<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16961_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Welstandsnota</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Putten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Putten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Puttens Weekblad 17-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Welstandsnota gemeente Putten</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 12 en 12a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1.c en 2.10, Besluit omgevingsrecht artikel 5.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit omgevingsrecht artikel 5.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Titel en inhoudsopgave worden gewijzigd, 1.1, 1.2, 1.5, 2.1, 2.2, 2.4, 3.1, 3.2, hoofdstuk 6, 6.1 hoofdstuk 9 en 10, begrippenlijst en bijlage c</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>193981</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ruimtelijke ordening, ontsluiting en exploitatie van gronden, volkshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>WELSTANDSNOTA</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad der gemeente Putten; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 augustus 2010,
                        nr. 193975;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 2.1.c en 2.10 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht, artikel 12 en 12a van de Woningwet en artikel 5.2
                        van het Besluit omgevingsrecht</al><al>besluit; </al><al>de Welstandsnota als volgt te wijzigen (1e wijziging)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>Algemeen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Welstandsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>De welstandsnota zoals die voor u ligt, is opgesteld in het kader
                                van de Woningwet. De nota beschrijft het welstandsbeleid van de
                                gemeente Putten en dient als toetsingskader voor het verlenen van
                                omgevingsvergunningen en het beoordelen van bestaande bouwwerken. De
                                gemeente Putten heeft bij het opstellen van de nota samengewerkt met
                                zeven andere gemeenten in de Gelderse Vallei. Dit zijn de gemeenten
                                Bunschoten, Nijkerk, Barneveld, Leusden, Woudenberg, Scherpenzeel en
                                Renswoude. Zo is voor het ruimtelijk samenhangende buitengebied één
                                welstandsbeleid ontwikkeld. Ook is gestreefd naar zorgvuldige
                                afstemming van criteria voor objecten die in meerdere gemeenten
                                voorkomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2.</nr><titel>Doel en opbouw van de welstandsnota</titel></kop><al>Een welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet
                                voorzien in de criteria die ht bevoegd gezag hanteert bij het
                                beoordelen van een bouwplan op welstandsvereisten. Het bevoegd gezag
                                is doorgaans het college van burgemeester en wethouders. Artikel 12
                                van de Woningwet stelt:"Het uiterlijk en de plaatsing van een
                                bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                                omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in
                                strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de
                                criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a." Dat
                                Artikel 12a eerste lid onder a vervolgt:"De gemeenteraad stelt een
                                welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval
                                de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij haar
                                beoordeling (…)".</al><al/><al>Een gemeente is niet verplicht om een welstandsnota vast te stellen.
                                Als een gemeente echter een bouwplan wil toetsen aan redelijke eisen
                                van welstand, kan dat alleen als er een welstandsnota is
                                vastgesteld. Een welstandsoordeel moet goed zijn onderbouwd en de
                                criteria moeten democratisch zijn vastgesteld. De welstandsnota moet
                                daaraan invulling geven op een wijze die de gevraagde duidelijkheid
                                verschaft. Daarbij biedt het, als beleidsdocument, ruimte voor
                                nieuwe accenten.</al><al/><al>Het opstellen van de welstandsnota is uiteraard ook een goede
                                gelegenheid om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als geheel tegen het
                                licht te houden en de plaats van welstand daarbij duidelijk te
                                maken. De achtergronden daarvoor worden in dit eerste hoofdstuk van
                                deel A (Algemeen) geschetst. Hoofdstuk 2 van deel A geeft een
                                overzicht van de uitvoering van het beleid en de daarin opgetreden
                                of optredende veranderingen. Een overzicht van het beschikbare
                                instrumentarium voor de welstandsnota is te vinden in hoofdstuk 3.
                                In hoofdstuk 4 en 5 wordt een ruimtelijke analyse gegeven van het
                                buitengebied en het dorp. </al><al>Het deel B (Beleidsregels) begint met hoofdstuk 6 waarin na een
                                inleiding over het gebruik van de nota de criteria voor de
                                objectgerichte criteria voor veel voorkomende objecten in het
                                buitengebied aan de orde komen. Hoofdstuk 8 zijn de te onderscheiden
                                deelgebieden van het buitengebied beschreven en van gebiedsgerichte
                                criteria voorzien. In hoofdstuk 9 zijn de te onderscheiden
                                deelgebieden van de kern beschreven en van gebiedsgerichte criteria
                                voorzien.Hoofdstuk 10 bevat de procedure voorschriften bij nieuwe
                                projecten. De in acht te nemen criteria in het kader van de
                                excessenregeling zijn in hoofdstuk 11 aangegeven. Dan volgen de
                                algemene welstandscriteria in hoofdstuk 12 en tot slot de
                                Welstandskaart in hoofdstuk 13.</al><al>In Deel C zijn bijlagen toegevoegd die het gebruik van de nota
                                kunnen vergemakkelijken, een lijst van gebruikte begrippen en de
                                volledige tekst van de algemene welstandscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3.</nr><titel>Relatie met overig ruimtelijk beleid</titel></kop><al>Welstand is een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk
                                kwaliteitsbeleid. Weliswaar een belangrijk onderdeel omdat het een
                                wettelijke basis heeft, maar het kan niet de andere inspanningen op
                                dat gebied vervangen. Voldoen aan redelijke eisen van welstand wil
                                immers zeggen dat een zeker minimum aan zorg en zorgvuldigheid aan
                                de visuele kwaliteit bij de totstandkoming van een bouwwerk is
                                besteed. Niet meer, maar ook niet minder.Juiste plannen voor een
                                goede ruimtelijke ordening zoals structuurplannen,
                                bestemmingsplannen en beeldkwaliteitsplannen blijven dus
                                onverminderd noodzakelijk.</al><al/><al>De criteria worden weliswaar in belangrijke mate ontleend aan de
                                stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke context
                                maar zijn zelf bouwkundig en situatief van aard; het gaat om het
                                bouwwerk en de plaatsing ervan. Daarbij mag de welstandstoets niet
                                in het vaarwater van het bestemmingsplan te recht komen. Het
                                bestemmingsplan regelt, voor zover nodig voor een goede ruimtelijke
                                ordening, de functie, de plaatsing en de afmetingen van bouwwerken.
                                Welstandscriteria mogen de absoluut geboden ruimte in het
                                bestemmingsplan niet wezenlijk beperken. Als het bestemmingsplan
                                alternatieve mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld in de plaatsing van
                                een bouwwerk of een zekere afwisseling in de goothoogte, dan kan een
                                negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen
                                stedenbouwkundige of architectonische oplossing afbreuk doet aan de
                                ruimtelijke beleving. Uiteraard op basis van de
                                welstandscriteria.</al><al/><al>In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die
                                zijn opgenomen in andere documenten zoals beeldkwaliteitsplannen.
                                Die moeten dan uiteraard wel voldoen aan dezelfde eisen:
                                vaststelling in de vorm van beleidsregels door de gemeenteraad,
                                inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening enzovoort.
                                Verwerking van die criteria in de losbladige welstandsnota zelf
                                verdient de voorkeur. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4.</nr><titel>Vaststelling en evaluatie</titel></kop><al>De criteria zijn opgenomen in de welstandsnota die door de
                                gemeenteraad moet worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders én
                                de welstandscommissie dienen ten minste eenmaal per jaar een verslag
                                voor te leggen aan de gemeenteraad, op grond waarvan tot bijstelling
                                van het beleid en/of de criteria kan worden besloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Juridische status</titel></kop><al>Beleidsregels leggen een door het bestuursorgaan zelf te voeren
                                beleid vast en binden daarmee "in beginsel" het bestuur. Die binding
                                berust op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze
                                beginselen verzetten zich er enerzijds tegen dat het bestuursorgaan
                                van die regels afwijkt, maar verlangen anderzijds dat iedere
                                beslissing van het bestuur op zichzelf niet met die beginselen
                                strijdt. Dit betekent dat het bevoegd gezag bij de toepassing van
                                hun welstandsbeleid moeten handelen in overeenstemming met de
                                beleidsregels die in de welstandsnota zijn neergelegd, tenzij in een
                                bijzonder geval de beginselen van behoorlijk bestuur dwingen tot een
                                afwijking daarvan. Op haar beurt betekent dit voor de
                                welstandscommissie dat zij moet adviseren conform de criteria, maar
                                kan adviseren dat het bevoegd gezag van de "inherente
                                afwijkingsbevoegdheid" gebruik maakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Uitvoering van het beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Toetsing van bouwplannen</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is verplicht om vergunningplichtige bouwwerken te
                                toetsen aan redelijke eisen van welstand. Deze redelijke eisen van
                                welstand moeten worden verwoordt in een door de gemeenteraad
                                vastgelegde welstandsnota. Bij het ontbreken van zo'n door de
                                gemeenteraad vast te stellen nota is welstandstoetsing niet meer
                                mogelijk. In geval van een reguliere bouwvergunning zijn
                                burgemeester en wethouders verplicht om een advies te vragen aan een
                                onafhankelijke welstandscommissie. In geval van een aanvraag om
                                omgevingsvergunning reguliere bouwvergunning zijn burgemeester en
                                wethouders op grond van artikel 6.2 van het Besluit omgevingsrecht
                                verplicht om een advies te vragen aan een onafhankelijke
                                welstandscommissie. In gevallen waarin burgemeester en wethouders
                                niet het bevoegd gezag zijn, betrekken zij het advies van de
                                welstandscommissie bij het advies dat zij aan het bevoegd gezag
                                uitbrengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Het welstandadvies</titel></kop><al>Het welstandsadvies op een bouwaanvraag dient tot stand te komen in
                                een openbare vergadering van de welstandscommissie en dient, zeker
                                in het geval van een negatief advies, deugdelijk te worden
                                gemotiveerd. Het bevoegd gezag kan, mits met redenen omkleed,
                                afwijken van dat advies. Dat kan zijn omdat het van oordeel is dat
                                de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist
                                heeft geïnterpreteerd of toegepast. Het bevoegd gezag heeft volgens
                                artikel 12, lid 1 sub d van de Wabo de mogelijkheid om bij ook bij
                                strijd met redelijke eisen van welstand toch de vergunning te
                                verlenen, indien zij meent dat daarvoor andere redenen zijn,
                                bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>De welstandscommissie</titel></kop><al>De wettelijke taak van de welstandscommissie is het uitbrengen van
                                adviezen aan burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of
                                het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag
                                om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van
                                welstand. Het welstandsadvies is gebaseerd op de in deze
                                welstandsnota genoemde criteria. De welstandscommissie stelt
                                jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden voor de
                                gemeenteraad.Samenstelling, inrichting en werkwijze van de
                                welstandscommissie (in Putten is dit de commissie Ruimtelijke
                                Kwaliteit van het Gelders Genootschap) zijn overigens geregeld in de
                                gemeentelijke bouwverordening waarbij onder meer de wijze van
                                openbaarheid van vergaderen, de verslaglegging van adviezen en de
                                benoemingstermijn zijn vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Excessenregeling</titel></kop><al>De gemeente heeft de mogelijkheid om repressief (achteraf) in te
                                grijpen indien bouwwerken in ernstige mate in strijd zijn met
                                redelijke eisen van welstand. Dat het geldt voor vergunningsvrije
                                bouwwerken of vergunningsvrije activiteiten zoals schilderwerk. Op
                                grond van artikel 13a van de Woningwet kan het bevoegd gezag de
                                eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. De
                                daarbij gehanteerde criteria zijn in de welstandsnota vermeld (zie
                                hoofdstuk 11).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Beleidsinstrumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>Hoewel de Woningwet vraagt om zo concreet mogelijke criteria zal het
                                duidelijk zijn dat 'recepten' voor goede architectuur niet gegeven
                                kunnen worden. Bij de zogenaamde kleine bouw kunnen de grenzen van
                                wat niet in strijd met redelijke eisen wordt geacht redelijk scherp
                                worden getrokken. Dit kan veelal door een gemandateerd ambtenaar
                                worden afgehandeld. Naarmate de complexiteit en de omvang van de
                                bouwopgave toeneemt zullen de criteria minder letterlijk worden en
                                wordt inschakeling van de welstandscommissie meer noodzakelijk. Dat
                                geeft weliswaar minder zekerheid en duidelijkheid maar het vergroot
                                tegelijkertijd de vrijheid voor vernieuwing en oorspronkelijkheid in
                                het architectonisch ontwerp. In sommige gevallen zal zelfs
                                teruggegrepen moeten worden op algemene criteria die aan ieder
                                welstandsadvies ten grondslag liggen. Dat is bijvoorbeeld het geval
                                als de indiener van een bouwplan beslist zijn eigen weg wil volgen
                                en het bevoegd gezag daaraan mee wil werken. Ook wanneer de
                                'objectcriteria' of de gebiedscriteria ontoereikend blijken zal de
                                welstandscommissie op de algemene criteria steunen in haar
                                advies.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Algemene welstandscriteria</titel></kop><al>De welstandstoetsing heeft steeds plaats gehad aan de hand van de
                                volgende aspecten:</al><al>- Het gebouw in zijn omgeving.</al><al>- Het gebouw op zichzelf.</al><al>- De detaillering.</al><al>- Het kleur- en materiaalgebruik.</al><al>Deze algemene welstandscriteria vormen een vangnet voor die gevallen
                                waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Welstandscriteria
                                zijn beleidsregels waaraan het gemeentebestuur gehouden is, maar
                                waarvan de burger mag vragen ze op zijn bouwplan niet van toepassing
                                te laten zijn. In dat geval moet het bevoegd gezag over andere
                                instructies aan de welstandscommissie kunnen beschikken. In
                                hoofdstuk 12 van de Beleidsregels wordt daar nader op ingegaan.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.</nr><titel>Welstandsniveaus</titel></kop><al>Elk gebied krijgt een "welstandsniveau" toebedeeld. Dit geeft aan in
                                welke mate de gemeente inzet op een bepaald gebied. Ook kan een
                                welstandsniveau gelden voor een bepaalde groep van bouwwerken of een
                                ruimtelijke structuur. Het welstandsbeleid in gemeente Putten kent
                                een "reguliere" toets en een "lichte" toets. Het welstandsniveau
                                heeft vooral te maken met <vet>hoe</vet> de criteria worden
                                toegepast bij de toetsing van een bouwplan. Met een reguliere toets
                                kunnen de details van een bouwplan van groter belang zijn dan bij
                                een lichte toets. </al><al/><al>Het is mogelijk dat één en dezelfde set aan welstandscriteria worden
                                toegepast bij zowel de reguliere, als bij de lichte toets. Dit
                                gebeurt in deze nota bij de bebouwde kom waar de gebieden met een
                                lichte toets worden doorsneden met linten en bij monumenten. De
                                monumenten en de bebouwing die langs deze linten staan worden met
                                een "strengere" bril getoetst aan de criteria. </al><al/><al><cursief>Reguliere toets voor buitengebied, historische kern,
                                    monumenten en beeldbepalende linten</cursief></al><al>De gebouwen in het centrumgebied, de monumenten, het buitengebied en
                                de gebouwen langs de beeldbepalende en historische routes vormen het
                                visitekaartje van de gemeente. Het is belangrijk dat er wordt
                                toegezien op het behoud en verbetering van de kwaliteit van deze
                                bebouwing.</al><al>Bij de beoordeling van bouwplannen in deze gebieden zal sprake zijn
                                van een welstandstoetsing die betrekking heeft op alle aspecten:
                                bebouwing en omgeving, het bouwwerk op zichzelf en detaillering,
                                kleur- en materiaalgebruik. De welstandsbeoordeling richt zich op
                                het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de
                                basiskwaliteit van deze gebieden. Bij de beoordeling met een
                                reguliere toets gelden de volgende aandachtsvelden:</al><al>- Relatie met omgeving</al><al>- Het bouwwerk op zichzelf</al><al>-De detaillering (waar van essentieel belang)</al><al/><al><cursief>Lichte toets voor gebieden in kern Putten</cursief></al><al>Voor bouwplannen die zijn gesitueerd in de woonwijken van de
                                bebouwde kom (met uitzondering van de historische kern, de
                                monumenten en de beeldbepalende linten) van Putten wordt een
                                "lichte" toets toegepast. Er is dan sprake van toetsing op de
                                hoofdaspecten van een bouwwerk voor wat betreft de plaatsing- en
                                situering, massa en vorm, kleur en materialen. Deel- of
                                detailaspecten van een bouwplan blijven buiten beschouwing, tenzij
                                het behoud van de bestaande kwaliteit in het geding is. Dit om te
                                voorkomen dat een bouwplan waarop globale criteria van toepassing
                                zijn, wordt geweigerd vanwege oneffenheden op detailniveau (kleur
                                kozijn, een iets te lichte kleur dakpan).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Nieuwe projecten</titel></kop><al>De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor
                                (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur
                                en karakteristiek doorbreken en waarvoor het ter plaatse geldende
                                bestemmingsplan ook geen ruimte laat. Dergelijke welstandscriteria
                                kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet
                                stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt.</al><al>De welstandsnota beperkt zich in dit verband tot een
                                procedurevoorschrift (zie hoofdstuk 10). Daarbij is tevens een
                                constructie nodig wanneer met het bouwen begonnen wordt voordat de
                                gemeenteraad de nieuwe welstandscriteria heeft vastgesteld.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Ruimtelijke analyse buitengebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>In samenwerking met zeven andere Gelderse Valleigemeenten heeft
                                Putten een gebiedsdocument voor het gemeenschappelijke buitengebied
                                van deze gemeenten op laten stellen. De navolgende hoofdstukken zijn
                                aan dit document ontleend in een op de gemeente Putten toegespitste
                                vorm.</al><al/><al>Het gemeenschappelijk plangebied omvat acht gemeenten, namelijk
                                Bunschoten, Nijkerk, Putten, Barneveld, Leusden, Woudenberg,
                                Scherpenzeel en Renswoude.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Onwikkelingsgeschiedenis.</titel></kop><al>De ontwikkelingsgeschiedenis van deze regio zal terug gaan tot voor
                                de Saale-ijstijd. Deze ijstijd, zo'n 200.000-120.000 jaren geleden,
                                volgde op een periode met een klimaat dat vergelijkbaar is met het
                                huidige. De Gelderse Vallei, waarvan de naam enigszins verwarrend is
                                doordat de westzijde bij de provincie Utrecht hoort, was toen het
                                stroomdal van de Maas. Het stroomdal boog in de ijstijd westwaarts
                                af door grote veranderingen in het landschap.Tijdens de
                                Saale-ijstijd drong landijs vanuit Scandinavië Nederland binnen. Dit
                                landijs had een sterke schurende werking en vormde glaciale bekkens.
                                De Gelderse Vallei is een van die glaciale bekkens. Aan de randen
                                van het ijs werd door de druk de bevroren ondergrond weggeduwd tot
                                stuwwallen.</al><al/><al>De stuwwallen aan weerszijde van de Gelderse Vallei zijn de
                                Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De steile wanden van de stuwwallen
                                zijn in de loop van de tijd afgevlakt en het bekken is opgevuld met
                                materiaal dat door rivieren is aangevoerd. Door het stijgen van de
                                zeespiegel na de ijstijd heeft er in de Vallei kleiafzetting
                                plaatsgevonden die een ondoordringbare laag heeft gevormd in de
                                bodem. De wind heeft er zand afgezet in de vorm van dekzandruggen
                                van zand dat afkomstig was van onder andere de stuwwallen. Buiten de
                                dekzandruggen bestond het gebied vooral uit natte heide, moeras en
                                kleine vennen. In de lagere delen op de natte plekken heeft
                                veenvorming plaats kunnen vinden. Doordat het water in deze regio in
                                noordwestelijke richting afstroomt en door het asymmetrische profiel
                                van de Vallei is het veen vooral aan de westzijde, dicht tegen de
                                Utrechtse Heuvelrug gelegen. </al><al/><al>Deze natuurlijke driedeling in de regio zorgt voor een grote
                                variatie in het landschap en heeft de ontwikkeling van het
                                cultuurlandschap in grote mate bepaald. Als eerste werden de hogere
                                delen van het gebied in gebruik genomen voor landbouw en bewoning.
                                Doordat in de Vallei alleen de dekzandruggen geschikt waren voor
                                bewoning en landbouw, is het resultaat een landschap met verspreide
                                boerderijen. Dit kleinschalige landschap in het centrum van de
                                Vallei met onregelmatige blokverkaveling wordt het hoeven- of
                                Kampenlandschap genoemd. Dit landschap is ook wel bekend als het
                                coulisselandschap.</al><al/><al>Eeuwenlang bestond de landbouw in de Gelderse Vallei voornamelijk
                                uit akkerbouw. Rogge en boekweit waren de belangrijkste gewassen.
                                Het vee dat werd gehouden was nodig om het bouwland te kunnen
                                bemesten en bewerken en stond dus in dienst van de akkerbouw. Met de
                                komst van kunstmest kwamen er nieuwe mogelijkheden voor de landbouw
                                en werd het areaal landbouwgrond vergroot, de heidegrond werd
                                ontgonnen. Een andere grote verandering in het landschap vond plaats
                                door het kanaliseren van natuurlijke waterlopen.Een bijzonder geval
                                in dat opzicht is de aanleg van De Grift (ten zuiden van
                                Amersfoort), waartoe in 1550 is besloten. De Grift heeft naast het
                                waterstaatkundige belang (goede waterafvoer), een belangrijke rol
                                vervuld bij het transport van de afgegraven turf.</al><al/><al>Maar een klein deel van de Vallei is systematisch ingericht,
                                namelijk de broekontginningen. Deze ontginningen zijn te herkennen
                                aan de strookvormige verkaveling, waarbij de sloten voor de
                                ontwatering en afvoer van turf bijna even belangrijk waren als de
                                percelen. Doordat er werd ontgonnen vanuit de hoger gelegen ruggen
                                ontstonden er lintdorpen. In de 17<sup>e</sup> eeuw en later zijn
                                tal van landgoederen en buitenplaatsen tot ontwikkeling gekomen.
