgen en eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor
                    zover de belanghebbende daartoe niet in staat is. Het wassen en drogen gebeurt
                    met de algemeen gebruikelijke wasmachine en droger. Het ophangen van de was op
                    een wasrekje wordt niet overgenomen. Voor zover het medische noodzakelijk is
                    kleding te strijken kan dit ook onder te compenseren problemen vallen. Daarbij
                    wordt allereerst gekeken of van de belanghebbende verwacht mag worden dat hij
                    strijkvrije kleding aanschaft en draagt en of hij, uit financieel oogpunt,
                    gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, te weten de strijkservice. </al><al>Voor het repareren van kleding zijn er in de maatschappij voldoende betaalbare
                    alternatieven zodat deze taak niet vanuit de Wmo wordt gecompenseerd.</al><al>Lid 2</al><al>Het college dient de belanghebbenden in staat te stellen dat de aanwezige
                    kleding schoon, draagbaar en doelmatig is. Dit onderdeel is beperkt tot het
                    verzorgen van kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen
                    van kleding valt niet onder afdwingbare compensatie, maar als daar behoefte aan
                    bestaat, kan de gemeente wel bemiddelen bij het regelen dat er geschikte en
                    passende kleding wordt gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van vrijwilligers. </al><al>Als mobiliteit het probleem is, kan gedacht worden aan een vervoersvoorziening
                    om dat probleem op te lossen. Wat doelmatige kleding precies is zal per situatie
                    verschillen. Het moge duidelijk zijn dat het gaat om dagelijkse kleding en niet
                    om uitzonderlijke kleding zoals bijvoorbeeld speciale gelegenheidskleding of
                    werkkleding.</al><al>Lid 4</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal geen
                    ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard gekeken
                    of er wel sprake is van maatwerk.</al><tussenkop>Artikel 6.5 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                    behoren</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorgmomenten voor kinderen die tot het gezin
                    behoren. Dit kan onder de compensatieplicht behoren als een ouder met
                    beperkingen dat zelf niet kan. Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning. Het
                    zal nooit gaan om volledige overname van de zorg. Hiervoor zullen andere
                    oplossingen gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke en
                    voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet op de
                    jeugdzorg en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke
                    zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al>2.Lid 2 biedt de mogelijke oplossingen. Het thuis verzorgen van kinderen die tot
                    het gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. Dit doet zich voor in
                    crisissituaties. In die situaties is de ouder onvoorzien niet beschikbaar voor
                    het leveren van de zorg en dient deze zorg per direct maar wel tijdelijk te
                    worden overgenomen. De compensatie van het niet zelf verzorgen (en opvoeden) van
                    tot het gezin behorende kinderen zal bij een langere duur opgelost kunnen worden
                    via algemeen gebruikelijke, voorliggende en algemene voorzieningen. Tijdelijke
                    compensatie zal van belang zijn om de ouder(s) de gelegenheid te geven een
                    definitieve oplossing te zoeken. Voorliggende voorzieningen spelen dan een grote
                    rol. Te denken valt aan kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz.</al><tussenkop>Artikel 6.6. Zich verplaatsen in en om de woning</tussenkop><al>1.Lid 1. Het te bereiken resultaat betekent dat de belanghebbende zich in om en
                    nabij zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan
                    het verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van het terras.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt
                    daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het
                    toilet en de badkamer. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen
                    worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt.</al><al>In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste
                    trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht
                    vallen.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich
                    daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit
                    resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van hulpmiddelen. Een
                    voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de ruimte. Ook een tillift
                    zou gezien kunnen worden als een dergelijk middel. Doordat een belangrijk deel
                    van de tilliften vanwege aard- en nagelvaste verbinding met het plafond gerekend
                    worden tot de voorzieningen waardoor in een geschikte woning gewoond kan worden,
                    wordt de tillift verder beschouwd als een voorziening die daar onder valt.</al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al>Het kunnen verplaatsen in de woning zou kunnen betekenen dat er twee
                    voorzieningen verstrekt worden. Wanneer iemand een transfer kan maken, maar
                    overigens aangewezen is op een rolstoel, zou gekozen kunnen worden voor een
                    traplift in combinatie met een rolstoel beneden en een rolstoel boven, waardoor
                    iemand in staat zal zijn om zich in de gehele woning te verplaatsen. In deze
                    situatie kunnen naast een traplift ook andere voorzieningen nodig zijn om de
                    woning rolstoeldoorgankelijk te maken.</al><lijst><li nr="2."><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij de
                            woning (onder de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden
                            als men een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig
                            heeft. Aan een dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin
                            gebruik wordt gemaakt van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis
                            van de Zorgverzekeringswet of AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde
                            rolstoel voor incidenteel gebruik valt hier niet onder: deze rolstoel
                            wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in, om en nabij de woning,
                            maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat
                            zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit
                            soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor
                            beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van
                            bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en
                            dergelijke. Daarnaast zijn onder resultaatgebied 8 nadere regels
                            uitgewerkt over de rolstoel voor incidenteel gebruik.</al></li><li nr="3."><al>Aan de hand van algemene regels wordt bepaald of belanghebbende
                            daadwerkelijk in aanmerking komt voor compensatie. Een van de regels is
                            dat indien er een andere wettelijk voorliggende regeling is, geen
                            compensatie op grond van de Wmo plaatsvindt. Een wettelijk voorliggende
                            regeling kan de AWBZ zijn. Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte
                            rolstoel aan bewoners van AWBZ-gefinancierde woonvormen bestaat alleen
                            indien de bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                            “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                            bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                            AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden
                            verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling. </al><tussenkop>Artikel 6.7 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><al>1.Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te
                    bereiken resultaat dat de belanghebbende zich met een of ander vervoermiddel
                    binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan
                    verplaatsen.</al><al>Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat
                    zijn alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met verplaatsingen
                    in het kader van een betaalde baan. Heeft men voor dat soort verplaatsingen een
                    aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het
                    verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan zal deze voorziening
                    niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed dienen te worden vanuit de
                    voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia.</al><al>Maar het enkele feit dat je met de voorziening die je nodig hebt in het kader
                    van het leven van alledag, ook naar je werk kunt, ontslaat de gemeente niet van
                    de compensatieplicht. Ook niet- gehandicapten gebruiken hun auto vaak voor het
                    reguliere woon-werkverkeer of voor het vervoer in het kader van werk (waarvoor
                    zij dan een vergoeding ontvangen van de werkgever). </al><al>2.De individuele voorzieningen die verstrekt gaan worden om als resultaat te
                    bereiken dat belanghebbende zich met een of ander vervoermiddel in de woonplaats
                    en directe omgeving kan verplaatsen betreffen een breed scala van
                    verplaatsingen. Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een speciaal middel
                    gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid. Verder zijn ook vakanties
                    en ander verblijf buiten het gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving
                    uitgesloten.</al><al>Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is
                    aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Valys
                    regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder
                    reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het
                    vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het
                    woonadres van de pashouder. De gemeente is verantwoordelijk voor de
                    vervoersbehoefte van de pashouder tot en met 5 OV-zones vanaf diens woonadres of
                    wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf
                    het woonadres van de pashouder. </al><al>Wel gaat het om verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen ( zodat ook
                    op deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste
                    levensbehoeften wordt bereikt), nodig om op bezoek te gaan, nodig om naar
                    artsen, paramedici, specialisten en voor ziekenhuisonderzoek, voor zover het
                    zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. Dit medisch
                    vervoer betreft vooral situaties waarbij dat vervoer zo frequent is dat het
                    beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit medisch vervoer gebruikt zou
                    worden. In deze situatie kan extra vervoer ter compensatie geboden worden. Van
                    belang is allereerst vast te stellen of dat een realistische vervoersbehoefte
                    is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de
                    belanghebbende. Immers, met een laag inkomen kan men wel de wens hebben veel
                    verplaatsingen te maken, maar omdat voor iedere Nederlander verplaatsen een
                    prijskaartje heeft zal dat ook voor mensen met een handicap gelden. Daarbij is
                    het van belang vast te stellen of de vervoersbehoefte hiermee spoort.</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een voorzieningen pool als een
                    scootermobielpool een oplossing bieden voor personen met een beperkte
                    vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde
                    vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om hierbij te komen tot maatwerk
                    zal de vervoersbehoefte van de belanghebbende uitgangspunt zijn van de
                    beoordeling welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken.
