<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR169697_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Oostermoer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24f en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde lid, van het Besluit inburgering;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit nr. 13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wet inburgering</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>n.v.t.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Betreft: Verordening Wet inburgering </al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Tynaarlo; </al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24f
                        en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde lid, van het Besluit
                        inburgering;</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen:</al><al><vet>“</vet>Verordening Wet Inburgering”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en
                                de vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>één of meerdere informatie- en adviespunten
                                        inburgering;</al></li><li nr="b."><al>één of meerdere folders of brochures;</al></li><li nr="c."><al>www.werkpleinbaanzicht.nl ;</al></li><li nr="d."><al>het beschikbaar stellen van relevante informatie aan
                                        intermediaire organisaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de vier jaren de
                                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                                        informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen en de
                                        vrijwillige inburgeraars, en rapporteert daarover aan de
                                        raad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het aanbieden van een voorziening aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                            criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>de mate waarin inburgering van belang is om in het eigen
                                    levensonderhoud te kunnen voorzien en de maatschappelijke
                                    participatie te bevorderen;</al></li><li nr="b."><al>het hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="c."><al>de afstand tot de eindtermen van het inburgeringsexamen zoals
                                    aangegeven in de Regeling tot uitvoering van de Wet inburgering
                                    (Regeling inburgering);</al></li><li nr="d."><al>motivatie om in te burgeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringsvoorziening aangeestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de kennis van deNederlandse taal en
                                kennis van de Nederlandse samenleving, de persoonlijkeomstandigheden
                                en de maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, één of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanbod gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>een aanbod gericht tot deelname aan
                                        participatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordtaangeboden, draagt het college er zorg voor
                                dat de inburgeringsvoorziening op devoorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of
                                    tweede lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden
                                    naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                    basisadministratie is ingeschreven. </al></li><li nr="2."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening
                                    die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen
                                    vermeld die aan die voorziening worden verbonden.</al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                    binnen vier weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod
                                    al dan niet aanvaardt.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                    college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het
                                    besluit tot vaststelling van de voorziening overeenkomstig het
                                    gedane aanbod. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college behandelt het verzoek van de inburgeringsplichtige
                                    om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                    inburgeringsbudget op devolgende wijze: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget wordt
                                            door de inburgeringsplichtige mondeling bij de gemeente
                                            ingediend en toegelicht;</al></li><li nr="b."><al>na een voorlopige positieve beoordeling van dit verzoek
                                            wordt de inburgeraaruitgenodigd een zelfgeschreven
                                            uitgewerkt Inburgeringsplan in te dienen;</al></li><li nr="c."><al>binnen twaalf weken na ontvangst van dit
                                            inburgeringsplan wordt een definitief besluit genomen
                                            ten aanzien van het PIB. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor
                                    het volgen van een(duaal) inburgeringsprogramma goed, indien dit
                                    programma:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor
                                            te bereiden op en toe te leiden naar het
                                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede
                                            taal I of II; en </al></li><li nr="b."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet
                                            aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel.</al></li><li nr="-"><al>beschikt over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van hetverzorgen van inburgeringsprogramma’s en
                                    taalkennisvoorzieningen </al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor
                                    het volgen van eentaalkennisvoorziening goed, indien deze
                                    taalkennisvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van
                                    de Nederlandse taal telaten verwerven die noodzakelijk is voor
                                    het kunnen afronden van een mbo-opleiding opniveau 1 of 2; en
                                </al></li><li nr="b."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                    volgende vereisten:</al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel.</al></li><li nr="-"><al>beschikt over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van hetverzorgen van taalkennisvoorzieningen.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                    inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluit de
                                    inburgeringsplichtige een overeenkomst met het