                                Deze zijn voornamelijk gesitueerd aan de rand van de stuwwal en op
                                de dekzandruggen. Deze landgoederen omvatten elementen van de
                                verschillende landschapstypen, parken, boscomplexen, agrarisch
                                gebied en natuurterreinen, waaronder heidevelden. Ook zijn er enkele
                                verdedigingswerken opgezet langs de grens van de provincies Utrecht
                                en Gelderland die inmiddels zijn uitgegroeid tot landhuizen of
                                landgoederen.De jongste ontginningen zijn de heide- en
                                broekontginningen. Vanaf 1850 zijn nagenoeg alle resterende heide-
                                en broekgebieden ontgonnen. Nog maar enkele heidegebieden zijn in
                                het huidige landschap aanwezig. Deze heide- en broekontginningen
                                zijn grootschalig en rationeel ingedeeld. Het landschap is vaak arm
                                aan beplanting en omdat de ontginning relatief kort geleden plaats
                                heeft gevonden komt er weinig oude bebouwing voor. Een belangrijk
                                historisch element in deze regio is de Grebbelinie. De Grebbelinie
                                was een waterlinie en diende om de vijand zo lang mogelijk tegen te
                                houden om de verdedigingslinie rond de Hollandse Waterlinie op
                                sterkte te krijgen. De Vallei was door zijn slechte afwatering een
                                moeilijk te doorkruisen gebied. Alleen de wegen, die altijd op
                                hogere delen zijn aangelegd, hoefden te worden verdedigd. Om de
                                doorkruising moeilijker te maken zijn delen van het gebied
                                geïnundeerd. De benodigde hoeveelheid water werd verminderd door het
                                gebied op te delen in kleinere kommen en met sluizen met elkaar te
                                verbinden. Het hoogteverschil tussen de eerste en laatste kom
                                bedroeg 6.5 meter. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Ontwikkeling bebouwing en infrastructuur</titel></kop><al>Het landschap heeft verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Het
                                land is ontgonnen en er zijn steeds meer kernen ontstaan die zich
                                vervolgens uitbreidden. Ook de infrastructuur wordt in de loop der
                                jaren steeds beeldbepalender.</al><al>Omstreeks 1850</al><al>In 1850 waren er kleine nederzettingen die door middel van
                                doorgaande wegen en paden met elkaar verbonden waren. </al><al>Omstreeks 1930</al><al>Het beeld is wat geïntensiveerd ten opzichte van 1850: de kernen en
                                het stelsel van (hoofd-)wegen zijn enigszins uitgebreid. De grootste
                                verandering betreft de aanleg van spoorlijnen.</al><al>Omstreeks 2000</al><al>De daarop volgende zeventig jaar zijn de kernen fors gegroeid,
                                vooral vanaf de jaren vijftig. Daarbij is een nieuwe
                                ontsluitingsstructuur toegevoegd in de vorm van de diverse
                                snelwegen. De meeste hoofdwegen van 1850 vervullen nu nog een
                                belangrijke functie in het gebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Landschapstypen</titel></kop><al>De ontstaansgeschiedenis heeft tot een vijftal landschapstypen
                                geleid (zie afbeelding Landschapstypen Gelderse Vallei). Deze
                                landschapstypen hebben ieder een eigen karakter, maar vormen tezamen
                                het landschap van de Gelderse Vallei en de stuwwallen. Het
                                onderscheid naar deze landschapstypen is in het kader van de
                                voorliggende welstandsnota relevant, omdat het de basis kan zijn
                                voor een differentiatie van de welstandscriteria. Dat houdt vooral
                                verband met de mate van openheid en zichtbaarheid en daarmee aan het
                                maatschappelijk belang dat aan een bouwwerk gehecht wordt, waardoor
                                aan aspecten als kleurstelling en detaillering een verschillend
                                belang toegekend kan worden. Voor Putten gelden de landschapstypen:
                                Polderlandschap, Kampenlandschap en Heideontginningslandschap).</al><al/><al><cursief>Plaatje: Landschapstypen Gelderse Vallei</cursief></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1.</nr><titel>Polderlandschap</titel></kop><al>Het polderlandschap bevindt zich in het noorden van de Gelderse
                                Vallei, binnen de gemeenten Bunschoten, Nijkerk en Putten. </al><al/><al><cursief>Landschapspatroon</cursief></al><al>Het polderlandschap is een grootschalig en zeer open landschap met
                                weinig bebouwing. Het uiterlijk van de polder is door de eeuwen heen
                                grotendeels gelijk gebleven. Na de ontginning van de veenwildernis
                                werd ieder perceel aan beide zijden ontwaterd door sloten.
                                Voortdurende afwatering leidde echter tot een daling van het
                                maaiveld, waardoor de boeren genoodzaakt waren om gezamenlijk een
                                oplossing te bedenken. Vanaf de zestiende eeuw werd de afwatering
                                grootschalig aangepakt met de aanleg van een wetering en/of sluis.
                                Zo ontstonden de eerste polders. Sloten en wegen zijn
                                structuurbepalend in het landschap. De grond wordt vooral gebruikt
                                als grasland met schaars verspreide bebouwing en beplanting langs de
                                wegen. </al><al/><al>Plaatje: Kenmerken Polderlandschap</al><al>Plaatje: Voorbeeld bebouwingscomplexen in het polderlandschap</al><al/><al>De openheid van de (Eem-)polders is ontstaan als gevolg van een
                                eeuwenlange wisselwerking tussen de natuurlijke omstandigheden en
                                het occupatiepatroon. Het drassige gebied werd vanaf de randen
                                ontgonnen. De polders hebben nu vaak nog een agrarische functie. </al><al/><al>De boerderijen in het polderlandschap hebben over het algemeen een
                                geordende opzet, binnen het landschappelijke patroon. Dat geldt
                                zeker voor de boerderijen van een meer recente datum. De situering
                                is op enige afstand tot de weg, met de woning wat vooruitgeschoven
                                ten opzichte van de bedrijfsgebouwen. Erfbeplanting vormt veelal een
                                samenhangend patroon waarin de bebouwing is opgenomen.</al><al/><al><cursief>Veranderingen in de tijd</cursief></al><al>Het polderlandschap is in de loop der tijd weinig veranderd: de
                                ontgonnen structuur is behouden gebleven. De toevoeging betreft
                                bebouwing langs de hoofdwegen. </al><al/><al><cursief>Plaatje: Historische ontwikkeling</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Kampenlandschap</titel></kop><al>Het kampenlandschap is gelegen op lange smalle dekzandruggen langs
                                de oost-west gerichte beeklopen. Het is een kleinschalig landschap
                                van individuele ontginningen, de kampen. Op de zandrug liggen de
                                bouwlanden, door singels, houtwallen en kleine bossen omgeven
                                waarbij de mogelijkheden voor de jacht vaak een belangrijke
                                drijfveer bij de inrichting zijn geweest.Langs de zandrug liggen de
                                nattere gronden, de beekdalen, die als weide en hooiland dienst
                                deden. De bebouwing ligt in clusters en vormt dan vaak een
                                langgerekt lint langs de beekdalen of ligt verspreid. Soms is de
                                bebouwing gegroepeerd in kleine buurtschappen. </al><al/><al>Binnen het kampenlandschap komen veel landgoederen en buitenplaatsen
                                voor. Vanwege hun verschijningsvorm zijn ze toegedeeld aan het
                                kampenlandschap. Ze omvatten vaak ook delen van voormalige
                                heidegebieden. Met name in het zuidelijke deel van de Gelderse
                                Vallei is sprake van een aantal grote landgoederen die omvangrijke
                                landschappelijke eenheden vormen. Naast de imposante hoofdgebouwen
                                behoren vaak vele boerderijen (hofsteden), woningen en koetshuizen
                                tot die landgoederen. Veelal is hierbij sprake van een bindende
                                kleurstelling en detaillering.</al><al/><al>Boerderijen liggen op de smalle zandrug met de achterzijde naar de
                                natte gronden van de beekdalen. De situering is gevarieerd: direct
                                aan en op enige afstand tot de weg. Erfbeplanting en houtsingels
                                vormen een samenhangend patroon waarin de bebouwing is opgenomen.
                                Beplanting in de vorm van kleine bosjes en houtsingels als
                                afscherming tussen het erf en de akkers en weiden. </al><al/><al><cursief>Plaatje: Kenmerken Kampenlandschap</cursief></al><al><cursief>Plaatje: Voorbeelden bebouwingscomplexen in het
                                    kampenlandschap</cursief></al><al/><al>Door schaalvergroting wordt de kleinschalige afwisseling van het
                                landschap minder duidelijk. Beplantingselementen verdwijnen en
                                nieuwe bebouwing verschijnt op plaatsen waar vanouds geen bebouwing
                                stond. De vroeger herkenbare structuur van het Kampenlandschap
                                vervaagt hierdoor. Veranderingen in de tijdHet kampenlandschap is
                                niet wezenlijk veranderd. Het idee van de kleinschaligheid is nog
                                duidelijk te zien door de groenstroken langs de kavels. De kavels
                                zijn wel iets groter geworden, onder andere door de
                                schaalvergroting. Verspreid over het gebied is er steeds meer
                                bebouwing bijgekomen.</al><al/><al><cursief>Plaatje: 1850, 1930, 2000</cursief></al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3.</nr><titel>Heideontginningslandschap</titel></kop><al>Langs de flank van de Veluwe bevindt zich het
                                heideontginningslandschap.</al><al/><al>De vaak omvangrijke heidegebieden zijn ontgonnen in een rationeel
                                patroon. Een gemeenschappelijk beeld binnen deze verschillende
                                gebieden ontbreekt. Bebouwing komt verspreid voor in het gebied. De
                                kavels liggen aan lange, doorgaande wegen. Het landschap is meestal
                                arm aan beplanting. Door gelijkmatige verdeling van de bebouwing en
                                het ontbreken van beplanting mist het landschap variatie en
                                geleding. De bebouwing bepaalt het beeld van het landschap.</al><al>Van oudsher komen in dit gebied schaapskooien voor, om de mest van
                                de schapen te verzamelen voor de bemesting van de akkers. Het zijn
                                markante kleine gebouwen met een grote ononderbroken kap, tot zeer
                                dicht boven de grond doorlopend. Van oorsprong waren de wanden van
                                hout, maar velen hebben later een bakstenen voet gekregen.</al><al/><al>De kavels hebben een verschillende inrichting waarbij de nadruk ligt
                                op functionaliteit. Het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte zijn
                                veelal gescheiden.</al><al/><al><cursief>Plaatje:Kenmerken Heideontginningslandschap</cursief></al><al><cursief>Plaatje:Bebouwing in
                                heideontginningslandschap</cursief></al><al/><al>In het relatief jonge landschap is verdergaande schaalvergroting in
                                de landbouw duidelijk zichtbaar. Dat heeft tot een ingrijpende
                                verandering van het landschap geleid, met grootschalige
                                bedrijfsgebouwen (met name bio-industrie) in grote aantallen en op
                                beperkte oppervlakten. </al><al/><al><cursief>Veranderingen in de tijd</cursief></al><al>Het heideontginningslandschap is veel veranderd de afgelopen 150
                                jaar. Gedeeltelijk moesten de heidevelden in 1850 nog ontgonnen
                                worden. Ook is er veel bebouwing bijgekomen. De oppervlakte van de
                                kavels is in de loop der tijd vergroot voor de realisering van
                                grootschalige bedrijfsgebouwen voor de bio-industrie. Anderzijds is
                                een visuele versnippering opgetreden door de plaatsing van hoofd- en
                                bijgebouwen. Dat is op grote schaal gebeurd, waarmee de ruimtelijke
                                karakteristiek van het landschap sterk is veranderd. </al><al/><al><cursief>Plaatje: Historische ontwikkeling</cursief></al><al/><al>Het boslandschap bevindt zich op de flanken van de Veluwe in
                                respectievelijk de gemeenten Putten en Barneveld. </al><al/><al><cursief>Landschapspatroon</cursief></al><al>Het laatste landschap dat zich in deze regio bevindt is het
                                boslandschap. De Veluwe is een bosgebied met grote heideterreinen en
                                stuifzandgebieden. Tevens heeft het landschap van de Veluwe meer
                                variatie en een hogere natuurwaarde dan het landschap van de
                                Utrechtse Heuvelrug. Binnen het plangebied bevinden zich op de
                                Veluwe kleine dorpen. In de gemeente Putten ligt het dorp Koudhoorn,
                                in de gemeente Barneveld zijn de dorpen Kootwijk en Garderen. </al><al/><al>Kenmerkende bebouwingstypen zijn niet te noemen, aangezien er
                                relatief weinig bebouwing in het gebied te vinden is. Wel bevinden
                                zich er veel militaire oefenterreinen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Bebouwing</titel></kop><al>Er zijn, zoals in de vorige paragrafen omschreven, verschillende
                                landschapstypen te onderscheiden. De bebouwing die zich in het
                                gebied voordoet, blijkt slechts in geringe mate verband te houden
                                met het landschapstype; de verschillen houden vooral verband met de
                                tijd waarin de bebouwing is opgericht. Voor de voorliggende
                                welstandsnota zijn met name de recente ontwikkelingen van belang
                                zijn. Ook daarvoor geldt dat zich in de Gelderse Vallei
                                vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan. Om die reden is de
                                bebouwing in objectcriteria ondergebracht, zoals
                                hallenhuisboerderij, bedrijfsbebouwing, agrarische bedrijfswoning en
                                recreatieterreinen.</al><al/><al>In de periode van de jaren '80 tot heden hebben zich in grote delen
                                van de Gelderse Vallei ingrijpende veranderingen voorgedaan. Dat
                                betreft processen van verandering en schaalvergroting binnen de
                                agrarische sector. Dat gaat gepaard met een schaalvergroting van de
                                agrarische opstallen. Bovendien heeft de bio-industrie grote
                                ruimtelijke consequenties, door de grote stallen en de grote
                                aantallen.</al><al/><al>Die processen hebben bovendien tot gevolg dat boerderijen
                                'overbodig' worden en ruimte gaan bieden aan andere niet-agrarische
                                activiteiten en wonen. Met name het wonen heeft een enorme vlucht
                                genomen. Men treft in de periode van de jaren '80 tot heden
                                hoofdzakelijk twee stromen of bouwstijlen in het buitengebied aan.
                                De eerste stroming tracht op een respectvolle manier om te gaan met
                                de historische bouwstijl van de hallenhuizen door de
                                hoofdkarakteristiek terug te brengen in de nieuwbouw. Hierbij is
                                echter niet langer sprake van woonhuis en bedrijfsgedeelte onder een
                                kap, maar van alleen wonen. Door verandering in de schaal zijn de
                                bouwwerken niet zo omvangrijk als de oorspronkelijke. Met het
                                toepassen van een forse kap (zadeldak met wolfseinde) met riet of
                                donkere pannen gaan de oorspronkelijke verhoudingen daarbij evenwel
                                verloren, waarmee veeleer een compact beeld ontstaat, dat als
                                storend kan worden ervaren. Dit wordt versterkt wanneer men flinke
                                aanbouwen of uitbouwen ook nog voorziet van een forse kap. </al><al/><al>De tweede stroming probeert afstand te nemen van de historische
                                stijlen door het gebruik van contrasterende materialen en kleuren.
                                Hout wordt veel toegepast in lichte tot donkere kleuren (meestal wit
                                tot donkergroen, maar ook lichtgeel en zalmkleurige tinten), vooral
                                als accent in de puntgevel. Zo ontstaat een duidelijk verschil in de
                                opbouw met een rode gemetselde begane grond met donkere plint en een
                                houten puntgevel. De daken zijn in het algemeen zadeldaken en vaak
                                voorzien van dakkapellen met houten zijwangen. Ze zijn gedekt met
                                donkerbruine tot antracietkleurige pannen (donker geglazuurde pannen
                                komen ook voor; deze zijn zeer opvallend aanwezig). Soms ziet men
                                toch overeenkomsten met de jaren '30 stijl met grote oversteken van
                                de dakgoten met witte randen.</al><al/><al>De nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing behoort eveneens tot de
                                tweede stroming, al speelt daar vooral de efficiency een rol. De
                                huidige agrarische bedrijfsvoering is vooral gebaat bij grote,
                                goedkope en goed te gebruiken ruimten. Dat uit zich in het gebruik
                                van damwandprofielen bij de gevels en golfplaten afdekkingen. Dit
                                wordt in vele situaties als ruimtelijk storend ervaren. Dat wordt
                                verminderd indien donkere tinten en profielen worden gebruikt en als
                                een duidelijke plint van metselwerk aanwezig is.</al><al/><al>Door aanpassingen en toevoegingen varieert het huidige beeld van een
                                agrarisch bedrijf. Bijgebouwen of schuren zijn in de loop van de
                                tijd, door behoefte aan meer overkapte ruimte, achter of zelfs
                                rondom het hoofdgebouw geplaatst.Vaak is ook het hoofdgebouw
                                uitgebreid. Van kleine ingrepen in het verleden tot hedendaagse
                                uitbouwen of aanbouwen die door hun proporties de 'leesbaarheid' van
                                het gebouw aantasten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de
                                uitbouwen de verhoudingen en inhoud van een woonhuis krijgen. De
                                aanbouw is dan niet meer ondergeschikt te noemen, vooral als de
                                kapvorm dominant wordt.</al><al/><al>De hoofdopzet van een agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw
                                (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op
                                door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en
                                nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met
                                de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook
                                geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een
                                nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de 'rustende boer')
                                naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet. </al><al/><al>Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange stallen en één of
                                meer werktuigbergingen of schuren. Het gaat voor het merendeel om
                                grote, eenvoudige, lange, rechthoekige constructies met een zadeldak
                                gedekt met donkergrijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn
                                gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in
                                halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een groene
                                damwandprofiel. Overwegend is sprake van een asymmetrisch zadeldak
                                en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen
                                vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een
                                plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn
                                gesitueerd afhankelijk van de diepte of de breedte van de kavels.
                                Bij smalle en diepe kavels (polderlandschap en
                                veenontginningslandschap) staan de meeste bijgebouwen met de
                                nokrichting evenwijdig aan de nokrichting van het hoofdgebouw. Bij
                                brede en ondiepe kavels (kampenlandschap en
                                heideontginningslandschap) kunnen de bijgebouwen haaks staan ten
                                opzichte van het hoofdgebouw.</al><al/><al>De mate waarin zich nieuwbouwinitiatieven hebben voorgedaan
                                verschilt binnen de Gelderse Vallei. In algemene zin kan gesteld
                                worden dat in delen van met name de gemeenten Barneveld, Putten en
                                Nijkerk veel burgerwoningbouw is gerealiseerd, vooral in de laatste
                                tien jaren. Die initiatieven zorgen voor een zekere eenvormigheid
                                binnen het gebied. Bovendien zijn hier diverse recreatieterreinen
                                ontstaan met recreatiewoningen, bungalows en stacaravans in diverse
                                vormen en kleuren.De constateringen van dit hoofdstuk hebben geleid
                                tot het opstellen van de in hoofdstuk 8 genoemde objectgerichte
                                criteria voor het buitengebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Ruimtelijke structuur van het dorp Putten</titel></kop><artikel><kop><label/><titel>Algemeen</titel></kop><al/><al>Putten is een landelijke gemeente in het hart van Nederland. Er
                                wonen ruim 23.000 mensen (1 januari 2003). De oppervlakte bedraagt
                                ruim 8.500 honderd hectare.De gemeente ligt gedeeltelijk in het
                                grootste aaneengesloten bosgebied van Nederland, het Centraal Veluws
                                Natuurgebied. Het noordwesten van de gemeente wordt begrensd door
                                het Randmeer.Het grootste deel van het grondgebied van Putten
                                bestaat uit het landelijke buitengebied met een boeiend en
                                afwisselend landschap van bossen, heide en weilanden. De
                                geschiedenis van Putten gaat terug tot de vroege Middeleeuwen. Uit
                                het jaar 855 dateert het oudste schriftelijke bewijs, waaruit blijkt
                                dat hier reeds sprake was van een gemeenschap van mensen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label/><titel>Nederzettingspatroon</titel></kop><al>Het afwisselende landschap van de gemeente Putten is ontstaan
                                tijdens de ijstijd. Het dorp Putten ligt op een kruispunt van wegen,
                                in een gebied waar bossen, kampen en essen samenkomen. Het landschap
                                ontleent zijn identiteit aan het plaatselijk reliëf en de
                                afwisseling tussen oude bosrelicten, heidevelden en
                                kampontginningen. De verscheidenheid aan landschapstypen is erg
                                groot. De bossen en kampen zijn, in tegenstelling tot de essen, nog
                                duidelijk herkenbaar in het landschapsbeeld. In het westen van de
                                gemeente Putten zijn lage gebieden, in het midden het stroomdal
                                afgewisseld met dekzandruggen en in het oosten de stuwwal, het
                                Veluwemassief.De nauwe relatie, die eeuwenlang tussen het dorp
                                Putten en zijn omgeving heeft bestaan, is van groot belang geweest
                                voor de structuur van het dorp. De meeste wegen zijn op de oostelijk
                                gelegen bossen georiënteerd. Het plaatselijk reliëf en de daaraan
                                gerelateerde grondwaterstand zijn in sterke mate bepalend geweest
                                voor het nederzettingspatroon. Het dorp Putten is van oorsprong een
                                kruispuntnederzetting met een groot aantal buurtschappen daaromheen.
                                Norden, Bijsteren, Halvinkhuizen en Krachtighuizen zijn daar
                                voorbeelden van. Het dorp is gevormd in de omgeving van het
                                kruispunt 'De Pol'. De naam van het kruispunt duidt op een hoogte
                                die ter plaatse aanwezig was. Op deze hoogte kruisten oude wegen
                                elkaar. Deze wegen heten nu de Achterstraat, de Garderenseweg, de
                                Kerkstraat, het Molenwegje en de Bakkerstraat. De plek was goed
                                geschikt voor bewoning en vanaf dit punt is het dorp ontstaan. </al></artikel><artikel><kop><label/><titel>Ruimtelijke ontwikkeling van het dorp Putten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label/><titel>Ruimtelijke ontwikkeling van het dorp Pn</titel></kop><al/><al><cursief>Ruimtelijke ontwikkeling van het dorp Putten
                                </cursief></al><al>Omstreeks 1850 bestond Putten uit enkele straten waarlangs een
                                mengeling van woonhuizen en boerderijen stond. Tegenwoordig zijn er
                                in de omgeving nog veel landgoederen en kastelen te vinden. Oude
                                boerderijen en schaapskooien vormen een afspiegeling van de
                                eeuwenoude relatie, die tussen de dorpskern en het landschap heeft
                                bestaan. Alle boerderijen zijn tussen de
                                Voorthuizerstraat-Harderwijkerstraat en het Nuldernauw gesitueerd.
