<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR169746_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Korendijk 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012, nummer 2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>bouwverordening gemeente Korendijk 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/3453</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Korendijk 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>KNDK/2011/3453</al><al>publicatieversie</al><al>baseerd op de VNG model bouwverordening 1992 bijgewerkt t/m de 14e serie
                        wijzigingen)</al><al/><al><vet>Uitgangspunt</vet>: de Bouwverordening zoals die op 28 juni 1994 door
                        de raad is vastgesteld.</al><al/><al><vet>Verwerkt is/zijn:</vet></al><al>De wijzigingsverordeningen van: </al><al>12 december 1995</al><al>14 oktober 1997</al><al>24 maart 1998</al><al> 8 september 1998</al><al>12 september 2000 (6<sup>e</sup> serie)</al><al>18 maart 2003 (7<sup>e</sup> serie)</al><al> 9 maart 2003 (8<sup>e</sup> serie)</al><al> 9 december 2003 (9<sup>e</sup> serie)</al><al> 1 maart 2005 (10<sup>e</sup> serie) </al><al> 1 januari 2007 (11<sup>e</sup> serie)</al><al> 8 oktober 2007 (12<sup>e</sup> serie)</al><al>29 juni 2010 (13<sup>e</sup> serie)</al><al><vet>13 maart 2012 (14</vet><vet><sup>e</sup></vet><vet> serie)</vet></al><al> Piershil, 13 maart 2012.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder: - <cursief>bevoegd
                            gezag:</cursief> bestuursorgaan als bedoeld in de Woningwet, artikel
                        1,</al><al>eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan </al><al>als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>besluit indieningsvereisten</cursief>: vervallen</al></li><li nr="-"><al><cursief>Besluit bouwwerken</cursief>: vervallen</al></li><li nr="-"><al><cursief>Bouwbesluit</cursief>: de algemene maatregel van bestuur
                                als bedoeld in artikel 2</al></li></lijst><al>van de Woningwet;</al><al>-<cursief>bouwtoezicht</cursief>: degene, die ingevolge artikel 92, tweede
                        lid van de</al><al>Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene </al><al>bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al>-<cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige omvang van hout,
                        steen, metaal of</al><al>ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij</al><al>indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in </al><al>of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al>-<cursief>gebruiksoppervlakte</cursief>: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                        in het</al><al>Bouwbesluit.</al><al>-<cursief>hoogte van de weg</cursief>: de hoogte van de weg zoals die door
                        of namens</al><al>burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al>-NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                        uitgegeven</al><al>norm;</al><al>-NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                        uitgegeven</al><al>voornorm;</al><al>-Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een</al><al>bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet </al><al>algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>-<cursief>straatpeil</cursief>:</al><al>-a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan
                        de weg </al><al>grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;</al><al>b.voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de</al><al>weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofd-toegang bij
                        voltooiing van de bouw;</al><al>-<cursief>weg</cursief>: alle voor het openbar rij- of ander verkeer
                        openstaande wegen of</al><al>paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot</al><al>de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de </al><al>wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebouw</cursief>: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen </vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al><cursief>Alternatief 1 </cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende bijlage als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst><al/><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 1 Gegevens en
                        bescheiden</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 t/m 2.1.4 </vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al>1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                        vierde</al><al>lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><al>a.de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht</al><al>volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het </al><al>onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al><lijst><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te</al></li></lijst><al>veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, </al><al>-deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede</al><al>plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al>2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                        artikel 2.4,</al><al>onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen
                        betrekking </al><al>heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als </al><al>genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze </al><al>verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                        omgevingsrecht,</al><al>artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al>3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht
                        tot het</al><al>indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de </al><al>Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij
                        het </al><al>bevoegd gezag reeds bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                        zijn.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                        indienen</al><al>van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de
                        Regeling </al><al>omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht , indien uit
                        het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch
                        gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan
                        wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                        uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al><al><vet>Artikel 2.1.6 t/m art. 2.1.8</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1 t/m 2.2.6</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet><onderstreept> Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een </al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen </vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en</al></li></lijst></li></lijst><al>rioolputten;</al><al>2.stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg</al><al>met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor.</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht , die</al></li></lijst></li></lijst><al>naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf
                        toelaatbaar zijn;</al><lijst><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in ;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet</al></li></lijst><al>1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening </al><al>-voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-</al><al>esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande </al><al>omgeving.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                        rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al><vet> Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn.</vet><vet>Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide</al></li></lijst><al>wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                        een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden
                        afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg
                                grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien
                                verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                                daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover</al></li></lijst><al>zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 6 Voorschriften inzake
                                brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.6.1 t/m 2.6.12 </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de
                                nutsvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 t/m 2.7.7 </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet> 3 De melding</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 – 3.2 </vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 t/m 4.14 </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</vet></al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 1 Staat van open erven en
                                terreinen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5.1.1 t/m 5.3.7 </vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte. Reinheid</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 1 Overbevolking</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 - 7.1.2 </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2 Staken van het
                        gebruik</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 t/m 7.2.3 </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</vet></al><al>Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte. Reinheid</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 5 Watergebruik</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet><onderstreept>Paragraaf 6 Installaties</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het
                                slopen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 t/m 8.1.7</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 - 8.2.2 </vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                                slopen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 t/m 8.3.6 </vet></al><al>Vervallen</al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4 Vrij slopen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>9 Welstand</vet></al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de Commissie Ruimtelijke
                        Kwaliteit</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 9</vet><vet> Welstand</vet></al><al><vet>Artikel 9.1</vet><vet> De advisering door de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit </vet></al><al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                        Stichting Dorp, Stad &amp; Land, Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit (hierna te
                        noemen Dorp, Stad &amp; Land), die uit haar midden personen voordraagt als
                        lid van de welstandscommissie, hierna te noemen: Commissie Ruimtelijke
                        Kwaliteit. </al><al>2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van
                        aanvragen voor een omgevingsvergunning.</al><al>3 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de
                        gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria, of op criteria in
                        andere – als aanvulling op de welstandsnota vastgestelde –
                        beleidsdocumenten, zoals bijvoorbeeld een beeldkwaliteitplan.</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke
                        Kwaliteit</vet></al><al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit drie leden,
                        waaronder een voorzitter en een secretaris, die deskundig zijn op het gebied
                        van architectuur, ruimtelijke kwaliteit, stedebouw dan wel cultuurhistorie. </al><al> Aanvullend kan ten hoogste één lid benoemd worden dat niet verbonden is aan
                        Dorp, Stad &amp; Land. </al><al>2 Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is,
                        draagt Dorp, Stad &amp; Land zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare
                        deskundigheid op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit,
                        stedebouw of cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden
                        is aan Dorp, Stad &amp; Land, dragen burgemeester en wethouders zelf zorg
                        voor plaatsvervanging.</al><al>3 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien
                        ten minste twee leden aanwezig zijn, welke beschikken over deskundigheid op
                        het gebied van welstand.</al><al>4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar
                        werkzaamheden </al><al> voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>eventuele bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen
                        doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                        algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                        bijzonder.</al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning uit binnen <onderstreept>twee</onderstreept> weken
                        nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel
                        van een project of wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen
                            <onderstreept>twee </onderstreept>weken nadat door of namens burgmeester
                        en wethouders daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de commissie
                        een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel
                        geven indien de beslistermijn met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verlengd.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de
