<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR168438_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Geldrop-Mierlo 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Middenstandsbelangen, 10-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Geldrop-Mierlo 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 11</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2011.0671</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bouwverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Geldrop-Mierlo 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al/><al><vet><onderstreept>1 Inleidende bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>a</vet>. bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                        bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                        wethouders;</al><al><vet>b</vet>. bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                        artikel 2 van de Woningwet;</al><al><vet>c</vet>. bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van
                        de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al><vet>d</vet>. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                        hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                        vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al><vet>e</vet>. gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                        Bouwbesluit;</al><al><vet>f</vet>. hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al><vet>g</vet>. NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                        uitgegeven norm;</al><al><vet>h</vet>. NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                        uitgegeven voornorm;</al><al><vet>i</vet>. Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al><vet>j</vet>. straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst
                                de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang
                                bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><al><vet>k</vet>. weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                        wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                        tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de
                        gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom;</al></li><li nr="c."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als
                                        bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden
                                de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als
                                zodanig zijn aangegeven.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het
                                bouwen</onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepaling in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.3.a Brandweeringang (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte
                                ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander
                                deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 </al></li></lijst><al>meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande
                        dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m² behoeft
                        te zijn.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                het Besluit bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li><li nr="m."><al> aan-, uitbouwen en bijgebouwen bij woningen, mits:</al></li><li nr="a."><al>daartegen uit oogpunt van stedebouw geen bezwaar bestaat;</al></li><li nr="b."><al>daartegen uit oogpunt van verkeersveiligheid geen bezwaaar
                                bestaat;</al></li><li nr="c."><al>het uitzicht vanuit naburige woningen niet onevenredig wordt
                                aangetast;</al></li><li nr="d."><al>de bebouwingshoogte, gemeten vanaf aansluitend terrein, ten hoogste
                                2 meter bedraagt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000
                                volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een , voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en
                                de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een , voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 </vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het
                            verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                            bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                        beleid</vet>.</al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties
                                en vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.13 Beginsel inzake sprinklerinstallaties
                            </vet><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.14 Aanwezigheid van sprinklerinstallaties
                            </vet><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.6.15 Kwaliteit van een sprinklerinstallatie
                            </vet><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de
                            nutsvoorzieningen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.3.a Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                            verwarming (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>3 De melding.</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden (Gereserveerd)</vet></al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria (Gereserveerd)</vet></al><al><vet><onderstreept>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.8 </vet><vet>Veiligheid</vet><vet> op het bouwterrein
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.10 </vet><vet>Veiligheid</vet><vet> van hulpmiddelen en het
                            voorkomen van hinder (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                                gedierte</onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en
                        terreinen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid.</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>6 Brandveilig gebruik</onderstreept></vet><vet>
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>7 Overige gebruiksbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (vervallen)_</vet></al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 10.</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
                        (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>8 Slopen</onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het
                            slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                        slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 </vet><vet>Veiligheid</vet><vet> op sloopterrein
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                            het slopen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>9 Welstand</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 9 Welstand</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 9.1</vet><vet> De advisering door de commissie</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                een externe onafhankelijke instelling of partij, die daarvoor de
                                noodzakelijke deskundigheid heeft, hierna te noemen de welstand- en
                                erfgoedcommissie.</al></li><li nr="2"><al>De welstand- en erfgoedcommissie adviseert over de welstandsaspecten
                                van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al>3 De welstand- en erfgoedcommissie baseert haar advies op de in de
                        welstandsnota genoemde welstandscriteria </al><al><vet>Artikel 9.2</vet><vet> Samenstelling van de welstand- en
                            erfgoedcommissie</vet></al><al>1 De welstand- en erfgoedcommissie bestaat ten minste uit twee leden, die
                        beiden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                        dan wel cultuurhistorie. </al><al>2 Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al>3 De welstand- en erfgoedcommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien
                        ten minste twee deskundige leden aanwezig </al><al>4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al>5 In de welstand- en erfgoedcommissie kan een geïnteresseerde burger, anders
                        dan bedoeld in het eerste lid, zitting hebben.</al><al><vet>Artikel 9.3</vet><vet> Benoeming en zittingsduur (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 9.4</vet><vet> Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de
                        gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstand- en erfgoedcommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstand- en erfgoedcommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen
                        ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteits- en erfgoedbeleid in
                        het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                        bijzonder.</al><al><vet>Artikel 9.5</vet><vet> Termijn van advisering</vet></al><al>1 De welstand- en erfgoedcommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester
                        en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De welstand- en erfgoedcommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van
                        een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat
                        door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstand- en
                        erfgoedcommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere
                        termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn
                        van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9,
                        tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 9.6</vet><vet> Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                            toelichting</vet></al><al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de
                        welstand- en erfgoedcommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van
                        de commissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven
                        blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                        geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek
                        van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                        dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                        artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                        openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                        adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij het indienen van
                        de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstand- en
                        erfgoedcommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                        bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de omgevingsvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Er is geen spreekrecht.</al><al><vet>Artikel 9.7</vet><vet> Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al>1 De welstand- en erfgoedcommissie kan de advisering over een aanvraag om
                        advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
                        commissie overlaten aan een of meerdere aangewezen leden. Het aangewezen lid
                        of de aangewezen leden adviseren over initiatieven waarvan volgens hen het
                        oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2 In geval van twijfel wordt het plan alsnog voorgelegd aan de welstand- en
                        erfgoedcommissie.</al><al><vet>Artikel 9.8</vet><vet> Vorm waarin het advies wordt
                        uitgebracht</vet></al><al>1 De welstand- en erfgoedcommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.</al><al><vet>Artikel 9.9</vet><vet> Uitsluiting van gebieden en categorieën
                            bouwwerken (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>10 Overige administratieve
                            bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al><vet><onderstreept>11 Handhaving</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>12 Straf-, overgangs- en
                            slotbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop het
                                Bouwbesluit 2012 in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>Op een aanvraag om omgevingsvergunning, ontheffing of toestemming
                                anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                                verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet
                                is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van
                                toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij
                                de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen
                                worden toegepast.</al></li><li nr="3."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><al>-de Bouwverordening Geldrop-Mierlo 2010, vastgesteld bij
                                raadsbesluit d.d. 13 september 2010 en de daarin bij besluit van 6
                                juni 2011 aangebrachte wijziging.</al></li></lijst><al><vet>4.</vet> Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                        Geldrop-Mierlo 2012’</al></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet><onderstreept>Bijlage 1</onderstreept></vet><vet><cursief> Gegevens en
                                bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 2</onderstreept></vet><vet><cursief> Gegevens en
                                bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                        (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 3</onderstreept></vet><vet><cursief>
                                Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 4</onderstreept></vet><vet><cursief>
                                Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van
                                niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties.