                                De boerderijen zijn karakteristieke Veluwse boerderijen met
                                wolfeinden.</al><al/><al>Markante en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zijn in het
                                centrum van Putten gesitueerd. De achtkantige korenmolen aan de
                                Engweg werd in 1899 gebouwd. De molen is vanuit de wijde omtrek
                                zichtbaar. Het dorpsbeeld wordt tevens bepaald door de kerktorens en
                                de aanwezigheid van enkele monumentale gebouwen. De meeste van
                                dergelijke panden zijn aan oude invalswegen gesitueerd.</al><al/><al>Twee markante plekken in het dorp zijn het kerkhof aan de Engweg en
                                het kerkhof aan de Brinkstraat. Het kerkhof ten noorden van de
                                Engweg lag er al in 1850. In de vijftiger jaren van de negentiende
                                eeuw is het kerkhof ten zuiden van de Engweg uitgebreid. Tot die
                                tijd lagen de kerkhoven nog aan de rand van het dorp.</al><al/><al>De unieke ligging aan de rand van het Veluwemassief en de aanleg van
                                een spoorlijn in 1863 ten westen van het dorp hadden een toename van
                                het toerisme en de hoeveelheid forensen tot gevolg. Daardoor zijn er
                                aan de oostkant van putten enkele villawijken in het bos ontstaan.
                                Het vreemdelingenverkeer begon zich te ontwikkelen. Pensions, hotels
                                en de verhuur van gemeubileerde kamers kwamen in opkomst. Toen men
                                aan het eind van de vorige eeuw de waarde van de bossen als
                                leverancier van zuivere lucht en van een gezond klimaat ontdekte,
                                werd Putten een bekend vakantie- en kuuroord. Ook werd Putten een
                                bekende vestigingsplaats voor gepensioneerden voor tweede woningen
                                van gegoede burgers. </al><al/><al>Tot 1950 is het dorp op organische wijze gegroeid. De wegen vanuit
                                de oude kern werden volgebouwd, waardoor meerdere linten zijn
                                ontstaan.Hierna vonden planmatige uitbreidingen plaats tussen de
                                linten in noordelijke en oostelijke richting. Vervolgens werd de
                                periferie van het dorp volgebouwd. In de jaren '60 is rond de
                                bebouwde kern tegen het bos aan een ringweg aangelegd, de
                                Bosrand-Calcariaweg-Sprielderweg-Van Geenstraat. Deze weg sluit aan
                                de noordzijde aan op de Harderwijkerstraat en aan de zuidkant op de
                                Oude Rijksweg naar Nijkerk. In de zeventiger en tachtiger jaren
                                werden woningen gebouwd op de Putter Eng, ten zuiden van de oude
                                kern. Het oorspronkelijke essenlandschap en veel oude landwegen
                                verdwenen hierdoor. Projectmatige woningbouw is ook gerealiseerd in
                                het centrum, waar enkele inbreidings-projecten hebben
                                plaatsgevonden. De ruimtelijke ontwikkeling van het dorp is ongeveer
                                kloksgewijs verlopen. Doordat de historische kern altijd het centrum
                                van het dorp is gebleven, is buiten het centrum de woonfunctie
                                dominant. </al><al/><al><vet>De ruimtelijke ontwikkeling van het dorp Putten in de 20e
                                    eeuw</vet></al><al><cursief>Plaatje:</cursief></al><al><cursief>In 1927 was Putten een kleine nederzetting aan de rand van
                                    de Veluwe, die bestond uit lintbebouwing en enkele landgoederen
                                    in de omgeving</cursief></al><al><cursief>Plaatje: </cursief></al><al><cursief>Het infrastructuurnetwerk is uitgebreid. Putten heeft een
                                    groot aantal woningen gerealiseerd. Ten noorden en oosten van de
                                    oude kern is men gaan uitbreiden, ook in het bos zijn woningen
                                    geplaatst</cursief></al><al><cursief>Plaatje: </cursief></al><al><cursief>De vraag naar woningen zet door en Putten groeit snel. De
                                    bebouwing gaat als een klok om de oude kern heen. Bij het spoor
                                    ontwikkelt zich een industrieterrein.</cursief></al><al><cursief>Plaatje: </cursief></al><al><cursief>De oude kern is inmiddels omringd door bebouwing. Een
                                    nieuwe wijk is ontstaan ten oosten van de Oude Rijksweg. Er is
                                    een ringweg, de Bosrand aangelegd rond de bebouwing van Putten
                                    die de kern begrenst.</cursief></al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Inleiding welstandscriteria</vet></al><al/><al><cursief>Gebruik van de welstandscriteria</cursief></al><al>De welstandsnota is geen leesboek. Het zal in de praktijk vooral worden
                            gebruikt om (liefst vooraf) na te gaan met welke eisen de indiener van
                            een bouwaanvraag te maken krijgt bij de vraag of het uiterlijk en de
                            plaatsing van het bouwwerk niet in strijd zijn met redelijke eisen van
                            welstand. Blijkt de aanvraag aan de kenmerken te voldoen om
                            vergunningsvrij gebouwd te mogen worden dan kan het boek zelfs gesloten
                            blijven, er wordt dan in principe niet op welstand getoetst. Voor
                            bouwplannen gelden de gebiedscriteria en eventueel de objectcriteria
                            voor bepaalde grote bouwwerken. Over de interpretatie van die
                            gebiedscriteria waakt de welstandscommissie. Bij twijfel daarover is het
                            verstandig om in een vroeg stadium met de (secretaris van) de commissie
                            te overleggen. </al><al/><al><cursief>Lichte toets voor gebieden in kern Putten</cursief></al><al>In het geval van een 'normale' woonstraat of een bedrijventerrein gaat
                            het vooral om het handhaven en stimuleren van een zekere basiskwaliteit
                            voor de dagelijkse woon- en leefomgeving. Daarbij zal steeds de omgeving
                            uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met daarnaast specifieke
                            kenmerken van de bebouwing zelf en/of de detaillering en het kleur- en
                            materiaalgebruik ervan. Voor bouwplannen die zijn gesitueerd binnen de
                            gebieden van hoofdstuk 9 wordt bij de toepassing van de
                            welstandscriteria een "lichte" toets toegepast. Er is daarbij sprake van
                            toetsing op de hoofdaspecten van een bouwwerk voor wat betreft de
                            plaatsing- en situering, massa en vorm, kleur en materialen. Deel- of
                            detailaspecten van een bouwplan op zichzelf blijven buiten beschouwing.
                            Dit om te voorkomen dat een bouwplan waarop globale criteria van
                            toepassing zijn, wordt geweigerd vanwege oneffenheden op detailniveau
                            (kleur kozijn, een iets te lichte kleur dakpan).</al><al/><al><cursief>Inhoud van de welstandscriteria</cursief></al><al>De welstandscriteria beogen, zo duidelijk mogelijk, weer te geven wat er
                            van de aanvrager wordt verwacht betreffende plaats en uiterlijk van zijn
                            bouwplan. Die maatstaven kunnen redelijk objectief zijn als het om
                            kleine bouwwerken zoals dakkapellen en aanbouwen gaat. Genoemd kunnen
                            worden de voor- en achterkant van de woning, de maatvoering, de
                            hoofdvorm en de wijze van afdekking, de kleur en het materiaalgebruik.
                            Bij grotere bouwwerken wordt met relatieve criteria gewerkt die
                            verwijzen naar de kenmerken van de directe of wijde omgeving waarin
                            gebouwd gaat worden. Daarbij worden dezelfde aspecten genoemd zoals de
                            zichtbaarheid vanaf de weg, de plaats, de vorm, de kleuren enzovoort
                            maar dan in verwijzende zin, het bouwwerk moet in zijn omgeving passen.
                            Dat is vervolgens het beoordelingskader voor de welstandscommissie.Die
                            criteria geven aldus een ondergrens aan, strikt genomen zijn ze bedoeld
                            om bouwplannen die niet in de omgeving passen te weren. Dat is ook
                            primair de bedoeling van het welstandstoezicht. Maar het spreekt voor
                            zich dat de gemeente hoopt dat de criteria ook aanleiding zijn om boven
                            dat minimum uit te stijgen en wil daar ook ruimte voor geven.</al><al/><al><cursief>Afwijken van de welstandscriteria</cursief></al><al>Duidelijkheid (van de welstandscriteria) en vrijheid (voor de indiener
                            van een bouwplan) gaan niet altijd samen. Criteria, die vooraf worden
                            opgesteld brengen onontkoombaar beperkingen met zich mee, die niet
                            altijd redelijk zijn. Ze kunnen ontoereikend zijn voor juist dat ene
                            geval dat zulke bijzondere omstandigheden kent dat afwijken van de
                            criteria gerechtvaardigd is. Er kan ook sprake zijn van een bijzondere
                            oplossing, die weliswaar op een of meer punten van de criteria afwijkt
                            maar die toch goed in de omgeving past of zelfs een verrijking voor de
                            buurt betekent. Voor die gevallen kan de systematiek van de
                            welstandsnota als volgt worden ingezet. Een regulier vergunningplichtig
                            bouwwerk dat niet aan de gebiedscriteria voldoet kan op gemotiveerde
                            aanvraag worden voorgelegd aan de welstandscommissie met de vraag of het
                            op de afwijkende punten de toets van de algemene welstandscriteria kan
                            doorstaan. Gezien de interpretatieruimte die de gebiedscriteria bieden
                            mogen in dat geval bijzondere eisen aan het architectonisch vakmanschap
                            worden gesteld. Het gaat immers om afwijkingen die door ht beveogd gezag
                            en door de welstandscommissie goed gemotiveerd moeten kunnen worden.
                            Tegenover de gemeenteraad maar ook tegenover diegenen die niet voor zo'n
                            afwijking in aanmerking kwamen.De vraag is vervolgens wat de
                            consequentie is van die afwijkingen en van eerdere bouwaanvragen die
                            afwijken van de nu vastgelegde criteria en eerder met een positief
                            welstandsadvies zijn gerealiseerd.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Loketcriteria </titel></kop><structuurtekst><al><vet>(vervallen)</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Objectgerichte criteria buitengebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr></kop><al>Diverse bebouwingsvormen komen in de gemeente Putten veelvuldig
                                voor, waarvoor het opstellen van objectcriteria relevant is. In het
                                buitengebied betreft dat de historische agrarische bebouwing (het
                                hallenhuis-type), de agrarische bedrijfsbebouwing, de agrarische
                                woningen en de burgerwoningen, recreatieterreinen, landgoederen en
                                windturbines.Ook voor de dorpen kunnen dergelijke objecten worden
                                benoemd, zoals scholen, bebouwing op volkstuinen en op
                                sportterreinen. Maar ook veelvuldig voorkomende regulier
                                vergunningplichtige bouwwerken, zoals dakopbouwen, worden hieronder
                                behandeld.</al><al/><al>In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld,
                                die eventueel per landschapstype of per gebied kunnen worden
                                aangepast. Om die reden wordt steeds verwezen naar de
                                gebiedscriteria buitengebied van hoofdstuk 8.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Object "hallenhuisboerderij"</titel></kop><al><vet>Objectbeschrijving</vet></al><al>Een veel in de gemeente Putten voorkomend historisch
                                boerderijtype is de hallenhuisboerderij. Kenmerkend voor deze
                                boerderijen is dat het woongedeelte, het voorhuis, en het
                                werkgedeelte, het achterhuis, onder één doorlopende kap zijn
                                geplaatst, waarvan de lengteas meestal evenwijdig aan de
                                verkavelingrichting ligt. Het voorhuis is op de weg georiënteerd
                                kent aan de voor- en zijkant meestal geen uitbouwen. Een brandmuur
                                scheidt woonhuis en schuurgedeelte van elkaar. Het bedrijfsgedeelte
                                kenmerkt zich door de centrale plaats van de deel tussen de stallen
                                in de middenbeuk. De stallen en opslagruimte bevinden zich onder een
                                groot dak met lage zijbeuken. Door deze lage zijbeuken komt hier het
                                dak van een hallenhuisboerderij tot dicht aan de grond. De meeste
                                hallenhuisboerderijen dateren uit de negentiende eeuw, hoewel ook
                                regelmatig boerderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw
                                voorkomen. Daarnaast zijn tot in de eerste helft van de twintigste
                                eeuw nog moderne varianten op het hallenhuistype gebouwd.</al><al/><al>Vanuit deze standaardvorm ontwikkelde zich in verschillende streken
                                een aantal varianten. Het langhuistype, met een rechthoekige
                                plattegrond komt daarvan in Putten het meeste voor. Daarnaast
                                ontwikkelde zich de minder voorkomende T- of dwarshuisboerderij,
                                waarbij het woonhuis dwars op het achterhuis staat en het voorste
                                gedeelte van de zijgevel is opgeheven tot het niveau van de
                                voorgevel. Het woonhuis is veelal voorzien van een schilddak dat
                                haaks staat op het grote zadeldak van het bedrijfsgedeelte. Een
                                andere variant is de krukhuis-boerderij, waarvan slechts één
                                zijgevel is opgehoogd en verlengd zodat een L-vormige plattegrond is
                                ontstaan. </al><al/><al>De één bouwlaag hoge massa wordt gedekt door een fors zadeldak
                                waarvan de nokuiteinden eventueel zijn afgewolfd. Bij modernere
                                varianten komen mansardekappen voor. De daken zijn gedekt met riet,
                                gebakken pannen of een combinatie van beide. Vaak hebben rieten
                                kappen een gedeelte met pannen voor de opvang van regenwater. De
                                bakstenen schoorstenen zijn vaak midden op de nok geplaatst.
                                Tuitgevels, waarbij de geveltop wordt beëindigd door de schoorsteen,
                                komen ook regelmatig voor. De voorgevels van de oudere boerderijen,
                                uit de zeventiende en achttiende eeuw, hebben een indeling bestaande
                                uit vier of vijf traveeën. In het midden bevinden zich twee vensters
                                of een voordeur met rechts daarvan een opkamervenster met
                                kelderlicht en links ervan een kleiner venster. Op de
                                zolderverdieping bevindt zich een klein venster of een luik. De
                                negentiende-eeuwse voorgevels hebben een meer symmetrische indeling
                                met beneden twee of vier vensters van dezelfde afmeting met
                                eventueel een centraal geplaatste deur. In de geveltop bevinden zich
                                meer grotere ramen en soms in de vorm van een serlianavenster. </al><al/><al>Dit leidt aan de voorkant tot een hiërarchische opbouw van de gevel.
                                De gevelopeningen aan de voorzijde van het woonhuis zijn relatief
                                smal en hoog, vooral de raampartijen. Ramen met roedeverdeling komen
                                veelvuldig voor. </al><al/><al>De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte minder talrijk en kleiner van
                                omvang dan in het voorhuis. Daar tegenover staan de relatief grote
                                openingen naar de stallen en de deel aan zij- en achterkant. In de
                                zijgevels bevinden zich een eventuele hoofdingang, een tweede ingang
                                naar de keuken en in sommige gevallen een zijbaander, dat is een
                                dubbele schuurdeur in één van de zijgevels. In het midden van een
                                oorspronkelijke achtergevel is een dubbele schuurdeur, de
                                achterbaander, geplaatst met aan weerszijden kleinere mestdeuren. In
                                de geveltop zit vaak een zolderluik. Achtergevels zijn echter in
                                veel gevallen gewijzigd, hetzij door de moderne agrarische
                                bedrijfsvoering, hetzij door functieverandering.</al><al/><al>De gevels zijn veelal opgetrokken uit roodachtige baksteen en
                                gemetseld in staand verband (één laag koppen afgewisseld met één
                                laag strekken) en hebben een donker gepleisterd trasraam. Ook komen
                                geheel gepleisterde gevels voor, waarbij de gevels (crème)wit zijn
                                en de trasramen donkergrijs of zwart. Soms verschilt de
                                materiaalkeuze tussen het woon- en het werkgedeelte. De vensters
                                worden beëindigd door een laag strekken, een segmentboog of een
                                rollaag. Status verwerkte men vaak in het uiterlijk van het
                                woongedeelte van de boerderij. Gevel- en raamindelingen, kozijnen,
                                deuren, en luiken en al of niet gedecoreerde windveren geven hier
                                nader vorm aan. Met name het bovenlicht (het raam boven de voordeur)
                                leende zich bij uitstek voor versieringen, zoals een levensboom. In
                                het algemeen zijn de windveren en kozijnen wit. Deuren hebben een
                                donkere kleur, evenals het schuurgedeelte. Hier was de gevel
                                oorspronkelijk van hout, maar die is in veel gevallen door bakstenen
                                vervangen. Het kleurgebruik van in het bijzonder de luiken vertonen
                                regionale kleurverschillen en op de landgoederen meerdere
                                kleurschakeringen.</al><al/><al>Het erf van een hallenhuisboerderij is onder te verdelen in een
                                voor- en achtererf die (oorspronkelijk) sterk van karakter
                                verschillen. Het voorerf met zijn (moes)tuin en/of boomgaard was het
                                terrein van de boerin. Geschoren heggen en hagen beschermden het
                                voorerf tegen vee, terwijl leibomen als zonnescherm dienden. Nam de
                                rijkdom van de boer toe dan verhuisden moestuin en boomgaard naar de
                                zijkant van het erf en ontstond er ruimte voor een siertuin. Het
                                achtererf was het bedrijfsterrein van de boer en was integraal
                                verbonden met het omringende landschap. In de loop der tijd zijn
                                hier vaak verscheidene gebouwen verschenen. Veel boerderijen hebben
                                één of twee hooibergen met houten of betonnen staanders. Daarnaast
                                zijn er wagen- of veeschuren te vinden. Een enkele boerderij heeft
                                een apart bakhuis, boenhok of een zomerhuis, waar 's zomers het
                                wring- en karnhuis en een stalruimte voor jong vee en varkens werd
                                ondergebracht. Ook komt het voor dat een tweede bedrijfswoning op de
                                kavel is gebouwd.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</cursief></al><al>Het hallenhuis is typerend voor de historische agrarische bebouwing
                                in Putten Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal
                                is aangewezen als monument. Het hallenhuis staat echter onder druk
                                door de veranderingen in de landbouw. Een aantal ontwikkelingen is
                                te signaleren. Ten eerste is de bedrijfsvoering in de landbouw sterk
                                veranderd. Het (kleine) bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet
                                niet meer aan de eisen die moderne landbouwbedrijven stellen. Dit
                                heeft geleid tot de bouw van een nieuw bedrijfsgedeelte naast en/ of
                                achter de oude boerderij dat, wat schaal, materiaalgebruik en
                                detaillering betreft, vaak afwijkt van de oorspronkelijke agrarische
                                bebouwing. In het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis vindt dan
                                alleen nog opslag plaats of er komt een woonfunctie. Een tweede
                                ontwikkeling is het verloren gaan van de agrarische functie. </al><al/><al>Veelal krijgt de boerderij een volledige woonfunctie. Het is echter
                                ook mogelijk dat er combinaties van wonen en werken ontstaan of dat
                                er een nieuwe bedrijfsfunctie intrekt. Deze functionele verandering
                                brengt vaak ook bouwkundige veranderingen met zich mee, die niet
                                altijd passen bij het historische karakter. Aan de andere kant is er
                                nu ook meer informatie en aandacht voor de streekeigen identiteit
                                van boerderijen. Ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie worden in
                                toenemende mate gewaardeerd. Ook dat is een ontwikkeling.Nieuwe
                                toevoegingen aan een hallenhuisboerderij mogen een eigentijdse
                                uitstraling hebben, maar dienen in harmonie met het historische
                                bouwwerk te worden vormgegeven. Het welstandsbeleid is er op gericht
                                de belangrijkste karakteristieken van de hallenhuisboerderij te
                                beschermen. In dat kader kan niet voorbij worden gegaan aan de
                                plaatsing van de hoofd- en bijgebouwen op het erf en de inrichting
                                van het erf zelf. Boerderij en erf vormen samen één geheel met het
                                landschap. Voor de welstandsbeoordeling dienen boerderij en erf
                                daarom als een eenheid te worden gezien.</al><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek,
                                wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de
                                bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en
                                materiaalgebruik.</al><al>- Bij verbouw dienen de oorspronkelijke kenmerken als
                                uitgangspunt.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De bestaande plaatsing van de hallenhuisboerderij wordt
                                gehandhaafd.</al><al>- In de directe nabijheid van de weg is de representatieve gevel
                                georiënteerd op de weg.</al><al>- Overige erfbebouwing staat achter de hallenhuisboerderij.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast, al dan niet met
                                wolfeinden.</al><al>- De dakgoten aan de zijkant bevinden zich onder of op gelijke
                                hoogte van de bovenkant van de kozijnen in de voorgevel.</al><al>- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige,
                                hiërarchische opbouw.</al><al>- De oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte is
                                herkenbaar in de gevelopzet.</al><al>- De rechthoekige hoofdvorm wordt niet verstoord door aan- en
                                uitbouwen.</al><al>- Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden
                                terughoudend vormgegeven.</al><al/><al>Detaillering, vorm en materiaal</al><al>- Gevels worden opgetrokken in roodachtige baksteen of zijn
                                (crème)wit gepleisterd.</al><al>- Het trasraam van het voorhuis is zwart of donkergrijs
                                gepleisterd.</al><al>- Kozijnen en ander houtwerk dienen in witte en/of donkere tinten te
                                worden geverfd.</al><al>- De kleuren van de luiken moeten aansluiten bij lokaal of regionaal
                                gebruik.</al><al>- Daken worden gedekt met riet of matte gebakken pannen of een
                                combinatie daarvan.</al><al>- Bij detaillering dient zorgvuldigheid te worden betracht.</al><al>- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
                                op de hoofdmassa.</al><al/><al>Voor de overige bebouwing van het erf bij de hallenhuisboerderij
                                wordt verwezen naar de objectcriteria voor agrarische
                                bedrijfsbebouwing.</al><al/><al><cursief>Relatie met overige criteria</cursief></al><al>- Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en de -criteria.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Object "agrarische bedrijfswoning"</titel></kop><al>In het buitengebied komen veel losstaande agrarische
                                bedrijfswoningen voor. Daarin hebben zich de afgelopen periode veel
                                veranderingen voorgedaan, waarbij nieuwbouw is verschenen. De
                                modernere agrarische woonbebouwing heeft, in tegenstelling tot het
                                hallenhuis, de woon- en werkruimtes niet onder één dak. Soms zijn
                                woonbebouwing en bijgebouwen geheel van elkaar gescheiden.
                                Bijgebouwen en aan- en uitbouwen staan naast of achter de
                                hoofdmassa. De veelal haaks op de straat staande zadeldaken zijn
                                voorzien van rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is
                                eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels.