                        Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is openbaar. Tijdstip en plaats van de
                        vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad, dagblad, nieuwsblad
                        of huis-aan-huisblad, de gemeentelijke internetsite of op een andere
                        geschikte wijze. </al><al> De agenda voor de vergadering kan op het gemeentehuis worden ingezien. </al><al> Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een
                        verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag
                        daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid
                        van bestuur ten grondslag te leggen. </al><al> De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                        adviezen alleen voor de vergadering waarin het welstandsadvies formeel wordt
                        vastgesteld. De openbaarheid geldt niet voor informeel vooroverleg over
                        bijv. een principeaanvraag of een schetsplan.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij het indienen van
                        de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens
                        de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in staat gesteld tot het geven van een
                        toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de omgevingsvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al><cursief>Alternatief 1:</cursief></al><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van
                        orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is
                        vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid
                        wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al><vet>9.7.1</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid
                        commissie</vet></al><al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan de advisering over een aanvraag om
                        advies, onder verantwoordelijkheid van de commissie, overlaten aan een of
                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                        adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2 In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit. </al><al><vet>9.7.2</vet><vet> Afdoening buiten verantwoordelijkheid
                            commissie</vet></al><al>1 Het college van Burgemeester en Wethouders kan (als dit wettelijk is
                        doorgevoerd) de advisering over een aanvraag om advies, buiten
                        verantwoordelijkheid van de commissie, overlaten aan een of meerdere daartoe
                        door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren of deskundigen van of
                        namens de gemeente. De aangewezen ambtenaar of deskundige adviseert over
                        bouwplannen waarvan volgens de bestendige lijn van de welstandsnota of
                        beeldkwaliteitsplan en het oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2.Het college van Burgemeester en Wethouders kan advisering buiten
                        verantwoordelijkheid van de commissie baseren op gebiedsgerichte en
                        objectgerichte (snel)toetscriteria voor (kleine) reguliere
                        vergunningsplichtige omgevingsvergunningen die staan opgesomd in de
                        welstandsnota of in een vastgesteld beeldkwalteitsplan.</al><al>3 In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit. </al><al>. </al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk of digitaal. </al><al> Negatieve adviezen worden gemotiveerd; positieve adviezen alleen als daarom
                        verzocht wordt.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.</al><al>3 Als er dringende en motiverende redenen zijn voor het bevoegd gezag om af
                        te wijken van het uitgebrachte advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        of van behandeling buiten verantwoordelijkheid door een daartoe aangewezen
                        ambtenaar of deskundige die volgens een bestendige lijn van de commissie en
                        volgens de vastgestelde welstandsnota of beeldkwaliteitsplan het plan heeft
                        getoetst, brengen zij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op de hoogte
                        alvorens de vergunning in afwijking van het uitgebrachte advies bij de
                        aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen te voegen, zodat de
                        Commissie in de gelegenheid wordt gesteld om, eventueel aanvullend advies,
                        ter bescherming van de belangen, uit te kunnen brengen.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 t/m 10.5 </vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al/><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 t/m 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al> (vervallen)</al><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1 t/m 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze wijzigingen treden in werking op moment van inwerkingtreding
                                van het Bouwbesluit 2012.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                ’Bouwverordening Gemeente Korendijk 2010’, vastgesteld bij
                                raadsbesluit d.d. 28 september 2010 en alle daarin aangebrachte
                                wijzigingen;</al></li><li nr="3."><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een
                                aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012
                                en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen
                                van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden voor deze
                                wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen
                                worden toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                                Gemeente Korendijk 2012'.</al></li></lijst><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlagen 1 t/m 8</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>KNDK/2011/3453</al><al>Model definitief gemeente Korendijk </al><al>Bijlage 9 bij de Bouwverordening</al><al>Stichting Dorp, Stad &amp; Land </al><al>Januari 2012 </al><al><vet>Reglement van Orde </vet></al><al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </al><al>(voorheen: de DSL-welstandscommissie) </al><al>van de gemeente Korendijk</al><al>Dorp, Stad &amp; Land </al><al>Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit </al><al>Rotterdam/Middelburg, januari 2012 </al><al>Vooraf:</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit 2012 (naar verwachting 1
                        april 2012) is het nodig de Bouwverordening (Hoofdstuk 9) te actualiseren.