                                    inburgeringsbedrijf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de
                                    wet wordt in ten hoogste achttien maandelijkse termijnen
                                    betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                    voorziening de termijnen van betaling vast. </al></li><li nr="3."><al>Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de algemene
                                    bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd. </al></li><li nr="4."><al>Indien degene die een eigen bijdrage verschuldigd is een
                                    uitkering ontvangt van het uitkeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager verzoekt het
                                    college het uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
                                    eigenrisicodrager indien mogelijk de eigen bijdrage ten behoeve
                                    van het college te verrekenen of in te houden op die
                                    uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7A</nr><titel>Toekennen van een deelnamebonus</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen of het
                                staatsexamen Nederlandsals tweede taal I of II, dat deel uitmaakt
                                van het inburgeringstraject, met succes heeft afgerond komt hij in
                                aanmerking voor een deelnamebonus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de deelnamebonus komt overeen met de hoogte van de
                                eigen bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De deelnamebonus wordt, indien mogelijk, verrekend met de eigen
                                bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking één of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan de intakegesprekken;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het
                                    college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het behalen van het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II binnen de door het college op
                                    grond van artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of
                                    binnen de door het college, op grond van artikel 31, tweede lid
                                    onderdeel a en b van de wet, verlengde termijn;</al></li><li nr="f."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage; en
                                </al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet,
                                    aanvangt;</al></li><li nr="f."><al>de voorwaarde waaronder de deelnamebonus wordt toegekend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige, of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is,
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, als
                                bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 8 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                            inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen vrijwillige inburgeraars aan waaraan hij
                            bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>De mate waarin inburgering van belang is om in het eigen
                                    levensonderhoud te kunnen voorzien en de maatschappelijke
                                    participatie te bevorderen;</al></li><li nr="b."><al>Het hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="c."><al>De afstand tot de eindtermen van het inburgeringsexamen zoals
                                    aangegeven in de Regeling tot uitvoering van de Wet Inburgering
                                    (Regeling Inburgering)</al></li><li nr="d."><al>Motivatie om in te burgeren</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt in overleg met de vrijwillige inburgeraar,
                            uitgezonderd geestelijkebedienaren, de samenstelling van de voorziening.
                            De voorziening wordt afgestemd op hetstartniveau en de vaardigheden, de
                            persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                            vrijwillige inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, één of
                            meer duale onderdelen bevatten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget
                                (PIB)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behandelt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar om in
                            aanmerking tekomen voor een voorziening in de vorm van een PIB op de
                            volgende wijze: </al><lijst><li nr="a."><al>Het verzoek om een PIB wordt door de vrijwillige inburgeraar
                                    mondeling bij de gemeente ingediend en toegelicht;</al></li><li nr="b."><al>Na een voorlopige positieve beoordeling van dit verzoek wordt de
                                    inburgeraar uitgenodigd een zelfgeschreven uitgewerkt
                                    inburgeringsplan in te dienen;</al></li><li nr="c."><al>Binnen twaalf weken na ontvangst van dit inburgeringsplan wordt
                                    een definitief besluit genomen ten aanzien van het PIB.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar
                                    voor het volgen van een(duaal) inburgeringsprogramma goed,
                                    indien dit programma:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor te
                                    bereiden op en toe te leiden </al></li><li nr="b."><al>naar het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als
                                    tweede taal I of II; enwordt verzorgd door een
                                    inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de volgende vereisten: </al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van hetverzorgen van inburgeringsprogramma’s en
                                    taalkennisvoorzieningen. </al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar voor het
                            volgen van eentaalkennisvoorziening goed, indien deze
                            taalkennisvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van
                                    de Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor
                                    het kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2; en
                                </al></li><li nr="b."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                    volgende vereisten: </al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van hetverzorgen van taalkennisvoorzieningen. </al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d,tweede lid, van de wet, waarin de voorziening in
                            de vorm van een PIB is opgenomen,heeft gesloten, sluit de vrijwillige
                            inburgeraar een overeenkomst met hetinburgeringsbedrijf. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 18 termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de overeenkomst de termijnen van betaling vast.