                                (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 5 </onderstreept></vet><vet><cursief>Opslag
                                brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 6</onderstreept></vet><vet><cursief> Opslag
                                brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 7
                                </onderstreept></vet><vet><cursief>Kwaliteitseisen voor buizen en
                                hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                            terreinen</cursief></vet><vet><onderstreept>
                            (vervallen)</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 8</onderstreept></vet><vet><cursief> Checklist
                                voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                                bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
                        (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage
                                9</onderstreept></vet><vet><cursief>Reglement van orde op de
                                gemeentelijke welstand- en erfgoedcommissie.</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>1. Begripsbepalingen </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders van</al><al> Geldrop-Mierlo</al></li><li nr="b."><al>de gemeenteraad : de gemeenteraad van de gemeente
                                Geldrop-Mierlo</al></li><li nr="c."><al>de commissie : de gemeentelijke welstand- en erfgoedcommissie</al></li><li nr="d."><al>de secretaris : de door het college aangewezen ambtenaar, die
                                de</al><al> commissie bijstaat</al></li><li nr="e."><al>reglement : het Reglement op de gemeentelijke welstand- en</al><al> erfgoedcommissie </al></li><li nr="f."><al>cultureel erfgoed : dragers van identiteit in de vorm van sporen uit
                                het</al></li></lijst><al>verleden in het heden die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn zoals
                        historische (steden)bouwkunde, bovengrondse monumentenzorg, archeologie,
                        cultuurlandschap en historische geografie </al><lijst><li nr="g."><al>aanvraag : een aanvraag om omgevingsvergunning voor een</al><al> project dat een of meer van de volgende activiteiten </al><al> omvat:</al><lijst><li nr="-"><al>“bouwen van een bouwwerk” (artikel 2.1 lid 1 onder a</al><al> Wabo)</al></li><li nr="-"><al>“planologisch strijdig gebruik” (artikel 2.1 lid 1 onder
                                        c</al><al> Wabo)</al></li><li nr="-"><al>“slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht</al></li></lijst></li></lijst><al>wijzigen van een beschermd monument of het </al><al>herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een </al><al>beschermd monument op een wijze waardoor het wordt </al><al>ontsierd of in gevaar gebracht” (artikel 2.1. lid 1 onder f </al><al>Wabo)</al><al>-“slopen van een bouwwerk in een beschermd</al><al>dorpsgezicht” (artikel 2.1 lid 1 onder h Wabo)</al><al>-“een monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                        wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze
                        waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht” (artikel 2.2. lid 1 onder
                        b Wabo)</al><al><vet><onderstreept>2. Onafhankelijkheid</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>De gemeenteraad wijst de SRE Milieudienst aan als commissie, die aan
                                het college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de
                                plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag is
                                ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="b."><al>De gemeenteraad wijst de SRE Milieudienst aan als commissie om
                                adviezen uit te brengen over aanvragen voor cultureel erfgoed en op
                                het gebied van erfgoedzorg in zijn algemeenheid.</al></li><li nr="c."><al>De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>3. Samenstelling en benoeming van de
                                commissie</onderstreept></vet></al><al><vet>3.1 Samenstelling </vet></al><lijst><li nr="a."><al>De commissie bestaat uit een extern architectlid, de rayonarchitect
                                van de SRE Milieudienst en – desgewenst - een
                                erfgoeddeskundige.</al></li><li nr="b."><al>Het extern architectlid en de rayonarchitect zijn deskundig op het
                                terrein van architectuur en aanverwante vakgebieden. Naast de
                                erfgoeddeskundige heeft minimaal een ander lid deskundigheid op het
                                gebied van erfgoedzorg, restauratie, cultuur- en bouwhistorie.</al></li><li nr="c."><al>De rayonarchitect zit de commissie voor.</al></li><li nr="d."><al>De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe
                                deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw,
                                architectuurhistorie, bouw- en cultuurhistorie,
                                landschapsarchitectuur, lokale kennis, restauratietechniek en
                                dergelijke. Voor zover hier kosten aan zijn verbonden, zullen deze
                                alleen worden vergoed, nadat tevoren toestemming is verleend door de
                                gemeente.</al></li><li nr="e."><al>Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld, nemen de in
                                onderdeel d genoemde deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben
                                geen stemrecht.</al></li><li nr="f."><al>De commissie kan slechts:</al><lijst><li nr="-"><al>welstandsadviezen uitbrengen als de rayonarchitect en het
                                        extern architectlid of hun plaatsvervangers beiden aanwezig
                                        zijn;</al></li><li nr="-"><al>erfgoedadviezen uitbrengen als de rayonarchitect en de
                                        erfgoeddeskundige of hun plaatsvervangers beiden aanwezig
                                        zijn;</al></li><li nr="-"><al>integrale welstand- en erfgoedadviezen utibrengen als de
                                        rayonarchitect en de erfgoeddeskundige of hun
                                        plaatsvervangers beiden aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>In afwijking van het bepaalde in onderdeel f kan de commissie de
                                advisering over welstandsaspecten mandateren aan een of meerdere
                                daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q. leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><al><vet>3.2 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De SRE Milieudienst doet voor iedere nieuwe zittingstermijn een
