<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR169383_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012, nr. 8</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>vervallen art. 2 lid 3 sub i</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/29</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING STEENWIJKERLAND
                2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>x </al><al>TOELICHTING VERORDENING VOORZIENINGEN
                            MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING STEENWIJKERLAND 2012</al><al>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>HOOFDSTUK 2. VORM VAN TE VERSTREKKEN
                            INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</al><al>HOOFDSTUK 3. WOONVOORZIENINGEN</al><al>HOOFDSTUK 4. HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER
                            VERVOERMIDDEL</al><al>HOOFDSTUK 5. VERPLAATSEN IN EN ROND DE
                            WONING</al><al>HOOFDSTUK 6. HULP BIJ HET
                        HUISHOUDEN</al><al>HOOFDSTUK 7. HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING
                            EN HET MOTIVEREN VAN BESLUITEN</al><al>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="10*"/><colspec colname="col2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Wet:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Compensatiebeginsel:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de algemene verplichting van het gemeentebestuur om
                                                personen met aantoonbare beperkingen op grond van
                                                ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                                een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen
                                                zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot
                                                maatschappelijke participatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>c.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Beperkingen</vet><vet>:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                                uitvoeren van activiteiten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>d. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Persoon met beperkingen:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                                onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, die ten
                                                gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische
                                                psychische en psychosociale problemen, aantoonbare
                                                beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van
                                                activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                                huishouden, bij het normale gebruik van de woning;
                                                bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich
                                                lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het
                                                ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan
                                                aangaan van sociale verbanden;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>e. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Mantelzorger: </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in
                                                artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>f. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Zelfredzaamheid: </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                                financiële vermogen om voorzieningen te treffen die
                                                deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                                                mogelijk maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>g. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Maatschappelijke participatie: </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>normale deelname aan het maatschappelijke verkeer,
                                                te weten het voeren van een huishouden, het normale
                                                gebruik van de woning; het zich in en om de woning
                                                verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                                aansluiting wordt gevonden bij regionale,
                                                bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het
                                                ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                                onderhouden van sociale verbanden om op die manier
                                                deel te nemen aan het lokale maatschappelijke
                                                leven;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>h.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Algemene voorziening:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een voorziening die wordt geleverd op basis van
                                                directe beschikbaarheid, en beperkte
                                                toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                                compenserende oplossing biedt voor de beperkingen
                                                die een persoon ondervindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>i.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                                                  kosten:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een door het college van burgemeester en wethouders
                                                vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de
                                                verstrekking van een voorziening in natura, een
                                                persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een
                                                financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel)
                                                betaald moet worden en waarop de regels van het
                                                Besluit maatschappelijke ondersteuning van
                                                toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>j. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>V</vet><vet>oorziening in natura:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in
                                                huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening
                                                wordt verstrekt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>k. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Persoonsgebonden budget:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan
                                                hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                                waarop de in deze verordening en het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland te
                                                stellen regels van toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>l.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Financiële tegemoetkoming:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening
                                                welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                                aanvrager;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>m. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Algemeen gebruikelijk: </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>naar geldende maatschappelijke normen tot het
                                                gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een
                                                persoon als de aanvrager behorend;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>n.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Gebruikelijke zorg:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de normale, dagelijkse zorg die huisgenoten geacht
                                                worden elkaar onderling te bieden als ze als
                                                leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op
                                                die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid
                                                hebben voor het functioneren van dat
                                                huishouden;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>o. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Meerkosten:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                                voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                                uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                                                gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                                voorziening;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>p. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Huisgenoot:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                                gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>q.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>B</vet><vet>udgethouder:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                                persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het
                                                college verantwoording over de besteding van het
                                                persoonsgebonden budget verschuldigd is.</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>r.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Woonwagen:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een voor bewoning bestemd gebouw als bedoeld in
                                                artikel 1 van de Woningwet, dat is geplaatst op een
                                                standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan
                                                worden verplaatst;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>s. </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Standplaats:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een kavel als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet,
                                                bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
                                                voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet
                                                van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen
                                                of van gemeenten kunnen worden aangesloten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>t.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Woonschip:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een vaartuig als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Huisvestingswet;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>u.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Ligplaats:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een door de gemeente aangewezen ligplaats in het
                                                water welke door een woonschip wordt ingenomen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>v.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdverblijf:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                                                bewoning, waar een persoon met beperkingen zijn
                                                vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres
                                                hij in de gemeentelijke basisadministratie
                                                persoonsgegevens staat ingeschreven, dan wel het
                                                feitelijk woonadres, indien een briefadres wordt
                                                aangehouden, dan wel zal staan ingeschreven in de
                                                gemeentelijke basisadministratie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>w.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Woonruimte:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een woonruimte als bedoeld in artikel 11, eerste lid
                                                onder a van de Wet op de Huurtoeslag en bedoeld als
                                                zelfstandige woning conform het gestelde in artikel
                                                234, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of waarvoor
                                                zowel gebruikersbelasting als eigenarenbelasting op
                                                grond van de Verordening onroerende zaakbelastingen
                                                Steenwijkerland verschuldigd is of op grond van de
                                                vermelding in de kadastrale registratie als
                                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                                recht verschuldigd zal zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>x.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Gemeenschappelijke ruimte:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot
                                                de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                                om de woning van een persoon met beperkingen vanaf
                                                de toegang van het woongebouw te bereiken en ruimten
                                                die onder het gehuurde vallen en/of waarvan de
                                                persoon met beperkingen gebruik moet kunnen
                                                maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>y.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Uitraasruimte:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een ruimte waarin een persoon als bedoeld in artikel
                                                1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet,
                                                die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd
                                                gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan
                                                komen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>z.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Woningaanpassing:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een ingreep van bouw- of woontechnische aard, die
                                                gericht is op het opheffen of verminderen van
                                                beperkingen die een persoon met beperkingen
                                                ondervindt bij het normale gebruik van zijn
                                                woonruimte of het realiseren van een uitraasruimte.
                                                Onder woningaanpassing wordt tevens verstaan
                                                aanpassing aan gemeenschappelijke ruimten die
                                                noodzakelijk zijn om de individuele woning van de
                                                persoon met beperkingen te kunnen bereiken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>aa.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdverblijf:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de woonruimte, waaronder tevens wordt verstaan een
                                                woonwagen of een woonschip, bestemd en geschikt voor
                                                permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen
                                                zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de
                                                gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven
                                                dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het
                                                feitelijke woonadres indien de persoon met
                                                beperkingen met een briefadres is ingeschreven en
                                                waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en
                                                slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met
                                                andere woningen wordt gedeeld;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>bb.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Netto inkomen:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het inkomen zoals bedoeld in artikel 1 onder aa van
                                                het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                                Steenwijkerland 2012; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>cc.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al><vet>Bijstandsnorm:</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de voor betrokkene op grond van de Wet werk en
                                                bijstand geldende bijstandsnorm</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden voor verstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze als de goedkoopst compenserende voorziening aan te
                                        merken is.</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1, onder a, dat een voorziening
                                langdurig noodzakelijk moet zijn, kan een persoon met beperkingen in
                                aanmerking komen voor hulp bij het huishouden in situaties waarin
                                voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, zoals
                                bij ontslag uit het ziekenhuis of bij een ontregeld huishouden;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Steenwijkerland;</al></li><li nr="c."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling
                                        aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen.</al></li><li nr="e."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag een financiële tegemoetkoming betreft
                                        in kosten die de aanvrager voor het moment van beschikken
                                        heeft gemaakt of waartoe deze zich reeds voor deze datum
                                        onherroepelijk heeft verbonden;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten, is vergoed of verstrekt en de normale
                                        afschrijvingsduur voor dat middel nog niet is verstreken,
                                        tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening geheel
                                        of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van
                                        omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                        rekenen;</al></li><li nr="h."><al>indien niet is voldaan aan de bepalingen van de wet en/of
                                        deze verordening en de hierop steunende besluiten.</al></li><li nr="i."><al>vervallen</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Besluitvorming, nadere regels en nadere voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover in deze verordening geen beperkingen zijn opgelegd zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd tot alle besluitvorming ter
                                uitvoering van deze verordening en de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning Steenwijkerland vast en nemen tevens de, voor de
                                uitvoering van deze verordening, noodzakelijke nadere
                                besluiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de financiële
                                tegemoetkomingen, de omvang van de persoonsgebonden budgetten en de
                                omvang van de eigen inbreng vast en nemen deze op in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland .</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Steenwijkerland neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura in bruikleen wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning Steenwijkerland in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende
                                        te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld
                                        met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                        vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                        Steenwijkerland;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget zijn de voorwaarden
                                        persoonsgebonden budget gemeente Steenwijkerland van
                                        toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                Steenwijkerland, op verzoek van het college per omgaande te
                                verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet
                            kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat voor een
                            voorziening de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is, dat de
                            financiële tegemoetkoming afgestemd wordt op het inkomen of dat een
                            inkomensgrens wordt gehanteerd om aan te geven dat bepaalde kosten
                            indirect algemeen gebruikelijk worden geacht in relatie tot het inkomen.