                                Indien overeen gekomen is dat het college de eigen bijdrage
                                verrekent met de algemene bijstand, wordt dat in de overeenkomst,
                                bedoeld in artikel 16 vastgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15A</nr><titel>Toekennen van een deelnamebonus</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de vrijwillige inburgeraar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II, dat deel uitmaakt van
                            het inburgeringstraject, met succes heeft afgerond komt hij in
                            aanmerking voor een deelnamebonus.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de deelnamebonus komt overeen met de hoogte van de eigen
                            bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet.</al></li><li nr="3."><al>De deelnamebonus wordt, indien mogelijk, verrekend met de eigen
                            bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al> Het college kan in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet één of meer van de
                            volgende verplichtingen opnemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands
                                    als tweede taal I of II op een tijdstip dat in de overeenkomst
                                    wordt neergelegd;</al></li><li nr="e."><al> het behalen van het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II binnen de door het college op
                                    grond van artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of
                                    binnen de door het college, op grond van artikel 31, tweede lid
                                    onderdeel a en b van de wet, verlengde termijn;</al></li><li nr="f."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de overeenkomst kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van de wet bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar;</al></li><li nr="c."><al> de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen; </al></li><li nr="d."><al>de sancties die kunnen worden toegepast wanneer de
                                    verplichtingen niet worden nagekomen, en indien van
                                    toepassing:</al></li><li nr="e."><al> de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of onvoldoende nakomt, kan het college hem de
                            volgende sancties opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>de boete bedraagt € 250 indien de vrijwillige inburgeraar geen of
                            onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem
                            vastgestelde inburgeringvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>de boete bedraagt € 500 indien de vrijwillige inburgeraar niet binnen
                            de vastgestelde termijn het inburgeringsexamen behaalt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie via de
                            gemeentepagina in de huis-aan-huisbladen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Tynaarlo De Verordening Wet inburgering zoals vastgesteld op 16
                            juni 2009 wordt ingetrokken op de dag na publicatie via de
                            gemeentepagina in de huis-aan-huisbladen. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                            derdelanden van 18 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                            verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting
                            staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen
                            inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen.
                            Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                            inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Daarnaast is in de WI ook de vrijwillige inburgering geregeld. De
                            bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                            geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                            inburgeringsplichtigen. </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo
                            hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de
                            vrijwillige inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de
                            rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars die daarvoor op grond van de wet of het
                            gemeentelijk beleid in aanmerking komen een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                            toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als
                            tweede taal. In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten
                            aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die een
                            mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen een
                            taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder wordt
                            zowel de inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen
                            handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een
                            inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen
                            die voor hem gelden. Het ligt voor de hand dat het college ook toezicht
                            houdt of de overeenkomst door de vrijwillige inburgeraar wordt nagekomen
                            en indien dat niet het geval is zo nodig maatregelen neemt. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening
                            regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>De informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars (artikel 8 en
                                    artikel 24f WI). </al></li><li nr="2."><al>Het aanbieden van een voorziening en de rechten en plichten van
                                    de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 WI).</al></li><li nr="4."><al>Facultatief: bepalen dat het college een voorziening kan
                                    vaststellen, zonder dat eerst een aanbod wordt gedaan (artikel
                                    19a, eerste lid, WI).</al></li><li nr="5."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars
                                    (artikel 24a tot en met 24f WI). </al></li><li nr="6."><al>Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en
                                    artikel 24a, tweede lid, WI). </al></li></lijst><al><vet>Het aanbodstelsel ten behoeve van inburgeringsplichtigen</vet></al><al>In deze verordening is géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid die
                            artikel 19a van de WI biedt om het college de bevoegdheid te geven de
                            voorzieningen vast te stellen, zonder dat eerst een aanbod aan de
                            inburgeringsplichtigen wordt gedaan. In deze verordening wordt het
                            aanbodstelsel gehandhaafd. Dit stelsel houdt in dat het college de
                            inburgeringsplichtige een aanbod doet en de voorziening vaststelt
                            overeenkomstig het aanbod als de inburgeringsplichtige het aanbod heeft
                            aanvaard. </al><al><vet>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars</vet></al><al>Artikel 8 en 24f WI bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            respectievelijk inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars over
                            de rechten en plichten uit hoofde van de wet. </al><al><vet>Het aanbieden van voorzieningen aan
                            inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen
                            door het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                            taalkennisvoorziening. Alle inburgeringsplichtigen kunnen in beginsel in
                            aanmerking komen voor een voorziening. De gemeenteraad bepaalt welke
                            groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang in aanmerking komen voor een
                            voorziening en welke groepen op eigen kracht dienen in te burgeren. Deze
                            keuze dient te berusten op objectieve criteria die in de verordening
                            worden vastgelegd. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal
                            kosteloos afleggen van dat examen. Een inburgeringsvoorziening kan ook
                            een duale inburgeringsvoorziening zijn. Dit is een
                            inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname van de
                            inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in
                            activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig,
                            met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
                            Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden
                            uitgevoerd. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                            WI). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te
                            betalen voor de voorziening.</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook
                            uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het aanbieden van een voorziening. In de wet is ook
                            vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden
                            gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                                    WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening,
                                    met inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die
                                    voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    voorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval
                                    betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college
                                    en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                                    lid, WI). </al></li></lijst><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete
                            </vet></al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al><vet>Het aanbieden van voorzieningen aan vrijwillige inburgeraars
                            </vet></al><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel
                            mogelijk geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                            inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het
                            college aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een
                            (duale) inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I en
                            II, of een taalkennisvoorziening. </al><al>Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                            aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                            vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor
                            een voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>De gemeenteraad stelt in een verordening in ieder geval regels over de
                            procedure die het college volgt voor het doen van een aanbod en de
                            criteria die daarbij worden gehanteerd, de wijze waarop met de
                            vrijwillige inburgeraar in overleg wordt getreden om te komen tot een
                            passende voorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van die voorziening (artikel 24a, vijfde lid, WI). </al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                            voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid vastgestelde
                            eigen bijdrage verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een
                            gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de
                            wet, moeten volgen, hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel
                            24<sup/>e, derde lid, WI). </al><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat alle of bepaalde
                            categorieën vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage hoeven te
                            betalen of een lager bedrag dan het bedrag dat in de wet is vastgelegd
                            (artikel 24<sup/>e, tweede lid, WI). Artikel 24f WI draagt gemeenten op
                            om bij verordening regels te stellen over de informatieverstrekking door
                            de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, de inning van de eigen bijdrage door
                            het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen, de
                            niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de
                            identiteit van de vrijwillige inburgeraar. </al><al><vet>Het persoonlijk inburgeringsbudget</vet></al><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid, WI kan
                            het college een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de
                            inburgeringsplichtige respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom
                            verzoekt. </al><al>Een inburgeringsplichtige of een vrijwillige inburgeraar kan niet zonder
                            meer aanspraak doen op een persoonlijk inburgeringsbudget. Hij dient
                            daartoe een verzoek te doen aan het college. De inburgeringsplichtige of
                            vrijwillige inburgeraar zal in beginsel zelf op zoek moeten naar een
                            inburgeringsbedrijf dat een inburgeringsprogramma kan bieden dat past
                            bij zijn voorkeur en ambities. Het college heeft als taak de
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars bij de vormgeving van
                            hun inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf te begeleiden
                            (artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering). De
                            inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar moet een voorstel voor
                            een inburgeringsprogramma bij het college indienen. Het voorstel van de
                            inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar behoeft de
                            goedkeuring van het college (artikel 4.27, tweede lid, Besluit
                            inburgering). Het college beoordeelt het voorstel voor het
                            inburgeringsprogramma of het geschikt is om de betrokkene voor te
                            bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II, en in het geval van een
                            taalkennisvoorziening of deze geschikt is om de betrokkene kennis van de
                            Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2. Het inburgeringsbedrijf
                            dient te voldoen aan de eisen die in de verordening zijn gesteld.</al><al>De inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar krijgt geen geld in
                            handen. Het geld voor het betalen van de inburgeringscursus gaat
                            rechtstreeks van de gemeente naar het inburgeringsbedrijf. </al><al>Gemeenten moeten in hun verordening regels opnemen die betrekking hebben
                            op het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget
                            (artikel 19, vijfde lid, WI en artikel 24a, vijfde lid. WI).</al><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Wet Inburgering </al><al>Vries, 21 juni 2011</al><al> De raad voornoemd,</al><al> F.A. van Zuilen, voorzitter</al><al> J.L. de Jong, griffier</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Omwille van leesbaarheid van de verordening wordt het begrip
                            ‘voorziening’ gebruikt (eerste lid, onderdeel c). Een voorziening kan
                            zowel een (duale) inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening
                            inhouden. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                            inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en
                            plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten
                            vrij om zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt
                            georganiseerd. Wel bepalen de artikelen 8 WI en 24f WI dat de
                            gemeenteraad bij verordening regels vaststellen over de
                            informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun
                            rechten en plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van
                            inburgeringsplichtigen dienen ook regels te worden vastgesteld ter zake
                            van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                            Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders
                            vast te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college
                            aan de inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. In dat geval
                            kan met opnemen van het eerste en derde lid in de verordening worden
                            volstaan. Er kan ook voor worden gekozen om in de verordening vast te
                            leggen welke middelen het college (in ieder geval) moet aanwenden om de
                            informatievoorziening te organiseren. In dat geval moet het tweede lid
                            in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden
                            gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                            dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan
                            de inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is
                            belast met de organisatie van de informatieverstrekking en legt daarover
                            (periodiek) verantwoording af aan de raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen
                            gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al
                            dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de
                            informatievoorziening onder te brengen bij een centraal informatiepunt
                            (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen gemeenten bepaalde organisaties
                            (bijvoorbeeld educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere
                            zelforganisaties) een rol geven bij de informatievoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder
                            geval) een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vorm te geven.