                                voordracht voor commissieleden en hun plaatsvervangers aan het
                                college. Indien gewenst vindt hierover vooroverleg plaats tussen de
                                gemeente en de SRE Milieudienst.</al></li><li nr="b."><al>De gemeenteraad benoemt en ontslaat de leden van de commissie en hun
                                plaatsvervangers door in te stemmen met de voordracht. De SRE
                                Milieudienst draagt zorg voor een correcte uitvoering van benoeming
                                en ontslag van de leden en hun plaatsvervangers.</al></li><li nr="c."><al>De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van
                                drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie
                                jaar.</al></li><li nr="d."><al>Bij afwezigheid van het extern architectlid en/of de rayonarchitect
                                en/of de erfgoeddeskundige treden plaatsvervangers op in de
                                commissievergadering.</al></li><li nr="e."><al>De rayonarchitect, het extern architectlid alsmede de
                                erfgoeddeskundige en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten
                                opzichte van de gemeenteraad, het college en de</al></li></lijst><al>gemeentelijke ambtelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties
                        op basis waarvan het advies over de welstand- en erfgoedaspecten wordt
                        beïnvloed. </al><al><vet><onderstreept>4. Taakomschrijving</onderstreept></vet></al><al><vet>4.1 Taken van de commissie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                                wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden
                                uitgevoerd op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                (Wabo), de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de
                                Monumentenverordening Geldrop-Mierlo, de Archeologieverordening
                                Geldrop-Mierlo 2009 en van toepassing zijnde provinciale
                                erfgoedbeleidsregelgeving.</al></li><li nr="b."><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke
                                welstands- en erfgoedbeleid, zoals dat is vastgelegd in de
                                Welstandsnota Geldrop-Mierlo en/of de daaraan gekoppelde Beeld
                                Kwaliteit Plannen, de erfgoedkaart en het (eventueel nog op te
                                stellen) erfgoedbeleidplan.</al></li></lijst><al><vet>4.1.1 Wettelijke taken van de commissie</vet></al><al><onderstreept>Toetsing van bouwwerken</onderstreept>De
                        commissie adviseert het college over de welstandsaspecten van een bouwplan
                        in verband met de toetsing aan artikel 2.10, eerste lid onderdeel d Wabo
                        juncto artikel 12 en 12a van de Woningwet.</al><al><onderstreept>Toetsing van erfgoedaanvragen</onderstreept></al><al>De commissie adviseert het college over de erfgoedaspecten in verband met de
                        toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning (artikel 2.15 Wabo en artikel
                        2.18 Wabo juncto artikel 11 Monumentenverordening Geldrop-Mierlo) en het
                        bepaalde bij of krachtens de Archeologieverordening gemeente Geldrop-Mierlo
                        2009.</al><al><onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept> a. De commissie legt de
                        gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte
                        werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke
                        wijze zij toepassing heeft gegeven aan de door de gemeenteraad vastgestelde
                        welstandscriteria. b. Tenminste één maal per jaar vindt, ten behoeve van het
                        jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van
                        het college en de commissie. </al><al><vet>4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van
                                het college en op verzoek van de commissie, het college of de
                                aanvrager, noodzakelijk geacht vooroverleg te voeren met betrokkenen
                                bij de voorbereiding van bouwplannen en/of wijzigingsplannen van
                                erfgoed.</al></li><li nr="b."><al>De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van:</al><lijst><li nr="1."><al>excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken
                                        die ook voor niet-</al></li></lijst></li></lijst><al>deskundigen evident zijn op basis van de indicatoren als opgenomen in de </al><al>Welstandsnota Geldrop-Mierlo en in overeenstemming met het bepaalde in
                        artikel 9 </al><al>van de reglement; 2. de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de
                        gemeentelijke APV).</al><lijst><li nr="c."><al>Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="1."><al>desgewenst zal de commissie tijd inruimen voor een vast
                                        inloopspreekuur.</al></li></lijst></li></lijst><al>Belanghebbenden kunnen daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve
                        van de </al><al>voorbereiding van bouwplannen en/of wijzigingsplannen van erfgoed. De
                        afspraken </al><al>voor dit inloopspreekuur worden door de secretaris gemaakt. Overigens wordt
                        het </al><al>spreekuur gestructureerd naar analogie van het bepaalde in artikel 6.2;</al><lijst><li nr="2."><al>de herziening van de welstandsnota;</al></li><li nr="3."><al>het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen als ook op
                                basis van</al></li></lijst><al>erfgoedregelingen op zienswijzen, bezwaarschriften etc.</al><al>d.De in onderdeel c genoemde taken worden als maatwerk beschouwd en zullen
                        als</al><al>zodanig afzonderlijk in rekening worden gebracht.</al><al><vet>4.2 Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al><vet>4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie </vet></al><lijst><li nr="a."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                                commissie en de kwaliteit van de advisering. De rayonarchitect ziet
                                erop toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het
                                gemeentelijk welstands- en erfgoedbeleid.</al></li><li nr="b."><al>Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op als
                                gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de
                                vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige
                                belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven.