                                Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het
                                materiaalgebruik bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout of
                                kunststof.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</cursief></al><al>De agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het
                                buitengebied. Er is een tendens waarneembaar waarbij de
                                bedrijfswoning 'los komt' van de overige agrarische bebouwing, door
                                de toepassing van afwijkende vormen en afwijkend kleur- en
                                materiaalgebruik. De identiteit van het agrarische karakter van het
                                gebied verandert daarmee.De gemeente streeft naar het herkenbaar
                                houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie van de bebouwing.
                                De welstandsbeoordeling richt zich dan ook op het handhaven of het
                                gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het
                                gebied.</al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- In de directe nabijheid van de weg is de woning georiënteerd op de
                                weg.- De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en afgestemd op
                                belendende bebouwing.</al><al>- Aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven.</al><al>- Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast.</al><al>- De nokrichting staat in de verkavelingsrichting van het
                                landschap.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige,
                                hiërarchische opbouw.</al><al>- De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen,
                                pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak.</al><al>- De hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in
                                gebroken wit of grijs.</al><al>- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
                                op de hoofdmassa.</al><al>- Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van
                                het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al>- Detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd.</al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en -criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Object "niet agrarsiche woonbebouwing"</titel></kop><al><vet>Objectbeschrijving</vet></al><al>Op diverse plekken in het buitengebied zijn van oudsher
                                burgerwoningen aanwezig: bescheiden arbeidershuisjes, woningen en
                                villa's.Het aantal burgerwoningen neemt de laatste jaren toe. Het
                                gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen waarbij agrarische
                                functies plaats maken voor woonfuncties. Het betreft veelal
                                vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of villa’s
                                met een historiserende maar ook met een moderne architectuur.</al><al/><al>De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee
                                bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vormen van
                                de massa zijn voornamelijk enkelvoudig en geometrisch.
                                Detailleringen, kleur- en materiaalgebruik zijn zeer divers. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</cursief></al><al>Vooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote
                                aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve
                                bebouwingsdichtheid. Het extensieve karakter van het buitengebied
                                moet behouden blijven.</al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- In de directe nabijheid van de weg, is de woning georiënteerd op
                                de weg.</al><al>- De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig.</al><al>- Aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven.</al><al>- Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast.</al><al>- De nokrichting is in de verkavelingsrichting van het
                                landschap.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige,
                                hiërarchische opbouw. </al><al>- De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen,
                                pleisterwerk, hout, gegolfde dakpannen, riet en grasdak.</al><al>- De hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in
                                gebroken wit of grijs.</al><al>- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
                                op de hoofdmassa.</al><al>- Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van
                                het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al>- Bij verbouw worden bestaande details gerespecteerd.</al><al>- De bebouwing is niet gebonden aan een bepaalde bouwstijl.</al><al>- De woningen hebben een individuele uitstraling.</al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en -criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Object "agrarische bedrijfsbebouwing"</titel></kop><al><vet>Objectbeschrijving</vet></al><al>Op een agrarisch bouwperceel staan bedrijfswoonbebouwing (één of
                                meerdere woonhuizen met hun bijgebouwen) en een aantal
                                bedrijfsgebouwen. De bedrijfsgebouwen staan achter of gelijk met de
                                voorgevellijn van de bedrijfswoonbebouwing. De bedrijfsbebouwing
                                bestaat uit één of meer lange bedrijfshallen of stallen en ook komen
                                één of meer werktuigbergingen of schuren voor. Het gaat voor het
                                merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met een
                                zadeldak in gedekte tinten. De meeste gebouwen zijn gemetseld in
                                bruinrode baksteen in halfsteens verband; soms gedeeltelijk open of
                                afgewisseld met profielplaten. Overwegend is sprake van een zadeldak
                                en een situering haaks op de weg. Ook achter elkaar geplaatste
                                zadeldaken komen voor. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn
                                maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat
                                verbindingsstuk aan de bedrijfswoon-bebouwing. De bedrijfsgebouwen
                                zijn gesitueerd afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het
                                perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bedrijfsgebouwen
                                haaks staan op de bedrijfswoonbebouwing.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</cursief></al><al>Door de grote afmetingen van de constructies heeft de
                                bedrijfsbebouwing een grote invloed op het bebouwingsbeeld. De
                                nokhoogten en goothoogten zijn in de bestemmingsplannen die
                                betrekking hebben op de agrarisch gebieden geregeld. </al><al/><al>De bestaande bedrijfswoonbebouwing en bedrijfsbebouwing en de
                                landschappelijke inrichting vormen het kader voor de
                                welstandstoets.</al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De plaatsing is ondergeschikt aan de bedrijfswoonbebouwing.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig.</al><al>- De nokrichting is in de verkavelingrichting van het
                                landschap.</al><al>- De massaopbouw op het erf is in onderlinge samenhang.</al><al>- De gevelgeleding is horizontaal.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- De gevels worden in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal is
                                toegestaan, mits in donkere tinten uitgevoerd en voorzien van een
                                profiel en een zichtbare metselwerkplint.</al><al>- De dakvlakken worden in pannen uitgevoerd. Ander materiaal is
                                toegestaan mits in grijze of donkere tinten uitgevoerd, afwijkend
                                van de gevelkleur en voorzien van een (golfplaten- of dakpan-)
                                profiel.</al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en -criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Object "gedrijfsbebouwing van voormalige agrarische
                                    bedrijven"</titel></kop><al><vet>Objectbeschrijving</vet></al><al>Het komt voor dat agrarische bedrijven hun functie verliezen of
                                veranderen/ inkrimpen waardoor bijgebouwen vaak omgebouwd worden
                                t.b.v. van andere activiteiten of functies. Bijgebouwen van de
                                traditionele agrarische bedrijven zijn meestal discreet, ondanks de
                                soms zorgvuldig gemetselde gevels en sobere ornamentiek (raamdorpels
                                en windveren). </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</cursief></al><al>De uitstraling van een traditioneel complex is vaak te danken aan de
                                opzet en schakering van de gebouwen waar ook de schuren bijhoren.
                                Bij verandering van functie is het van belang dat het
                                bebouwingsbeeld, de architectonische karakteristieken en kleur- en
                                materiaalgebruik gehandhaafd blijven en dat het uiterlijk niet
                                aangetast wordt. Dit betekent dat wijzigingen in de gevels,
                                openingen en dakvorm geen uitgangspunt zijn bij
                                functieverandering.</al><al/><al>De oorspronkelijke bebouwing (voor verandering van functie) vormt
                                het kader voor de welstandstoets.</al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>- De bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.Plaatsing- De plaatsing is ondergeschikt
                                aan het hoofdgebouw (woning).</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- De hoofdvorm is de oorspronkelijke opzet (meestal enkelvoudig en
                                rechthoekig).</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- De gevels zijn in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal, is waar
                                nodig en op kleine schaal toegestaan, mits het algemeen beeld en
                                gevelopbouw gerespecteerd blijven.</al><al>- De dakvlakken worden in pannen uitgevoerd. Ander materiaal is
                                toegestaan mits in grijze of donkere tinten uitgevoerd, afwijkend
                                van de gevelkleur en voorzien van een (golfplaten- of dakpan-)
                                profiel.</al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en -criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Object "landgoederen"</titel></kop><al><vet>Objectbeschrijving</vet></al><al>In het gebied bevinden zich diverse recreatieterreinen voor
                                verblijfsrecreatie. De terreinen worden veelal omringd door opgaande
                                beplanting, waardoor deze vanaf de openbare weg niet of nauwelijks
                                zichtbaar zijn. De bebouwing is kleinschalig en introvert ten
                                opzichte van de omgeving, zij is niet prominent in het landschap
                                aanwezig.</al><al>De recreatieve bebouwing heeft veelal één bouwlaag met een
                                bescheiden zadel- of tentdak. Het betreft enkelvoudige vormen, met
                                de nadruk op rechte lijnen en een geordende gevelindeling. De
                                geleding is evenwichtig. Detailleringen worden niet veelvuldig
                                toegepast bij de recreatieve bebouwing. Overstekken treft men wel
                                veel aan. Het materiaalgebruik bestaat hoofdzakelijk uit natuurlijke
                                materialen: hout en bakstenen, pannen en riet.Waardebepaling,
                                ontwikkelingen en beleidDe kleinschaligheid van de bebouwing en de
                                besloten ligging zijn belangrijke waarden. Het beleid van de
                                gemeente is gericht op het in stand houden van het extensieve
                                karakter van de bebouwing.Bij de (ver)bouw van bebouwing dient
                                extra aandacht te zijn voor de plaatsing in en het karakter van de
                                omgeving. </al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De bebouwing mag geen afbreuk doen aan het landelijk karakter van
                                de omgeving.</al><al>- De bouwwerken hebben een gevarieerde plaatsing op de kavels.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- De bebouwing is vrijstaand.</al><al>- De bebouwing heeft niet meer dan één bouwlaag, woonruimte onder de
                                schuine kap is mogelijk.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- Gevels hebben een neutrale en horizontale geleding.</al><al>- Detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd.</al><al>- Het materiaalgebruik bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke
                                materialen, met de nadruk op hout, baksteen, pannen en riet.</al><al>- Het kleurgebruik is ingetogen, met de nadruk op aardkleuren en
                                donkere tinten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Object "landgoederen"</titel></kop><al>Van oorsprong liggen in het gebied diverse landgoederen, die de
                                ontwikkeling van het landelijke gebied hebben beïnvloed. De
                                landgoederen hebben een rijke historie die terug kan gaan naar de
                                middeleeuwen. De bouwwerken bestaan uit een hoofdgebouw met daar
                                omheen verscheidende bijgebouwen. Bovendien maken veelvuldig
                                verscheidene boerderijen in de directe omgeving deel uit van het
                                landgoed.</al><al>Het hoofdgebouw van een landgoed heeft een prominente plaatsing op
                                de kavel. De hoofdbebouwing is veelal opgebouwd uit twee bouwlagen
                                met een kap evenwijdig aan de representatieve voorgevel. De gevels
                                zijn overwegend geometrisch opgebouwd, met een verticale geleding en
                                met een samenhangende massaopbouw.</al><al/><al><vet>Objectcriteria</vet></al><al>Ruimtelijke structuur</al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm</cursief></al><al>- Het bouwwerk kent een representatieve gevel die op de openbare
                                ruimte gericht is.</al><al>- De bebouwing wordt gekenmerkt door een rijzig karakter.</al><al>- Er worden enkelvoudige en samengestelde kappen toegepast.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een verticale geleding en
                                horizontale verbanden.</al><al>- De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak)steen,
                                pleisterwerk, hout, dakpannen en riet.</al><al>- De hoofdkleuren van de gevels zijn stucwerk in gebroken wit of
                                grijs of gedempte (aard)kleuren.</al><al>- Binnen een dakvlak komen geen kleurverschillen voor.</al><al>- Er worden rijke detailleringen toegepast, zoals ornamenten en
                                geveldecoraties.</al><al>- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
                                op de hoofdmassa.</al><al>- Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van
                                het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw. </al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                                gebiedsbeschrijving en -criteria.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Gebiedsgerichte welstandscriteria buitengebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Gebiedsindeling</titel></kop><al>De landschapstypenkaart van de 8 gemeenten van de Gelderse Vallei
                                geeft globaal de verschillende landschappen aanwezig in de gemeente
                                Putten aan (zie afbeelding uitsnede Putten).</al><al>Voor de begrenzing van het buitengebied van Putten, ten behoeve van
                                de gebiedsgerichte criteria van het buitengebied, zijn de
                                nauwkeurige contouren vanuit de verschillende landschappen uit het
                                Ontwerp Landschapsbeleidplan Putten (2001) aangehouden. Het gebied
                                Krachtighuizen, met een veelheid aan recreatiebebouwing en het
                                gebied strand Nulde, eveneens met recreatiebebouwing, zijn apart
                                vermeld. Zie kaart deelgebieden buitengebied Putten.</al><al/><al><cursief>plaatje: Uitsnede Putten</cursief></al><al/><al><cursief>Ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In de kaart ontwikkelingsvisie (Voorontwerp Bestemmingsplan
                                Westelijk Buitengebied 2002) zijn, met uitzondering van het
                                oostelijke bosgebied (Bestemmingsplan Oostelijk Buitengebied 1998),
                                9 zones aangewezen aan het buitengebied. De 10e zone heeft
                                betrekking tot het Nuldernauw. De zonering heeft onder andere
                                betrekking op landbouw, recreatie en wonen en wordt omschreven voor
                                de verschillende landschapstypen.</al><al>De welstandscriteria hebben betrekking op de 'overige bebouwing',
                                bebouwing die niet reeds via de objectcriteria is geregeld. Tevens
                                kan een nuancering van de loket- en objectcriteria
                                plaatshebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Polderlandschap</titel></kop><al>Dit gebied wordt begrensd aan de westzijde door het Nuldernauw. In
                                het oosten ligt de grens met het heideontginningslandschap en het
                                kampenlandschap aan de Waterweg/Schuiterbeek tot aan de
                                Nijkerkerstraat en loopt door langs de Diemerseweg, omvat Diermen en
                                sluit weer aan op de Nijkerkerstraat. In het zuidelijke gedeelte
                                loopt de Rijksweg A28 dwars door het gebied.</al><al>In het gebied tussen het Nuldernauw en de Rijksweg A28 is er vrijwel
                                niet gebouwd. Oostelijk van de Rijksweg A28 komt wel bebouwing voor.
                                De bebouwing bevindt zich, in kleine dichtheid, langs de Waterweg of
                                de kleine wegen haaks daarop zoals de Knardersteeg. De verkaveling
                                heeft een rechthoekig, trapeziumvormig patroon.In dit gebied is
                                camping "Arlerstrand" gevestigd.</al><al/><al><cursief>Bebouwing</cursief></al><al>De bebouwing, grotendeels agrarisch, bestaat uit een hoofdgebouw,
                                meestal een hallenhuis in oorspronkelijke staat of gerenoveerd en
                                annexen, zoals aanbouwen, bijgebouwen, schuren en stallen. De
                                complexen hebben een groen karakter met bosachtige beplanting
                                waardoor vaak een deel van de gebouwen aan het zicht wordt
                                onttrokken. De bebouwing is meestal naar de weg gericht of
                                terugliggend met nokrichting haaks op de weg met annexen achter de
                                voorgevellijn. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door
                                bijgebouwen in hallenhuisstijl, naoorlogse uitbreiding op het erf
                                (vooral jaren’50/’60) en schuren. Recentere gebouwen, vaak uit twee
                                lagen met kap zoals de jaren ‘50/’60 woningen, kunnen uit grijsgele
                                of okergele bakstenen bestaan. Een enkel hallenhuis, bij Beldersgat,
                                is T-vormig doordat er in een latere fase een frontgebouw is
                                toegevoegd. Het kleurgebruik voor het schilderwerk is ook
                                traditioneel met wit en donkergroen voor het houtwerk.</al><al/><al>Nieuwe schuren zijn voor het merendeel eenvoudige lange rechthoekige
                                gemetselde constructies met een zadeldak gedekt met donkergrijze
                                golfplaten. Sommige schuren zijn uit donkerkleurig hout opgetrokken
                                op een gemetselde basis en hebben een oorspronkelijk karakter. De
                                schuren zijn of vrijstaand of aaneengeschakeld in rijen, afhankelijk
                                van de omvang van het agrarisch bedrijf.</al><al>Door het open landschap zijn de ruimtelijke structuren van het
                                gebied en van de vrij goed instandgehouden traditionele agrarische
                                bedrijven duidelijk afleesbaar. Dit vrijwel ongeschonden gebied
                                straalt rust uit.</al><al/><al><cursief>Ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Het landbouwbeleid is gericht op versterking van de
                                melkveehouderijsector. Inplaatsing van intensieve veehouderij is
                                niet mogelijk vanwege milieuproblemen op lange termijn. Bestaande
                                intensieve veehouderij is toegestaan alsmede de verplaatsing van
                                bedrijven ten behoeve van betere productieomstandigheden.Op het
                                gebied van recreatie is omschakeling van een agrarisch bedrijf naar
                                recreatieactiviteiten ongewenst. Nieuwbouw is alleen mogelijk in het
                                kader van de ruimte-voor-ruimte-regeling (Voorontwerp
                                Bestemmingsplan Westelijk Buitengebied 2002).</al><al/><al><cursief>Welstandscriteria</cursief></al><al>Algemeen</al><al>- de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Kampenlandschap</titel></kop><al>Dit gebied strekt zich globaal uit van Diermen en het
                                polderlandschap in het westen tot aan Veenhuizerveld en het
                                bosgebied in het oosten, alsmede rondom de "enclave" van de
                                Huinerbroek. Noordelijk is het gebied begrensd door de 't
                                Oeverstraat/Zuiderzeestraatweg en de gemeente Ermelo. In de
                                zuidelijk richting is het heidegebied de grens. In dit gebied staan
                                de landgoederen Vanenburg en Bijstein.</al><al/><al><cursief>Bebouwing</cursief></al><al>De bebouwing concentreert zich voor een merendeel rondom kruispunten
                                in het kleine wegennet zoals Diermen, Hell/Veldhuizen,
                                Hoonhorst/Hoge Steeg, Klein Boeyen en Klein Weelderen/Lange Meeën in
                                het oostelijke en zuidelijke gedeelten. In het westelijke en
                                oostelijke gedeelte zijn groepen met grootschalige agrarische
                                bedrijven (Rozendaal, Huinen, Veenhuizeveld, Halvinkhuizen) of met
                                kleinere bebouwing (De Paardebloem, Hondskont en Huinerwal) te
                                vinden.</al><al>Het gebied oogt relatief goed behouden, de nederzettingen hebben nog
                                een traditionele uitstraling ondanks sommige recente grootschalige
                                bouwwerken (bijvoorbeeld een manege bij Hell). De agrarische
                                bedrijvencomplexen staan met veel aangeplant groen (hoge bomen) in
                                een vrij open landschap of tegen de randen van de bosstroken boven
                                de heiden. De verkaveling zelf is onregelmatig en gevarieerd.</al><al>In het halfopen landschap (Diermen, Hell/Veldhuizen en
                                Hoonhorst/Hoge Steeg) zijn de hoofdwoningen nog vaak kleine
                                hallenhuizen met een afgewolfd zadeldak, soms met bijgebouwen uit de
                                jaren '50/'70, met nok gericht naar de weg. De schuren geven een
                                andere ruimere schaal aan de complexen. Deze staan achter de
                                gevellijn in zicht vanaf de openbare weg en zijn vaak fors van
                                afmetingen. Dit geldt vooral voor de recente constructies. Het
                                merendeel is gemetseld en gedekt met golfplaten, maar de nieuwe
                                schuren hebben een stalen constructie en zijn deels voorzien van
                                groene geprofileerde stalen platen. Ze zijn hoger en grote
                                dakvlakken zijn opvallend. Toch is het beeld dat van een vrij
                                oorspronkelijk gebleven agrarisch gebied. Rood en bruingrijs
                                metselwerk, soms wit gepleisterd, riet en donkere dakpannen (oranje
                                komt in mindere maat voor), wit, donkergroen en donkerbruin (jaren
                                '70) in het schilderwerk en hout zijn de gebruikelijke kleuren en
                                materialen.In het gebied waar de beboste clusters dichter zijn, zijn
                                de hoofdwoningen groter van opzet. De complexen staan tegen de
                                bosrand met de schuren achter de gevellijn, gericht naar de weg maar
                                terugliggend. De gebouwen zijn opgetrokken uit lichtrode tot
                                donkerrode bakstenen, hebben een afgewolfd zadeldak met donkere
                                pannen. De schuren zijn gedekt met lichte of donkere pannen of
                                golfplaten. Ondanks de schaal van de complexen is het beeld
                                ingetogen en rustig.</al><al>Commerciële gebouwen staan langs de N303 ten hoogte van Veldhuizen.