                        Dit onder andere omdat het Bouwbesluit 2012 artikelen bevat die nu in de
                        bouwverordening worden geregeld. Deze artikelen vervallen van rechtswege met
                        het inwerking treden van het Bouwbesluit 2012. Tevens is een ‘kan-bepaling’
                        aangekondigd waarmee de verplichting voor een onafhankelijke toetsing een
                        keuze wordt en onder meer de door veel gemeenten gewenste ambtelijke
                        sneltoets weer mogelijk gemaakt kan worden. </al><al>Door de, tegelijk met het nieuwe Bouwbesluit in werking tredende wijzigingen
                        van de Woningwet, resteren in de bouwverordening 2012 alleen de
                        stedenbouwkundige voorschriften, voorschriften inzake tegengaan van bouwen
                        op verontreinigde bodem en de procedurele welstandsvoorschriften.</al><al>De gewijzigde Woningwet geeft aan welke onderwerpen in een bouwverordening
                        geregeld dienen te worden, gemeenten hebben geen mogelijkheid om hiervan af
                        te wijken.</al><al>Op grond van Artikel 8, zesde lid van de Woningwet, dient de gemeentelijke
                        bouwverordening voorschriften te bevatten over de samenstelling, inrichting
                        en werkwijze van de welstandscommissie. </al><al>In navolging van de Model-bouwverordening van de VNG adviseert Stichting
                        Dorp, Stad &amp; Land (DSL) gemeenten om de hoofdlijnen vast te leggen in de
                        Bouwverordening (Hoofdstuk 9) en de uitwerking in een Reglement van Orde,
                        als bijlage 9 bij de Bouwverordening. De wijzigingen maken het tevens
                        mogelijk om enkele kleine wetstechnische wijzigingen aan te brengen in de
                        welstandsbepalingen. </al><al>Hierbij treft u een model aan van DSL voor Bijlage 9, Reglement van Orde
                        Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, behorende bij de Bouwverordening (Hoofdstuk
                        9). </al><al>Vanwege de omslag die zich rond welstandadvisering op nationaal en lokaal
                        niveau aftekent, krijgen welstandscommissies steeds vaker een brede taak als
                        ‘Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit’. </al><al>De DSL-organisatie en de DSL-welstandscommissies krijgen, naast de reguliere
                        welstandstoetsing, steeds vaker adviesvragen met een breder karakter.
                        Bijvoorbeeld over de kwaliteit van bestemmingsplannen,
                        beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen, Ruimte voor Ruimte
                        regelingen en andere relevante beleidsstukken enz. </al><al>Het Bestuur van Stichting Dorp, Stad &amp; Land heeft daarom gekozen voor
                        het toevoegen aan de naam DSL van de verhelderende ondertitel ‘Adviseurs
                        Ruimtelijke Kwaliteit’. </al><al>De werkzaamheden blijven uiteraard gebaseerd op de wettelijke betekenis en
                        de wettelijke bepalingen met betrekking tot welstands- /
                        monumentencommissies. </al><al>In het bijgaande model staat in plaats van welstandscommissie dan ook
                        Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op deze wijze probeert DSL in te spelen op
                        de modernisering van het welstandstoezicht en de welstandscommissies, die
                        als gemeentelijke “Commissie Ruimtelijke Kwaliteit” beter herkenbaar zullen
                        zijn. </al><al>Dorp, Stad &amp; Land</al><al>Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit </al><al>ir. F. v.d. Meiracker</al><al>directeur </al><al> Model definitief gemeente Korendijk</al><al>Bijlage 9 bij de Bouwverordening</al><al>Stichting Dorp, Stad &amp; Land </al><al>Januari 2012 </al><al><vet>Reglement van Orde </vet></al><al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </al><al>(voorheen: de DSL-welstandscommissie) </al><al>van de gemeente Korendijk</al><al><vet>Inhoud </vet> 3</al><al><vet>9.0</vet><vet> Begripsbepalingen</vet> 4</al><al><vet>9.1</vet><vet> De advisering door de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit</vet> 4 </al><al>9.1.1 Werkwijze 4 </al><al>9.1.2 Taakomschrijving 4</al><al>9.1.3 Niet wettelijk verplichte taken 5</al><al><vet>9.2</vet><vet> Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit</vet> 5</al><al>9.2.1 Samenstelling en besluitvorming 9</al><al>9.2.2 Niet betrokken zijn bij een aanvraag om een Omgevingsvergunning 5</al><al>9.3 Benoeming en zittingsduur Artikel vervallen 5</al><al><vet>9.4</vet><vet> Jaarlijkse verantwoording</vet> 6 </al><al>9.4.1 Jaarlijkse verantwoording 6 </al><al><vet>9.5</vet><vet> Termijn van advisering</vet> 6</al><al>9.5.1 Termijn van advisering 6</al><al><vet>9.6</vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                            toelichting</vet> 7</al><al>9.6.1 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 7 </al><al>9.6.2 Openbaarheid van de adviezen 7</al><al><vet>9.7</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid </vet> 7</al><al>9.7.1 Afdoening onder verantwoordelijkheid commissie 7</al><al>9.7.2 Afdoening buiten verantwoordelijkheid commissie 8</al><al><vet>9.8</vet><vet> Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet> 8</al><al>9.8.1 Vorm waarin het advies alsmede de motivering daarvan wordt uitgebracht