                                Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de rayonarchitect
                                een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces
                                is besproken.</al></li><li nr="c."><al>De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de
                                voortgang van de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over
                                een adviesaanvraag voor alle aanwezigen een korte en heldere
                                samenvatting.</al></li><li nr="d."><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met
                                de pers treedt de rayonarchitect namens de commissie naar
                                buiten.</al></li><li nr="e."><al>De rayonarchitect houdt met de commissie een jaarlijkse,
                                inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden
                                opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie aan de
                                gemeenteraad.</al></li></lijst><al><vet>4.2.2 Verdere taken van de rayonarchitect</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De rayonarchitect onderhoudt de contacten met het college en de
                                relevante gemeentelijke diensten.</al></li><li nr="b."><al>Indien een adviesaanvraag niet is voorzien van de in artikel 5
                                genoemde bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet
                                voor behandeling in de commissie aan.</al></li><li nr="c."><al>De rayonarchitect legt de conclusie over een te adviseren plan vast
                                in een schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een
                                motivering.</al></li><li nr="d."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur - indien
                                dat in de gemeente bestaat - en legt van elk gevoerd gesprek
                                puntsgewijs de gemaakte afspraken vast.</al></li></lijst><al><vet>4.2.3 Taken extern architectlid en erfgoeddeskundige</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het extern architectlid en de erfgoeddeskundige geven op basis van
                                hun deskundigheid een onafhankelijke visie op de
                                adviesaanvragen.</al></li><li nr="b."><al>Bij een zakelijke binding met een plan waarvoor advies wordt
                                gevraagd, vindt voor de betreffende vergadering vervanging
                                plaats.</al></li><li nr="c."><al>Het extern architectlid en de erfgoeddeskundige overleggen tijdens
                                de vergadering met aanvragers, architecten en andere ontwerpers en
                                horen eventuele belanghebbenden.</al></li><li nr="d."><al>Het extern architectlid en de erfgoeddeskundige tekenen de in 6.3
                                bedoelde adviezen voor akkoord.</al></li></lijst><al><vet>4.2.4 Taken externe deskundigen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven
                                vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke
                                visie op de adviesaanvragen.</al></li><li nr="b."><al>Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met een
                                plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de
                                betreffende commissievergadering vervangen.</al></li></lijst><al><vet>4.2.5 Taken </vet><vet>sec</vet><vet>retaris</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de
                                behandeling in de commissie voor en voorziet de commissie van de
                                benodigde bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van
                                plannen is/zijn onder meer: 1. de Welstandsnota Geldrop-Mierlo; 2.
                                de Monumentenverordening Geldrop-Mierlo;</al><lijst><li nr="3."><al>bestemmingsplanbepalingen; 4. de beeldkwaliteitsplannen
                                        (indien beschikbaar); 5. luchtfoto’s (indien mogelijk); 6
                                        het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke
                                        ontwikkeling (indien beschikbaar); 7. informatie over
                                        eerdere behandeling(en) van het plan; 8. vergelijkbare
                                        aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld;</al></li><li nr="9."><al>redengevende omschrijving van een monument;</al></li><li nr="10."><al>historische informatie in de vorm van foto’s, oude kaarten,
                                        oorspronkelijke</al><al> bouwtekeningen e.d.;</al></li><li nr="11."><al>bouwhistorisch onderzoek (indien beschikbaar);</al></li><li nr="12."><al>archeologische rapportages.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Voor iedere vergadering waarbij een aanvraag ten aanzien van
                                cultureel erfgoed op de agenda staat, heeft de secretaris de
                                bevoegdheid om een of meerdere lokale heemkundekringen te benaderen
                                met een verzoek om informatie en/of hen te verzoeken bij de
                                behandeling aanwezig te zijn. De heemkundekringen hebben geen
                                spreek- of stemrecht.</al></li><li nr="c."><al>De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de rayonarchitect, de
                                agenda voor de vergadering vast.</al></li><li nr="d."><al>De secretaris is verantwoordelijk voor het tijdig en volledig
                                openbaar maken van de agenda van de vergaderingen van de
                                commissie.</al></li><li nr="e."><al>Het college wijst een plaatsvervanger aan van de secretaris.</al></li><li nr="f."><al>De secretaris heeft geen stemrecht.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>5. Werkwijze gemeentelijke ambtelijke
                                dienst</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>De gemeentelijke ambtelijke dienst draagt er zorg voor dat alleen
                                plannen waarvan de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor
                                advies aan de commissie worden voorgelegd.</al></li><li nr="b."><al>De gemeentelijke ambtelijke dienst controleert of plannen (inclusief
                                de plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) waarvoor advies
                                wordt gevraagd voldoen aan de indieningsvereisten als genoemd in de
                                artikelen 2.5, hoofdstuk 5 en artikel 7.1 van de “Ministriële
                                regeling omgevingsrecht”.</al></li><li nr="c."><al>De gegevens en bescheiden worden – zo mogelijk - via de digitale
                                database tevoren aan de rayonarchitect aangeleverd.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>6. Werkwijze van de
                            commissie</onderstreept></vet></al><al><vet>6.1 Vooroverleg</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan een nog niet formeel ingediende aanvraag ter
                                advisering voorleggen aan de commissie.</al></li><li nr="b."><al>Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken
                                bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen.</al></li><li nr="c."><al>Het vooroverleg vindt in beginsel in openbaarheid plaats.