                            Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Steenwijkerland 2012 vast voor welke voorzieningen dit geldt en de
                            omvang van deze eigen inbreng.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene omschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 9, onder a
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een
                                    aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene
                                    woonvoorziening dit snel en compenserend kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 9, onder b,
                                    c, en d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht als
                                    de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet
                                    tot een snelle en compenserende oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 9 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en woontechnische
                                        aard;</al></li><li nr="d."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="e."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>huurderving;</al></li><li nr="g."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 11, onder b, d, f
                                en g wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woonruimte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingenkan voor een door het
                                    college vast te stellen financiële tegemoetkoming voor verhuis-
                                    en inrichtingskosten, als bedoeld in artikel 11, onder a in
                                    aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van
                                    ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning
                                    belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingenkan voor een voorziening,
                                    als bedoeld in artikel 11, onder b en c in aanmerking komen
                                    indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet te
                                    realiseren is of niet de goedkoopst compenserende oplossing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 11, onder g in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig
                                    ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen
                                    afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
                                    rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een tegemoetkoming in de kosten van verhuizen wordt niet
                                    verstrekt indien de woning compenserend kan worden aangepast
                                    voor een bedrag lager dan de financiële tegemoetkoming voor
                                    verhuis- en inrichtingskosten. Indien de kosten van
                                    woningaanpassing worden begroot op een bedrag minimaal ter
                                    grootte van de financiële tegemoetkoming voor verhuis- en
                                    inrichtingskosten en maximaal tweemaal deze tegemoetkoming, kan
                                    de in het eerste lid bedoelde persoon kiezen tussen een
                                    tegemoetkoming in de kosten van verhuizing of een tegemoetkoming
                                    voor de kosten van de woningaanpassing tot maximaal tweemaal dit
                                    bedrag. Indien de kosten van woningaanpassing worden begroot op
                                    een bedrag hoger dan tweemaal de financiële tegemoetkoming voor
                                    verhuis- en inrichtingskosten, dient deze persoon te verhuizen
                                    naar een reeds aangepaste woning, indien een dergelijke woning
                                    ten minste binnen een periode van zes maanden - te rekenen vanaf
                                    de dag na de verzenddatum van de beschikking met de voorlopige
                                    toekenning van de verhuiskostenvergoeding - beschikbaar komt. De
                                    gemeente beoordeelt of een woning geschikt is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien na de in het vierde lid genoemde periode van zes maanden
                                    geen geschikte aangepaste woning is aangeboden, staat het
                                    aanvankelijke primaat van verhuizen een woningaanpassing van de
                                    huidige woning niet langer in de weg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een persoon met beperkingeneen aangeboden
                                    geschikte woning niet accepteert, bedraagt de financiële
                                    tegemoetkoming voor de aanpassing van de huidige woning maximaal
                                    tweemaal de financiële tegemoetkoming voor verhuis- en
                                    inrichtingskosten. De tegemoetkoming wordt slechts verstrekt
                                    indien een compenserende woningaanpassing is gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 51 van
                                    deze verordening (hardheidsclausule) afwijken van het primaat
                                    van verhuizing ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de gemaakte kosten indien een persoon met
                                    beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                    woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                    financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het
                                    aanpassen van één woonruimte indien een persoon met beperkingen
                                    zijn hoofdverblijf heeft in een Awbz-inrichting of een daaraan
                                    gelijkgestelde instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen
                                    woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming bedoeld in het tweede lid wordt
                                    verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar een persoon
                                    met beperkingenzijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat
                                    haar niet bekend is dat ten behoeve van deze persoon reeds
                                    eerder een woning bezoekbaar is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming betreft slechts een tegemoetkoming
                                    in de kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid
                                    bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland vast te leggen
                                    maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder het in het tweede lid genoemde bezoekbaar maken van de
                                    woonruimte wordt verstaan dat de persoon met beperkingen de
                                    woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken en
                                    gebruiken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Beperking op het recht op een woonvoorziening</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="1."><lijst><li nr="a."><al>de ondervonden belemmeringen voortvloeien uit de
                                                aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of
                                                de slechte staat van onderhoud van de
                                                woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                                haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
                                                geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren
                                                schriftelijk toestemming is verleend door het
                                                college;</al></li><li nr="c."><al>een persoon met beperkingen zijn huidige woonruimte
                                                zonder recht of titel bewoont.</al></li></lijst></li><li nr="2. "><lijst><li nr="a. "><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in
                                                artikel 11, onder b en c wordtgeweigerd indien de
                                                noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening
                                                het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond
                                                van belemmeringen bij het normale gebruik van de
                                                woning ten gevolge van ziekte of gebrek, geen
                                                aanleiding bestond en er geen andere belangrijke
                                                reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van
                                                toepassing indien de verhuizing plaatsvindt als
                                                gevolg van het aanvaarden van een werkkring in een
                                                andere gemeente, alsmede ten gevolge van gewijzigde
                                                omstandigheden zoals een verslechtering van de
                                                lichamelijke toestand van deze persoon.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Tegemoetkoming verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 11,
                                    sub a verstrekken aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon met beperkingen;</al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve
                                            van een persoon met beperkingen de woonruimte, bestemd
                                            voor permanente bewoning, heeft ontruimd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    (her)inrichtingskosten als bedoeld in het eerste lid, sub a
                                    wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing heeft plaatsgevonden voor dat burgemeester
                                            en wethouders op de aanvraag hebben beschikt, tenzij zij
                                            daar schriftelijk toestemming voor hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig
                                            gaat wonen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen verhuist vanuit of naar een
                                            woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door
                                            bewoond te worden;</al></li><li nr="d."><al>de persoon met beperkingen verhuist naar een
                                            Awbz-inrichting of een verzorgingstehuis;</al></li><li nr="e."><al>in de te verlaten woonruimte geen belemmeringen in het
                                            normale gebruik zijn ondervonden betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op de door burgemeester en wethouders toegekende
                                    financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    (her)inrichtingskosten vervalt, indien de verhuizing en/of de
                                    ontruiming niet binnen een jaar na de verzenddatum van de
                                    toekenningbeschikking is geëffectueerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorzieningen
                                    worden verstrekt</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, kloosters, woon- en
                                leefgemeenschappen, communes, trekkerswoonwagens, bejaardenoorden of
                                daarmee vergelijkbare tehuizen, vakantiewoningen, tweede woningen,
                                kamerverhuur en onzelfstandige woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 11,
                                onder b betreft het uitbreiden van bestaande woningen, dan wel het
                                groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de
                                voorzieningen nodig zou zijn, kunnen burgemeester en wethouders een
                                bijdrage verlenen voor de extra te verwerven grond die ten hoogste
                                overeenkomt van de bijdrage voor het aantal vierkante meters per
                                vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, zoals
                                vermeld in bijlage I van het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                Steenwijkerland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Aanpassing gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte indien zonder deze woningaanpassing de
                                    woonruimte voor een persoon met beperkingen ontoegankelijk
                                    blijft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen financiële tegemoetkoming voor het treffen van
                                    voorzieningen in of aan een gemeenschappelijke ruimte kan worden
                                    verleend voor gebouwen en wooncomplexen, die bestemd zijn voor
                                    de huisvesting van ouderen of personen met beperkingen, welke na
                                    1 januari 1995 zijn gebouwd of gerenoveerd, aangezien de in het
                                    1e lid genoemde voorzieningen voor deze gebouwen en
                                    wooncomplexen als algemeen gebruikelijk beschouwd worden</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en binnenschepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Aanpassing woonwagen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen tot een
                                door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                Steenwijkerland vast te stellen maximumbedrag. indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf
                                        jaar is;</al></li><li nr="2."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                        aanmerking komt;</al></li><li nr="3."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                        een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond
                                        en</al></li><li nr="4."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                        bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanpassing woonschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip
                                indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de technische levensduur van het woonschip nog minimaal vijf
                                        jaar is;</al></li><li nr="2."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag
                                        blijven liggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Beperking in verband met levensduur woonwagen en
                                    woonschip</titel></kop><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip
                                minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen
                                vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet
                                ten minste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de
                                maximale aanpassingskosten € 1000,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Aanpassing binnenschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de
                                aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en
                                hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                artikel 1, tweede lid, onderdeel V van het Binnenschepenbesluit
                                (Stb. 1987, nummer 466) van een binnenschip dat:</al><lijst><li nr="1."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het
                                        Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de
                                        wijze omschreven in de maatregel teboekgestelde schepen 1992
                                        en</al></li><li nr="2."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van
                                        goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het
                                        Metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van
                                        ten minste 15 ton hebbend of voor het vervoer van meer dan
                                        twaalf personen buiten de in de aanhef bedoelde.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overige woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie als