                            Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan
                                    personen ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens
                                    uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs
                                    kan worden aangenomen dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                    aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                    gemeentelijke website.</al></li></lijst><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren
                            over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking.
                            Om aan deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen, zou een
                            informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de informatieverstrekking
                            onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou vervolgens door de raad
                            getoetst kunnen worden waarbij eventuele verbeteringen kunnen worden
                            opgenomen. Om efficiënt aan de verplichting van het tweede lid te kunnen
                            voldoen, is wellicht ook aansluiting mogelijk bij de uitvoering van de
                            actieve informatieplicht van het college aan de raad op grond van
                            artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19, eerste
                            lid, WI). Het college is echter verplicht een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                            inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren. </al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI moet de
                            gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                            criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen. Dit artikel vormt de uitwerking van deze
                            verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om vast te
                            stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een
                            voorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel
                            vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van
                            doelgroepen moet komen. Het is van belang dat deze kaders (in casu het
                            aanwijzen van groepen waaraan een voorziening wordt aangeboden) niet te
                            eng te definiëren. Het college zal binnen deze kaders gedurende een
                            aantal jaren groepen moeten kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de
                            verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een
                            andere reden om de kaders niet te strak vast te stellen is dat gemeenten
                            op dit moment wellicht geen duidelijk zicht hebben op de precieze omvang
                            van bepaalde mogelijke doelgroepen (bijvoorbeeld oudkomers zonder werk
                            of uitkering). Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het
                            niet benutten van de beschikbare middelen voor het aanbieden van
                            voorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                                voorrang </cursief>een voorziening krijgen aangeboden. Dit betekent
                            dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een
                            voorziening aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren
                            tot de groep of groepen die hij heeft aangewezen. Om te voorkomen dat
                            inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of groepen die het
                            college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op
                            het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de
                            groepen die hij aanwijst een voorziening <cursief>kan</cursief>
                            aanbieden. </al><al>Voorbeelden van criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd
                            en op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende (duale)
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde
                            lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld
                            waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere
                            inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                            toegesneden voorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de
                            passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een rol
                            spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale
                            inburgeringsvoorzieningen wordt verwezen naar de toelichting bij het
                            Besluit inburgering.</al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de voorziening daarmee te combineren. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening gecombineerd
                                <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een voorziening
                            wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd
                            is of een uitkering ontvangt op grond van een andere
                            socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én deze verplicht is
                            om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI).
                            Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                            voorziening (artikel 20, tweede lid, WI). </al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen
                            dat de voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene
                            tot arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op
                            de re-integratievoorziening. Aangezien de re-integratievoorziening in
                            het kader van de uitkeringsverstrekking op grond van
                            socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen dan het
                            college wordt verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling:
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                            eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al>Het tweede lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                            onderdeel van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan
                            opnemen. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen
                            (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt
                            ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                            voorziening (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende
                            faciliteiten die het college als onderdeel van de voorziening voor
                            inburgeringsplichtigen kan opnemen, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening in
                            combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen.