                                Uitsluitend wanneer de aanvrager hier met reden omkleed om verzoekt
                                kan de voorzitter van de commissie (rayonarchitect) de behandeling
                                in beslotenheid laten plaatsvinden. In het verslag als bedoeld onder
                                b wordt opgetekend wanneer de behandeling in beslotenheid heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst><al><vet>6.2 Openbare vergadering van de commissie</vet></al><al><vet>6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De commissie vergadert wekelijks, op een vaste locatie, een vaste
                                dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast
                                te stellen rooster met dien verstande dat de aanwezigheid van de
                                erfgoeddeskundige en de daaraan gekoppelde mogelijkheid tot het
                                geven van erfgoedadviezen éénmaal per vier weken plaatsvindt.</al></li><li nr="b."><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het
                                jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere
                                vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in
                                een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het
                                college, geschikte wijze.</al></li><li nr="c."><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die
                                vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere,
                                naar het oordeel van het college, geschikte wijze.</al></li><li nr="d."><al>De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de
                                voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er
                                op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid
                                geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de
                                conclusie c.q. het advies.</al></li></lijst><al><vet>6.2.2 Toelichting opdrachtgever / gemachtigde / ontwerper –
                            spreekrecht</vet></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de
                        commissie) in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan
                        wordt behandeld, dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het
                        daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij gemeentelijke ambtelijke
                        dienst. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><al><vet>6.3 Het advies van de commissie</vet></al><al><vet>6.3.1 welstandsadvies</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De commissie toetst het plan aan de criteria opgenomen in de
                                Welstandsnota Geldrop-Mierlo.</al></li><li nr="b."><al>De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en
                                duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en
                                jargon wordt tot een noodzakelijk minimum beperkt.</al></li><li nr="c."><al>Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente
                                achtergelaten, of wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering
                                ondertekend toegestuurd aan het college.</al></li><li nr="d."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben: </al></li></lijst><al><cursief>- Voldoet</cursief>: De commissie is van oordeel dat het plan
                        volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met
                        redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies
                        schriftelijk. <cursief>- Voldoet mits (voldoet niet tenzij)</cursief>: De
                        commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de
                        toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de
                        geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig
                        welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het
                        advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de
                        beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en
                        aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. </al><al><cursief>- Voldoet niet</cursief>: De commissie is van oordeel dat het plan
                        strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies
                        betekent dat, indien het college het advies overneemt, het bouwplan
                        ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt nauwkeurig
                        schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het
                        ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                        welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op die
                        punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan. <cursief>-
                            Aanhouden</cursief>: De commissie kan het advies aanhouden - waarbij de
                        gemeentelijke ambtelijke dienst aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is
                        binnen de resterende vergunningstermijn - wanneer: 1) meer informatie of een
                        toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Dit kan het
                        geval zijn wanneer de hoofdopzet van het plan (de bouwmassa-vorm) voldoet
                        aan redelijke eisen van welstand en de geveluitwerkingen alsmede de
                        materialisering en detailleringen ter advisering worden opgevraagd; 2) de
                        commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan gemotiveerd aan op grond
                        waarvan afwijking gerechtvaardigd is. </al><al><vet>6.3.2 Het erfgoedadvies</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De commissie beoordeelt een aanvraag aan de gevolgen voor de
                                monumentale /cultuurhistorische waarden en adviseert het college
                                gemotiveerd over het al dan niet verlenen van de gewenste vergunning
                                voor die activiteit.</al></li><li nr="b."><al>De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en
                                duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en
                                jargon wordt tot een noodzakelijk minimum beperkt.</al></li><li nr="c."><al>Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente
                                achtergelaten, of wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering
                                ondertekend toegestuurd aan het college.</al></li></lijst><al><vet>6.3.3 Het integraal welstand- en erfgoedadvies</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Bij plannen waarbij zowel welstand als erfgoed een rol speelt kan de
                                commissie over beide aspecten een integraal advies afgeven. Het
                                bepaalde in 6.3.1 en 6.3.2 is op dit integrale advies van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="b."><al>Bij tegenstrijdigheid tussen de aspecten ‘welstand’ en ‘erfgoed’ zal
                                de commissie het erfgoedaspect laten prevaleren bij het formuleren
                                van het integraal advies.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>7. Afwijking van het advies door het college /
                                mogelijkheid van een
                                </onderstreept></vet><vet><onderstreept>sec</onderstreept></vet><vet><onderstreept>ond
                                opinion </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan bij het besluit tot honorering van een aanvraag
                                gemotiveerd afwijken van het advies van de commissie. Dit is
                                mogelijk wanneer het college van mening is dat het uitgebrachte
                                advies naar oordeel van het college naar inhoud of totstandkoming
                                gebreken vertoond, dan wel dat er andere gewichtige redenen zijn in
                                afwijking van een negatief advies van de commissie een aanvraag te
                                vergunnen. Alvorens van deze bevoegdheid gebruik te maken biedt het
                                college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het
                                eerder uitgebrachte advies.</al></li><li nr="b."><al>Het college kan, eventueel op advies van de commissie, gemotiveerd
                                afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde
                                welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan niet
                                voldoet aan de welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke
                                eisen van welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de
                                algemene beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn
                                opgenomen.</al></li><li nr="c."><al>Naast het bepaalde onder sub a kan het college, indien hij zich niet
                                kan verenigen met het advies van de commissie, een ‘second opinion’
                                inwinnen bij een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan
                                stelt het college de commissie daarvan op de hoogte.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>8. Evaluatie en aanpassing van de Welstandsnota
                                Geldrop-Mierlo</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de
                                uitvoering van het welstandsbeleid. De aspecten die in dit verslag
                                tenminste aan de orde komen, betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                        commissie;</al></li><li nr="-"><al>in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan
                                        artikel 12, eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan
                                        tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                        onder dwangsom.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen
                                een vertegenwoordiging van het college, de commissie en een
                                vertegenwoordiger van het management van de SRE Milieudienst.</al></li><li nr="c."><al>De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties
                                over eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de Welstandsnota
                                Geldrop-Mierlo.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>9. Excessenregeling welstand</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of
                                het uiterlijk van:</al><lijst><li nr="-"><al>een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk,
                                        niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor de in de
                                        omgevingsvergunning is bepaald dat die slechts voor een
                                        vastgestelde periode in stand mag worden gehouden;</al></li><li nr="-"><al>een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van
                                        artikel 2.1 lid 3 Wabo juncto bijlage II Bor geen
                                        omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is vereist,
                                        in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van
                                        welstand. Daarvan is sprake wanneer het gaat om
                                        buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk, die ook
                                        voor niet-deskundigen evident zijn.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>De commissie beoordeelt adviesverzoeken als bedoeld in sub a aan de
                                hand van de ‘excessenregeling’ zoals die is opgenomen in de
                                Welstandsnota Geldrop-Mierlo.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Bijlage 10</onderstreept></vet><vet><cursief>Tabel
                                behorende bij artikel 2.6.1, brandmeldinstallaties
                            </cursief></vet><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 11</onderstreept></vet><vet><cursief>Tabel
                                behorende bij artikel 2.6.5,ontruimingsintallatie
                            </cursief></vet><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet><onderstreept>Bijlage 12</onderstreept></vet><vet><cursief>Tabel
                                behorende bij artikel 2.6.8, vluchtrouteaanduiding
                            </cursief></vet><vet> (vervallen)</vet></al><al><onderstreept>Bijlage 13</onderstreept><cursief>Handreiking voor de visuele
                            inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de
                            aanwezigheid van asbest (vervallen)</cursief></al><al><onderstreept>Toelichting Bouwverordening Geldrop-Mierlo