                    Voorliggende voorzieningen kunnen individuele voorzieningen voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 6.8 Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                    aan te gaan.</tussenkop><al>1.Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om medemensen te
                    ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan bestaat uit het
                    kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan gewenste
                    activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van
                    bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het
                    verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een
                    aangename wijze te kunnen invullen. Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het
                    zich kunnen verplaatsen naar deze bestemmingen. Daarvoor zal resultaatgebied 7
                    over het algemeen een voldoende oplossing kunnen bieden.</al><al>Het college heeft onder dit resultaatgebied een aantal compenserende maatregelen
                    uitgewerkt.</al><al>2.Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het
                    probleem van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom zal
                    een rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben
                    aan een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de
                    woning plaatsvindt.</al><al>Als daar sprake van kan zijn zal geen individuele voorziening worden
                    verstrekt.</al><al>4.Om belanghebbenden met een beperking in staat te stellen lokaal in
                    sportverenigingsverband medemensen te ontmoeten kan een financiële
                    tegemoetkoming voor de aanschaf en instandhouding van een sportrolstoel
                    verstrekt worden.</al><al>De sport dient wel recreatief van aard te zijn. Wanneer het sporten het
                    recreatieve sporten ontstijgt en er sprake is van topsport of zelfs
                    professionele sportbeoefening, dan wordt belanghebbende gewezen op andere meer
                    voor de hand liggende financiers als sponsoren.</al><al>5.Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren bewoners van AWBZ-erkende
                    instellingen uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke
                    uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar
                    maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze
                    uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat met de Wet niet wordt beoogd
                    om de omvang van de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde
                    zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is het bezoekbaar maken ook weer in
                    deze verordening opgenomen. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                    verordening heeft de gemeente derhalve niet. Indien een belanghebbende zijn
                    hoofdverblijf heeft in een AWBZ-erkende instelling en regelmatig een bepaalde
                    woning bezoekt is het mogelijk eenmalig een financiële tegemoetkoming te
                    verstrekken om één woonruimte waar de belanghebbende vaak verblijft bezoekbaar
                    te maken. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts tot het bezoekbaar
                    maken van die woning omdat de belanghebbende daar slechts geringe tijd
                    verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen
                    volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. Voorts is
                    van belang dat de te bezoeken woning in de gemeente Apeldoorn staat. Niet van
                    belang is waar de instelling staat en waar de belanghebbende woonachtig is. In
                    principe wordt slechts eenmalig een voorziening voor het bezoekbaar maken
                    verstrekt. In die zin moet de belanghebbende een keuze maken welke woning hij
                    buiten de instelling wil bezoeken. In individuele gevallen kan daarop een
                    uitzondering worden gemaakt bijvoorbeeld als de ouders van een in een instelling
                    verblijvend kind gescheiden zijn.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Verstrekkingen in natura, als persoonsgebonden budget en als
                    financiële tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1 Mogelijke verstrekkingwijzen van voorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. </al><tussenkop>Artikel 7.2 Verstrekking in natura</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In een bruikleenovereenkomst tussen het college en de belanghebbende
                            staan regels en wederzijdse verplichtingen omtrent o.a. het gebruik,
                            onderhoud en reparatie van een voorziening. In de
                            dienstverleningsopdracht geeft het college opdracht aan een
                            gecontracteerde zorgaanbieder tot het leveren van hulp bij het
                            huishouden waaronder het aantal uren en de uit te voeren taken.</al></li><li nr="2."><al>een belanghebbende die zijn voorziening niet meer gebruikt, dient zijn
                            voorziening voor herverstrekking beschikbaar te stellen. De
                            bruikleenovereenkomst vervalt dan. De leverancier zal de voorziening bij
                            de belanghebbende komen ophalen. De voorziening wordt in depot geplaatst
                            en wanneer zich een andere belanghebbende aandient wordt de voorziening
                            voor herverstrekking gereed gemaakt.</al></li></lijst><al>Door voorzieningen welke niet meer gebruikt worden opnieuw te verstrekken wordt
                    optimaal gebruik gemaakt van de middelen.</al><tussenkop>Artikel 7.3 Verstrekking als persoonsgebonden budget</tussenkop><al>2.Overwegende bezwaren</al><al>Lid 2 bepaalt dat die situaties waarin geen door de belanghebbende gevraagd
                    persoonsgebonden budget verstrekt wordt omdat zij vallen onder de formulering
                    van artikel 6 Wmo “overwegende bezwaren” door het college opgenomen moeten
                    worden in het besluit. </al><lijst><li nr="a."><al>er kan sprake zijn van overwegende bezwaren bij het vragen van een
                            budget voor collectief vraagafhankelijk vervoer. Dit kan als het systeem
                            in gevaar komt als vrijheid tot keuze van een persoonsgebonden budget
                            zou leiden tot leegloop een argument zijn geen keuzevrijheid te bieden.