                            Bij voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke
                            faciliteiten reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook
                            een praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden
                            worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                            voorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze
                            vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke
                            rol vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten
                            zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is
                            van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het
                            goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het
                            aanbod van een voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke
                            wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de
                            inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er
                            geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de
                            inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                            uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming
                            met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking
                            tot het vaststellen van de voorziening (die eenzijdig door de gemeente
                            wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben
                            als het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de
                            inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit
                            schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest
                            praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van
                            het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring
                            die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                            gemeente meldt dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op
                            zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het
                            aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze
                            het gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert
                            de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is
                            er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                            inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het
                            college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt: een
                            besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat
                            waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben
                            behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de
                            aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels,
                            zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de
                            gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een voorziening.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid, WI kan het college de voorziening
                            aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de
                            inburgeringsplichtige daarom verzoekt. Op grond van het vijfde lid van
                            artikel 19 WI moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen over
                            de procedure die door het college wordt gevolgd bij het behandelen van
                            verzoeken om een persoonlijk inburgeringsbudget en de criteria die
                            worden gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget. </al><al>In het eerste lid legt de gemeente vast op welke wijze verzoeken van
                            inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget worden behandeld. In de verordening kunnen de
                            volgende onderwerpen worden geregeld:</al><lijst><li nr="-"><al>De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk
                                    of ook mondeling.</al></li><li nr="-"><al>De wijze van begeleiding door de gemeente van de
                                    inburgeringsplichtige bij vormgeving van zijn inburgering en de
                                    keuze van een inburgeringsbedrijf. Op grond van artikel 4.27,
                                    eerste lid, Besluit inburgering moet het college deze taak op
                                    zich nemen. </al></li><li nr="-"><al>De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te
                                    gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en
                                    ambities. </al></li></lijst><al>Op grond van artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering moet het
                            college het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van
                            een inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit
                            voorstel zal in de praktijk worden opgesteld door het
                            inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde lid van dit artikel leggen de
                            twee criteria vast aan de hand waarvan het college het voorstel voor het
                            volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en een
                            taalkennisvoorziening goedkeurt. De eerste eis is dat het
                            inburgeringsprogramma naar het oordeel van het college passend is om de
                            inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II.
                            De taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een beroepsopleiding (MBO 1 en 2).</al><al>Het tweede vereiste is dat het inburgeringsprogramma of de
                            taalkennisvoorziening wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat
                            voldoet aan de eis of de eisen die de verordening aan
                            inburgeringsbedrijven stelt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                            een of meer van de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of
                                    taalkennisvoorzieningen. </al></li></lijst><al>Artikel 4.27, derde lid, Besluit inburgering bepaalt dat de gemeenteraad
                            bij verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst
                            met betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige sluit.
                            Dit kan de inburgeringsplichtige zijn, het college,het college en de
                            inburgeringsplichtige, een andere partij of een combinatie van de
                            hiervoor genoemde partijen. gezamenlijk. In het vierde lid van dit
                            artikel wordt dit geregeld, waarbij de raad zelf een keuze zal moeten
                            maken. Het kan van belang zijn de partijen in de verordening niet te eng
                            te definieren. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn , indien de gemeente
                            samen met werkgevers inburgering op de werkvloer organiseert of wil gaan
                            organiseren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, WI). </al><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt €
                            270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                            (artikel 23, tweede lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                            inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                            termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                            inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het
                            college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college
                            wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de
                            beschikking tot vaststelling van de voorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                            college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                            houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                            geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze
                            wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente,
                            en wordt dus niet in deze verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7A</nr><titel>Toekennen van een deelnamebonus</titel></kop><al>Middels deze bepaling kan de inburgeringsplichtige de verschuldigde
                            eigen bijdrage terugverdienen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                            vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                            verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                            inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te leggen.
                            Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                            voorziening deze verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking.
                            Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen
                            dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld
                            welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden
                            neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan
                            verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig
                            moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is
                            verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                            voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen
                            mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk
                            zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                            beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf
                            jaar (artikel 7, eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van
                            deze termijn alleen melding worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                            termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                            betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 7 van de
                            verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                            oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een
                            oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag
                            opnemen waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van
                            start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen
                            drieënhalf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                            inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer
                            de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het
                            ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                            bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van
                            start gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal
                            niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend.