                        2012</onderstreept></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><cursief>Bouwtoezicht</cursief></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                        wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op
                        grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                        wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en
                        met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                        provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                        bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                        toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                        onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                        opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals
                        dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die
                        geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun
                        werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor
                        hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en
                        de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om
                        toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun
                        toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                        zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen
                        gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen
                        als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                        krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al>Zie hiervoor:
                        http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                        over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                        (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al><cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van
                        de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van
                        de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde
                        kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien
                        voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                        beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                        dient uiterlijk op 1 juli 2013 een </al><al>bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle
                        gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                        bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de
                        Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                        bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de
                        bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het
                        vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben
                        voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de
                        bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien
                        of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden
                        afgestemd of wellicht overbodig is geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden
                        binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor
                        elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                        toelichting.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al><cursief>Alternatief 3</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar
                        wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie.</al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                        een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan
                        nadat op het voornemen inspraak is verleend en het advies van de
                        welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid
                        vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                        vastgestelde verordening.</al><al><cursief>Alternatief 4</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook
                        een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij alternatief
                        3).</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                        omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                        indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                        aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                        art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit
                        omgevingsrecht (Bor).</al><al><cursief>Wet BIBOB</cursief></al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                        (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003,
                        180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien
                        gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een
                        aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag
                        wordt </al><al>beoordeeld of over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het
                        Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is
                        bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel
                        natuurlijke als rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee
                        het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd
                        gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                        advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                        behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                        maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31
                        Wet Bibob).</al><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                        rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                        besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                        voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                        geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                        openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                        kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                        2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de
                        toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om
                        een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                        regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten
                        is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                        werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften
                        van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9
                        en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                        opgelost.</al><al><cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning
                            voor het bouwen</cursief></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van
                        art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd
                        verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens
                        die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die
                        nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                        inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                        antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het
                        te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn
                        gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al><cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                        omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                        omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning
                        voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen
                        en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van
                        wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een
                        vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de
                        Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                        omgevingsvergunning.</al><al><cursief>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen
                        dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het
                        verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                        toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                        beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                        met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                        beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                        2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te
                        lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                        milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                        wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van
                        het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling
                        van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de
                        bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd
                        gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting
                        tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                        specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek
                        volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken.
                        Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                        gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                        steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente
                        maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden.
                        Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke
                        milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de
                        gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                        bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit
                        tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één
                        brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen
                        onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2
                        Bor.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor
                        beleid ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                        overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.
                        Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                        ingediend. </al><al><cursief>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                            bodem</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde
                        lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort,
                        staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                        onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                        artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover
                        het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt.
                        Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat
                        de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in
                        bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995.
                        Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is
                        de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die
                        de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van
                        het bevoegd gezag zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                        bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                        opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                        wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de
                        gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                        gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de
                        desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat
                        met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en
                        een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de
                        Regeling omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de
                        schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                        bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang.