                            Dit moet onderbouwd kunnen worden en uitzonderingen moeten mogelijk
                            zijn. Zie ook CR 12012010 BL4037.</al></li><li nr="b."><al>een kilometerbudget voor een (rolstoel)taxi kan besteed worden bij ieder
                            aangesloten taxibedrijf. Indien de belanghebbende gebruik wenst te maken
                            van een taxibedrijf dat nog niet is aangesloten bij het systeem dat
                            gebruikt wordt door het college, kan dit bedrijf alsnog aansluiten.</al></li></lijst><al>Het taxikilometerbudget vertegenwoordigt een hogere financiële waarde.
                    Taxivervoer is immers kostbaar. Indien de belanghebbende een vergoeding wenst
                    voor het gebruik van een vervoermiddel anders dan een (rolstoel)taxi, dan is de
                    tegemoetkoming voor gebruik van een eigen auto of vervoer door derden
                    mogelijk.</al><lijst><li nr="e."><al>is er al huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden
                            budget toegekend en heeft de belanghebbende voor een periode van korter
                            dan 3 maanden uitbreiding van hulp nodig, bijvoorbeeld na een fractuur
                            die naar verwachting weer volledig herstelt, dan kan het
                            persoonsgebonden budget voor deze tijdelijke periode worden opgehoogd.
                            Is er nog geen hulp bij het huishouden en is er voor een periode van
                            korter dan 3 maanden hulp nodig, dan kan dit alleen in natura worden
                            geleverd.</al></li><li nr="g."><al>het college streeft ernaar efficiënt met haar middelen om te gaan. Om
                            die reden is er voor gekozen geen budget te verstrekken voor
                            voorzieningen die naar verwachting kortdurend gebruikt zullen worden
                            omdat deze niet langdurig adequaat zullen zijn. Met een budget kunnen
                            voorzieningen aangeschaft worden die door het college niet zonder meer
                            voor herverstrekking ingezet kunnen worden. Wanneer een voorziening niet
                            opnieuw gebruikt kan worden is er sprake van kapitaalvernietiging.</al></li></lijst><al>Om deze reden wordt voor voorzieningen voor kinderen in de groei geen
                    persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld. Kinderen maken niet de gestelde
                    gebruiksduur gebruik van een voorziening, zij zijn hier reeds eerder uitgegroeid
                    en een voorziening dient dan vervangen te worden door een ander, groter
                    exemplaar.</al><al>Ook aan een belanghebbende met een progressief ziektebeeld wordt geen
                    persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld indien de verwachting is dat hij
                    hier slechts kortdurend gebruik van zal maken.</al><lijst><li nr="3."><al>Voorzieningen die met een persoonsgebonden budget zijn aangeschaft zijn
                            eigendom van de koper, veelal de belanghebbende. Dit lid is opgenomen om
                            het mogelijk te maken een voorziening die met gemeenschapsgeld is
                            aangekocht herverstrekbaar te kunnen stellen aan een andere
                            belanghebbende. Indien de belanghebbende het eigendomsrecht van de
                            voorziening niet wenst over te dragen aan de gemeente, dan wordt
                            gevraagd het persoonsgebonden budget naar rato terug te betalen. Is de
                            belanghebbende wel bereid de voorziening over te dragen aan het college,
                            dan kan beoordeeld worden of de belanghebbende een tegemoetkoming moet
                            ontvangen. Dit zou dan verstrekt kunnen worden over een gedeelte van de
                            meerkosten die belanghebbende heeft gemaakt, wanneer het budget niet
                            toereikend is geweest om de aanschaf te bekostigen.</al></li><li nr="4."><al>De belanghebbende wordt zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd in
                            geval hij een eigen bijdrage voor een voorziening moet betalen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7.4 Verstrekking als financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>1.Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele
                    voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de
                    Wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële
                    tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een
                    woonruimte. Ook bij toekenning van andere voorzieningen is het mogelijk een
                    financiële tegemoetkoming te verstrekken.</al><al>De volgende voorzieningen kunnen bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de
                    kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en inrichting</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting</al></li><li nr="g."><al>huurderving</al></li><li nr="h."><al>verwijderen van voorzieningen</al></li><li nr="i."><al>sportrolstoel</al></li><li nr="j."><al>gebruik eigen auto of vervoer door derden</al></li><li nr="k."><al>autoaanpassing</al></li><li nr="l."><al>bezoekbaar maken woning</al></li></lijst><al>Deze opsomming wordt niet geacht volledig te zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Een vergoeding van de meerkosten van een voorziening wordt in de vorm