                                bedoeld in artikel 11, onder d, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van deze verordening, de
                                        Verordening voorzieningen gehandicapten Steenwijkerland, dan
                                        wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
                                        is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt op de in bijlage II van het
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland,
                                        genoemde voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>een persoon met beperkingen ten tijde van het onderhoud, de
                                        keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf
                                        bewoont, of indien de kosten betrekking hebben op een
                                        woonvoorziening als bedoeld in artikel 19.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting
                                        verlenen die door een persoon met beperkingen moeten worden
                                        gemaakt in verband met het aanpassen van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de door de persoon met beperkingen nog te betrekken
                                                woonruimte;</al></li></lijst><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld onder a en b wordt
                                        uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen
                                        woonruimte ten gevolge van het realiseren van de
                                        woningaanpassing niet bewoond kan worden en de persoon met
                                        beperkingen als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt
                                        te staan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen maximaal zes maanden een
                                        financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke
                                        huisvesting als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte,
                                        die voor meer dan de financiële tegemoetkoming voor verhuis-
                                        en inrichtingskosten is aangepast, kunnen burgemeester en
                                        wethouders een financiële tegemoetkoming verlenen aan de
                                        eigenaar van de woning in verband met derving van
                                        huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent slechts
                                        een bijdrage in de kosten van huurderving, als bedoeld in
                                        het eerste lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het leegkomen van de woning vooraf bij de gemeente
                                                is gemeld;</al></li><li nr="b."><al>tenminste een maand duurt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en inzicht in woning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                tegemoetkoming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet reeds een begin met de werkzaamheden, waarop de
                                        financiële tegemoetkoming betrekking heeft, is gemaakt zonder hun toestemming;</al></li><li nr="b."><al>de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de
                                        woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht;</al></li><li nr="c."><al>aan de onder b genoemde personen inzicht wordt geboden in
                                        bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing;</al></li><li nr="d."><al>de onder b genoemde personen de gelegenheid is geboden tot
                                        het controleren van de woningaanpassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Gereedmelding woningaanpassing</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden in het kader van de
                                    voorziening als bedoeld in artikel 11, onder b maar uiterlijk binnen twaalf maanden na het
                                    verlenen van de financiële tegemoetkoming, verklaart de woningeigenaar aan burgemeester en
                                    wethouders dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28a.</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De woningeigenaar die voor de door hem zelf bewoonde woning een
                                    voorziening van bouwkundige of woontechnische aard, als bedoeld
                                    in artikel 11, onderdeel b, heeft ontvangen waarvan het bedrag
                                    hoger is dan het bedrag zoals genoemd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012 en die
                                    binnen een periode van 5 jaar na de datum van gereedmelding van
                                    de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden de gemeente een
                                    deel van de voorziening terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in het
                                    eerste lid is gelijk aan 50% van het bedrag van de voorziening,
                                    verminderd met 20% per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepaling in het eerste lid is niet van toepassing indien de
                                    woning wordt verkocht aan de persoon ten behoeve van wie de
                                    voorziening is verleend of aan de persoon aan wie op grond van
                                    deze verordening een vergelijkbare voorziening zou zijn
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woningeigenaar als bedoeld in het eerste lid is verplicht om
                                    binnen een maand na de verkoop van de woning het college hiervan
                                    schriftelijk op de hoogte te stellen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een individuele vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Soorten vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>een voorziening als bedoeld in artikel 29, onder b kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;b.</al></li><li nr="b."><al>een open elektrische buitenwagen;</al></li><li nr="c."><al>een ander verplaatsingsmiddel;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>een voorziening als bedoeld in artikel 29, onder c kan bestaan uit
                                een tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van het collectief systeem van aanvullend al dan
                                        niet openbaar vervoer; </al></li><li nr="b."><al>gebruik van een taxi of een eigen auto;</al></li><li nr="c."><al>gebruik van een rolstoeltaxi;</al></li><li nr="d."><al>medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer </al></li><li nr="e."><al>aanschaf of gebruik van een verplaatsingsmiddel;</al></li><li nr="f."><al>aanpassing van een eigen auto; </al></li><li nr="g."><al>onderhoud en/of reparatie van de onder lid 1 genoemde
                                        voorzieningen; </al></li><li nr="h."><al>accessoires bij de onder lid 1 genoemde voorzieningen; </al></li><li nr="i."><al>aanpassingen aan de onder lid 1 genoemde voorzieningen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor een voorziening als bedoeld in
                                artikel 29, met uitzondering van een open elektrische buitenwagen
                                zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 onder b (scootmobiel), in
                                aanmerking, indien deze persoon ten gevolge van ziekte of gebrek
                                aantoonbare beperkingen van langdurige aard heeft, waardoor hij in
                                redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan
                                800 meter binnen een redelijke tijd te overbruggen of geen gebruik
                                kan maken van het reguliere openbaar vervoer, niet zijnde deur tot
                                deur vervoer. </al></lid><lid><lidnr>1a.</lidnr><al>De voorziening in de vorm van een open elektrische buitenwagen
                                (scootmobiel) zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 onder b, kan worden
                                verleend indien de aanvrager niet in staat is zich geheel
                                zelfstandig en in eigen tempo over een afstand van 300 meter te
                                verplaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
                                zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de voorziening als bedoeld in artikel 30, lid 2, onder
                                a, b, c en d wordt vastgesteld aan de hand van de individuele
                                vervoersbehoefte van deze persoon, voor zover de kosten hiervan
                                beneden een door het college van burgemeester en wethouders vast te
                                stellen maximumbedrag per jaar blijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten einde de individuele vervoersbehoefte te bepalen dient de
                                persoon met beperkingen, per kwartaal aan het college van
                                burgemeester en wethouders een opgave te verstrekken van het aantal
                                door hem/haar afgelegde kilometers en/of betalingsbewijzen over te
                                leggen van de gemaakte vervoerskosten met het collectief
                                vraagafhankelijk vervoer en/of taxi.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien echtgenoten of daarmee gelijk te stellen samenwonende
                                personen beiden in aanmerking komen voor een financiële
                                tegemoetkoming, wordt de maximale financiële tegemoetkoming voor
                                ieder vastgesteld op 75% van het maximumbedrag per jaar van een
                                enkele tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gemaximeerde financiële
                                tegemoetkoming in de vervoerskosten voor personen in een
                                verzorgingshuis of gelijkwaardige huisvesting lager
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gemaximeerde financiële
                                tegemoetkoming in de vervoerskosten bij gebruik van een scootmobiel,
                                driewielfiets of andere vervoersvoorziening lager vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gemaximeerde financiële
                                tegemoetkoming in de vervoerskosten ten behoeve van personen jonger
                                dan twaalf jaar lager vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Training gebruik vervoersvoorziening</titel></kop><al>Wanneer blijkt dat een persoon met beperkingen onvoldoende in staat is
                            aan het verkeer deel te nemen met een voorziening, als bedoeld in
                            artikel 30, lid 1verlenen burgemeester en wethouders een
                            financiële tegemoetkoming in de kosten van een training.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening,</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Soorten rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>Onder rolstoelvoorzieningen in artikel 33 wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing
                                    binnen en buiten de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud en/of
                                    reparatie;</al></li><li nr="d."><al>een tegemoetkoming in de kosten van accessoires bij een
                                    rolstoel;</al></li><li nr="e."><al>aanpassingen aan een rolstoel;</al></li><li nr="f."><al>een combinatie van de onder a tot en met e genoemde
                                    voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Het recht op een rolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 33, onder a, b en
                                c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel of
                                dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken
                                en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                compenserende oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 33, onder d
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten
                                zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Bruikleen of eigendom</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Een rolstoelvoorziening in natura wordt in bruikleen verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Eens in de drie jaar kan een persoonsgebonden budget worden
                                verstrekt voor de aanschaf van een sportrolstoel in eigendom. Het
                                budget is bedoeld voor de kosten van aanschaf in eigendom, onderhoud
                                en reparatie van de rolstoel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Training elektrische rolstoel</titel></kop><al>Wanneer blijkt dat een persoon met beperkingen onvoldoende in staat is
                            aan het verkeer deel te nemen met een elektrische rolstoel, verlenen
                            burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming in de kosten
                            van een training.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor Awbz-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 35, lid 1 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de Awbz.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een
                            huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet, die voldoet aan de criteria van de Wmo
                                Richtlijn indicatieadvisering hulp bij het huishouden
                                Steenwijkerland 2012, kan voor de in artikel 39 onder a vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien,</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                compenserend kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 39 onder b en c vermelde
                                voorzieningen in aanmerking worden gebracht als hij in aanmerking
                                komt voor de in lid 1 bedoelde algemene voorziening, maar</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 39 onder a genoemde voorziening een
                                        onvoldoende oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 40 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar
                            deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel
                            in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten, tenzij het
                            verrichten van bedoeld huishoudelijk werk de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42.</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt
                            in uren, afgerond naar decimalen per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43.</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt, wordt jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend door middel
                            van een door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld
                            formulier/document.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45.</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag kan worden ingediend bij het daartoe bestemde loket. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46.</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, voor zover dit van
                                belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                        burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip en
                                        hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door burgemeester en wethouders te bepalen plaats en
                                        tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te
                                        doen ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen zonder advies van adviesinstanties
                                tot een verstrekking of de verlening van een voorziening overgaan
                                wanneer zij naar hun oordeel beschikken over voldoende informatie
                                om, rekening houdend met specifieke omstandigheden van het geval, op
                                basis daarvan een verantwoorde beslissing kunnen nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vragen een daartoe door hen aangewezen
                                adviesinstantie om advies omtrent de aard en de omvang van de
                                aangegeven en ondervonden beperkingen, alsmede mogelijke oplossingen
