<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR168401_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Achterhoek Nieuws, 8-5-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio’s, art. 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012, nr. III-3</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2012, nr. III-3</al><al/><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat:</al><al>het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het voorkomen,
                        beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het
                        voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband
                        houdt;</al><al>de huidige brandbeveiligingsverordening uit 2010 verwijst naar het
                        Gebruiksbesluit;</al><al>het Gebruiksbesluit per 1 april 2012 komt te vervallen;</al><al>de brandbeveiligingsverordening hierdoor moet worden aangepast;</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 19 maart 2012, nr.
                        III-3;</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                        (Stb. 2010, 145 en 146);</al><al/><al>gelet op het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676);</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING NIET-BOUWERKEN 2012</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 100 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                        1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken 2010 van 16 september 2010
                            en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze
                            verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                            2010 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                            verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 2010 wordt
                            beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        niet-bouwwerken 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van
                                inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012.</al></li><li nr="2."><al>De ‘Brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken 2010’ zoals
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 16 september 2010, nr. IX-11 wordt
                                ingetrokken.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in </ondertekening><ondertekening>zijn openbare vergadering gehouden op 29 maart 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening niet-bouwwerken
                        2012</titel></kop><al/><al>Algemeen</al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas op zijn vroegst medio 2012 in werking. Tot
                    die tijd moet op grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht zijn. </al><al/><al>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdracht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk is er natuurlijk een aantal standaardgevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, restregelgeving, zij regelt de
                    brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'. Het kan gaan
                    om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende
                    discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. De
                    omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel, n.l.
                    brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.
                    Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld dient een
                    bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk geval het Bouwbesluit 2012
                    en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het
                    begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit
                    2012 is een constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin
                    van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden
                    object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is
                    de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid).
                    Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over de lastige vraag:
                    wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van staande
                    jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><al>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al/><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><lijst><li nr="1)"><al>constructie,</al></li><li nr="2)"><al>van enige omvang,</al></li><li nr="3)"><al>met de grond verbonden,</al></li><li nr="4)"><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie staat in de toelichting op de modelbouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al>Open erf en terrein</al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van
                    erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 oktober 2010 in
                    werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie
                    ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het
                    gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt.
                    Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of beheersverordening kan
                    voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw afgelegen delen van een
                    perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in beginsel uitsluitend
                    het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen
                    buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen geven
                    bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het perceel
                    onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met
                    bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een
                    verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw. Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend
                    onbebouwd perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in
                    de zin van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                    voorwaarden zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3)
                    dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al>Gebruiksvergunning voor een inrichting</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan. Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking
                    van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                    van toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover
                    die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het
                    is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
                    mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van
                    een vergunning vormvrij. Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden. Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld
                    (niet-bouwwerk) kunt u dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast
                    met de wal verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de
                    bouwverordening en de Woningwet).</al><al/><al>Wabo</al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al>Dienstenrichtlijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening is aangepast aan de Dienstenrichtiijn.</al><al/><al>Toezicht op de naleving</al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al/><tussenkop>Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1 °. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2011 €
                    9.000,-. De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de
                    uitvoering van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft
                    te houden. Een alternatief artikel is aan het model van de verordening
                    toegevoegd.</al><al/><al>Strafbepaling</al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied in de verordening zelf.</al><al/><al>Overgangsrecht</al><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2008 en die van 2010 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al>Bekendmaking</al><al>De bekendmaking van deze wijzigingsverordening dient op een zodanig tijdstip
                    plaats te vinden dat de verordening op het moment van inwerkingtreding van het
                    Bouwbesluit 2012 in werking kan treden. Dit kan:</al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                            gemeenteblad;</al></li><li nr="b."><al>bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van
                            twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het college
                            te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                            plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Voor de
                            wijze van elektronische bekendmaking zie:
                            http://www.vng.nl/smartsite.dws?id=68223&amp;it=2#tocBK_37 </al></li></lijst><al/><al>Intrekken vergunning</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingsbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkingsgrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>