                                Ze zijn als blikvanger ontworpen maar hebben geen architectonische
                                relatie met de omgevende bebouwing.</al><al>In het oostelijke gedeelte staat landgoed Oldenaller, verscholen in
                                het beboste domein maar desalniettemin een beeldbepalend element -
                                zichtbaar vanaf de Nijkerstraat door een opening of zichtas in het
                                bos en in het landschap. Dicht bij de kern Putten staat landgoed
                                Bijstein.Het algemene beeld van dit gebied is dat in het open
                                landschap de gebouwen laag op de bodem staan en bij de beboste
                                gebieden de grote gebouwen tegen de bosrand staan. De natuurlijke
                                omgeving bepaalt de schaal en kenmerken van de complexen.</al><al/><al><cursief>Ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In het agrarische ontwikkelingsgebied moet rekening gehouden worden
                                met een aanmerkelijke schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven
                                fors zullen groeien, anderzijds bedrijven zullen stoppen met hun
                                bedrijfsvoering.In de landgoederenzone is een beperkt aantal
                                bedrijven met kleinschalige activiteiten toegestaan. In het
                                agrarisch ontwikkelingsgebied zal verplaatsing van
                                verblijfsrecreatie bedrijven worden gestimuleerd (naar
                                Krachtighuizen). Nieuwe voorzieningen worden niet toegestaan.</al><al>Wonen is alleen toegestaan in bestaande bebouwing. Bij
                                functiewijziging van een agrarisch of niet-agrarisch zal overtollige
                                bebouwing moeten worden gesloopt.Er is geen aanleiding gevonden tot
                                een verbijzondering van de loket- en objectcriteria voor de
                                bebouwing in dit gebied. Om die reden wordt volstaan met het een
                                algemeen criterium.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Heideontginningslandschap</titel></kop><al>Het heideontginningslandschap ten zuiden van de gemeente Putten en
                                aangrenzend in de gemeente Nijkerk kent weinig bebouwing. Het gaat
                                om de Kruishaarsche Heide en de Appelsche Heide. Het
                                heideontginningslandschap (inclusief het Huinerbroek) bedekt het
                                centraal gedeelte van de gemeente Putten tussen het polderlandschap,
                                het kampenlandschap en de Veluwe. In dit gebied is landgoed
                                Vanenburg aanwezig.</al><al/><al><cursief>Bebouwing</cursief></al><al>In het algemeen staat de bebouwing langs wegen en stegen die vrijwel
                                evenwijdig van elkaar in oost-west richting lopen (onder andere de
                                Stenenkamerse Weg, de Hooiweg, de Hellerweg en de Oude
                                Nijkerkerweg). De kavels zijn voor het merendeel langwerpig en
                                rechthoekig.De grote bedrijven met markant hoofdgebouw (hallenhuis
                                of jaren'50 tot '90 woning) zijn voorzien van lange schuren. De
                                nieuwe schuren met een groene stalen bekleding zijn hoger en vallen
                                op doordat de hoge kopse kanten tot aan de gootlijn gemetseld zijn
                                waardoor een hoog geometrisch element dominant in het landschap
                                staat. Ook een aaneenschakeling van verschillende vormen, aanbouwen
                                even belangrijk als het hoofdgebouw en kleur- en materiaalgebruik
                                kunnen een storende factor zijn (voorbeelden nabij Rozendaal).De
                                kleinschalige bebouwing is discreter al treden ook afwijkende en
                                recente bouwvormen op. Dit is het geval langs de Stenenkamerse Weg,
                                de Hooiweg en de Arkemheense Weg. In de Hoeverveld is recentelijk
                                een woning met de opzet van een hallenhuis gebouwd met een forse
                                aanbouw die niet voor het hoofdgebouw onder doet met als oorzaak een
                                verstoring van de hiërarchische opbouw en leesbaarheid van de
                                bebouwing.In dit gebied bevindt zich landgoed Vanenburg. Deze is
                                gesitueerd in het noordelijke gedeelte van het gebied en is
                                opvallend door zijn uitstraling maar ook door de omringende
                                bebouwing. In de directe omgeving van landgoed Vanenburg en langs de
                                Vanenburger Allee staan historische en heel recente gebouwen met een
                                landhuisachtige uitstraling. Bij de recentere bebouwing is veel
                                gebruik gemaakt van staal, glas en zinken dakbedekking.</al><al/><al>Aan het gebied gesitueerd boven de N798 zijn meer ruimtelijke en
                                architectonische kwaliteiten toe te kennen dan het zuidelijker
                                gedeelte naar de Veluwe toe.</al><al/><al><cursief>Ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In het agrarische ontwikkelingsgebied moet rekening gehouden worden
                                met een aanmerkelijke schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven
                                fors zullen groeien, anderzijds bedrijven zullen stoppen met hun
                                bedrijfsvoering.In de landgoederenzone is een beperkt aantal
                                bedrijven met kleinschalige activiteiten toegestaan. In het
                                agrarisch ontwikkelingsgebied zal verplaatsing van
                                verblijfsrecreatie bedrijven worden gestimuleerd. Nieuwe
                                voorzieningen worden niet toegestaan.Wonen is alleen toegestaan in
                                bestaande bebouwing. Bij functiewijziging van een agrarisch of
                                niet-agrarisch zal overtollige bebouwing moeten worden gesloopt.Er
                                wordt geen aanleiding gevonden tot een verbijzondering van de loket-
                                en objectcriteria voor de bebouwing in dit gebied. Om die reden
                                wordt volstaan met een algemeen criterium.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Boslandschap</titel></kop><al>Het boslandschap in Putten bevindt zich in het oostelijke gedeelte
                                van de gemeente. Het volgt een lijn van het noordelijke kruispunt
                                spoorlijn/gemeentegrens onder Ermelo tot Veenhuizerveld en dwars
                                door de kern Putten en Krachtighuizen. Behalve de nederzetting
                                Koudhoorn en enkele bescheiden bebouwing (zoals in het
                                noordwestelijke gedeelte bij Schoonderbeek/Oud-Groevenbeek) is er in
                                het bosgebied nauwelijks gebouwd.Het recreatiegebied Krachtighuizen
                                (vooral het gedeelte oostelijk van de N303) maakt deel uit van het
                                overgangsgebied en verweving tussen kampenlandschap en boslandschap.
                                Door de bosachtige omgeving kan het worden toegekend aan de het
                                boslandschap.</al><al/><al><cursief>Bebouwing</cursief></al><al>Koudhoorn is gesitueerd tussen Krachtighuizen en Garderen (gemeente
                                Barneveld) onder de N797. De bebouwing ligt aan een V-achtige weg
                                dat begint en eindigt bij de N797 en is kleinschalig. Het zijn voor
                                grotendeels woningen met een diversiteit aan bouwperiodes,
                                bouwstijlen, kleur- en materiaalgebruik. Kleine hallenhuizen, vaak
                                wit geschilderd met latere (meestal jaren '50/'60) aanbouwen of
                                bijgebouwen met dwarse verbinding staan naast of tegenover jaren '70
                                tot '00 woningen (deze zijn soms wat omvangrijker en groter). De
                                lage bebouwing uit één laag met kap staat discreet in de beboste
                                omgeving. De woningen zijn opgetrokken uit baksteen (grijsgeel, rood
                                en donkerrood, wit geschilderd komt ook voor) en hebben een al dan
                                niet afgewolfd zadeldak met lichte of donkere pannen. Het houtwerk
                                (dakranden, windveren, kozijnen, houten delen in bijvoorbeeld
                                topgevels) is wit, crèmegeel, donkergroen of donkerbruin. Doordat de
                                woningen laag zijn en er veel aangeplante groen op de erven staat
                                werkt de diversiteit niet storend.</al><al/><al>Krachtighuizen is voor een groot deel een recreatiegebied waar ook
                                individuele vrijstaande woningen voorkomen (bij Huinerenk).
                                Kleinschalige tot grootschalige bouwwerken, van bungalowtjes tot
                                villa-achtige gebouwen staan in dit overgangsgebied naar de Veluwe.
                                De dichtheid en de grote variatie in bouwstijl, bouwvolume, kleur-
                                en materiaalgebruik is gecompenseerd door veel beplanting waardoor
                                een gedeelte in de natuurlijke omgeving verdwijnt. Het beeld langs
                                de N303 is dan ook meer dat van een losse lintbebouwing naar de
                                ingang van de kern Putten.</al><al/><al><cursief>Ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In het gebied tussen Krachtighuizen en de Voorthuizerstraat alsmede
                                het gemengd gebied, zuidelijk van de kern Putten, is nieuwvestiging
                                van agrarische bedrijven niet toegestaan. Bij Krachtighuizen is
                                nieuwvestiging van verblijfsrecreatie mogelijk wanneer het
                                uitplaatsing van bedrijven van elders in de gemeente betreft.Tussen
                                Krachtighuizen en de Voorthuizerstraat zijn nieuwe landgoederen
                                toegestaan ter versterking van natuur en landschap.In het bosgebied,
                                dat deel uitmaakt van het Centraal Veluws Natuurgebied
                                Natuureducatieve functies en kleinschalige milieuvriendelijke vormen
                                van landbouw die het natuurbelang ten goede komen zijn inpasbaar.Ten
                                aanzien van wonen en niet-agrarische bedrijvigheid is het beleid
                                gericht op handhaving van de huidige situatie. Nieuwe woonsituaties
                                en nieuwbouw van burgerwoningen zijn niet van toepassing.In
                                Koudhoorn is het beleid gericht op handhaving van de bestaande
                                agrarische bedrijvigheid hoewel functieverandering naar wonen (met
                                beperkte toename) mogelijk is.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
                                de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                                landschappelijke inrichting.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstandscriteria van het dorp Putten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al>De ruimtelijke ontwikkeling van Putten heeft ervoor gezorgd dat er
                                in de loop van de jaren verschillende wijken zijn ontstaan. Iedere
                                bouwperiode heeft zijn eigen specifieke kenmerken. Op basis van deze
                                kenmerken is een gebiedsindeling gemaakt.Door het dorp Putten lopen
                                diverse linten waarlangs voornamelijk vrijstaande bebouwing staat.
                                Het betreft de linten langs de Stationsstraat, Harderwijkerstraat,
                                Garderenseweg en de Postweg/Drieseweg. Deze linten hebben zich in de
                                loop van meerdere decennia ontwikkeld, waardoor de bebouwing zeer
                                gevarieerd is. Het zijn de meer beeldbepalende routes door het dorp
                                Putten.</al><al/><al>De specifieke kenmerken elk gebied zijn ontstaan door de stijl van
                                de betreffende bouwperiode en veranderingen in de loop van de jaren.
                                Elk gebied wordt beschreven aan de hand van een vast patroon. Eerst
                                de ruimtelijke structuur, daarna de plaatsing van de bouwwerken in
                                het gebied, vervolgens de soort bebouwing, waarna de details en het
                                kleur- en materiaalgebruik volgen. </al><al/><al>De onderscheiden deelgebieden zijn (zie ook Bijlage C voor kaart
                                deelgebieden kern Putten):</al><al>1. Historische kern.</al><al>2. Stationsstraat.</al><al>3. Postweg/Drieseweg.</al><al>4. Noord.</al><al>5. Zuidoost.</al><al>6. Halvinkhuizerweg-west/Buiteneng.</al><al>7. De oostzijde van de bosrand en het daarachter gelegen
                                gebied.</al><al>8. Husselerveld.</al><al>9. Sprielderweg.</al><al>10. Bedrijventerreinen.</al><al>10.1 Keizerswoert.</al><al>10.2 Ambachtstraat.</al><al>10.3 De Hoge Eng.</al><al>11. Voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Historische kern</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>De historische kern van Putten ligt binnen de Brinkstraat,
                                Dorpsstraat, Engweg en Voorthuizerstraat. De kern is ontstaan op het
                                kruispunt van de Achterstraat, Dorpsstraat, Molenweg, Bakkerstraat
                                en Garderenseweg, waar het huidige (winkel)centrum is gevestigd. Het
                                is een gebied waarin verschillende voorzieningen zijn
                                geconcentreerd, zoals winkels, dienstverlening, horeca, enkele
                                bedrijven en kantoren. Aan de randen van het gebied neemt het
                                aandeel van de woonfunctie toe. </al><al/><al>De bebouwingsdichtheid is relatief hoog; in sommige delen zijn ook
                                de achterterreinen helemaal volgebouwd. Een aantal binnenterreinen
                                heeft nog een tamelijk open karakter. Als invulling tussen de oude
                                bebouwing zijn enkele nieuwbouwprojecten geplaatst. De meeste
                                bebouwing is direct aan de straat gelegen en staat in één rooilijn,
                                waardoor het gebied een steenachtig karakter heeft. Alle bebouwing
                                is op de weg georiënteerd en staat dicht op elkaar. De hoogte van de
                                bebouwing varieert, evenals de breedte van de percelen en
                                voorgevels. Voortuinen zijn hier niet of nauwelijks te vinden. Het
                                gebied ademt de sfeer van een dorpscentrum. </al><al/><al>De bebouwing in het centrum is zeer gevarieerd, mede doordat in de
                                loop van de jaren open plekken zijn opgevuld en woningen zijn
                                vervangen. De hoofdvorm staat direct aan de straat, terwijl
                                aanbouwen en bijgebouwen vrijwel allemaal aan de achterzijde gelegen
                                zijn. Door de grote variatie in bouwstijlen is er geen eenduidig
                                beeld in de kaprichting. Een groot deel van de winkelpanden aan de
                                Dorpsstraat heeft aan de voorzijde een luifel die boven- en onderpui
                                van elkaar scheidt. In de historische kern bevinden zich enkele
                                monumenten en ook een aantal zeer waardevolle gebouwen. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>In het algemeen is voor de bebouwing bruine baksteen gebruikt, een
                                enkele keer wit pleisterwerk. Er komen vooral dakpannen in donkere
                                tinten voor. Omdat de bebouwing in dit deelgebied organisch gegroeid
                                is, is er geen eenduidige detaillering te onderscheiden. Bovendien
                                zijn veel panden vernieuwd en/of verbouwd. Moderne invullingen staan
                                hier naast karakteristieke oude bebouwing. Ook wat het kleur- en
                                materiaalgebruik betreft is er een grote verscheidenheid.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Het behoud van het karakter van het historische dorpsgebied, in een
                                lange reeks van jaren opgebouwd, is van groot belang voor de
                                identiteit van het dorp als geheel. De karakteristieke
                                verschijningsvorm, samenhang en sfeer zijn waardevol. Ingrepen die
                                tot een verstoring van dit beeld leiden dienen te worden vermeden.
                                Het beleid is gericht op behoud en waar nodig, versterking van de
                                ruimtelijke karakteristiek. Deze komt vooral tot uitdrukking in de
                                losse opstelling van de bebouwing, in het individuele en
                                kleinschalige karakter van de panden enerzijds en in het
                                samenhangende architectonisch karakter van de gevels anderzijds.
                                Verdichting en schaalvergroting, door het dynamische karakter van de
                                centrumfunctie, is slechts in beperkte mate mogelijk. De aanvragen
                                daarvoor zullen met aandacht voor de specifieke ruimtelijke
                                kenmerken van het historisch dorpsgebied zoals openheid, relatie met
                                het landschap, doorzichten e.d. benaderd worden. Dit geldt voor de
                                veranderingen in de openbare ruimte en die aan de panden. Nieuwe
                                bebouwing zal wat betreft schaal en ook wat betreft kleur- en
                                materiaalgebruik in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen
                                moeten worden.</al><al/><al>Scherpe contrasten dienen te worden vermeden. Een zekere mate van
                                terughoudendheid wordt betracht bij de toelating van reclame,
                                luifels, puien, rolluiken e.d. Deze zal altijd ondergeschikt dienen
                                te blijven aan het ruimtelijke en architectonische beeld van de
                                omgeving.</al><al/><al>Het beleid is vooral gericht op het behoud van variatie binnen het
                                samenhangende beeld van het historische dorpsgebied. Dit houdt in
                                dat het individuele karakter van de panden voorop staat. Om de
                                samenhang en harmonie in het historische dorpsbeeld te bewaren, is
                                het bij nieuwbouw essentieel dat de gebiedskenmerken tot uitgangpunt
                                worden genomen. Ingrepen als hekjes, luifels, reclame e.d. dienen
                                ondergeschikt te blijven. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Aan de structuur, de opbouw en de breedte van de bebouwing is het
                                oorspronkelijke ruimtelijke karakter, met als uitgangspunt
                                kleinschaligheid, diversiteit en de historische ontwikkeling,
                                afleesbaar.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- Het ruimtelijke karakter is gebaseerd op de gegroeide
                                kleinschaligheid, openheid en diversiteit. </al><al>- Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in
                                de omgeving. </al><al>- De parcellering, de positie en de oriëntatie van de
                                oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend bij nieuwbouw.</al><al>- Bedrijfsbebouwing staat op het achtererf. (historische "deel"
                                staat aan de straat).</al><al>- Verspringingen in de rooilijn blijven binnen de uitersten van de
                                naastgelegen bebouwing.</al><al>- Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden
                                wordt in stand gehouden.</al><al>- Panden zijn gericht naar de openbare ruimte. </al><al>- Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg zijn
                                als voorgevel behandeld. </al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De inpassing van massa en vorm tussen de bestaande bebouwing is
                                zorgvuldig. </al><al>- De bouwhoogte is afgestemd op de bouwmassa en kapvorm van de
                                belendende omgeving. Stedenbouwkundige accentuering kan een extra
                                verdieping motiveren.</al><al>- Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, blijven
                                toevoegingen per pand ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de
                                ritmiek van het geheel.</al><al>- De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de
                                kappen in de omgeving blijven gehandhaafd. </al><al>- De vormgeving van het dak is afgestemd op het karakter van het
                                betreffende pand.</al><al/><al><cursief>Gevels</cursief></al><al>- Bij verbouw en renovatie worden de oorspronkelijke gevelopbouw,
                                ornamentiek en het materiaal- en kleurgebruik gerespecteerd. </al><al>- Originele puien in de panden respecteren, d.w.z. de aanwezige
                                omlijstingen, kroonlijsten, penanten, tussenkolommen en
                                borstweringen handhaven.</al><al>- Oorspronkelijke plinten handhaven, bij nieuwe puien plinten in
                                steenachtig materiaal aanbrengen.</al><al>- Bij verbouw en renovatie worden de maat en schaal van de
                                gevelindeling gerespecteerd.</al><al>- Bij verbouw en renovatie zijn de geleding en ritmiek van de gevel
                                verticaal gericht. </al><al>- Pui ontwerpen in goede samenhang met de architectuur van het
                                oorspronkelijke pand. Passend bij de schaal en de maat van de totale
                                gevel.</al><al>- Geheel of vrijwel geheel geblindeerde glaspartijen en geheel of
                                vrijwel geheel gesloten gevelvlakken zijn op straatniveau niet
                                toegestaan.</al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al>-Het kleurgebruik is ondergeschikt en dient zodanig toegepast te
                                worden dat deze de architectuur ondersteund. Voor de hoofdmaterialen
                                worden aardkleuren toegepast, in combinatie met donkere of rode
                                dakpannen.</al><al>- De kleuren van stucwerk of geschilderde gevels zijn afgestemd op
                                het kleurgebruik in de omgeving.</al><al>- Kleuren van dakpannen en gevels zijn op elkaar afgestemd.</al><al>- Geen felle, dominante of sterk contrasterende kleuren
                                toepassen.</al><al>- Het schilderen van schoon metselwerk is niet toegestaan.</al><al>- Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke materiaal en
                                kleurgebruik tot uitgangspunt nemen.</al><al>- In hoofdzaak bakstenen voor gevels en dakpannen op de daken
                                toepassen.</al><al>- Glas, spiegelende oppervlakken, kunststof en volkern plaat worden
                                niet toegepast bij beplating van gevels.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie </vet></al><al/><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "reguliere toets" toegepast zoals deze staat beschreven in
                                paragraaf 3.3. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Stationsstraat</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>De Stationsstraat, inclusief de bebouwing aan de Husselsesteeg, is
                                een van de beeldbepalende routes door het dorp. Langs dit lint is
                                sprake van een organische structuur. Nieuwe invullingen zorgen voor
                                verdichting van het bebouwingslint. De bebouwingsdichtheid neemt
                                naar buiten toe af, waarbij ook de afstanden tot de straat in het
                                algemeen groter worden. Daardoor is er meer ruimte voor voortuinen
                                en erfbeplantingen. Dit geeft het geheel een groene
                                uitstraling.</al><al/><al>Vrijwel elk pand is individueel ontworpen in verschillende
                                bouwstijlen. Hierdoor zijn er binnen het lint grote verschillen in
                                kapvorm en nokrichting ontstaan. De woningen dichtbij het centrum
                                staan vaak op een smallere kavel dan de woningen in de uiteinden van
                                het lint. Dit is ook te zien aan de breedte van de gevel. De
                                bebouwing bestaat veelal uit één of twee lagen met kap. Door de
                                smalle kavels in het centrum zijn de aan- en bijgebouwen vaak achter
                                de woning gesitueerd. Op de grotere kavels verder van het centrum
                                staan deze gebouwen vaker naast het hoofdgebouw.</al><al/><al>Achter het historische bebouwingslint aan de Stationsstraat zijn aan
                                de Husselsesteeg in de loop van de jaren woningen gebouwd. Deze
                                woningen zijn gerealiseerd in verschillende perioden, waardoor er
                                een grote variatie in de bebouwing aanwezig is. Het gebied kenmerkt
                                zich door woningbouw op ruime, vrije kavels van verschillende
                                grootte. Alle woningen zijn georiënteerd op de Husselsesteeg, die
                                onverhard is. Ook zijn er achter de woningen in het lint van de
                                Stationsstraat bedrijfsgebouwen te vinden die groter zijn dan de
                                bebouwing in het lint. Deze gebouwen zijn georiënteerd op de
                                Stationsstraat, maar maken geen deel uit van het lint doordat zij op
                                grotere afstand van de straat zijn geplaatst.</al><al/><al>In de loop van de jaren zijn de open plekken volgebouwd en zijn
                                woningen vernieuwd of vervangen. De woningen zijn één à twee lagen
                                hoog en hebben soms wel en soms geen kap. Bijgebouwen en aanbouwen
                                zijn naast of achter het hoofdvolume geplaatst. Aan sommige woningen
                                zijn later dakkapellen toegevoegd, die ondergeschikt zijn aan de
                                bebouwing. Bij enkele woningen maken de dakkapellen deel uit van de
                                oorspronkelijke bouw. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Doordat binnen het lint in verschillende perioden is gebouwd, is er
                                geen sprake van een eenduidig detaillering en kleur- en
                                materiaalgebruik. De bebouwing in het lint is veelal historisch,
                                waardoor er vooral traditionele kleuren voorkomen zoals donkergroen,
                                wit en crème. Het materiaal dat is gebruikt, is overwegend een
                                baksteen in een donkere tint. Ook de dakpannen zijn voornamelijk
                                donker van kleur.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Cultuurhistorische waarde: de ontwikkeling van het dorp vanuit de
                                kern is zichtbaar en kenmerkend voor het bebouwingslint. Er is een
                                veelheid en diversiteit aan bebouwingstypen. Nokrichting, kapvorm en
                                materiaalgebruik zijn niet uniform en hangen vooral af van de
                                bouwperiode. De natuurlijke uitstraling van het lint is kenmerkend
                                voor dit gebied. Het beleid is erop gericht deze kwaliteiten te
                                handhaven en eventueel te versterken. Er is ruimte voor beperkte
                                aanpassingen. Nieuwe woonbebouwing langs de noordzijde van de
                                Husselsesteeg is niet gewenst. De ontwikkelingsmogelijkheden zijn
                                vastgelegd in het bestemmingsplan, dat consoliderend van aard is. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare
                                ruimte.</al><al>- De hoofdgebouwen zijn op de weg georiënteerd.</al><al>- Bestaande verspringende rooilijn wordt gerespecteerd.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn individueel herkenbaar.</al><al>- Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie </vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Postweg/Drieseweg</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>Deze buurt ligt langs twee oude toegangswegen van Putten, de Postweg
                                en de Drieseweg. Langs deze wegen is de oorspronkelijke
                                lintbebouwing nog duidelijk aanwezig. De woningen zijn vrijstaand en
                                hebben een individueel ontwerp. Omdat ze langs de toegangsweg van
                                Putten staan is de uitstraling van deze woningen belangrijk. Door de
                                aanwezigheid van verschillende ontwerpen en bouwstijlen is er geen
                                eenduidige nokrichting, ook dakvorm, detaillering en kleur- en
                                materiaalgebruik zijn verschillend. </al><al/><al>De bebouwing is gebouwd rond 1950. Ze heeft zich uitgebreid naar de
                                straten achter het lint, waardoor er rond het lint een buurt is
                                ontstaan. De bebouwing achter het lint bestaat uit rijenwoningen,
                                twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen.</al><al/><al>De kenmerkende bebouwing van de jaren '50 is nog duidelijk aanwezig
                                in het westelijke deel van de Schoolstraat.