                            van een financiële tegemoetkoming verstrekt. Bij meerkosten moet gedacht
                            worden aan kosten voor een voorziening die belanghebbende moet maken
                            omdat deze een voorziening nodig heeft in bijzondere uitvoering en dit
                            extra meerkosten met zich mee brengt.</al></li><li nr="3."><al>Bij een financiële tegemoetkoming kunnen voorwaarden worden opgesteld
                            omtrent de besteding van de tegemoetkoming. Voorwaarden kunnen onder
                            andere gaan over waaraan de tegemoetkoming besteed moet worden en binnen
                            welke termijn.</al></li><li nr="4."><al>De belanghebbende wordt zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd in
                            geval hij een eigen aandeel voor een financiële tegemoetkoming moet
                            betalen.</al></li><li nr="5."><al>Een sportrolstoel die met een financiële tegemoetkoming is aangeschaft
                            is eigendom van de koper, veelal de belanghebbende. Dit lid is opgenomen
                            om het mogelijk te maken een voorziening die met gemeenschapsgeld is
                            aangekocht herverstrekbaar te kunnen stellen aan een andere
                            belanghebbende. Indien de belanghebbende het eigendomsrecht van de
                            voorziening niet wenst over te dragen aan de gemeente, dan wordt
                            gevraagd de financiële tegemoetkoming naar rato terug te betalen. Is de
                            belanghebbende wel bereid de voorziening over te dragen aan het college,
                            dan kan beoordeeld worden of de belanghebbende een tegemoetkoming moet
                            ontvangen. Dit zou dan verstrekt kunnen worden over een gedeelte van de
                            meerkosten die belanghebbende heeft gemaakt, wanneer de tegemoetkoming
                            niet toereikend is geweest om de aanschaf te bekostigen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 8 Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><al>Het college heeft bepaald dat voor alle resultaatgebieden een eigen bijdrage of
                    eigen aandeel gevraagd kan worden. Een aantal voorzieningen is uitgesloten van
                    het opleggen van een eigen bijdrage. Dit is uitgewerkt in het Besluit.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Ritbijdrage collectieve voorzieningen/
                    gebruikersbijdrage</tussenkop><al>Voor het gebruik van een Wmo-pas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer
                    wordt een ritbijdrage gevraagd. Deze bijdrage wordt niet opgelegd en geïnd via
                    het CAK, omdat het een bijdrage betreft voor algemeen gebruikelijke kosten.</al><al>Voor het gebruik van voorzieningen uit een pool kan een gebruikersbijdrage
                    worden gevraagd. Aan de voorwaarden voor een dergelijke gebruikersbijdrage moet
                    nog nader invulling worden gegeven. Reden is dat de poolvoorzieningen in
                    ontwikkeling zijn.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                    besluitvorming, intrekking en terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.1 Medewerking aan (her)onderzoek</tussenkop><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt bepaald dat de belanghebbende medewerking moet verlenen die
                    redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet. Waar die
                    medewerking uit moet bestaan wordt nader toegelicht.</al><al>Behalve dat standaard gegevens noodzakelijk zijn, zoals adres of
                    gezinssamenstelling, is veelal ook medische of bouwtechnische informatie nodig,
                    of is een onderzoek nodig door een deskundige op het gebied van rolstoelen of
                    andersoortige voorzieningen.</al><al>Daarom is ook bepaald dat de belanghebbende niet alleen verplicht is om mee te
                    werken aan een door de medewerker van het Zorgloket ingesteld onderzoek maar ook
                    aan onderzoeken door deze organisatie ingeschakelde deskundigen. Dat kan onder
                    meer inhouden dat deze deskundige de aan te passen woning moet beoordelen.</al><al>De belanghebbende is alleen verplicht om mee te werken aan onderzoeken in het
                    kader van de uitvoering van de Wet.</al><al>Lid 2. </al><al>Zowel bij een periodieke als een eenmalige verstrekking is het college bevoegd
                    om te onderzoeken in hoeverre de verstrekte voorziening nog adequaat is. Op dit
                    heronderzoek zijn de bepalingen van artikel 9.3 en 9.4 van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al>Lid 3.</al><al>In principe zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op medische
                    gronden. En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins behoefte bestaat
                    aan een medisch advies. Dan biedt het laatste lid van dit artikel daartoe de
                    mogelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 9.2 Inlichtingenplicht</tussenkop><al>Ingevolge dit artikel is de belanghebbende die een voorziening heeft ontvangen