                        8</al><al>9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken Artikel
                        vervallen</al><al><vet>9.10</vet><vet> Citeertitel</vet> 8 </al><al><vet>9.0</vet><vet> Begripsbepalingen</vet></al><al><vet>9.0.1</vet><vet> Begripsbepalingen</vet></al><al>Advies:</al><al>Het advies dat betrekking heeft op de welstandsaspecten van een aanvraag om
                        een</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen of voor een reclame-activiteit.</al><al>De commissie:</al><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen: de welstandscommissie), in
                        casu Stichting Dorp, Stad &amp; Land.</al><al>Reglement:</al><al>Dit Reglement van Orde Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al><al>Als de commissie advies uitbrengt als bedoeld in dit Reglement, fungeert de
                        commissie als welstandscommissie. </al><al>Dit Reglement behoort bij en maakt onderdeel uit van de bouwverordening van
                        de gemeente uitsluitend indien en voor zover hierin de samenstelling,
                        inrichting en werkwijze van de welstandscommissie is geregeld. </al><al><vet>9.1</vet><vet> De advisering door de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit</vet></al><al><vet> 9.1.1</vet><vet> Werkwijze </vet></al><al>De commissie regelt zelf haar wijze van werken, zulks met inachtneming van
                        de bepalingen in dit Reglement.</al><al><vet> 9.1.2</vet><vet> Taakomschrijving </vet></al><al>De commissie heeft tot taak op verzoek van burgemeester en wethouders of uit
                        eigen beweging: advies uit te brengen aan burgemeester en wethouders over
                        aanvragen voor een omgevingsvergunning.</al><al>Voorts heeft de commissie tot taak op verzoek van burgemeester en wethouders
                        of uit eigen beweging: advies uit te brengen aan burgemeester en wethouders
                        over aanvragen voor een omgevingsvergunning activiteit reclame, tenzij
                        burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat voor reclame-activiteiten
                        geen advies van de commissie noodzakelijk is.</al><al>De commissie baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota
                        genoemde welstandscriteria, of op criteria in andere – als aanvulling op de
                        welstandsnota vastgestelde – beleidsdocumenten, zoals bijvoorbeeld een
                        beeldkwaliteitplan.</al><al>De gemeente heeft conform artikel 15 van de Monumentenwet 1988, een
                        afzonderlijke Commissie Cultureel Erfgoed ingesteld die de brede
                        monumentencommissie vormt van de gemeente en die op verzoek van burgemeester
                        en wethouders, of uit eigen beweging advies uitbrengt over erfgoedaspekten
                        van aanvragen voor omgevingsvergunning of andere vraagstukken.</al><al>De commissie Ruimtelijke Kwaliteit overlegt met de Commissie Cultureel
                        Erfgoed bij behandeling van plannen als erfgoedbelangen een rol spelen. Bij
                        strijdige belangen is het advies van de Commissie Cultureel Erfgoed
                        uiteindelijk maatgevend.</al><al><vet>9.1.3</vet><vet> Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al>De commissie krijgt de opdracht om – op verzoek van burgemeester en
                        wethouders - naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk
                        verplichte) taken uit te voeren:</al><al>Onder de regie van de gemeente - en op verzoek van de commissie, de gemeente
                        of de aanvrager - noodzakelijk geacht vooroverleg voeren met betrokkenen bij
                        de voorbereiding van bouwplannen.</al><al>Advies uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de ruimtelijke
                        kwaliteits aspecten van in voorbereiding zijnde structuurvisies,
                        bestemmingsplannen, ontheffingen / projectbesluiten, beheersverordeningen,
                        beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen, landschappelijke plannen,
                        en andere relevante gemeentelijke beleidsstukken waaronder de welstandsnota.