                                Twee-onder-één-kapwoningen met rode daken, rode steen en dakkapellen
                                aan de voorkant. De woningen in het oostelijke deel van de
                                Schoolstraat zijn in de jaren '60 gebouwd. Hier staan rijenwoningen
                                met flauwe dakhelling. Dakkapellen zijn in het westelijke deel in
                                overvloed aanwezig en ontbreken aan de oostzijde volledig. </al><al/><al>De Driewegenweg valt ook binnen dit deelgebied en kan net als de
                                Postweg en Drieseweg gezien worden als een historisch lint. De
                                bebouwing aan deze weg is individueel en gebouwd in verschillende
                                perioden. Hierdoor is ook hier de nokrichting en vorm van het dak
                                niet eenduidig. </al><al/><al>In de loop van de jaren zijn tussen en achter de linten open plekken
                                opgevuld met bebouwing en is de bestaande bebouwing veranderd of
                                vervangen. Dit versterkt het karakter van de buurt waarbij de
                                diversiteit in bebouwing een grote rol inneemt. Een voorbeeld is de
                                eigentijdse inpassing aan de Leemkuul van 1965. Door zijn opzet
                                heeft deze straat een heel eigen uitstraling gekregen. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Door een grote variatie aan bouwstijlen in deze buurt is er geen
                                eenduidig kleur- of materiaalgebruik. De bebouwing in het lint
                                kenmerkt zich door diversiteit in kleur en materiaalgebruik. In het
                                algemeen zijn een donkere baksteen en kleur gebruikt. De woningen
                                aan de Schoolstraat zijn afgewerkt met de kenmerkende details uit de
                                jaren '50. Hierbij is aandacht besteed aan de afwerking van de
                                dakgoot en ook de deuren en ramen zijn van enkele typerende details
                                voorzien. De daken zijn afgewerkt met rode pannen en de woningen
                                zijn uitgevoerd in een rode baksteen.De woningen in het oostelijk
                                deel van de Schoolstraat zijn opgetrokken uit een bruine baksteen en
                                dakpannen. Ook hier zijn details aangebracht rond de deur en bij de
                                afwerking van de dakgoten. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>De opzet en inrichting van de buurt zijn typerend voor de jaren '50
                                en begin van de jaren '60. Rijenwoningen en
                                twee-onder-één-kap-woningen in een recht stratenpatroon domineren
                                het beeld. De woningen in het lint zijn echter vrijstaand en zijn
                                beeldbepalend voor de buurt. Het bestemmingsplan is consoliderend
                                van aard. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn op de openbare ruimte georiënteerd.</al><al>- De nokrichting van twee-onder-één-kap- en rijenwoningen is
                                evenwijdig aan de weg.</al><al>- Bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn van het
                                hoofdgebouw gehanteerd.Massa en vorm bebouwing</al><al>- De bebouwing in de linten hebben een individuele uitstraling.</al><al>- De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa.</al><al>- Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al>- Per rij of cluster eenheid in massaopbouw van de
                                hoofdgebouwen.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie </vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Noord</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving </cursief></al><al>De bebouwing in dit deel van Putten is in verschillende
                                tijdsperioden gerealiseerd. Hierdoor komen er veel verschillende
                                bouwstijlen voor, de oudste bebouwing stamt uit 1950 en de meest
                                recente bebouwing is in 1990 gerealiseerd. Er komen vrijstaande
                                woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijenwoningen voor.In deze
                                wijk lopen enkele oude lanen waarlangs vrijstaande woningen zijn
                                geplaatst. De namen van de betreffende lanen zijn Parklaan,
                                Eikenlaan, Waardenbrug, Klaarwaterboslaan en de Essenburgh. Ook de
                                Van Haersma de Withstraat in het zuidwesten van het deelgebied Noord
                                hoort bij de lanen. </al><al/><al>De woningen aan deze lanen hebben een individueel ontwerp en zijn in
                                verschillende perioden gebouwd waardoor er veel verschillende
                                bouwstijlen voorkomen. Daardoor is er geen uniformiteit in de
                                detaillering. De woningen zijn in één rooilijn geplaatst op enige
                                afstand van de weg zodat iedere woning de beschikking heeft over een
                                voortuin. De kavels van de woningen zijn ruim, evenals de ruimte
                                tussen de verschillende woningen. De woningen zijn centraal op de
                                kavel geplaatst. Het straatprofiel wordt gekenmerkt door grote bomen
                                en het ontbreken van een stoep. De woningen hebben een verschillende
                                nokrichting en ook de vorm van het dak is zeer verschillend.
                                Dakkapellen komen hier niet regelmatig voor, meestal maken zij deel
                                uit van de oorspronkelijke bouw. </al><al/><al>Ten noordwesten van deze vrijstaande woningen staan de meer recente
                                woningen. Ook hier is een grote variatie in typen bebouwing.
                                Vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijenwoningen
                                komen hier naast elkaar voor. Delen van deze buurt zijn projectmatig
                                ingericht. De inrichting is minder ruim dan in het voorgaande, maar
                                er is voldoende open ruimte om het geheel een natuurlijke
                                uitstraling te geven. </al><al/><al>De woningen staan in één rooilijn op enige afstand van de straat,
                                waardoor iedere woning de beschikking heeft over een voortuin. Er
                                komen vooral bij de rijenwoningen relatief gezien veel later
                                toegevoegde dakkapellen voor, ook later toegevoegde dakopbouwen
                                komen hier op enkele plaatsen voor. </al><al/><al>Dan rest nog het zuidelijk deel van de wijk. Hierin komen
                                vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijenwoningen
                                naast elkaar voor. De hoogte van de woningen varieert van één laag
                                met kap of plat dak tot twee lagen met kap. Dit gebied heeft een
                                recht stratenpatroon.</al><al/><al>De woningen zijn in verschillende tijdsperioden gerealiseerd en dat
                                kenmerkt zich in grote verschillen in bouwstijlen. Ook de
                                detaillering is daardoor per woning zeer verschillend. Door de
                                projectmatige opzet van delen van de buurt zijn clusters van
                                woningen ontstaan die een zelfde ontwerp en karakteristieke
                                uitstraling hebben. </al><al/><al>Als bijzondere elementen zijn aan te merken de drie belangrijke
                                wegen die binnen dit gebied vallen, te weten de Oude Rijksweg, de
                                Harderwijkerstraat en de Bosrand. Langs deze wegen staan vrijstaande
                                woningen op ruime kavels die met de representatieve zijde naar de
                                weg zijn geplaatst. De uitstraling, plaatsing en detaillering van de
                                woningen is hetzelfde als bij de bebouwing in de lanen.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Door de grote variatie aan bebouwingstypen in dit woongebied is er
                                geen eenheid in detaillering en kleur- of materiaalgebruik. De
                                bebouwing langs de lanen zijn individueel ontworpen en hebben door
                                de verschillende bouwstijlen grote verschillen in detaillering,
                                kleur- en materiaalgebruik. In de andere twee buurten komt meer
                                eenheid voor. Per bouwstrook zijn een zelfde detaillering, kleur- en
                                materiaalgebruik toegepast.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In deze wijk zijn veel verschillende bebouwingstypen aanwezig. De
                                waarde van de wijk ligt dan ook vooral in de variatie van de
                                bebouwing. Er is weinig plaats voor nieuwe ontwikkelingen. De
                                noordelijke buurt is als laatste invulling toegevoegd. Het
                                bestemmingsplan is consoliderend van aard. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare
                                ruimte.</al><al>- Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- Bij de projectmatige bebouwing geldt: per rij of cluster eenheid
                                in massaopbouw van het hoofdgebouw.</al><al>- De nokrichting van twee-onder-één-kap- en rijenwoningen is
                                evenwijdig aan de weg.</al><al>- Bij de individuele bouw geldt: de hoofdgebouwen hebben een
                                individuele uitstraling.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Zuidoost</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>De woningen in deze buurten, in het oosten van Putten, zijn
                                gerealiseerd vanaf de jaren '60 waarin een grote vraag naar woningen
                                was. Er is in zeer korte tijd veel gebouwd en de woningen lijken
                                veel op elkaar. In deze buurten staat veel sociale woningbouw. De
                                wijk is op te delen in twee deelgebieden: ten noorden van de
                                Garderenseweg bevindt zich een combinatie van verschillende
                                woonmilieus, terwijl ten zuiden van de Garderenseweg veel dezelfde
                                woningbouw voorkomt. De woonwijken met een traditionele
                                blokverkaveling liggen achter de bebouwingslinten, Voorthuizerstraat
                                en Garderenseweg. </al><al/><al>In de linten bevinden zich vooral vrijstaande woningen, terwijl
                                erachter meer twee-onder-één-kapwoningen en rijenwoningen voorkomen.
                                De woningen in de linten zijn veelal individueel ontworpen en staan
                                met de representatieve zijde naar de openbare ruimte. Deze ruimte is
                                tevens de doorgaande weg van en naar het centrum. De woningen zijn
                                centraal op de kavels geplaatst. Doordat de woningen in
                                verschillende tijdsperioden zijn gebouwd zijn er grote verschillen
                                in de nokrichting, dakvorm, detaillering en kleur- en
                                materiaalgebruik. </al><al/><al><cursief>Ten noorden van de Garderenseweg</cursief></al><al>In dit gebied is in verschillende perioden gebouwd, deels voor 1950,
                                deels tussen 1950 en 1954 en deels in de periode tussen 1954 en
                                1960. Hierdoor zijn er verschillende karakteristieken ontstaan,
                                rijenwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande. De
                                variatie in de bebouwingstypen is groot, evenals de dakvorm,
                                nokrichting en kavelafmeting. Er is veel groen aanwezig. De afstand
                                van de woningen tot de straat varieert. In het algemeen staan de
                                woningen met de representatieve zijde naar de openbare ruimte.</al><al/><al><cursief>Ten zuiden van de Garderenseweg</cursief></al><al>Kenmerkend voor de jaren '60 zijn het strookvormig stratenpatroon en
                                het straatgericht wonen. Door de eenvoudige hoofdmassa's en
                                kapvormen ontstaat rust in het bebouwingsbeeld. De herhaling van
                                gelijkvormige koppen van bouwblokken geven een karakteristiek beeld
                                naar de zijstraten. De opzet is ruim en er is veel ruimte voor
                                groen.</al><al/><al>Een aantal woningen wordt ontsloten door middel van woonpaden (Jacq
                                Perkpad en Tollenspad).De gebouwen en gebouwcomplexen bestaan uit
                                eenvoudige stroken van één à twee lagen en een lage kap evenwijdig
                                aan de straat. De afstand van de bebouwing tot de straat is niet in
                                alle gevallen gelijk. Vaak staan de bijgebouwen los van het
                                hoofdgebouw.Er zijn maar enkele woningen waar een later toegevoegde
                                dakkapel op is geplaatst en heel sporadisch komt een dakopbouw voor. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een
                                ingetogen kleur- en materiaalgebruik. In dit gebied is veel
                                roodbruine baksteen gebruikt en dakpannen in een oranje, bruine of
                                zwarte tint. De bebouwing uit het begin van de jaren '60 heeft meer
                                detaillering dan de latere bebouwing. Dit komt tot uiting bij de
                                voordeur en andere gevelopeningen.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>De bebouwing in deze wijk is typerend voor de jaren '60. Er zijn
                                veel rijenwoningen en twee-onder-één-kapwoningen vrijstaande
                                woningen komen vooral voor langs de verbindingswegen. Doordat ten
                                noorden van de Garderenseweg een gevarieerd woonmilieu voorkomt is
                                het daar goed mogelijk om enkele openstaande percelen met bebouwing
                                op te vullen. Deze percelen kunnen worden gezien als
                                ontwikkelingsgebieden. Ten zuiden van de Garderenseweg is geen
                                ruimte voor verdere ontwikkeling, de open ruimte heeft als
                                bestemming groenvoorziening. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn op de weg georiënteerd.</al><al>- Bestaande rooilijn worden gerespecteerd.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa.</al><al>- Per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het
                                hoofdgebouw.</al><al>- Bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al>- De nokrichting van twee-onder-één-kap- en rijenwoningen is
                                evenwijdig aan de weg.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie </vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Halvinkhuizerweg-west/Buiteneng</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>In de periode vanaf de jaren '70 is er ten zuiden van de
                                begraafplaats aan de Engweg en ten westen van de Halvinkhuizerweg
                                een wijk gerealiseerd met de voor die tijd kenmerkende woonerven en
                                met de daarbij behorende kenmerkende uitstraling. De buurt wordt
                                doorsneden door een park, De Groene Scheg. </al><al/><al><cursief>Ten oosten van de Groene Scheg</cursief></al><al>Het woongebied ten oosten van De Groene Scheg heeft een gevarieerd,
                                slingerend stratenpatroon met weinig doorgaande wegen. Door dit
                                wegenpatroon is hier en daar een open ruimte tussen de bouwblokken
                                ontstaan.</al><al>De woningen zijn van allerlei typen, veelal per woonerf
                                verschillend. De bebouwing staat meestal geclusterd rondom
                                woonerven. Deze staan in één rooilijn op bepaalde afstand van de
                                straat. Doordat aan de voorkant van de woningen vaak een carport en
                                bijgebouw zijn geplaatst, is het niet altijd even duidelijk wat de
                                voor- of achterkant van de woning is. De buurten zijn sterk naar
                                binnen gekeerd. </al><al/><al>De bebouwing heeft eenvoudige hoofd- en kapvormen als kenmerk. Er
                                wordt een type woonblokken toegepast van twee lagen met
                                doorgetrokken kap. In het oostelijke deel van de wijk komt ook
                                gestapelde bouw voor in twee lagen. De gestapelde bouw staat in twee
                                stroken evenwijdig aan elkaar met een woonpad ertussen. de
                                gestapelde bouw heeft een lessenaarsdak. Aan beide zijde komen
                                balkons voor. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>De opzet van dit deelgebied is typerend voor de woonerven. De
                                bebouwing is gevarieerd en staat in clusters. Binnen het gebied zijn
                                geen percelen beschikbaar voor nieuwbouw van woningen. Er kunnen
                                alleen veranderingen aan bestaande bebouwing plaatsvinden, mits dit
                                past binnen de bestaande situatie. Het bestemmingsplan is
                                consoliderend van aard.</al><al/><al>Ten westen van de Groene Scheg, de BuitenengDit deel van de
                                woonerven is in jaren '80 gerealiseerd. Het is ruimer en
                                overzichtelijker dan het deelgebied ten oosten van de Groene Scheg.
                                De wegenstructuur is meer lineair met enkele lussen in het oostelijk
                                deel en dubbele lussen in het westelijk deel.</al><al/><al>Het woningaanbod is erg gevarieerd; zowel vrijstaande en
                                twee-onder-één-kapwoningen als geschakelde en rijenwoningen komen in
                                dit gebied voor. Door de variatie in de bebouwing is er ook een
                                verschil in rooilijn. De woningen staan per bouwstrook in een
                                rooilijn. Per bouwstrook kan de afstand tot de weg verschillen. De
                                woningen staan met de voorgevel naar de straat gericht en hebben
                                meestal een voortuin.De woonbebouwing bestaat uit een of twee
                                bouwlagen met kap. De meest voorkomende kapvorm is het zadelzak,
                                waarvan de nokrichting overwegend evenwijdig is aan de straat. In de
                                buurt komen regelmatig dakkapellen voor die later zijn toegevoegd
                                aan de oorspronkelijke bouw. </al><al/><al>Aan de Engweg ligt bejaardencentrum "De Schouw". Dit gebouw bestaat
                                uit drie en gedeeltelijk vier bouwlagen.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Alle woningen zijn opgetrokken uit lichte, zandkleurige of gele
                                bakstenen met donkere daken. De gevelgeleding is overwegend
                                horizontaal en van een bijzondere detaillering aan de woningen is
                                geen sprake.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Ook hier geldt dat de opzet van het gebied typerend is voor
                                woonerven. Grote veranderingen of ontwikkelingen in dit deelgebied
                                zijn niet te verwachten. Het handhaven van de bestaande situatie
                                staat voorop. Het bestemmingsplan is consoliderend van aard.
                                </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De bestaande rooilijn wordt gerespecteerd.Massa en vorm
                                bebouwing</al><al>- De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa.</al><al>- Per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het
                                hoofdgebouw.</al><al>- Bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al>- De nokrichting van twee-onder-één-kap- en rijenwoningen is
                                evenwijdig aan de weg.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>De oostzijde van de Bosrand en het daarachter gelegen
                                    gebied</titel></kop><al><cursief>Ruimtelijke structuur</cursief></al><al>Putten heeft vier woongebieden die in het bos zijn gesitueerd. Deze
                                liggen aan de oostkant van het dorp, net buiten de rondweg (de
                                Bosrand-Calcariaweg). Hierbij was het bospatroon uitgangspunt bij de
                                inrichting van het gebied. Er lopen maar enkele wegen door, waarvan
                                sommige onverhard zijn.</al><al/><al>De vier gebieden zijn in de loop van meerdere decennia ontstaan. In
                                eerste instantie stonden er slechts enkele woningen in het bos. De
                                open ruimte tussen deze verschillende woningen werd opgevuld met
                                meer recente bebouwing. Ook werden woningen vervangen door
                                nieuwbouw. </al><al/><al>Door deze invullingen in de loop van de tijd komen er verschillende
                                bouwstijlen voor. Dit maakt het beeld van de gebieden zeer
                                gevarieerd: geen twee woningen zijn hetzelfde. De bebouwing in deze
                                gebieden is per pand en veelal met zorg vormgegeven. </al><al/><al>De woningen zijn alle vrijstaand, liggen op ruime kavels en staan
                                vrijwel steeds op enige afstand van de weg. Een aantal kavels
                                bestaat uit bosbeplanting met een woning daarin. Andere kavels
                                bestaan geheel uit bos, zonder dat er een gebouw aanwezig is. Het
                                Putterbosch dringt qua sfeer in deze woongebieden duidelijk door.
                                Hoewel de bebouwing in één rooilijn staan, is door de ruime opzet
                                van de gebieden geen duidelijke rooilijn zichtbaar. Ook de
                                oriëntatie van de woningen is niet eenduidig. De woningen zijn één à
                                twee lagen hoog en zijn voorzien van een kap of plat dak. Er is
                                tevens sprake van een grote diversiteit aan dakvormen en
                                nokrichtingen. De positie van bijgebouwen ten opzichte van het
                                hoofdgebouw komt zeer verschillend voor.</al><al/><al>Het geheel heeft een bosrijke uitstraling, niet alleen door de
                                ligging in het bos, maar ook door de aanwezigheid van bomen in de
                                tuinen. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Er is geen sprake van een eenduidige detaillering en eenduidig
                                kleur- en materiaalgebruik, mede doordat de bebouwing in
                                verschillende perioden en stijlen is ontstaan. Qua materiaalgebruik
                                van de gevels valt op dat gebruik wordt gemaakt van zowel steen als
                                van hout. Per woning is dit vervolgens op individuele wijze
                                ingevuld. De woningen hebben een degelijke luxe uitstraling.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>De waarde van dit deelgebied wordt met name bepaald door de
                                inpassing in het bos en de vrijstaande bebouwing op ruime kavels. De
                                woningen zijn daarbij ondergeschikt aan het bos. Ook de schaal en de
                                individualiteit zijn aantrekkelijk. Doorgaand verkeer ontbreekt,
                                waardoor het wat verkeer betreft een zeer rustige buurt is.Het
                                bestemmingsplan is consoliderend van aard. Kleine ontwikkelingen
                                zijn hierin geregeld. In het gebied zijn enkele inbreidingslocaties
                                aanwezig. Voor ontwikkelingen op deze locaties zullen op basis van
                                vast te stellen plannen welstandscriteria moeten worden opgesteld.
                                Deze criteria zullen worden ingevoegd in de welstandsnota. Grote
                                veranderingen of ontwikkelingen in deze woongebieden zijn echter
                                niet te verwachten, verouderde woningen zullen worden vervangen of
                                vernieuwd. Het handhaven van de bestaande situatie en kwaliteit
                                staat voorop.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De gebouwen zijn individueel herkenbaar.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie </vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Husselerveld</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>De meest recente wijk van Putten is het Husselerveld, gelegen ten
                                westen van de Nijkerkerstraat. Deze wijk is planmatig ingericht en
                                een groot deel werd rond 2000 afgerond.</al><al/><al>De wijk is ruim opgezet en heeft een gevarieerd stratenpatroon.
                                Zowel rechte straten als hofjes en doodlopende wegen (Cul de Sac's)
                                komen voor. De stedenbouwkundige opzet van Husselerveld komt deels
                                voort uit de landschappelijke 'onderlegger'. De waardevolle
                                houtwallen en bomenrijen in het gebied zijn gebruikt als
                                structurerende elementen en vormen de dragers voor het openbaar
                                groen. Een aantal karakteristieke boerderijen die zich in het gebied
                                bevindt is geïntegreerd in de wijk. De noord-zuid lopende houtwallen
                                verdelen het gebied in drie deelgebieden. Er is daarmee een
                                structuur ontstaan van op zichzelf staande woongebieden. De gebieden
                                zijn van elkaar onderscheiden door kleurverschillen van de baksteen.
                                In het oostelijke deel van Husselerveld zijn de gevels uitgevoerd in
                                een donkere kleur baksteen, terwijl lichtere kleuren zijn toegepast
                                in het deel ten westen van de groenzone van de Mennestraat. In het
                                deel met de donkere baksteen komen meer twee-onder-één-kapwoningen
                                en vrijstaande woningen voor. </al><al/><al>Het stedenbouwkundig patroon binnen elk gebied is eenvoudig en
                                helder. Haaks op het noord-zuid gerichte patroon lopen in oost-west
                                richting de belangrijkste fietsverbindingen. Centraal in het gebied
                                is een groene ruimte ingericht, waar een basisschool is
                                gerealiseerd. </al><al/><al>De woning binnen de wijk is gevarieerd. De vrijstaande woningen
                                staan vooral aan de rand van de wijk, in het midden liggen de
                                rijenwoningen en twee-onder-één-kapwoningen. Op enkele markante
                                plaatsen in de wijk zijn bijzondere vrijstaande woningen geplaatst.
                                De variatie in de wijk is mede een gevolg van de verspringende
                                rooilijn. De woningen staan met de voorgevel(s) naar de openbare
                                ruimte gericht en hebben een voortuin. De kavels zijn relatief
                                klein, maar kunnen per type woning variëren. </al><al>De bebouwing bestaat uit één, anderhalve of twee lagen met kap. Door
                                de grote variatie aan woningen zijn er veel verschillen tussen de
                                plaatsing van bijgebouwen en aan- of uitbouwen, nokrichting en
                                dakvorm.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>De meeste woningen zijn opgetrokken uit lichte, zandkleurige of gele
                                steen of gedekt met donkere pannen. De gevelgeleding is overwegend
                                horizontaal en van een opvallende detaillering aan woningen is in
                                het algemeen geen sprake. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Grote veranderingen of ontwikkelingen in dit deelgebied zijn niet te
                                verwachten. Het handhaven van de bestaande situatie staat voorop.