                    verplicht wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het
                    (voortduren van het) recht op of de hoogte van een voorziening, uit eigen
                    beweging aan het college door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en
                    feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van
                    belang zijn, zoals een verhuizing, verandering van de hoogte van het inkomen bij
                    periodiek uit te keren inkomensafhankelijke tegemoetkomingen, de staat van een
                    in bruikleen verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat.</al><tussenkop>Artikel 9.3 Intrekking en wijziging van een besluit tot verlening van een
                    individuele voorziening </tussenkop><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken of gewijzigd worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op enig
                    moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                    mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent. Dat
                    is in artikel 9.5 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                    mogelijkheid een genomen besluit geheel of ten dele in te trekken. Ook in deze
                    situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Indien uit onderzoek blijkt dat de belanghebbende niet of nauwelijks gebruik
                    maakt van een voorziening en dit naar alle waarschijnlijkheid het komende jaar
                    ook niet of nauwelijks zal doen, kan de voorziening eveneens teruggevorderd
                    worden.</al><al>Een besluit wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening mee
                    treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van het besluit de voorziening nog niet
                    is getroffen, is er ook de mogelijkheid het besluit geheel of ten dele in te
                    trekken.</al><al>De verlening van een periodieke tegemoetkoming of het in natura verstrekken van
                    een middel, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van toegang tot
                    dienstverlening als het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, worden ingetrokken
                    indien blijkt dat niet meer aan de voorwaarden voor verstrekking wordt voldaan. </al><al>Wanneer blijkt dat een voorziening die bestaat uit een volledige vergoeding, een
                    financiële tegemoetkoming, een gemaximeerde vergoeding of een persoonsgebonden
                    budget niet binnen 3 maanden na de uitbetaling is aangewend voor de
                    (gedeeltelijke) bekostiging van het middel waarvoor deze was verleend, kan deze
                    voorziening ook worden ingetrokken. Op grond van de Awb dient een besluit tot
                    intrekking van een voorziening betrokkene schriftelijk te worden medegedeeld.
                    Hierover hoeft in de verordening voorzieningen gehandicapten dus geen
                    afzonderlijke bepaling te worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 9.4 Terugvordering</tussenkop><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                    eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op
                    de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                    tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan dan worden teruggevorderd.
                    Hierbij geldt een privaatrechtelijke procedure.</al><tussenkop>Hoofdstuk 10 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de belanghebbende ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich
                    afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 10.2 Indexering</tussenkop><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. </al><al>Dit artikel maakt het mogelijk voor het college alle bedragen in het Besluit aan
                    te passen aan prijsontwikkelingen. Door dit artikel wordt de bevoegdheid hiertoe
                    aan het college overgedragen. </al><tussenkop>Artikel 10.3 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Artikel 10.3 geeft de citeertitel van de verordening en geeft aan wanneer de
                    verordening in werking treedt en welke verordening met deze inwerkingtreding is
                    komen te vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10.4 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel regelt hoe deze verordening geciteerd kan worden.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label><nr/><titel/></kop><al>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen </al><al>Hoofdstuk 2. Resultaatgerichte compensatie </al><al>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken resultaten </al><al>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een individuele voorziening </al><al>Hoofdstuk 5. Algemene regels ter beoordeling van de te bereiken resultaten </al><al>Hoofdstuk 6 De acht resultaten </al><al>Hoofdstuk 7. Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                    financiële tegemoetkoming</al><al>Hoofdstuk 8. Eigen bijdragen en eigen aandeel </al><al>Hoofdstuk 9. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming,
                    intrekking en terugvordering </al><al>Hoofdstuk 10. Slotbepalingen </al><al>Toelichting </al></bijlage></regeling></body></cvdr>