                                ter vermindering van deze beperkingen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag naar verwachting om redenen van medische of
                                        ergonomische aard moet worden afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>er onduidelijkheid bestaat over (het verloop van) het
                                        ziektebeeld en/of de daaruit voortvloeiende
                                        belemmeringen;</al></li><li nr="c."><al>burgemeester en wethouders dat overigens gewenst
                                        vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De externe adviseur dient te beschikken over kennis op de volgende
                                gebieden:</al><lijst><li nr="a."><al>medische kennis op het niveau van een arts;</al></li><li nr="b."><al>sociale kennis;</al></li><li nr="c."><al>ergonomische kennis;</al></li><li nr="d."><al>technische kennis.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan burgemeester en wethouders of de door
                                hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te (doen) verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                                stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                                verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47.</nr><titel>Bijzondere bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                                wordt verleend, wordt in de beschikking vermeld op welke kosten de
                                tegemoetkoming betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een periodieke tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                beschikking tevens vermeld: de geldingsduur, de uitkeringsmaatstaf,
                                alsmede de voorschriften waaraan de rechthebbende dient te voldoen
                                alvorens tot uitbetaling van de tegemoetkoming kan worden
                                overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de geldingsduur niet in de beschikking is vermeld, wordt
                                uitgegaan van een verstrekking van onbepaalde duur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48.</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt
                            is verplicht aan burgemeester en wethouders mededeling te doen van
                            feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                            deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49.</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een beschikking genomen op grond
                                van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren, dat, waren de juiste
                                        gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                        genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming,
                                persoonsgebonden budget, dan wel een gemaximeerde vergoeding, kan
                                worden ingetrokken, indien blijkt dat de tegemoetkoming binnen zes
                                maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                                het middel waarvoor deze was verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een voorziening in natura kan worden
                                ingetrokken indien niet meer aan de bepalingen voor het recht op een
                                voorziening wordt voldaan of indien de voorziening voor de persoon
                                met beperkingen niet langer noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op het verlenen van onroerende
                                woonvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een in natura verstrekte voorziening op grond van artikel 49
                                van deze verordening is ingetrokken, kan de voorziening worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een voorziening op grond van artikel 49 van deze verordening
                                is ingetrokken, kan een reeds betaalde financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorziening anderszins ten onrechte is verstrekt en de
                                persoon met beperkingen dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen,
                                wordt de voorziening eveneens teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de aanvrager afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            zou leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52.</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen jaarlijks per 1 januari de in het
                            kader van deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Steenwijkerland geldende bedragen verhogen of verlagen conform de
                            ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de
                            Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54.</nr><titel/></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe elk jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56.</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                                    2012.</al></li><li nr="3."><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    Steenwijkerland 2007 wordt met ingang van 1 juli 2012
                                    ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,R.G.H.P. Moonen </ondertekening><ondertekening/><ondertekening> de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>In de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna te noemen Wmo) krijgen de
                    gemeenten de opdracht invulling te geven aan de Wmo door regels te stellen bij
                    verordening. Op 20 december 2011 heeft de gemeenteraad van Steenwijkerland
                    besloten een aantal bezuinigingen/ beleidswijzigingen in te voeren, om de
                    beoogde bezuinigingen op de voorzieningen die op grond van de Wmo verstrekt
                    worden per 2012 en volgende jaren te realiseren. Het merendeel van de in te
                    voeren maatregelen geven aanleiding de gemeentelijke Wmo-verordening en
                    beleidsregels aan te passen. In deze verordening zijn de verschillende
                    verstrekkingenterreinen in de eerste zes hoofdstukken behandeld. De laatste twee
                    hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele aspecten. Alle bedragen en
                    bijbehorende regelgeving zijn uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning Steenwijkerland en in het Verstrekkingenboek voorzieningen
                    Wmo.</al><tussenkop>Compensatiebeginsel.</tussenkop><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel”.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". </al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. Omdat er geen begripsomschrijving van het
                    begrip compensatiebeginsel in het amendement is opgenomen, is in de
                    modelverordening van de VNG een begripsomschrijving opgenomen, in artikel 1.1.
                    aanhef en onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren, </al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning, </al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en </al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    modelverordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>De wet stelt niet dat het steeds om individuele voorzieningen moet gaan. Om te
                    voorzien in het snel en regelarm treffen van veel voorkomende eenvoudige
                    voorzieningen is in deze verordening, conform het gestelde hieromtrent in de
                    modelverordening VNG, het begrip "algemene voorzieningen" opgenomen. Dit type
                    voorziening komt in de Wvg voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze
                    verordening wordt het begrip algemene voorziening geïntroduceerd voor alle
                    onderdelen van het compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor
                    algemene woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden, algemene
                    vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. </al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan
                    procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een lichte
                    toegangstoets en zonder eigen bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een PGB in te perken. Voor zover de gemeente nog
                    geen algemene voorzieningen heeft gerealiseerd bestaat onverminderd aanspraak op
                    een individuele voorziening.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE
                    BEPALINGEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Ad a. </tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><tussenkop>Ad b. </tussenkop><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><tussenkop>Ad c.</tussenkop><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.”</al><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing. Aan deze formulering is de nieuwe
                    doelgroep “personen met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem”
                    toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit de AWBZ- regelgeving (Besluit
                    zorgaanspraken). Hiermee sluit de begripsomschrijving aan bij de omschrijving
                    genoemd in artikel 1, eerste lid , onderdeel g, onderdeel 5 en 6 van de
                    wet.</al><tussenkop>Ad. e.</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). </al><tussenkop>Ad f.</tussenkop><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Ad g.</tussenkop><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het </al><al>amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Ad h.</tussenkop><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><tussenkop>Ad i.</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In de AmvB wordt
                    bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van eigen
                    bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al><tussenkop>Ad j.</tussenkop><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Ad k.</tussenkop><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten kan plaats vinden
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente.</al><tussenkop>Ad l.</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><tussenkop>Ad m.</tussenkop><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. </al><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder. </al><tussenkop>Ad n.</tussenkop><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast. Het betreft de normale, dagelijkse zorg die huisgenoten
                    geacht worden elkaar onderling te bieden als ze als leefeenheid een gezamenlijk
                    huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben
                    voor het functioneren van dat huishouden.</al><tussenkop>Ad o.</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g, achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><tussenkop>Ad p.</tussenkop><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is
                    in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip
                    ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip
                    ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><tussenkop>Ad q.</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><tussenkop>Ad r.</tussenkop><al>Met de begripsomschrijving van woonwagen is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals is opgenomen in de Woningwet.</al><tussenkop>Ad s.</tussenkop><al>De begripsomschrijving van standplaats is in overeenstemming met de
                    begripsomschrijving zoals is opgenomen in de Woningwet.</al><tussenkop>Ad t.</tussenkop><al>De begripsomschrijving van woonschip is in overeenstemming met de
                    begripsomschrijving zoals is opgenomen in de Huisvestingswet.</al><tussenkop>Ad u.</tussenkop><al>Met de begripsomschrijving van ligplaats is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals is opgenomen in de Woningwet.</al><tussenkop>Ad v.</tussenkop><al>In de begripsomschrijving van hoofdverblijf is tot uitdrukking gebracht dat het
                    gaat om een woonruimte die bedoeld is om permanent bewoond te worden en daar ook
                    geschikt voor is. Woonruimten die niet aan deze criteria voldoen komen niet voor
                    aanpassing in aanmerking, ook al dienen zij voor een gehandicapte tot
                    woonverblijf. Vaak zal hier sprake zijn van niet toegestane permanente bewoning
                    van recreatieverblijven. De gemeente heeft een compensatieplicht voor de in de
                    gemeente woonachtige personen met een beperking. In eerste instantie geeft de
                    gemeentelijke bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. </al><al>De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een
                    compensatieplicht voor het verlenen van voorzieningen. Het is noodzakelijk de
                    zinsnede 'dan wel zal staan ingeschreven' op te nemen voor situaties waarin de
                    gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een
                    woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken.</al><tussenkop>Ad w.</tussenkop><al>Hierbij is aangesloten bij het begrip woonruimte als bedoeld in artikel 11, lid
                    1, onder a van de wet op de Huurtoeslag. Uit de toelichting van deze wet blijkt,
                    dat, mede gelet op de omschrijving in de Huurprijzenwet en de jurisprudentie, er
                    sprake is van een zelfstandige woonruimte: </al><al>als de ruimte voor particuliere bewoning geschikt is, een eigen afsluitbare
                    toegangsdeur heeft en over een eigen toilet, eigen sanitair(niet gedeeld met
                    anderen) beschikt, alsmede minimaal een tweepits kookgelegenheid heeft. Een en
                    ander sluit ook aan bij de omschrijving van het begrip woonruimte, dat in Boek 7
                    in Titel 4, artikel 233 van het Burgerlijk wetboek(BW) is opgenomen. Hier wordt
                    het begrip woonruimte omschreven, als een gebouwde onroerende zaak voor zover
                    deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een
                    woonwagen of een standplaats, alsmede onroerende aangehorigheden. Volgens
                    artikel 7:234 BW wordt onder zelfstandige woning verstaan de woning welke een
                    eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk
                    te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.</al><al>Voor eigen woningen is in de gemeentelijke verordeningen bepaald, dat voor de
                    woonruimte zowel gebruikersbelasting als eigenarenbelasting op grond van de
                    Verordening onroerende zaakbelastingen Steenwijkerland verschuldigd is of op
                    grond van de vermelding in de kadastrale registratie als genothebbende krachtens
                    eigendom, bezit of beperkt recht deze belasting verschuldigd zal zijn.</al><al>Dit laatste is opgenomen, omdat ook een woonvoorziening verstrekt kan worden in
                    de meerkosten van een aanpassing aan een nog te bouwen woning, terwijl dat jaar
                    nog geen onroerend zaakbelasting verschuldigd is, omdat de peildatum voor
                    onroerend zaakbelasting op 1 januari is gesteld. </al><tussenkop>Ad x.</tussenkop><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt omschreven als de ruimten die niet
                    tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen en portalen en trappenhuizen
                    die toegang verschaffen tot de woonruimte. De omschrijving kan uitgebreid worden
                    met andere gemeenschappelijke ruimten die de gehandicapte moet kunnen
                    gebruiken.</al><tussenkop>Ad y.</tussenkop><al>Een uitraasruimte is een ruimte die kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Ad z.</tussenkop><al>Onder woningaanpassing wordt verstaan woningaanpassingen van bouw- of
                    woontechnische aard (onroerende woonvoorzieningen), die gericht zijn op het
                    opheffen of verminderen van beperkingen, die een persoon met een beperking
                    ondervindt bij het normale gebruik van zijn woonruimte. </al><al>Om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen moet er sprake zijn van
                    ergonomische beperkingen. Het criterium ergonomische beperkingen is dus
                    gekoppeld aan bouw- of woontechnische voorzieningen. </al><tussenkop>Ad aa.</tussenkop><al>De compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners van de gemeente, de
                    gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geeft hierover uitsluitsel.