                                Het huidige bestemmingsplan is consoliderend van aard.Er zijn
                                plannen voor verdere uitbreiding van Husselerveld. Voor deze
                                woningen zullen in de toekomst criteria worden opgenomen in deze
                                nota. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- De hoofdgebouwen zijn met de voorgevel en de op de openbare ruimte
                                gerichte zijgevel representatief ontworpen.</al><al>- De bestaande rooilijn wordt gerespecteerd.</al><al>- De bestaande situering is uitgangspunt bij vervanging.Massa en
                                vorm bebouwing</al><al>- De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa.</al><al>- Voor de projectmatig opgezette bebouwing geldt: per rij of cluster
                                eenheid in massa-opbouw van de hoofdgebouwen.</al><al>- Voor individuele bebouwing geldt: de bebouwing heft een
                                individuele uitstraling.</al><al>- Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- Het hoofdkleurgebruik bestaat uit kleuren die aansluiten op de
                                directe omgeving.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Sprielderweg</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>Het gebied ten zuiden van de Sprielderweg en ten oosten van de
                                Voorthuizerweg is in de huidige situatie een zeer open gebied met
                                weinig bebouwing. Het zuidelijke deel is bestemd voor een bedrijf,
                                dat naar het noorden toe wordt uitgebreid. De gebouwen op het
                                bedrijfsterrein zijn niet hoger dan 10 meter. Het noordelijke deel
                                van dit terrein is bestemd voor woningen. De terreinen worden van
                                elkaar gescheiden door een groenstrook en een geluidswal. </al><al/><al>Achter de bestaande woningen langs de zuidzijde van de Sprielderweg
                                zal een nieuwe woonbuurt met vrijstaande woningen worden
                                gerealiseerd. De woningen zullen een vrij en individueel karakter
                                hebben. Een groot gedeelte van het terrein zal worden ingericht met
                                openbaar groen. Daarnaast zullen de woningen een grote voortuin
                                hebben. Tussen de woningen met de nummers 4 en 8 zal plaats zijn
                                voor een vrijstaande woning. Ten oosten van de woningen met de
                                huisnummers 2 t/m 14 zijn twee nieuwe huizen gesitueerd waarvan de
                                voorgevels op 24 meter uit de as van de Sprielderweg staan. Deze
                                woningen geven een doorkijk naar het zuiden waar een klein ven ligt.
                                De woningen ten oosten van deze opening komen in een zelfde rooilijn
                                te liggen als de twee woningen ten westen van de opening en zijn
                                gelegen langs een ventweg. De tuinen aan de achterzijde grenzen aan
                                de achtertuinen van de woningen op het terrein. Achter de bestaande
                                woningen van de Sprielderweg komt een aantal vrijstaande woningen,
                                deze hebben een kleiner oppervlak dan de woningen in het oostelijk
                                deel. Aan- of bijgebouwen worden aan de oost- dan wel noordzijde van
                                de woningen geplaatst. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>De uitstraling van de nieuwe woonbuurt is groen en natuurlijk. Het
                                kleur- en materiaalgebruik zal hierop moeten worden afgestemd,
                                enkele uitzonderingen daargelaten. Door de individuele uitstraling
                                van de woningen zullen er veel verschillen in detail voorkomen. De
                                dakbedekking van de woningen kan zeer verschillend van aard zijn,
                                het kan variëren van pannen, leipannen, leien of riet. De woningen
                                worden uitgevoerd in baksteen of hout, desgewenst afgewisseld met
                                wit schilder- of keimwerk. Sombere of uitbundige uitstraling van de
                                gevels moet worden vermeden.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>De woonbuurt is nog in ontwikkeling en zal een individuele
                                uitstraling krijgen. Er zal een grote oppervlakte voor groen
                                beschikbaar zijn, waardoor de buurt een natuurlijke uitstraling zal
                                krijgen. Het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitplan zijn bij
                                vernieuwingen richtinggevend.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing </cursief></al><al>- De gebouwen zijn individueel herkenbaar.Massa en vorm bebouwing-
                                De hoofdgebouwen zijn individueel herkenbaar.- Bijgebouwen en aan-
                                en uitbouwen zijn in omvang ondergeschikt aan het
                                hoofdgebouw.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.10</nr><titel>Bedrijventerreinen</titel></kop><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Putten heeft thans drie bedrijventerreinen. In het noordwesten bij
                                het station, even buiten de kern van het dorp ligt het
                                bedrijventerrein Keizerswoert, dat rond 1970 is gerealiseerd. In het
                                dorp ligt het bedrijventerrein Hoge Eind/Ambachtstraat uit de jaren
                                negentig, terwijl zich ten zuiden van Putten het bedrijventerrein De
                                Hoge Eng bevindt. Het laatstgenoemde terrein is van zeer recente
                                datum en nog gedeeltelijk in ontwikkeling. Omdat de terreinen erg
                                van elkaar verschillen, worden ze afzonderlijk beschreven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.10.1</nr><titel>Keizerswoert</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>Het bedrijventerrein Keizerswoert is nabij het station gelegen en
                                herbergt de meest groot-schalige bedrijven van Putten.</al><al>Het terrein, met een <vet>bruto</vet> oppervlak van circa 16.5 ha,
                                wordt vanaf de Stationsweg via de Industrieweg ontsloten en ligt net
                                iets buiten de woonbebouwing van de kern Putten. De zuidelijke rand
                                van het gebied bestaat uit woningen die bij het bebouwingslint van
                                de Stationsstraat horen. Aan de westzijde wordt de begrenzing van
                                het terrein bepaald door de spoorlijn van Amersfoort naar Zwolle. De
                                overige grenzen worden bepaald door het omliggende agrarisch
                                landschap. </al><al/><al>Het wegprofiel is ruim en in het algemeen is de scheiding tussen
                                privé-terrein en openbare ruimte duidelijk. </al><al>Het bedrijventerrein is relatief dichtbebouwd: de kavels worden in
                                grote mate benut door bedrijfsgebouwen en hun bijgebouwen,
                                stellages, stallingen en parkeerruimte. De bedrijfsbebouwing staat
                                veelal centraal op het perceel, met rondom enige ruimte voor
                                transportbewegingen (bevoorrading en afvoer van producten), parkeren
                                en buitenopslag. Dat betekent dat er betrekkelijk veel verharding en
                                slechts in beperkte mate algemene groenvoorzieningen op het terrein
                                aanwezig zijn. Het terrein heeft echter een groene uitstraling door
                                de aanwezigheid van privé-groen op diverse bedrijfsterreinen. De
                                bebouwing staat met de representatieve zijde naar de openbare weg.
                                Op het terrein bevinden zich enkele bedrijfswoningen. Doordat de
                                percelen individueel zijn uitgegeven, is een divers beeld ontstaan
                                van grootschalige en kleinschalige gebouwen. Ze hebben vaak een
                                eenvoudige hoofdvorm. Een groot deel van de bebouwing is voorzien
                                van een plat dak. Grootschalige bedrijfsgebouwen kennen een meer
                                gelede massaopbouw. De meeste bedrijfsgebouwen zijn één tot twee
                                lagen hoog, de grootschalige bedrijfsgebouwen zijn echter hoger
                                waardoor ze opvallende elementen worden in het gebied. </al><al>De nieuwere bedrijfsbebouwing heeft een meer representatieve
                                uitstraling door toepassing van andere vormgeving en andere
                                materialen.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Bij de bebouwing in dit gebied worden veel verschillende materialen
                                toegepast. Veel gebouwen zijn opgetrokken uit profielplaat, waarbij
                                de wanden worden onderbroken door ramen. Bij andere gebouwen komen
                                weer combinaties voor van kunststof of glas afgewisseld door
                                bakstenen. Ook het kleurgebruik binnen dit gebied is zeer divers.
                                Vaak is de representatieve zijde naar de openbare weg gekeerd. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Om de ongewenste bedrijfsvestigingen verspreid in Putten te kunnen
                                verplaatsen, dienen de bebouwingsmogelijkheden voor woningen op het
                                bedrijventerrein te worden beperkt. Incidenteel kunnen
                                bedrijfswoningen worden toegestaan. Omdat bijgebouwen een grote
                                invloed kunnen hebben op het bebouwingsbeeld door de hoogte of
                                kleurafwijking, zullen deze ondergeschikt moeten zijn aan het
                                hoofdgebouw. Bij nieuwbouw dienen de gebouwen te passen binnen de
                                huidige situatie. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het referentiepunt voor ieder
                                (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                                toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur,
                                de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en materiaalgebruik
                                ervan als uitgangspunt dient te nemen. Daarbij moet worden gestreefd
                                naar toename van de kwaliteit.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- Bebouwing staat met de representatieve zijde (kantoorgedeelte,
                                entree) naar de openbare weg.</al><al>- Bebouwing staat in de rooilijn.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De gebouwen zijn individueel herkenbaar en hebben een eenvoudige
                                hoofdvorm.</al><al>- De grootschalige bedrijfsbebouwing kent een gelede
                                massaopbouw.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- Langs de openbare buitenranden is representativiteit een
                                voorwaarde.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al/><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.10.2.</nr><titel>Ambachtstraat</titel></kop><al>Het bedrijventerrein aan de Ambachtstraat heeft een bruto oppervlak
                                van circa 3,3 ha. Hier is onder meer de gemeentewerf gevestigd. Het
                                terrein wordt omgeven door woningen en heeft daardoor een extensief
                                gebruik. </al><al/><al>Het terrein is enigszins verouderd en herbergt een combinatie van
                                bedrijven en bedrijfs-woningen. De woningen staan aan de randen van
                                het terrein, waarbij de bedrijven veelal op de achterterreinen van
                                de woningen zijn geplaatst. Daarnaast is er een aantal grotere
                                bedrijven gevestigd, die ooit klein zijn begonnen en steeds verder
                                zijn uitgebreid.</al><al/><al>De bebouwing is één à twee lagen hoog en met de representatieve
                                zijde naar de openbare weg geplaatst. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Veel bebouwing bestaat uit baksteen, maar ook hout en kunststof
                                komen voor. De bebouwing mist detaillering, maar heeft wel een
                                individuele uitstraling.</al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>In de toekomst wordt dit terrein gesaneerd en wordt het terrein
                                bebouwd met woningen. Tot die tijd geldt dat de huidige situatie
                                bepalend is voor veranderingen. Het bestemmingsplan is consoliderend
                                van aard.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het referentiepunt voor ieder
                                (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                                toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur,
                                de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en materiaalgebruik
                                ervan als uitgangspunt dient te nemen. Daarbij moet worden gestreefd
                                naar toename van de kwaliteit.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- Bebouwing staat met de representatieve zijde (kantoorgedeelte,
                                entree) naar de openbare weg.</al><al>- Bebouwing staat in de rooilijn.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- De gebouwen zijn individueel herkenbaar en hebben een eenvoudige
                                hoofdvorm.</al><al>- De grootschalige bedrijfsbebouwing kent een gelede
                                massaopbouw.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en
                                materiaalgebruik</cursief></al><al>- Langs de openbare buitenranden is representativiteit een
                                voorwaarde.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al/><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.10.3</nr><titel>De Hoge Eng</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving</cursief></al><al>Het bedrijventerrein De Hoge Eng heeft een bruto oppervlakte van 8.3
                                ha. Dit bedrijventerrein is deels nog in aanbouw en in aan de
                                zuidkant van Putten gelegen. Het bedrijvenpark wordt omsloten door
                                de Van Geenstraat, de Halvinkhuizerweg, de Hoge Engweg en de
                                Voorthuizerstraat. Het terrein grenst aan het bestaande woongebied
                                van Putten en wordt ervan onderscheiden door de Van Geenstraat. Het
                                terrein is bestemd voor kleinere, milieuvriendelijke bedrijven en
                                kantoren. De Hoge Eng heeft uitdrukkelijk een representatief
                                karakter langs de wegen Van Geenstraat en Halvinkhuizerweg. Aan de
                                zuidkant van het terrein is een klein woonwagenterrein gelegen. Dit
                                terrein is welstandsvrij, hiervoor worden geen criteria opgesteld. </al><al/><al>Er is sprake van relatief extensief ruimtegebruik, waarbij de
                                bedrijfsbebouwing veelal centraal op het perceel staat, met rondom
                                ruimte voor eventuele transportbewegingen (bevoorrading en afvoer
                                van producten), parkeren en buitenopslag. Dat leidt tot relatief
                                veel verharding. </al><al/><al>Er is een aantal grote bedrijfsgebouwen geplaatst met de
                                representatieve zijde naar de Van Geenstraat. Dit betekent dat
                                kwalitatief hoge eisen gesteld worden aan de verschijningsvorm van
                                de bebouwing in deze zone. De bedrijven hebben een samenhangend en
                                verzorgd totaalbeeld, waarbinnen ieder bedrijf een eigen gezicht
                                heeft. Op het terrein zelf komen naast bedrijfsgebouwen ook
                                bedrijfswoningen voor. Enkele zijn op zeer prominente plaatsen van
                                het terrein geplaatst en op de straat georiënteerd. In het geval van
                                een bedrijfswoning is de bedrijfshuisvesting veelal op het achtererf
                                van de woning geplaatst.</al><al/><al>De opzet van het bedrijventerrein is ruim. De bebouwing is één tot
                                twee lagen hoog. Doordat de percelen individueel zijn uitgegeven, is
                                een divers beeld van grootschalige en kleinschalige gebouwen
                                ontstaan, waarbij de gebouwen vaak één tot twee verdiepingen hoog
                                zijn. Veel bedrijfspanden zijn voorzien van een plat dak terwijl
                                bedrijfswoningen een kap hebben.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>Door de individuele ontwerpen is er een grote variatie aan kleur en
                                materiaal op het bedrijventerrein. Kunststof en glas komen voor
                                naast baksteen. De detaillering is per gebouw verschillend. Ieder
                                gebouw is met zorg ontworpen. </al><al/><al><cursief>Waardebepaling, ontwikkeling en beleid</cursief></al><al>Aan de rand van het bedrijventerrein, waar de gebouwen voor velen
                                zichtbaar zijn, is representativiteit van groot belang. Het
                                bedrijventerrein neemt een belangrijke plaats in in Putten door zijn
                                centrale ligging aan de Van Geenstraat en opvallende individuele
                                ontwerpen. Het bestemmingsplan is consoliderend van aard.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- Bebouwing is individueel herkenbaar.</al><al>- De bebouwing staat met de representatieve zijde (kantoorgedeelte,
                                entree) naar de Van Geenstraat of Halvinkhuizerweg. Indien het pand
                                niet gelegen is aan de Van Geenstraat of Halvinkhuizerweg, dient de
                                representatieve zijde naar de openbare ruimte gekeerd te zijn </al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- Panden hebben een individuele uitstraling.</al><al>- Bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- Het representatieve deel wordt in hoofdzaak uitgevoerd in
                                hoogwaardige materiaalsoorten, zoals natuursteen, aluminium,
                                baksteen en glasgevels.- Aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in
                                kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw.</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al/><al/><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.11</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al><cursief>Gebiedsbeschrijving </cursief></al><al>Binnen de kern Putten zijn drie gebieden aan te wijzen waar
                                voornamelijk voorzieningen te vinden zijn: sportpark de Putter Eng,
                                algemene begraafplaats Schootmanshof en algemene begraafplaats
                                Engweg. De gebieden bestaan hoofdzakelijk uit groene gebieden
                                waarvan de structuur wordt bepaald door de erdoor en erlangs lopende
                                ontsluitingen en beplantingen.</al><al/><al>De bebouwing op de begraafplaatsen is kleinschalig en functioneel,
                                zij is ondergeschikt aan de functie van het terrein. De gebouwen
                                bestaan uit één laag met plat dak. Op begraafplaats Schootmanshof
                                staat naast de functionele gebouwen nog een kerkgebouw. Op het
                                sportterrein zijn de gebouwen groter en bestaan uit meer dan één
                                verdieping. De gebouwen staan vrij in de ruimte. </al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>De bebouwing is eenvoudig en uitgevoerd in de kleuren, rood/ bruin
                                en donker geel. Details ontbreken. Waardebepaling, ontwikkeling en
                                beleidAan de rand van het sportpark kunnen de gebouwen zichtbaar
                                zijn vanaf de openbare weg. Hier is enige representativiteit van
                                belang. </al><al/><al><vet>Welstandscriteria</vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>- De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt
                                voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een
                                bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige
                                structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en
                                materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.</al><al/><al><cursief>Plaatsing</cursief></al><al>- Indien de bebouwing van af de openbare weg zichtbaar is, is de
                                representatieve zijde naar deze weg gericht.</al><al/><al><cursief>Massa en vorm bebouwing</cursief></al><al>- Gebouwen staan vrij in de ruimte en zijn rondom ontworpen.</al><al>- Panden hebben een individuele uitstraling.</al><al>- Bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling.</al><al/><al><cursief>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</cursief></al><al>- Het hoofdgebouw is richtinggevend voor kleur- en materiaalgebruik
                                ten aanzien van aan- en uitbouwen en bijgebouwen</al><al/><al><vet>Aanvullende informatie</vet></al><al/><al><cursief>Welstandsniveau</cursief></al><al>Bij de interpretatie van de welstandscriteria in dit deelgebied
                                wordt een "lichte welstandstoets" toegepast zoals deze staat
                                beschreven in paragraaf 3.3. Een "reguliere welstandstoets" wordt
                                toegepast bij de bebouwing langs de Linten die aangegeven staan op
                                de kaart "deelgebieden kern Putten".</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Nieuwe projecten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel/></kop><al>Zodra een (her)ontwikkelingslocatie aan de orde is zal de
                                gemeenteraad de aanvullende gebiedsgerichte welstandscriteria
                                daarvoor vaststellen, als aanvulling op deze welstandsnota. Het
                                opstellen van deze welstandscriteria wordt voortaan een vast
                                onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria
                                worden opgesteld in overleg met de welstandscommissie. Tegelijk
                                kunnen afspraken worden vastgelegd over de werkwijze bij eventuele
                                planbegeleiding en bij de welstandsbeoordeling.</al><al/><al>Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de
                                inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de
                                planvoorbereiding.De welstandscriteria voor deze nieuwe projecten
                                moeten zijn vastgesteld door de gemeenteraad voordat de planvorming
                                van de eerste bouwplannen start en wordt bekend gemaakt aan alle
                                potentiële opdrachtgevers in het betreffende gebied.</al><al/><al>Bouwplannen die worden ingediend voordat de aanvullende
                                gebiedscriteria door de gemeenteraad zijn vastgesteld, zullen steeds
                                aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Daarbij wordt getoetst
                                aan de van toepassing zijnde loket- en objectcriteria en de
                                bestaande gebiedscriteria. Voor zover die niet (meer) van toepassing
                                zijn, worden de algemene welstandscriteria gehanteerd. </al><al/><al>Eén van de nieuwe projecten betreft "Bijsteren". Voor dit gebied is
                                een beeldkwaliteitsplan gemaakt die dient als basis voor de
                                beoordeling van bouwplannen in dit gebied. Te zijner tijd zal voor
                                dit gebied opgenomen worden als apart deelgebied die deel uitmaakt
                                van de kom. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Excessenregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><al>Op grond van artikel 19 van de Woningwet kunnen burgemeester en
                                wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate is
                                strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om de
                                strijdige situatie ongedaan te maken.</al><al/><al>De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het
                                criterium dat sprake moet zijn van een buitensporigheid in het
                                uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk
                                doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied.</al><al>Vaak heeft dit betrekking op:</al><al>- het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn
                                omgeving;</al><al>- het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden
                                bij aanpassing van een bouwwerk;</al><al>- inferieur materiaalgebruik;</al><al>- toepassing van felle of contrasterende kleuren;</al><al>- te opdringerige reclames;</al><al>- een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie
                                daarvoor de gebiedsgerichte criteria).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Algemene welstandscriteria</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><al>De welstandstoets heeft steeds plaats gehad aan de hand van de
                                volgende aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw op
                                zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. Die
                                indeling is op zich nog steeds bruikbaar en zal ook van nut blijken
                                bij het formuleren van criteria maar geeft zelf geen of onvoldoende
                                inzicht in de inhoudelijke kant ervan. Voor het 'inkleuren' van deze
                                aspecten met de algemene principes die de beoordeling van een
                                bouwplan op kwaliteit (of het ontbreken daarvan) mogelijk maken is
                                gebruik gemaakt van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof.