                        De commissie krijgt deze stukken reeds in het ontwerpstadium voorgelegd ter
                        advisering en brengt hier desgevraagd schriftelijk advies over uit.</al><al>Advies uitbrengen over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen
                        die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.</al><al>Adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van
                        bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.</al><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, burgemeester
                        en wethouders, ambtenaren en burgers. </al><al><vet>9.2</vet><vet> Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit</vet></al><al><vet>9.2.1</vet><vet> Samenstelling en besluitvorming</vet></al><al>De commissie bestaat ten minste uit drie leden, waaronder een voorzitter en
                        een secretaris, die deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                        ruimtelijke kwaliteit, stedebouw dan wel cultuurhistorie. Aanvullend kan ten
                        hoogste één lid benoemd worden dat niet verbonden is aan Dorp, Stad &amp;
                        Land.</al><al>De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra
                        adviseurs. Dit betreft o.a. disciplines als cultuur- en bouwhistorie,
                        landschapsarchitectuur of beeldende kunst. Afhankelijk van de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning die moet worden beoordeeld, nemen de extra adviseurs
                        deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als
                        commissielid zijn benoemd door de gemeenteraad.</al><al>Indien een lid van de commissie verhinderd is, draagt Dorp, Stad &amp; Land
                        zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare deskundigheid op het gebied
                        van architectuur, ruimtelijke kwaliteit, stedebouw of cultuurhistorie.
                        Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan Dorp, Stad &amp; Land,
                        dragen burgemeester en wethouders zelf zorg voor plaatsvervanging.</al><al>De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden
                        aanwezig zijn.</al><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al><vet>9.2.2</vet><vet> Niet betrokken zijn bij een aanvraag om een
                            omgevingsvergunning</vet></al><al>De leden van de commissie en hun eventuele plaatsvervangers of extra
                        adviseurs die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins bij een door de
                        commissie te beoordelen aanvraag om een omgevingsvergunning betrokken zijn,
                        onthouden zich van medewerking aan de beoordeling daarvan en zijn niet
                        betrokken bij beraadslaging, beoordeling en advisering over de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning.</al><al>9.3 Benoeming en zittingsduur Artikel vervallen</al><al><vet>9.4</vet><vet> Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet> 9.4.1</vet><vet> Jaarlijkse verantwoording </vet></al><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de
                        gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>eventuele bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het
                        gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing
                        van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al><vet>9.5</vet><vet> Termijn van advisering</vet></al><al><vet>9.5.1</vet><vet> Termijn van advisering </vet></al><al>De commissie brengt het advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning
                        uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom
                        is verzocht.</al><al>De commissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning,
                        indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of
                        wanneer het een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen twee weken nadat
                        door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de commissie een
                        langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven
                        indien de beslistermijn met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verlengd.</al><al><vet>9.6</vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                            toelichting</vet></al><al><vet> 9.6.1</vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
                        </vet></al><al>De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De openbaarheid geldt zowel
                        voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen alleen voor de
                        vergadering waarin het advies formeel wordt vastgesteld. De openbaarheid
                        geldt niet voor informeel vooroverleg over bijv. een principeaanvraag of een
                        schetsplan.</al><al>Tijdstip en plaats van de vergadering van de commissie worden tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad, dagblad, nieuwsblad
                        of huis-aan-huisblad, de gemeentelijke internetsite of op een andere
                        geschikte wijze. De agenda voor de vergadering kan op het gemeentehuis
                        worden ingezien. </al><al>Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                        - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dienen zij daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen.</al><al>Indien de aanvrager van een omgevingsvergunning hierom bij het indienen van
                        de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt hij door of namens
                        de commissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op de
                        aanvraag.</al><al>In het geval de aanvraag om een omgevingsvergunning in de vergadering van de
                        commissie wordt behandeld en een verzoek door de aanvrager tot het geven van
                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning een
                        uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                        aanvraag wordt behandeld.</al><al>Belanghebbenden hebben <vet>geen</vet> spreekrecht.