                    Als de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar
                    de aanvraag ingediend moet worden. </al><tussenkop>Ad bb.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Ad cc.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2. Voorwaarden voor verstrekking</tussenkop><al>Ad a.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan,
                    in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een
                    terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties
                    waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk
                    is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van
                    de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager.
                    Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van
                    terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. Voor
                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal
                    van situatie tot situatie verschillen. </al><al>Ad b.</al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is gebleken dat de term
                    goedkoopst adequate voorziening een Wvg-term was, en dat nu gesproken moet
                    worden van goedkoopst compenserende voorziening.</al><al>Uit artikel 4 van de Wmo vloeit voort dat de aanvrager recht heeft op een
                    voorziening die in zijn individuele situatie kan worden aangemerkt als
                    compensatie. Voor gevallen waarin meer dan één voorziening als compensatie voor
                    de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, bestaat slechts recht op de
                    goedkoopste compenserende voorziening.</al><al>Ad c. </al><al> Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                    gecompenseerd. Dat individueleprobleem staat dan ook centraal bij de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                    wet.Elke aanvraag voor het verstrekken van een voorziening op grond
                    van de wet wordt individueel afgewogen. In een gesprek met de aanvrager wordt
                    eerst gekeken wat mensen zelf kunnen doen of regelen, ook financieel. Vervolgens
                    wordt gekeken naar voorliggende voorzieningen en het sociaal netwerk van mensen:
                    op welke manier kunnen deze worden ingeschakeld voor ondersteuning. Pas wanneer
                    burgers zelf geen mogelijkheden kunnen creëren, kan een beroep worden gedaan op
                    de individuele Wmo voorzieningen. Daarbij wordt zoveel mogelijk maatwerk
                    geleverd en wordt gekeken naar wat burgers echt nodig hebben om deel te kunnen
                    nemen aan de samenleving. Bij de vraag wat mensen zelf kunnen doen, speelt het
                    inkomen van mensen ook een rol. Bepaalde kosten worden algemeen gebruikelijk
                    geacht. Voor welke voorzieningen dit geldt en welk bijbehorend inkomen bij de
                    individuele toetsing wordt meegewogen wordt vastgelegd in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2012. </al><tussenkop>Artikel 2, lid 2</tussenkop><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><tussenkop>Artikel 2. lid 3</tussenkop><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningenwaarover een
                    met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. Dit
                    beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                    (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie
                    geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen
                    in artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    aanvrager niet woonachtig is.</al><al>Ad c.</al><al>Als aanspraak bestaat op de gevraagde voorziening op grond van een andere
                    regeling, bestaat er geen aanspraak op deze voorziening krachtens de Wmo.</al><al>Ad d. </al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.</al><al>Ad e.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau.Alleen in die gevallen dat
                    bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het
                    college hierop een uitzondering maken. </al><al>Adf. en g.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een
                    voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met
                    hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Het
                    college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte
                    van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan
                    te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing
                    wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    compenserend is kan de aanvragertot verhuizen overgaan. Met deze
                    voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de
                    aanvragerreeds is verhuisd, met een claim voor een
                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet
                    te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning. </al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. </al><tussenkop>Artikel 3. Besluitvorming, nadere regels en nadere
                    voorwaarden</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt aangegeven dat het de bevoegdheid van het college is om
                    zo nodig nadere besluiten te nemen en om het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning Steenwijkerland vast te stellen en zo nodig te wijzigen.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 2. VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE
                        VOORZIENINGEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken. Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van
                    keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit
                    meerdere aanbieders. </al><tussenkop>Artikel 5. Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    een derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg. Als een voorziening in eigendom
                    wordt verstrekt is er uiteraard niet een dergelijke overeenkomst nodig.</al><al>Artikel 6. Financiële
                    tegemoetkoming<vet><onderstreept>.</onderstreept></vet></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><tussenkop>Artikel 7. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst compenserende voorziening.
                    Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst compenserend” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen
                    zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning, dat door het college moet worden vastgesteld. </al><al>Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden
                    budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                    persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter
                    bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn.
                    Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning Steenwijkerland en de beleidsregels. </al><al>Verder is onder d. bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                    voorkomen, het persoonsgebonden budget onder voorwaarden met betrekking tot de
                    besteding wordt verstrekt. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget.
                    Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere
                    regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen,
                    bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er twijfels zijn
                    over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden
                    beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al><al>Lid 5 en 6</al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en
                    het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.</al><al>Op basis van steekproefsgewijze controle wordt een bepaald gedeelte van de
                    toegekende persoongebonden budgetten gecontroleerd via het opvragen van gegevens
                    bij de budgethouders. </al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Artikel 8. Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland wordt
                    vastgelegd. De Raad heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de
                    mogelijkheid binnen de grenzen, die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt, de
                    verschillende bedragen vast te stellen. Het eigen bijdrage beleid zoals dat gold
                    onder de Awbz wordt, voor zover niet in strijd met de Algemene Maatregel van
                    Bestuur, zoveel mogelijk gehandhaafd.</al><al>Bij het stellen van een inkomensgrens bij een inkomen boven een bepaalde grens
                    wordt ervan uitgegaan dat een bepaalde voorziening, bijvoorbeeld het bezit van
                    een personenauto, algemeen gebruikelijk wordt geacht. Iemand met een dergelijk
                    inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit van een auto zelf
                    te kunnen dragen.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 3. WOONVOORZIENINGEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. </al><al>de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om
                    snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te krijgen. Te denken
                    valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit depot en mogelijk
                    andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al><al>Ad b. </al><al>een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de
                    vorm van financiële tegemoetkoming<vet><cursief> -</cursief></vet>op individuele
                    basis- verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel;</al><al>Ad c.</al><al>het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad d.</al><al>de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en soms
                    ook</al><al>rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7
                    lid 2 van de wet.</al><tussenkop>Artikel 10. Primaat algemene woonvoorzieningen en recht
                    op individuele woonvoorzieningen</tussenkop><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al><tussenkop>Artikel 11. Soorten individuele
                    woonvoorzieningen</tussenkop><al>Ad a. </al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed
                    mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al>Ad b. </al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. </al><al>Ad c.</al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden budget voor
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet
                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze
                    laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van
                    een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                    zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Ad d. </al><al>Het college kan besluiten om voor de reparatie, onderhoud en keuring van sommige
                    voorzieningen een financiële tegemoetkoming te verstrekken om een langdurig en
                    veilig gebruik er van te waarborgen. </al><al>Ad e. </al><al>Als tijdens de realisatie van de aanpassingen aan de woning deze niet bewoond
                    kan worden kan aan de aanvrager een vergoeding worden verleend in de kosten van
                    tijdelijke huisvesting.</al><al>Ad f. </al><al>De gemeente heeft er belang bij dat een aangepaste woning voor de doelgroep
                    beschikbaar blijft. Als de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een
                    geschikte kandidaat voor de woning kan worden gevonden is het redelijk dat de
                    gemeente een bijdrage levert in de huurderving bij leegstand.</al><al>Ad g. </al><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te
                    verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening
                    opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die gedefinieerd kan worden als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge vaneen
                    beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                    vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. </al><tussenkop>Artikel 12. Uitbetaling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 13. Het primaat van de verhuizing</tussenkop><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst compenserende voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van
                    het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                    jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                    gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                    voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die
                    ook onder deze wet gesteld kan worden. </al><al>Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan
                    worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de
                    gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen
                    bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een
                    concreet geval. </al><tussenkop>Artikel 14. Hoofdverblijf</tussenkop><al>Lid 1</al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er
                    met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van Awbz-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of
                    zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager
                    naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten
                    bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel
                    15, onder b.</al><al>Lid 2 t/m 6</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren Awbz-bewoners uitgesloten van het