                            Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van handhaving
                            van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            voorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de wet dat de
                            betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel
                            zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan de inburgeringsplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden
                            met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel
                            5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met
                            zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
                            moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele
                            omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde re-integratie-
                            en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere sociale
                            zekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze
                            samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                            géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 10
                            mogelijk is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen de verordening
                            worden opgenomen als in artikel 10, eerste en tweede lid, lagere maximum
                            boetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De
                            verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                            uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI
                            worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                            overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen,
                            bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn
                            vaststellen. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                            bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000
                            in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan
                            de verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te
                            behalen. Dit is geregeld in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn
                            het inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een
                            bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is
                            neergelegd in artikel 10, derde lid, van de verordening. Op grond van
                            artikel 32 WI moet het college in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                            vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                            inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen
                            deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het
                            derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete vaststelt. Het
                            wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in
                            dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden
                            opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                            inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het
                            college wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De
                            maximumboete in het vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende
                            overschrijdingen van termijnen door de inburgeringsplichtige. </al><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het
                            derde lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen
                            in dat geval is er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de
                            bestuurlijke boete (tot maximaal € 1000). </al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1000 is opgenomen of
                            als de gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere maximum
                            boetebedrag vast te stellen wanneer termijnen bij herhaling worden
                            overschreden, kan het vierde lid worden geschrapt en dient het derde lid
                            als volgt te luiden: </al><al><cursief>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste &lt;BEDRAG VAN
                                MAXIMAAL € 1000&gt; indien de inburgeringsplichtige niet binnen de
                                door het college op grond van artikel 32 of 33 van de wet
                                vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.
                            </cursief></al><al>De artikelen 10 en 11 bieden in de vorm van het vaststellen van
                            maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de
                            hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college
                            zal binnen deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te
                            bevelen dat het college in beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit
                            ziet: welke boete wordt in beginsel opgelegd bij welke overtreding en
                            met welk bedrag wordt de boete in beginsel verhoogd als de betrokken
                            inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                            categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                            aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening. Het ligt voor de hand om bij vrijwillige
                            inburgeraars dezelfde criteria te hanteren als bij
                            inburgeringsplichtigen (artikel 3 van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 4 van de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 6 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is overeengekomen een
                            eigen bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage is geregeld in
                            artikel 23, tweede lid, WI. Artikel 24f bepaalt dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels moet stellen over de eventuele inning van de eigen
                            bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen.
                            Artikel 15 van deze verordening is de uitwerking van deze verplichting.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>A Toekennen van een deelnamebonus</titel></kop><al>Middels deze bepaling kan de vrijwillige inburgeraar de verschuldigde
                            eigen bijdrage terugverdienen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                            neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een
                            vrijwillige inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de
                            verplichtingen die het college kan opnemen in de beschikking waarmee een
                            voorziening voor een inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie
                            artikel 8 van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van
                            een voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot
                            het vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Op grond van artikel 24f moet de raad bij verordening regels stellen
                            over de niet-nakoming van de overeenkomst. In dit artikel legt de raad
                            de sancties vast die het college kan toepassen als de vrijwillige
                            inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd in de overeenkomst
                            niet nakomt. Gedacht kan worden aan de volgende soorten sancties: </al><lijst><li nr="-"><al>een maximale boete, waarbij het bedrag van de boete
                                    vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke boetes die het
                                    college kan opleggen als een inburgeringsplichtige de
                                    verschillende verplichtingen niet nakomt;</al></li><li nr="-"><al>een maximale boete in de vorm van een bepaald percentage van de
                                    kosten van de voorziening, waarbij de maximale hoogte van de
                                    boetebedragen vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke
                                    boetes die het college kan opleggen als een
                                    inburgeringsplichtige de verschillende verplichtingen niet
                                    nakomt. </al></li></lijst><al>Naast het opleggen van sancties, hebben gemeenten ook de mogelijkheid om
                            prestaties te belonen, bijvoorbeeld in de vorm van een bonus als een
                            vrijwillige inburgeraar aan het inburgeringsexamen of staatsexamen heeft
                            deelgenomen of daarvoor geslaagdis. Ook de bonussen kunnen in de
                            overeenkomst worden opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te
                            stellen over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                            inburgeraar. Dit artikel van de verordening is een uitwerking van deze
                            verplichting. Dit artikel is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is
                            geregeld op welke wijze het college de identiteit van een
                            inburgeringsplichtige vaststelt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>