                            <cursief>of</cursief><cursief>(keuze maken)</cursief></al><al>keuze 2:</al><al>Belanghebbenden hebben <vet>in toelichtende zin</vet> spreekrecht. De
                        voorzitter stelt, afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van
                        eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van een
                        visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of
                        beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt
                        niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling. </al><al><vet>9.6.2</vet><vet> Openbaarheid van de adviezen</vet></al><al>De commissie adviseert aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en
                        wethouders besluiten op welke wijze de adviezen van de commissie openbaar
                        gemaakt worden. </al><al><vet>9.7</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al><vet> 9.7.1</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid door de
                            commissie </vet></al><al>De commissie kan de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning,
                        onder verantwoordelijkheid van de commissie, overlaten aan een of meerdere
                        daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen,
                        zowel positief als negatief, adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen
                        het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al>De commissie is eindverantwoordelijk voor het advies.</al><al>In geval van twijfel wordt de aanvraag om een omgevingsvergunning als
                        bedoeld in het bovenstaande alsnog voorgelegd aan de commissie.</al><al>Behandeling onder verantwoordelijkheid van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning is openbaar. De openbaarheid geldt zowel voor de
                        beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen alleen voor de vergadering
                        waarin het advies formeel wordt vastgesteld. De openbaarheid geldt niet voor
                        informeel vooroverleg over bijv. een principeaanvraag of een schetsplan.
                        Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                        - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dienen zij daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen. </al><al>Indien dit wettelijk mogelijk is kan de gemeente de advisering over een
                        aanvraag om een omgevingsvergunning, buiten verantwoordelijkheid van de
                        commissie, overlaten aan een of meerdere daartoe door burgmeester en
                        wethouders aangewezen ambtenaren van de gemeente. </al><al><vet>9.7.2</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid buiten de
                            commissie</vet></al><al>(Als de wetgeving wordt gewijzigd kan ambtelijke toets op basis hiervan
                        plaatsvinden) </al><al>Indien dit wettelijk mogelijk is kan de gemeente de advisering over een
                        aanvraag om een omgevingsvergunning, buiten verantwoordelijkheid van de
                        commissie, overlaten aan een of meerdere daartoe door burgmeester en
                        wethouders aangewezen ambtenaren of deskundigen van de gemeente.</al><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan de advisering over een
                        aanvraag om omgevingsvergunning, buiten verantwoordelijkheid van de
                        Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, overlaten aan een of meerdere daartoe door
                        burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren of deskundigen van of
                        namens de gemeente. De aangewezen ambtenaar of deskundige adviseert over
                        bouwplannen waarvan volgens de bestendige lijn op basis van de vastgestelde
                        welstandsnota of een vastgesteld beeldkwaliteitsplan, waarbij het oordeel
                        van Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden verondersteld. </al><al>Ze kunnen uitsluitend positief adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                        hen het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan de advisering buiten
                        verantwoordelijkheid van de commissie baseren op gebiedsgerichte en