                        Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw-
                        en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het
                        Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe
                        het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen
                        verblijven’ kan worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat
                        niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor
                        gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de </al><al>Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK
                        1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken
                        waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven,
                        bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige
                        tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                        (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om
                        een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer
                        uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                        niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die
                        daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                        saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van
                        verontreinigde grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit
                        van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van
                        delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende
                        lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is
                        en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen
                        gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                        bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen
                        aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                        bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                        verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                        verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van
                        de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren,
                        zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                        voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                        toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen </al><al>worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                        verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning
                        voor het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                        worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot
                        de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken
                        aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                                laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                                afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen
                        van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op
                        een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                        plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                        bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al><cursief>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro
                        gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van
                        enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het
                        zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en
                        flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden
                        gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet
                        Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de
                        stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog
                        blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven
                        bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten
                        die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                        onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die
                        onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al><cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                            bestemmingsplan</cursief></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft
                        de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij
                        het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                        bestemmingsplan. De </al><al>Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor
                        wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet
                        altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander
                        van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de
                        orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken
                        hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                        bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                        hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren)
                        wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde
                        lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                        blijven dit artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te
                        redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                        aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                                afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                                bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst
                        aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro. </al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                        toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                        vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                        voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te
                        leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is
                        als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtige
                        bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning
                        dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf
                        beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste
                        regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen
                        wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat
                        bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3,
                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een
                        uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar
                        bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                        bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                        afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                        vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al><al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten,
                        enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten,
                        uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de
                        voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven,
                        zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op
                        te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied
                        van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de
                        artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard,
                        dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                        met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder
                        tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. </al><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                        bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                        omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                        beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat
                        de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen
                        genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                        sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                        complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                        gevangenissen vallen.</al><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                        zolderverdiepingen e.d.</al><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                        gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                        worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel
                        2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de </al><al>aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding
                        van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn,
                        uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                        verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht
                        te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven.</al><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                        voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen
                        van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                        ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en
                        het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden
                        afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                        bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte
                        dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van
                        het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                        gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een
                        verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                        worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden
                        geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij
                        brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                        burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                        minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                        rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                        dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                        gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                        woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                        bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                        zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste
                        lid, dan in het andere geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag
                        kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het
                        eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar
                        is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel
                        van het gebouw.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen
                        ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                        erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                        behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel
                        kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel
                        de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                        het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                        een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                        behorend bij een gebouw, is.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk
                        en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet
                        meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan
                        zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten
                        e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre
                        het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd
                        als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te
                        wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid </al><al>van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de
                        goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de
                        aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                        opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                        meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                        uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                        dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan
                        geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                        bestemmingsplan geen betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                        vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al><cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief></al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende
                        Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in
                        werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden
                        moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De
                        normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid
                        inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat
                        binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een
                        bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                        opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                        bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen,
                        blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit
                        artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf
                        5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1 (gekozen alternatief)</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                        van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                        belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                        omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren
                        en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                        belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als
                        de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                        bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                        gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                        leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte
                        bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                        definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw
                        en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                        bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere
                        differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil
                        kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                        (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                        figuur 14.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al><cursief>Alternatief 1 (gekozen alternatief)</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het </al><al>bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het
                        straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is
                        het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                        aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te
                        wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten
                        optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1 (gekozen alternatief)</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><cursief>Alternatief 1 (gekozen alternatief)</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van
                        60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                        genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                        maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                        rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in
                        het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen
                        tot hun goot.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                        bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als
                        vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze
                        onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te
                        bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of
                        te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van
                        een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken
                        ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18
                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om
                        het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken,
                        die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit
                        omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                        dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel
                        2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                        bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is
                        dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan
                        dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                        afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                        enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                        anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                        Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende
                        regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer
                        nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige
                        afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen
                        uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                        bestemmingsplan.</al><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                        van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                        projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                        bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van
                        3.9 Wabo van toepassing is.</al><al><cursief>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief></al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                        aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                        maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage
                        is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                        dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                        waaronder deze. </al><al><cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                            relevant?</cursief></al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                        besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                        afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                        zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                        ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                        bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al><cursief>Sub d</cursief>.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                        Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de
                        betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                        milieuzonering'.</al><al><cursief>Sub e</cursief>.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                        ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                        Wabo.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                        parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                        uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat
                        artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                        Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                        datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                        ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond
                        van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is
                        voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                        bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten
                        locatie(s).</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder
                        wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op
                        toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer,
                        namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde
                        verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende
                        parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij
                        het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid -
                        aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het
                        terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook
                        - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet
                        te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in
                        dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling
                        hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de
                        gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers,
                        de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het
                        tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                        uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op
                        het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                        lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25
                        juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de
                        Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en
                        Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00
                        of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen – </al><al>enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus
                        verdient het aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het
                        bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te
                        vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50%
                        op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                        leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                        parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou
                        immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                        afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste
                        type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                        werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende
                        afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige
                        onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een
                        bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                        is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                        parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                        eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op
                        eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het
                        geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                        aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van
                        voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder
                        meer bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels
                        e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                        voorwaarden vergunning worden verleend.</al><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan
                        een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold
                        voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld
                        in art. 2.5.30 MBV.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen
                        en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                        omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie
                        onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:</al><al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                        parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                        1998</al><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein
                        in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden
                        verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden
                        aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft
                        om door middel van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een
                        vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te
                        verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat
                        door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd
                        aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                        vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of
                        vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt.
                        Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming
                        meer </al><al>aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie
                        te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 30
                        augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële
                        voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art.