                    recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door
                    gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor
                    bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de
                    verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te
                    breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening
                    opgenomen. “Bezoekbaar maken” wordt in de verordening gelimiteerd tot het
                    bereikbaar maken van de woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en
                    kan bovendien in financiële zin worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten werd hiervoor vaak een bedrag gehanteerd dat gelijk
                    was aan het bedrag voor een verhuiskostenvergoeding.</al><tussenkop>Artikel 15. Beperking op het recht op een
                    woonvoorziening</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet ereen
                    duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking
                    die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd.</al><al>Lid 1, onder a.</al><al>Het wegnemen en opheffen van problemen die voortvloeien uit de aard van de
                    gebruikte materialen valt niet onder de compensatieplicht. Zo komen vocht en
                    tocht bijvoorbeeld in veel woningen voor. Het oplossen van deze problemen moet
                    gezien worden als een woningverbetering. Dit betekent niet dat belemmeringen die
                    voortvloeien uit bijvoorbeeld cara niet op grond van de Wmo zouden kunnen worden
                    weggenomen.</al><al>Lid 1, onder b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. </al><al>Lid 1, onder c.</al><al>Dit lid is opgenomen om te voorkomen, dat illegaal permanent bewoonde
                    vakantiewoningen en andere niet voor permanente bewoning bedoelde ruimten moeten
                    worden aangepast aan de handicap van de bewoner.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een niet compenserende woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de
                    voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft
                    voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke
                    reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is
                    de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing
                    vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><tussenkop>Artikel 16. Tegemoetkoming verhuis- en
                    (her)inrichtingskosten</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de verhuis- en
                    (her)inrichtingskosten, moet de gehandicapte bij normaal gebruik in zijn huidige
                    woning, belemmeringen ondervinden die in de nieuwe woonruimte worden weggenomen
                    of aanzienlijk worden verminderd. </al><al>Soms zijn er in de nieuwe woning nog enkele aanpassingen nodig om dit te
                    realiseren. Daarom wordt een tegemoetkoming toegekend: bij verhuizing naar een
                    geschikte woning en zo nodig ook bij verhuizing naar een woning die verbouwd
                    moet worden. </al><al>Een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten kan ook nog
                    verstrekt worden aan een niet-gehandicapte indien een aangepaste woning wordt
                    vrijgemaakt. </al><al>Indien bijvoorbeeld de partner of familie, na overlijden of uit huis plaatsing
                    van de gehandicapte, in een aangepaste woning achterblijft, kan de gemeente het
                    vrijwillig verhuizen uit de aangepaste woning aantrekkelijk maken door het
                    aanbieden van een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting. </al><al>In een aantal gevallen wordt voor een verhuizing geen financiële tegemoetkoming
                    verstrekt, ook al is er sprake van belemmeringen in het normale gebruik van de
                    woning. Het gaat hier om een verhuizing naar een Awbz-inrichting, een
                    verzorgingstehuis of een andere onzelfstandige woonzorgvorm. Een kamer in een
                    dergelijke instelling valt niet onder de definitie van zelfstandige woonruimte.
                    Ook ten behoeve van een verhuizing naar een vakantiewoning of een andere woning
                    die niet geschikt is om het hele jaar te bewonen worden geen verhuis- en
                    inrichtingskosten vergoed. </al><tussenkop>Artikel 17. Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen
                    woonvoorzieningen worden verstrekt </tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget, een financiële tegemoetkoming voor het treffen van
                    voorzieningen of een voorziening in natura wordt alleen verstrekt als het
                    woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op
                    de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden.
                    Eenuitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen,
                    binnenschepen en woonwagens</al><tussenkop>Artikel 18. Het verwerven van grond</tussenkop><al>Voor het realiseren van sommige woningaanpassingen kan het nodig zijn dat extra
                    grond moet worden gekocht. Om in aanmerking te kunnen komen voor een dergelijke
                    vergoeding, moet vast staan dat het omwille van ergonomische belemmeringen
                    noodzakelijk is dat een woning wordt uitgebreid of dat een aanbouw wordt
                    gerealiseerd. </al><tussenkop>Artikel 19. Aanpassing gemeenschappelijke
                    ruimten</tussenkop><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                        hoofdzaakzijn gericht op het individu, worden in
                    beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen
                    verstrekt. Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold, zijn er
                    uitzonderingen gemaakt voor het treffen van voorzieningen in gemeenschappelijke
                    ruimten, als zonder deze woningaanpassing(en) de woonruimte voor de
                    gehandicapte, die in deze woonruimte zijn hoofdverblijf heeft ontoegankelijk
                    blijft. </al><al>Bij gebouwen, gebouwd of gerenoveerd na 1 januari 1995, welke bestemd zijn voor
                    de huisvesting van ouderen of gehandicapten, wordt er van uitgegaan, dat reeds
                    bij de bouw/renovatie rekening is gehouden met aspecten van bereikbaarheid en
                    toegankelijkheid. In deze wooncomplexen worden voorzieningen bedoeld om
                    woonruimten voor gehandicapten toegankelijk te maken als algemeen gebruikelijk
                    beschouwd.</al><tussenkop>Artikel 20 en 21. Aanpassing
                    woonwagen/woonschip</tussenkop><al>Voor het aanpassen van een woonwagen of een woonschip is een bijdrage mogelijk
                    gelijk aan een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    vast te stellen maximumbedrag. De bijdrage is inclusief eventuele aanpassingen
                    aan de stand- c.q. ligplaats van de woonwagen of woonschip. </al><al>In het verstrekkingenboek worden voorwaarden gesteld met betrekking tot de
                    technische levensduur, de stand- c.q. ligplaats en woonvergunning. </al><tussenkop>Artikel 22. Beperking in verband met levensduur woonwagen
                    en woonschip</tussenkop><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip
                        <cursief>minder</cursief> dan vijf jaar is of de standplaats van de
                    woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip
                    niet ten minste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de maximale
                    aanpassingskosten € 1.000,00.</al><tussenkop>Artikel 23. Aanpassing binnenschip</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip worden
                    verder slechts verleend indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de
                    schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als
                    bedoeld in het Binnenschepenbesluit en het betreffende binnenschip.</al><tussenkop>Artikel 24. Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                    reparatie</tussenkop><al>Het college kan voor de reparatie, onderhoud en keuring van sommige
                    voorzieningen een financiële tegemoetkoming verstrekken. Het gaat daarbij om
                    stoelliften, rolstoel- of sta-plateauliften, woonhuisliften, hefplateauliften,
                    balansliften, de mechanische inrichting voor het verstellen van de hoogte van
                    een keukenblok, wastafel of bad en elektromechanische openings- en
                    sluitingsmechanismen van deuren. </al><tussenkop>Artikel 25. Kosten in verband met tijdelijke
                    huisvesting</tussenkop><al>Als tijdens de realisatie van de aanpassingen aan de woning deze niet bewoond
                    kan worden kan aan de aanvrager een vergoeding worden verleend in de kosten van
                    tijdelijke huisvesting.</al><tussenkop>Artikel 26. Huurderving</tussenkop><al>Het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van huurderving kan gezien
                    worden als een van de instrumenten waardoor de medewerking van verhuurders
                    sneller verkregen kan worden. Gemeente en verhuurders hebben er beiden belang
                    bij dat reeds aangepaste woningen weer opnieuw aan een andere gehandicapte
                    toegewezen worden. Om woningen te reserveren voor gehandicapten kan het
                    voorkomen dat de woning een aantal maanden leeg zal staan. Het is niet een
                    automatisme dat de gemeente bijdraagt in de kosten van huurderving. De gemeente
                    heeft er echter ook belang bij dat een aangepaste woning voor de doelgroep
                    beschikbaar blijft. Als de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een
                    geschikte kandidaat voor de woning kan worden gevonden is het ook redelijk dat
                    de gemeente hieraan een bijdrage levert. </al><tussenkop>Artikel 27. Aanvang werkzaamheden en inzicht in
                    woning</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming voor het aanbrengen van woningaanpassingen kan
                    alleen worden verkregen wanneer met de start van de werkzaamheden wordt gewacht
                    tot na de beslissing op de aanvraag of als toestemming is verleend met de
                    werkzaamheden te beginnen. Dit om te voorkomen, dat de woning niet op
                    compenserende wijze wordt aangepast. Verder dienen betrokkenen de door het
                    college aangewezen ambtenaar: toegang te verlenen tot de woonruimte waar de
                    woningaanpassing wordt verricht, inzicht te bieden in bescheiden en tekeningen
                    en de gelegenheid te geven tot het controleren van de gerealiseerde
                    woningaanpassing. </al><tussenkop>Artikel 28. Gereedmelding woningaanpassing </tussenkop><al>De financiële tegemoetkoming wordt uiteindelijk door burgemeester en wethouders
                    vastgesteld indien zij kunnen instemmen met het verzoek tot vaststelling en
                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. Hetgeen inhoudt dat de woning
                    overeenkomstig het door de gemeente vastgestelde programma van eisen is
                    aangepast.</al><tussenkop>Artikel 28a. Terugbetaling bij verkoop </tussenkop><al>Met dit artikel wordt kapitaalvernietiging voorkomen. De woningeigenaar is bij
                    verkoop verplicht tot terugbetaling van een deel van de aanpassingskosten. </al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 4. HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER
                        VERVOERMIDDEL</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 29. Vormen van vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>Ad a.</al><al>Onder een algemene voorziening kan het opzetten van scootmobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    mogelijk was, worden begrepen. Ook een collectieve vervoersvoorziening valt
                    hieronder. In onze gemeente is dit niet een specifieke voorziening voor
                    gehandicapten, maar een vorm van openbaar vervoer, welke wordt uitgevoerd door
                    de Regiotaxi in de vorm van vraagafhankelijk vervoer. Daarnaast zijn er aantal
                    organisaties in de gemeente die speciaal voor deze doelgroep vervoer verzorgen,
                    maar nog niet het gehele gebied van de gemeente dekken.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Deze vergoeding behoeft niet een kostendekkende te
                    zijn, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.</al><al>Ad d.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning Steenwijkerland uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 30. Soorten vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>Onder dit artikel wordt een diversiteit aan voorzieningen genoemd. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><tussenkop>Artikel 31. Het recht op een
                    vervoersvoorziening</tussenkop><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van het bestaande vervoerssysteem bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. Hierbij wordt aangesloten bij de individuele
                    vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen, voor zover de kosten ervan
                    beneden een door het college vast te stellen maximumbedrag per jaar blijven. De
                    financiële tegemoetkoming is bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en
                    leefomgeving in het kader van het leven van alledag. De wet spreekt nu in
                    artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”.