                        objectgerichte (sneltoets)criteria voor (kleine) reguliere
                        vergunningsplichtige omgevingsvergunningen die staan opgesomd in de
                        welstandsnota of in een vastgesteld beeldkwaliteitsplan.</al><al>In geval van twijfel of bij zienswijze/bezwaar kan bij afdoening buiten
                        verantwoordelijkheid van de commissie het bouwplan alsnog voorgelegd worden
                        aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.</al><al>Behandeling buiten verantwoordelijkheid van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning is niet openbaar. </al><al><vet>9.8</vet><vet> Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al><vet>9.8.1</vet><vet> Vorm waarin het advies alsmede de motivering daarvan
                            wordt uitgebracht </vet></al><al>De gemeente regelt zelf haar wijze van ondertekenen en /of waarmerken van
                        het advies en de bijbehorende stukken, zulks met inachtneming van de
                        daarvoor geldende wettelijke bepalingen.</al><al>De commissie adviseert schriftelijk of digitaal. </al><al>Negatieve adviezen worden gemotiveerd; positieve adviezen alleen als daarom
                        verzocht wordt.</al><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en
                        wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.</al><al>9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken Artikel
                        vervallen</al><al><vet>9.10</vet><vet> Citeertitel</vet></al><al><vet> 9.10.1</vet><vet> Citeertitel </vet></al><al>Dit Reglement kan worden aangehaald als Reglement van Orde Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit.</al><al><vet>Bijlagen 10 t/m 12</vet> (vervallen).</al></bijlage><bijlage><al><vet>Inhoud</vet></al><al><vet>1</vet><vet> Inleidende
                    bepalingen</vet>……………………………………………………………………………4</al><al><vet>2</vet><vet> De aanvraag omgevingsvergunning voor
                    bouwen</vet>…………………………………………5Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
                    (vervallen)</al><al> Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning (vervallen)</al><al> Paragraaf 3 Welstandstoetsing (vervallen)</al><al> Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</al><al> Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</al><al> Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en </al><al> Vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</al><al> Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen (vervallen)</al><al><vet>3</vet><vet> Lichtvergunningplichtige bouwwerken
                    (vervallen)….</vet>……………………………………16</al><al><vet>4</vet><vet> Plichten tijdens de voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming</vet>…………………..16</al><al><vet>van een bouwwerk (vervallen)</vet></al><al><vet>5</vet><vet> Staat van open erven, brandveiligheidsinstallaties,
                    aansluiting op </vet>…… …………….16</al><al><vet>de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                    gedierte</vet></al><al><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet>6</vet><vet> Brandveilig gebruik (vervallen)</vet>
                    ………………………………………………………………16</al><al><vet>7</vet><vet> Overige gebruiksbepalingen</vet> ………………………….
                    ……………………………………..16</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking (vervallen)</al><al> Paragraaf 2 Staken van gebruik (vervallen)</al><al> Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al> Paragraaf 4 Weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                    (vervallen)</al><al> Paragraaf 5 Watergebruik (vervallen)</al><al> Paragraaf 6 Installaties (vervallen)</al><al><vet>8</vet><vet>
                    Slopen(vervallen)</vet>……………………..…………………………………………………………17</al><al><vet>9</vet><vet> Welstand </vet>………………………………………………………………………………………….17</al><al><vet>10</vet><vet> Overige administratieve bepalingen
                </vet>……………………………………………………….. 19</al><al><vet>11</vet><vet> Handhaving (vervallen)</vet>……………………………………………………………………….
                    19</al><al><vet>12</vet><vet> Straf-, overgangs- en slotbepalingen
                </vet>……………………………………………………… 20</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al>Bijlage 1 t/m 8 vervallen</al><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie……………..….. ……….21</al><al>Bijlage 10 vervallen</al><al>Bijlage 11 vervallen</al><al>Bijlage 12 vervallen</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>