                                ir. Tj. Dijkstra waarin de aspecten in vijf punten worden
                                uitgewerkt. Die worden hier puntsgewijs samengevat, de complete
                                tekst is te vinden in de bijlage:</al><al/><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag
                                worden verwacht dat:</al><lijst><li nr="1."><al> Het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de
                                        openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij
                                        worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis
                                        van het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie
                                        tussen bouwwerk en omgeving).</al></li><li nr="2."><al> Dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt
                                        en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die
                                        bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit
                                        (betekenissen van vormen in de sociaal-culturele
                                        context).</al></li><li nr="3."><al> Er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de
                                        aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht
                                        tussen helderheid en complexiteit).</al></li><li nr="4."><al> Het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat
                                        beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en
                                        vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen).</al></li><li nr="5."><al> Materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het
                                        bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met
                                        de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan
                                        duidelijk maken.</al><al/></li></lijst><al>Deze algemene welstandscriteria worden als een vangnet gebruikt voor
                                die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Ze
                                zijn ook, in hun samenhang, een illustratie van de wijze waarop de
                                onafhankelijke, deskundige en geïnteresseerde welstandscommissie tot
                                een oordeel komt, niet door het "afvinken" van onderdelen maar door
                                een integrale afweging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13</nr><titel>Welstandsgebiedenkaart</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel/></kop><al>De welstandsgebiedenkaart is in te zien via www.putten.nl</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>A</nr><titel>Begrippenlijst</titel></kop><al/><al><cursief>aanbouw:</cursief></al><al>nieuw gedeelte, gebouwd aan een bestaand gebouw;</al><al><cursief>aardkleuren:</cursief></al><al>donkere traditionele kleuren zoals bruin, donkerrood, groen, zwart;</al><al><cursief>Afgewolfd:</cursief></al><al>de nok van een zadeldak loopt niet door tot de geveleinden, maar wordt met een
                    driehoekig dakschild of dakvlak afgesloten. Term die gebruikt wordt wanneer een
                    uiteinde van de nok van een zadeldak is afgeschuind;</al><al><cursief>alternerend:</cursief></al><al>om-en-om verspringend. Niet tegenover elkaar staand;</al><al><cursief>arbeiderswoning</cursief>:</al><al>klein type woonhuis voor arbeiders en ambachtslieden. Veelal twee aan twee of in
                    een rijtje van verscheidene woningen;</al><al><cursief>band:</cursief></al><al>horizontale versiering in natuursteen of baksteen, ter verlevendiging van de
                    gevel;</al><al><cursief>bedrijfswoning/dienstwoning:</cursief></al><al>een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoelding
                    naar het verleden;</al><al><cursief>bevoegd gezag:</cursief></al><al>het bestuursorgaan dat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                    het Besluit omgevingsrecht bevoegd is tot het verlenen van de
                    omgevingsvergunningen voor een bepaalde locatie;</al><al><cursief>blinde gevel:</cursief></al><al>gevel zonder openingen;</al><al><cursief>bijgebouw:</cursief></al><al>een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde
                    bouwperceel gelegen hoofdgebouw;</al><al><cursief>borstwering:</cursief></al><al>dichte, tot borsthoogte opgetrokken muur, die oorspronkelijk ter verdediging
                    diende. Later wordt een dergelijke muur vooral als bescherming tegen aanvallen
                    aangebracht. In die functie wordt de borstwering langs het dak toegepast in een
                    meer open vorm, bij wijze van leuning of balustrade of zelfs als louter
                    versiering of verwijzing naar het verleden;</al><al><cursief>bouwblok:</cursief></al><al>een geheel van geschakelde bebouwing;</al><al><cursief>bouwlaag:</cursief></al><al>horizontale reeks ruimten in een gebouw;</al><al><cursief>bouwwerk:</cursief></al><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal,
                    welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                    indirect steun vindt in of op de grond;</al><al><cursief>bouwperceel:</cursief></al><al>een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij
                    elkaar behorende bebouwing is toegelaten;</al><al><cursief>bouwlaag:</cursief></al><al>een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering
                    gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van
                    de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;</al><al><cursief>buitenplaats:</cursief></al><al>een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel uit maken van een
                    landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen,
                    in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen,
                    omgeven door tuinen en/of park met een of meer van de volgende onderdelen:
                    grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden,
                    moestuinen, ornamenten;</al><al><cursief>cataloguswoning:</cursief></al><al>standaard woningtype zonder regionale kenmerken uit een woningcatalogus;</al><al><cursief>dakkapel:</cursief></al><al>klein uitspringend venster dat het hellende dakvlak onderbreekt, aangebracht om
                    lucht en licht onder de kap toe te laten;</al><al><cursief>dakopbouw:</cursief></al><al>een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die
                    het silhouet van het oorspronkelijke dak veranderd;</al><al><cursief>dakschild:</cursief></al><al>elk der hellende en elkaar snijdende vlakken van een dak;damwandprofielmetalen
                    beplantingmateriaal;</al><al><cursief>detaillering:</cursief></al><al>een klein toegevoegd onderdeel wat een bijzonderheid aangeeft;</al><al><cursief>eigentijds:</cursief></al><al>hedendaags, modern;</al><al><cursief>ensemble:</cursief></al><al>architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel;</al><al><cursief>erker:</cursief></al><al>ronde, vierkante of veelhoekige uitkragende uitbouw aan de gevel, die vaak
                    uitsteekt langs een of meer bouwlagen: kan gezien worden als een uitgebouwd
                    venster;</al><al><cursief>façade:</cursief></al><al>gevel;</al><al><cursief>(gevel)geleding:</cursief></al><al>elementen van een gebouw die de indeling van wanden of gevels bepalen of
                    accentueren zoals pilasters, lisenen en lijsten;</al><al><cursief>(gevel)indeling:</cursief></al><al>compositie van de gevel. De indeling van bijvoorbeeld raamopeningen over de
                    gevel;</al><al><cursief>hallenhuis:</cursief></al><al>boerderij naar het Saksische type, het 'los hoes': zware gebinten die een
                    middenbeuk begrenzen, vormen het geraamte, waarbij aan weerszijden de lagere
                    zijbeuken aansluiten. De plattegrond bestaat uit een langwerpige rechthoek, aan
                    de ene smalle zijde de inrit naar de middenbeuk of deel, links en rechts hiervan
                    de lage veestallen in open verbinding met de deel;</al><al><cursief>herenhuis:</cursief></al><al>het herenhuis is te beschouwen als het basistype voor de vele buitenplaatsen die
                    in de 18e en 19e eeuw zijn gebouwd. Kenmerkend is de blok- of kubusvormige
                    hoofdvorm met een symmetrisch ingedeelde voorgevel en plattegrond. In
                    verschillende varianten is dit type woonhuis tot in de 20e eeuw gebouwd. Door
                    zijn statige uiterlijk was het herenhuis bij uitstek geschikt voor gebouwen met
                    een representatieve functie;</al><al><cursief>hoofdgebouw:</cursief></al><al>een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel
                    gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;</al><al><cursief>hoofdvorm:</cursief></al><al>oorspronkelijk de vorm van het eerste deel;</al><al><cursief>kamp:</cursief></al><al>een individuele, blokvormige ontginning met bewoning op de kavel. De ontginning
                    was in veel gevallen omgeven door een houtwal of een heg;</al><al><cursief>kaprichting:</cursief></al><al>richting waarnaar de lange zijde van een kap georiënteerd is;</al><al><cursief>klos:</cursief></al><al>blokjes waarmee iets op zijn plaats gehouden of ondersteund wordt, zoals een
                    goot(lijst). De klos is een eenvoudige vorm van de console. De klosjes bij een
                    kroonlijst worden ook wel modillons genoemd;kozijn:omlijsting van steen, hout of
                    ijzer, bestaand uit de onder- of bovendorpel en twee of meer stijlen, om een
                    ingang of lichtopening te omlijsten en er een raam, deur of luik in te
                    bevestigen;</al><al><cursief>kwalitatief referentiebeeld:</cursief></al><al>gewaardeerd beeld waarnaar men zijn handelen of denken kan richten;</al><al><cursief>landhuis:</cursief></al><al>royaal opgezet woonhuis in de regel vrijstaand of twee onder een kap gebouwd.
                    Vertoont qua bouwstijl invloeden van stromingen;landgoed:geheel of gedeeltelijk
                    met bossen of andere houtopstanden bezette terreinen, daaronder begrepen die
                    waarop een buitenplaats voorkomt, voor zover het blijven voortbestaan van die
                    terreinen in de bestaande toestand voor het behoud van het natuurschoon
                    wenselijk wordt geacht;</al><al>langhuisboerderij:</al><al>Boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder een dak in elkaars
                    verlengde liggen;</al><al><cursief>latei:</cursief></al><al>houten, stenen of ijzeren balk die een venster, ingang of andere opening van
                    enige breedte overspant en bovendien het bovenliggende muurwerk draagt, tenzij
                    er een ontlastingsboog over is geslagen;</al><al>lessenaarsdak:</al><al>een dak dat bestaat uit een hellend dakschild of dakvlak volgens het model van
                    de oude lessenaar;</al><al><cursief>linie:</cursief></al><al>een reeks van verdedigingswerken die elkaar ondersteunen;</al><al><cursief>lint(bebouwing):</cursief></al><al>langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of rivier of
                    gegraven watergang;</al><al><cursief>loggia:</cursief></al><al>een soort balkon, dat ingebouwd is en zich binnen het geveldak van een gebouw
                    bevindt. Als decoratief en schaduwrijk element is de loggia vooral via de
                    renaissance in het noorden bekend geworden;</al><al><cursief>mansardedak:</cursief></al><al>een gebroken dakvorm die door de Fransman Mansard (ca. 1660) is ontwikkeld ten
                    behoeve van meer zolderruimte voor slaapvertrekken. In eenvoudige vorm veel
                    toegepast bij kleine woningen vanaf de tweede helft van de negentiende
                    eeuw;</al><al><cursief>nieuwe bouwen:</cursief></al><al>ook wel Functionalisme of Nieuwe Zakelijkheid genoemd. Een architectuurstroming
                    die in Nederland in de jaren twintig en dertig haar hoogtepunt heeft en die het
                    bouwen wetenschappelijk benadert door uit te gaan van de functie van het gebouw,
                    de toepassing van moderne materialen en te streven naar standaardisering;</al><al><cursief>nok:</cursief></al><al>horizontale snijlijn van twee dakvlakken, bovenste rand van een dak;</al><al><cursief>nokvulling:</cursief></al><al>de in een topgevel onder de nok aanwezige houten schoren opgevuld met decoratief
                    uitgezaagde panelen;ondergeschikt:voert niet de boventoon;</al><al><cursief>ontginning:</cursief></al><al>het gebruiksklaar maken van woeste gronden voor agrarische productie en/of
                    bewoning;</al><al><cursief>ornamentiek:</cursief></al><al>versieringskunst aangebracht op de buitenkant van een bouwwerk;</al><al/><al><cursief>orthogonaal:</cursief></al><al>rechthoekig. bijv. een orthogonaal stratenpatroon;</al><al><cursief>overstek:</cursief></al><al>bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzicht van het eronder gelegen deel;</al><al><cursief>parcellering:</cursief></al><al>de mate van indeling van percelen. Deze indeling van breedtes en hoogtes van
                    bouwwerken bepaalt het straatbeeld;</al><al><cursief>pilaster:</cursief></al><al>weinig uitspringende, band- of liseenachtige, van een basement, een schacht en
                    een kapiteel voorziene muurpijler, dienende om een muraalboog ofwel een
                    hoofdgestel te dragen.;</al><al><cursief>pleisteren:</cursief></al><al>een muur of plafond bedekken met een laag metselspecie van kalk en zand of
                    portlandcement. Voor fijner inwendig werk wordt de muur eerst gecementeerd
                    (geraapt) en dan overtrokken met een dunne laag pleisterspecie;</al><al><cursief>plint:</cursief></al><al>een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een
                    gebouw;</al><al><cursief>portiek:</cursief></al><al>vaak ingebouwde, aan de straatzijde geheel open ruimte, waarin zich de ingang
                    van een gebouw bevindt;</al><al><cursief>puntgevel:</cursief></al><al>hoge puntvormige gevel, bijvoorbeeld aan de zijkant van een zadeldak;</al><al><cursief>rollaag:</cursief></al><al>reeks van gemetselde stenen op hun kant, bijvoorbeeld als strek- of
                    ontlastingsboog boven vensters, als kantlaag van een punt- of tuitgevel, als
                    afdekking van een muur;</al><al><cursief>rooilijn:</cursief></al><al>richtlijn waarin gebouwen worden geplaatst en die de grens aangeeft met de
                    openbare weg. Ook wel: de plaats die de lijn van de voorgevel bepaalt;</al><al><cursief>samengesteld:</cursief></al><al>uit verschillende bestanddelen gevormd, bijvoorbeeld een groot venster gevormd
                    door middel van een aantal kleine samengevoegde vensters;</al><al><cursief>schilddak:</cursief></al><al>dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee
                    trapeziumvormige aan de lange zijden;serre:uitbouwsel aan een (woon)huis
                    voornamelijk uit glas bestaand en met deuren in direct contact met de tuin. In
                    de loop van de negentiende eeuw was de serre - het Franse woord voor broeikas -
                    een zeer geliefd onderdeel van zomerhuizen;</al><al><cursief>situering:</cursief></al><al>plaats van het bouwwerk in zijn omgeving;</al><al><cursief>spant:</cursief></al><al>driehoekig samenstel van balken, ook gebint of bint genoemd: het voornaamste
                    onderdeel van een dakkap, bestaande uit een horizontale, van muur tot muur
                    reikende, kap- en trekbalk en twee schuin tegen elkaar gestelde kapbenen;</al><al><cursief>speklaag:</cursief></al><al>band van natuursteen als afwisseling in het </al><al>metselwerk van baksteen;stucwerk:in pleisterkalk uitgevoerd werk;</al><al><cursief>textuur:</cursief></al><al>de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van
                    de steen en het voegwerk);</al><al><cursief>timpaan:</cursief></al><al>het in een fronton besloten veld;</al><al><cursief>traditioneel:</cursief></al><al>zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher. Onder traditionele kleuren worden
                    in de meeste gevallen donkere tinten verstaan, zoals (donker)bruin, donkerrood,
                    antraciet e.d.;</al><al><cursief>topgevel:</cursief></al><al>gevel van een gebouw, eindigend in een puntvormige top;</al><al><cursief>uitbouw:</cursief></al><al>ruimte in een gebouw die naar buiten steekt;</al><al><cursief>villa:</cursief></al><al>aanduiding voor een vrijstaande, aanzienlijke woning. De stadsvilla is
                    ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw toen het voor een grotere groep
                    stedelingen financieel mogelijk werd huizen te laten bouwen te midden van veel
                    groen. De inspiratiebron was de middeleeuwse bouwtraditie van vakwerkhuizen. De
                    nadruk lag op een onregelmatige gevormde dakpartij en een asymmetrische
                    gevelopbouw. Karakteristiek zijn het siermetselwerk, de houten
                    topgeveldecoratie, de gedeeltelijke bepleistering van de gevels of het
                    siermetselwerk in gekleurde baksteen of natuursteen op constructieve
                    punten;</al><al><cursief>(ver)vlechting:</cursief></al><al>metselwerk, toegepast bij puntgevels ten behoeve van een versteviging van het
                    verband. Loodrecht op de schuine zijkanten van een bakstenen puntgevel worden
                    wigvormige stukken - meestal vier tot acht lagen breed - in horizontale laging
                    ingelaten;</al><al><cursief>welstandsvrij:</cursief></al><al>er is geen advies vereist van de welstandscommissie;</al><al><cursief>wetering:</cursief></al><al>een watergang, tocht, brede sloot enzovoort, waarlangs de afwatering van lage
                    landen plaatsheeft;</al><al><cursief>windveer:</cursief></al><al>plank bevestigd langs de kanten van een rieten of pannendak ter afdekking van de
                    voorraad. De windveer is vaak decoratief uitgesneden;</al><al><cursief>wolfdak:</cursief></al><al>dak met afgeschuinde kanten aan de korte zijden;</al><al><cursief>wolfeinde:</cursief></al><al>de beëindiging van een schilddak, de afgeschuinde kant aan de korte zijde;</al><al><cursief>woning:</cursief></al><al>een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één
                    afzonderlijke huishouding;</al><al><cursief>woonblok:</cursief></al><al>aantal aaneengebouwde huizen;</al><al><cursief>zadeldak:</cursief></al><al>dak, bestaande uit twee tegen elkaar geplaatste hellende schilden;</al><al><cursief>zichtas:</cursief></al><al>een as waarlangs men kijkt vanuit een huis of ander uitgangspunt naar een
                    bepaald karakteristiek punt in het verschiet, waarlangs het uitzicht vrij
                    is;</al><al><cursief>zijwang:</cursief></al><al>zijkant van een dakkapel.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>B</nr><titel>Tekst algemene criteria</titel></kop><al/><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De algemene welstandscriteria hebben betrekking op de zeggingskracht en het
                    vakmanschap van het architectonisch ontwerp en is terug te voeren op vrij
                    universele kwaliteitsprincipes. Deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag
                    aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van
                    de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen
                    die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. </al><al/><al><cursief>Relatie tussen vorm, gebruik en constructie</cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de
                    wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen
                    samenhang en logica heeft. </al><al/><al>Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het
                    welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de
                    vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en
                    de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige
                    constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm.
                    Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik
                    of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de
                    vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de
                    uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn
                    oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een
                    rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere
                    factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve
                    betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in
                    tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan
                    begrijpelijkheid en integriteit. </al><al/><al><cursief>Relatie tussen bouwwerk en omgeving </cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare
                    (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld
                    naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter
                    is.</al><al/><al>Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen
                    van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes
                    vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de
                    openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier
                    object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in
                    het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in
                    zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat
                    contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is
                    ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een
                    positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten
                    ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren
                    kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.</al><al/><al><cursief>Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context</cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en
                    uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de
                    bestaande maatschappelijke realiteit. </al><al/><al>Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal
                    zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels
                    zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden
                    verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai.
                    Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de
                    architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig
                    in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis
                    en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op.
                    Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels,
                    transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en
                    vooruitgang.</al><al/><al>In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar
                    wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt
                    verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de
                    wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd
                    binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en
                    vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
                    Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er
                    een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van
                    zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd.
                    Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij
                    nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk
                    moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden
                    geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het
                    imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden.</al><al/><al>Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen'
                    als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis,
                    als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe
                    bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de
                    geschiedenis van de toekomst. </al><al/><al><cursief>Evenwicht tussen helderheid en complexiteit</cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de
                    aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. </al><al/><al>Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is
                    dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt
                    houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van
                    een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het
                    voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie
                    die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. </al><al/><al>Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een
                    bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet
                    direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de
                    voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en
                    complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van
                    bouwwerken. </al><al/><al>Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de
                    stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een
                    gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit
                    tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. </al><al/><al><cursief>Schaal en maatverhoudingen</cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat
                    beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. </al><al/><al>Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van
                    de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen
                    grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er
                    uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De
                    maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde
                    ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het
                    beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de
                    maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een
                    bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een
                    andere, valt nauwelijks vast te stellen.Duidelijk is dat de kracht van een
                    compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en
                    hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast
                    daarin hun werking hebben.</al><al/><al>De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie
                    van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale
                    compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een
                    zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de
                    vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook
                    van de omgeving waarin dat is geplaatst.</al><al/><al><cursief>Materiaal, textuur, kleur en licht</cursief></al><al>Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
                    verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk
                    zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. </al><al/><al>Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk
                    uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar.
                    De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat
                    lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid
                    maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als
                    materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen
                    ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van
                    decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen
                    aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer
                    het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de
                    architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een
                    juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de
                    weg staat.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>C</nr><titel>Lijst monumenten</titel></kop><al>Deze panden worden op grond van de Monumentenwet en de Monumentenverordening
                    beschermd. Voor onderhoud en verbouwingen aan monumenten is tevens een
                    omgevingsvergunning ingevolge de Wabo vereist. Voor de monumenten geldt een
                    reguliere toets. Dit geldt voor:</al><al/><al><vet>RIJKSMONUMENTEN</vet></al><al>Arlersteeg 30 en 32 "Puttergemaal" van de polder Arkemheen.</al><al>Arnhemsekarweg 6 Veluwse keuterijtje "'t Leme Hüss".</al><al>Beekweg 13 Hoeve "Groot Roest". </al><al>Beulekampersteeg 43 boerderij Klein Boeijen.</al><al>Beulekampersteeg 54 Hoeve "De Renselaar". </al><al>Diermenseweg 3 boerderij Den Aller</al><al>Donkeresteeg 12 Hoeve. </al><al>Donkeresteeg 13 Hoeve "Oude Rookhuizen". </al><al>Dorpsstraat 13 voormalige slagerij.</al><al>Garderenseweg 142 landhuis Groot Schovenhorst.</al><al>Garderenseweg 146 - 150 Groot Spriel. <vet>Dit monument bestaat uit twee
                        monumenten:</vet><vet>Garderenseweg 146: het
                        koetshuis.</vet><vet>Garderenseweg 150: landhuis Groot Spriel.</vet></al><al>Halvinkhuizerweg 3 Korenmolen "'t Hert". </al><al>Hellerweg 8 Hoeve<vet> "</vet>Groot Hell.</al><al>Huddingweg 18 Hoeve "De Keut".</al><al>Huinerenkweg 12 Witgepleisterd landarbeidershuisje.</al><al>Kerkplein 11 Kerk.</al><al>Kerkplein 11 De bakstenen toren van de kerk. </al><al>Kiefveldersteeg 11 Boerderij.Mr. J.H. Schoberlaan 1 Vroeg 19e eeuws
                    keuterijtje.</al><al>Nijkerkerstraat 35 Landgoed Bijstein.</al><al>Oldenallerallee 1 Oldenallerallee 3 </al><al>Huis Oldenaller en duiventoren.</al><al>Oldenallerallee 5 17e eeuwse hoeve.</al><al>Postweg 2 Boerderij.</al><al>Putterbrink 1 In oorsprong 17e eeuwse boerderij.</al><al>Putterbrink 2 - 4 Veluwse boerderij.</al><al>Stationsstraat 92 Hoeve "Groot Hussel". Dit rijksmonument bestaat in feite uit
                    twee monumenten:Stationsstraat 92: de wagenschuur.Stationsstraat 94: de
                    boerderij Groot Hussel.</al><al>Hoek Stationsstraat/Husselsesteeg Schaapskooi.</al><al>Vanenburgerallee 13 </al><al>Veldhoefweg 5 Boerderij Veldhoef.</al><al>Waterweg 1 Hoeve, terzijde van de Oldenallerallee.Hoek Waterweg/Nijkerkerstraat
                    Aan het einde van de oprijlaan, op de hoek.van de Waterweg en de Nijkerkerstraat
                    twee bakstenen hekpijlers met dekplaten.</al><al>Zuiderveldweg 2 </al><al/><al>De minister heeft in oktober 2008 besloten om de herdenkingshof (met het
                    monument de Vrouw van Putten) op de rijksmonumentenlijst te plaatsen. De
                    minister heeft in 2008 besloten om De Vanenburg op de rijksmonumentenlijst op te
                    nemen als beschermde buitenplaats. </al><al/><al><vet>GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al>Het pand op de hoek van de Achterstraat 21/Molenstraat.</al><al>De boerderij De Hoonhorst aan de Broekermolenweg 14 </al><al>De boerderij Groot Deuverden aan de Donkeresteeg 20 </al><al>De Gedachtenisruimte aan de Dorpsstraat 127</al><al>De dorpspomp aan de Dorpsstraat</al><al>Het woonhuis aan de Van Eeghenlaan 19</al><al>De boerderij aan de Gervenseweg 27 </al><al>De boerderij De Blankevoort aan de Hogesteeg 39</al><al>De knotlinden aan het Marktplein-Kelnarijstraat</al><al>De boerderij aan de Nijkerkerstraat 68</al><al>De boerderij aan de Poolseweg 10</al><al>Het gebouw van de Woningstichting aan de Spoorstraat 2</al><al>Het pand aan de Voorthuizerstraat 280 (tolhuis)</al><al>De boerderij Groot Koestapel aan Voorthuizerstraat 286</al><al>De tuinmanswoning aan de Harderwijkerstraat 40 </al><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>