                    Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet is
                    beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit
                    te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale
                    verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in dit artikel, conform
                    de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt
                    uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de
                    bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.
                    Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen.</al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens). Doordat de streekbus,
                    bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is,
                    heeft men recht op een vervoersvoorziening. </al><al>Bij de verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart of
                    gehandicaptenparkeerplaats wordt gewerkt met het criterium dat iemand maximaal
                    100 meter kan lopen. Een mogelijkheid is deze loopafstand ook voor de
                    scootmobiel te gaan hanteren. Met het oog op participatie wordt de grens in
                    Steenwijkerland gelegd op 300 meter. Dit is een soepeler criterium dan 100
                    meter, want wie bijvoorbeeld nog maximaal 150 meter kan lopen, heeft in
                    Steenwijkerland, dankzij de 300 meter grens nog recht op een scootmobiel.</al><al>Verder zijn in dit artikel bijzondere bepalingen opgenomen van uit de
                    gemeentelijke Wvg-verordening met betrekking tot samenwonenden, personen die in
                    verzorgingshuizen en dergelijke verblijven, samenloop van twee of meer
                    vervoersvoorzieningen, kinderen en de wijze waarop de individuele
                    vervoersbehoefte kan worden bepaald. In de beleidsregels c.q. het
                    verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><tussenkop>Artikel 32. Training gebruik
                    vervoersvoorziening</tussenkop><al>Deze training is bedoeld om iemand vertrouwd te maken met een reeds verstrekte
                    voorziening. De training vindt zo veel mogelijk plaats in de woonomgeving van de
                    cliënt. Trainingen kunnen door de adviseur geïndiceerd worden. De cliënt kan ook
                    zelf een aantal gewenningslessen aanvragen, wanneer hij zich onzeker voelt over
                    het gebruik ervan. In de beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid worden
                    nadere voorwaarden uitgewerkt met betrekking tot de training.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 5. VERPLAATSEN IN EN ROND DE
                    WONING</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 33. Vormen van rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>De verstrekking voor een rolstoelvoorzieningen kan plaats vinden als een
                    verstrekking in natura, een financiële tegemoetkoming en in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget voor rolstoelen voor het incidenteel of dagelijks
                    zittend verplaatsen in en om de woning alsmede voor sportrolstoelen. </al><tussenkop>Artikel 34. Soorten rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                    beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                    woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van
                    een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een
                    rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel
                    kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                    (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op
                    grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                    Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden
                    gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel
                    van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op
                    grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken,
                    rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van
                    onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 35. Het recht op een rolstoel</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel in aanmerking kan
                    komen als het gaat om incidenteel of dagelijks gebruik van de rolstoel, waarbij
                    aan aanvrager een rolstoel in natura, een financiële tegemoetkoming, of een
                    persoonsgebonden budget voor de kosten van aanschaf van een rolstoel verstrekt
                    kan worden, als de rolstoel voor het verplaatsen in en om de woning langdurig
                    medisch noodzakelijk is.</al><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik incidenteel
                    of dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd
                    in de beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Voor dit doel zijn er speciale sportrolstoelen
                    ontwikkeld. Naast de gewone sportstoel is er ook nog de "wheeler". Dit is een
                    sportrolstoel, die voor de lange afstandssport (marathon bijvoorbeeld) is
                    ontwikkeld. De kosten voor onderhoud en reparatie zijn bij dit bedrag
                    inbegrepen. </al><tussenkop>Artikel 36. Bruikleen of eigendom</tussenkop><al>Rolstoelvoorzieningen in natura worden door de rolstoelleverancier van de
                    gemeente aan de aanvrager in bruikleen verstrekt. Een persoonsgebonden budget
                    voor een sportrolstoel wordt maximaal éénmaal per drie jaar verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 37. Training elektrische rolstoel </tussenkop><al>Indien daartoe aanleiding bestaat is het mogelijk om op grond van de verordening
                    kosten te vergoeden van trainingen in het gebruik van een elektrische rolstoel.
                    Dit kan zowel voor trainingen tijdens het adviestraject als voor trainingen na
                    aflevering van de rolstol. Ook is dit mogelijk voor een zogenaamde
                    proefplaatsing.</al><tussenkop>Artikel 38. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    Awbz-bewoners</tussenkop><al>Recht op een op grond van de Awbz verstrekte rolstoel aan Awbz-bewoners bestaat
                    alleen indien de Awbz-bewoner zowel de Awbz-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende Awbz-instelling. Als een
                    Awbz-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    Awbz-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 6. HULP BIJ HET
                    HUISHOUDEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 39. Vormen van hulp bij het
                    huishouden</tussenkop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om “woonvoorzieningen, in hoofdstuk 6 om de
                    voorziening “hulp bij het huishouden”. Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de Awbz werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. </al><al>Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. </al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget (Pgb) voor hulp bij het
                    huishouden. Met dit Pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><tussenkop>Artikel 40. Primaat van de algemene hulp bij het
                    huishouden</tussenkop><al>In artikel 40 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in
                    de gemeente voorhanden is. In onze gemeente wordt de Wmo Richtlijn
                    indicatieadvisering hulp bij het huishouden Steenwijkerland 2012 als
                    toegangscriterium voor hulp bij het huishouden gehanteerd. In aanmerking komen
                    in eerste instantie personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van
                    ziekte of gebrek. Verder komen in aanmerking mantelzorgers in het kader van de
                    zogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil zeggen als de noodzaak aanwezig is om
                    mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het is daarbij niet de bedoeling van de
                    wetgever dat het huishouden van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname
                    van het huishouden van degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk
                    mogelijk. Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een
                    primaat in deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie
                    wordt bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op
                    compenserende wijze kan oplossen. </al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende compenserend
                    is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 41. Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    Awbz-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. Als de zorg langer duurt dan drie maanden en voorzover dit meer dan
                    acht uur per week is, wordt deze zorg mantelzorg genoemd. De Wmo Richtlijn
                    indicatieadvisering hulp bij het huishouden Steenwijkerland 2012 is aangewezen
                    als criterium om te bepalen op welke wijze er rekening wordt gehouden met
                    gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor
                    hulp bij het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 42 en 43 Omvang van de hulp bij het huishouden en
                    het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>In de AWBZ werd de omvang van hulp bij het huishouden uitgedrukt in klassen.
                    Klassen zijn te vergelijken met standaardporties. Een klasse was gekoppeld aan
                    een minimaal en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte.