                        2.5.30 MBV. </al><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                        toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                        doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                        geldbedrag;</al><al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                        hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer
                        aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie
                        te verlangen.</al><al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het
                        realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel
                        aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van
                        voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al><al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                        www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                        parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                        voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                        [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                        desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter
                        zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied
                        is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee
                        staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage
                        daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan
                        parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank
                        heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren
                        van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de
                        vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal
                        worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is
                        terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen
                        dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder
                        a, van de bouwverordening is verleend.</al><al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                        bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is
                        voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van
                        ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige
                        parkeerruimte wordt voorzien.</al><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de
                        vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage
                        concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan
                        van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen
                        worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de
                        vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten
                        aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de
                        financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging
                        van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a,
                        aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten
                        gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van
                        voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.</al><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                        inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                        betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik
                        van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje
                        van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de
                        loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te
                        worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende </al><al>parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend openbaar
                        parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van
                        onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                        verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                        aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip
                        waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                        parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                        verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                        vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
                        worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking
                        van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang
                        op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                        omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                        Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het
                        in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te
                        wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw
                        artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening
                        vaststellen.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen
                        met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                        vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk
                        zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een
                        gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                        keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                        welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is
                        het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te
                        onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen,
                        maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                        verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                        vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                        welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht
                        mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                        plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                        per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten
                        de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een </al><al>ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene
                        gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend
                        welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de
                        schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit
                        vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                        toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                        bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel
                        uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te
                        richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan
                        biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                        Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                        tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de
                        bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste
                        lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                        welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering.
                        Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in
                        de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede
                        weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende
                        bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                        welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking
                        van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan
                        biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A.
                        Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het
                        bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                        realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie
                        bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien
                        een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven
                        wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie
                        adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie
                        een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                        voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                        provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor
                        de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                        welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                        regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                        gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de
                        leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie
                        toelichting bij artikel 9.2.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                        diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                        hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                        vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                        welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt
                        uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden
                        benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige
                        bouwwerken.</al><al><cursief>Alternatief 2 (gekozen alternatief)</cursief></al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                        adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><cursief>Onafhankelijkheid</cursief></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                        onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                        leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                        is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert
                        te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het
                        college van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat
                        besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente
                        waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband
                        uitgesloten.</al><al><cursief>Deskundigen en burgers</cursief></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                        geen lid van de welstandscommissie.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar,
                        maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                        inwoners deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                        welstandscommissie.</al><al><cursief>Alternatief 3</cursief></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                        wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                        rayonarchitect.</al><al><cursief>Alternatief 4</cursief></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat
                        uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                        provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal
                        de rayonarchitect.</al><al><cursief>Alternatief 5</cursief></al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om
                        een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de
                        MBV.</al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                        welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij
                        de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                        specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                        verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                        derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al><cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                        welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op
                        grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld
                        in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                        zijn overgegaan. </al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                        ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                        gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                        bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                        wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                        beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                        welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering
                        binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de
                        adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de
                        beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                        voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                        ontvangst van verzoek om vergunning. </al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                        waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                        raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                        beslistermijn.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al><cursief>Openbaar vergaderen</cursief></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                        bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al><cursief>Belanghebbenden</cursief></al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                        belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag
                        toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan -
                        indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                        gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                        worden verkleind.</al><al><cursief>Spreekrecht</cursief></al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden
                        zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                        waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht
                        voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat
                        meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                        uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat
                        zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg
                        kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                        vooroverleg stimulering verdient.</al><al><cursief>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                            welstandscommissie</cursief></al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                        waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt
                        (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van
                        veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken
                        (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om
                        de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval
                        aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de
                        openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd
                        verloren hoeft te gaan.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                        welstandadvies.</al><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt
                        neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening
                        van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                        verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken </al><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de
                        aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij
                        werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                        bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                        verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                        bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan de
                        welstandscommissie (..) voorleggen).</al><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast
                        te stellen. </al><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de
                        beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk
                        over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen
                        gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                        commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien
                        van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een
                        aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen
                        van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                        uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking
                        heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de
                        criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid,
                        onder a van de Woningwet.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de
                        welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met
                        art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk
                        geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van
                        art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand
                        van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning
                        reeds op een andere grond moet worden geweigerd.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb
                        komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                        omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat
                        niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een
                        omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de
                        welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te
                        toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                        welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies
                        onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of
                        meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of
                        de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al><cursief>Geen mandatering</cursief></al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art.
                        10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                        bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen
                        bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb)
                        maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te voorkomen,
                        passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de eerstvolgende
                        wijziging aan. </al><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><lijst><li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al></li><li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is,
                                en</al></li><li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan
                                als bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                        eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                        ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                        ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel
                        1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de
                        kaartbijlage als bedoeld in dit artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                        bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2012 geldt voor alle bouwwerken
                        (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek
                        vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande
                        bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat
                        voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012, dat het
                        gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                        overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een
                        bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand,
                        beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de
                        Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen
                        zal hebben tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid
                        wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                        handhavingbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke
                        voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen of de staat van een gebouw
                        of ander bouwwerk in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de
                        staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de toepassing van
                        bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig artikel
                        5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb
                        in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan
                        om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb
                        met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het
                        direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden
                        is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in
                        omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen
                        feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar
                        de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR
                        2003, 893).</al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>