                    In eerste instantie is deze systematiek gehandhaafd. Onder de Wmo wordt in
                    Steenwijkerland de omvang van hulp bij het huishouden nu, mede naar aanleiding
                    van recente jurisprudentie, uitgedrukt in het daadwerkelijk aantal geïndiceerde
                    uren.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 7. HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING EN
                        HET MOTIVEREN VAN BESLUITEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 44. Aanvraagprocedure</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. </al><al>In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe
                    beschikbaar gesteld aanvraagformulier/document. Het woord document wordt hier
                    gebezigd, om ook een digitale aanvraag mogelijk te maken. </al><al>De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                    aanvraagformulier/document is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten
                    behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat de
                    aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding van de
                    beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet
                    zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><tussenkop>Artikel 45. Indienen van de aanvraag</tussenkop><al>In de Beleidsnotitie Individuele Wmo-voorzieningen is bepaald, dat burgers voor
                    (aan)vragen zowel bij de balies van de bij het digitale zorgloket aangesloten
                    organisaties, het Centrum Indicatiestelling Zorg(CIZ), als bij de gemeentelijke
                    balie terecht kunnen.</al><al>Daar het CIZ de indicatiestelling huishoudelijke verzorging als de
                    Awbz-indicatiestelling uitvoert, wordt tegemoet gekomen aan het
                    amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ). Hierin is bepaald dat in de
                    verordening moet worden opgenomen hoe de toegang tot individuele voorzieningen
                    in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de
                    Awbz is geregeld. De wetsbepaling en toelichting op het amendement lopen echter
                    enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van
                    wonen en zorg als bedoeld in de Awbz gebundeld (als vallend onder de Awbz)
                    worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de
                    wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de Awbz en toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van het wonen. Verder wordt er in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt
                    tussen raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien
                    zal de concrete uitvoering van activiteiten met betrekking tot het aanvragen van
                    voorzieningen een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen
                    onder de verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet worden.</al><tussenkop>Artikel 46. Inlichtingen, onderzoek, advies en
                    beschikking</tussenkop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>Lid 2 bepaalt, dat zonder advies van adviesinstanties tot een verstrekking of de
                    verlening van een voorziening overgaan kan worden, wanneer het college naar hun
                    oordeel beschikken over voldoende informatie om, rekening houdend met specifieke
                    omstandigheden van het geval, op basis daarvan een verantwoorde beslissing
                    kunnen nemen. Hiermee is indicatiestelling door de cluster individuele
                    Wmo-voorzieningen, voorheen cluster Wvg, mogelijk. In tegenstelling tot hetgeen
                    er was bepaald in de Wet voorzieningen gehandicapten is in de wet niet geregeld
                    dat er een adviseur benoemd moet worden. In de verordening behoeft niet
                    opgenomen te worden wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in
                    verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige
                    vermelding voor alle voorzieningen onmogelijk maakt. </al><al>Lid 3 bepaalt, dat advies wordt gevraagd als er onduidelijkheid bestaat over
                    (het verloop van) het ziektebeeld en/of de daaruit voortvloeiende belemmeringen
                    wanneer het een eerste aanvraag door de betrokkene betreft. Doorslaggevend is
                    echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien
                    speelt bij de betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van
                    Awbz en Wvg naar deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet
                    gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een
                    aanvrager in zijn geheel niet bekend is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder a, kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. Tot slot vraagt het college advies, indien
                    dit overigens gewenst wordt geacht. Door deze bepaling is het te allen tijde
                    mogelijk om advies te vragen. </al><al>Lid 5 spreekt voor zich; het is duidelijk dat de externe adviseur over de
                    benodigde kennis dient te beschikken. Lid 6 is ook voor de handliggend, gegevens
                    inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere
                    gegevens kunnen noodzakelijk zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. </al><al>Er is een duidelijke praktische samenhang met artikel 44 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd. </al><al>Lid 7 is een uitvoering van artikel 5, lid 2, onder b. van de wet, waarin is
                    vastgelegd dat de raad in de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging
                    van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de
                    aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                    bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf,
                    vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien, vandaar de
                    delegatiebepaling.</al><al>Lid 8 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen
                    beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                    de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                    chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al><tussenkop>Artikel 47. Bijzondere bepalingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele bepalingen met betrekking tot de inhoud van de
                    Wmo-bechikkingen.</al><tussenkop>Artikel 48. Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 49. Intrekking van een voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage in artikel
                    48 “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het
                    recht op een voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden
                    duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een
                    belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met
                    zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te
                    wijzen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te
                    geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte
                    toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de
                    beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een
                    voorziening , omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met
                    de feiten.</al><tussenkop>Artikel 50. Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het ligt voor
                    de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt
                    gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van verwijtbaarheid.
                    Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over
                    zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde
                    zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de
                    gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. </al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 50 is dus
                    niet van toepassing op woningaanpassingen.</al><tussenkop><vet>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 51. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 51 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Verder is met nadruk
                    gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet
                    beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in
                    verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde
                    situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 52. Beslissing burgemeester en wethouders in
                    gevallen waarin de verordening niet voorziet</tussenkop><al>Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid in alle niet-voorziene situaties
                    te handelen naar bevind van zaken. Aangezien er zich vele omstandigheden in een
                    situatie van mensen met een beperking kunnen voordoen, kan het voorkomen dat in
                    een hele specifieke situatie een persoon met gebreken tussen wal en schip kan
                    vallen en nergens terecht kan voor ondersteuning. Voor deze zeer uitzonderlijke
                    gevallen kan dan door het college toch een oplossing bewerkstelligd worden.</al><tussenkop>Artikel 53. Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning van de gemeente,
                    te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur zoals op 22 mei 2006 naar de
                    Tweede Kamer gezonden bepaalt in artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de
                    eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie
                    worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in
                    bedragen in de lokale verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren.</al><tussenkop>Artikel 54. Overgangsbepalingen bestaande aanspraken Awbz
                    en Wvg</tussenkop><al>Dit artikel is vervallen, omdat dit inmiddels achterhaald is.</al><tussenkop>Artikel 55. Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, kan de evaluatie leiden tot aanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 56. Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE
                            BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al>Artikel 2. Voorwaarden voor verstrekking </al><al>Artikel 3. Besluitvorming, nadere regels en nadere voorwaarden
                            </al><al><vet>HOOFDSTUK 2. VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
                            </vet></al><al>Artikel 4. Keuzevrijheid </al><al>Artikel 5. Voorziening in natura </al><al>Artikel 6. Financiële tegemoetkoming. </al><al>Artikel 7. Persoonsgebonden budget </al><al>Artikel 8. Eigen bijdragen en eigen aandeel </al><al><vet>HOOFDSTUK 3. WOONVOORZIENINGEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Algemene omschrijvingen </al><al>Artikel 9. Vormen van woonvoorzieningen </al><al>Artikel 10. Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                    individuele woonvoorzieningen </al><al>Artikel 11. Soorten individuele woonvoorzieningen </al><al>Artikel 12. Uitbetaling </al><al>Paragraaf 2 Het recht op een woonvoorziening </al><al>Artikel 13. Het primaat van de verhuizing </al><al>Artikel 14. Hoofdverblijf </al><al>Paragraaf 3 Beperkingen </al><al>Artikel 15. Beperking op het recht op een woonvoorziening
                                </al><al>Artikel 16. Tegemoetkoming verhuis- en (her)inrichtingskosten
                                </al><al>Artikel 17. Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen
                                    woonvoorzieningen worden verstrekt </al><al>Artikel 18. Het verwerven van grond </al><al>Artikel 19. Aanpassing gemeenschappelijke ruimten </al><al>Paragraaf 4 Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                binnenschepen </al><al>Artikel 20. Aanpassing woonwagen </al><al>Artikel 21. Aanpassing woonschip </al><al>Artikel 22. Beperking in verband met levensduur woonwagen en
                                    woonschip </al><al>Artikel 23. Aanpassing binnenschip </al><al>Paragraaf 5 Overige woonvoorzieningen </al><al>Artikel 24. Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                    reparatie </al><al>Artikel 25. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting
                                </al><al>Artikel 26. Huurderving </al><al>Paragraaf 6 Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen
                            </al><al>Artikel 27. Aanvang werkzaamheden en inzicht in woning
                                </al><al>Artikel 28. Gereedmelding woningaanpassing </al><al>Artikel 28a. Terugbetaling bij verkoop </al><al>HOOFDSTUK 4. HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL </al><al>Artikel 29. Vormen van vervoersvoorzieningen </al><al>Artikel 30. Soorten vervoersvoorzieningen </al><al>Artikel 31. Het recht op een vervoersvoorziening </al><al>Artikel 32. Training gebruik vervoersvoorziening </al><al>HOOFDSTUK 5. VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING </al><al>Artikel 33. Vormen van rolstoelvoorzieningen </al><al>Artikel 34. Soorten rolstoelvoorzieningen </al><al>Artikel 35. Het recht op een rolstoel </al><al>Artikel 36. Bruikleen of eigendom </al><al>Artikel 37. Training elektrische rolstoel </al><al>Artikel 38. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor Awbz-bewoners
                            </al><al>HOOFDSTUK 6. HULP BIJ HET HUISHOUDEN </al><al>Artikel 39. Vormen van hulp bij het huishouden </al><al>Artikel 40. Primaat van de algemene hulp bij het huishouden
                            </al><al>Artikel 41. Gebruikelijke zorg </al><al>Artikel 42. Omvang van de hulp bij het huishouden </al><al>Artikel 43. Omvang van het persoonsgebonden budget </al><al>HOOFDSTUK 7. HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN </al><al>Artikel 44. Aanvraagprocedure </al><al>Artikel 45. Indienen van de aanvraag </al><al>Artikel 46. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking
                            </al><al>Artikel 47. Bijzondere bepalingen </al><al>Artikel 48. Wijzigingen in de situatie </al><al>Artikel 49. Intrekking van een voorziening </al><al>Artikel 50. Terugvordering </al><al>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN </al><al>Artikel 51. Hardheidsclausule </al><al>Artikel 52. Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet </al><al>Artikel 53. Indexering </al><al>Artikel 55. Evaluatie </al><al>Artikel 56. Citeertitel; inwerkingtreding  </al></bijlage></regeling></body></cvdr>