<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR166257_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2012 Steenwijkerland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2012, nr. 12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2012 Steenwijkerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8 en 11</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Veegbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/32</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Bouwverordening 2010 Steenwijkerland en treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 april 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> Bouwverordening 2012 Steenwijkerland </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gezien de ledenbrief van de vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk
                        ECGR/U201101606, dd 20 september 2011;</al><al/><al>gelet op artikel 8 en 11 van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 (Stcr
                        2011, nr. 416 en nr. 676) en het Veegbesluit (Stcr 2011, nr. 676);</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3-4-2012, nummer
                        2012/32;</al><al/><al><vet>besluit</vet><vet>:</vet></al><al/><al>vast te stellen de (Verordening tot wijziging van de) Bouwverordening 2012
                        Steenwijkerland en de daarbij behorende toelichting:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>asbest: </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>vervallen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>bevoegd gezag:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet
                                                  artikel 1, eerste lid onderdeel e, dan wel, bij
                                                  het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld
                                                  in dit artikellid, burgemeester en
                                                  wethouders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bouwbesluit</cursief>:</al></entry><entry colname="col2"><al>de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                                  artikel 2 van de Woningwet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>bouwtoezicht</cursief>:</al></entry><entry colname="col2"><al>degene, die ingevolge artikel 92 tweede lid van
                                                  de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de
                                                  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is
                                                  met het bouw- en woningtoezicht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>bouwwerk</cursief>:</al></entry><entry colname="col2"><al>elke constructie van enige omvang van hout,
                                                  steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats
                                                  van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                                                  de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                  steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                  plaatse te functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk
                                                  8:</al></entry><entry colname="col2"><al>vervallen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gebruiksoppervlakte:</al></entry><entry colname="col2"><al>de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                                  Bouwbesluit;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>hoogte van de weg:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                                  burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>omgevingsvergunning voor het
                                                  bouwen:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld
                                                  in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                                                  algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>omgevingsvergunning voor het
                                                  slopen:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>vervallen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>NEN:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>een door de Stichting Nederlands Normalisatie-
                                                  Instituut uitgegeven norm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>NVN:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>een door de Stichting Nederlands Normalisatie-
                                                  Instituut uitgegeven voornorm;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><cursief>straatpeil:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Wabo:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>weg:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                                  openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                                  daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen
                                                  of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                                                  aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                                  parkeerterreinen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen </label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat als
                                    zodanig in de vigerende bestemmingsplannen is aangegeven. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.1.1 t/m 2.1.4</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lijst><li nr="1"><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
                                                dat volgt uit figuur 1; </al></li><li nr="b."><al>vervallen;</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikel
                                        2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de
                                        hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikel 2 en
                                        3 van bijlage II. </al></li><li nr="3"><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4 onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor de toepassing van artikel
                                        2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikelen 2.1.6 t/m 2.1.8</label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.2.1 t/m 2.2.5</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen van een bouwwerk is vereist en</al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4 onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan
                                het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in de Regeling
                                omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hem
                                bekende onderzoeksresultaten, dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan als bedoeld in artikel
                                39, eerste lid, van die Wet van oordeel is, dat de bodem niet
                                geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van
                                voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</label></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 10 meter uit de as van de weg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 8, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,30 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1"><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                        bouwwerk verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II
                                                bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening – voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al> 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al> 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg; </al></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de
                                        weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lijst><li nr="1"><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2"><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                        in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                waarin de omgevingsvergunning voor het bouwen van
                                                een bouwwerk genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9
                                                is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                                waarin de omgevingsvergunning voor het bouwen van
                                                een bouwwerk genoemd in artikel 2.5.14 is verleend,
                                                voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                                achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil – worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4"><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van
                                                gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel
                                                3, of artikel 3, onderdeel I, van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                daarbijbehorende woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                                afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zichzelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing – in het belang van de
                                        toetreding van dag -licht – over een afstand van ten minste
                                        5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel I van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 8 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 8 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al> terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan</al><al>het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                bouwwerk verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 6.30 lid 1, 6.37, 6.38 en 6.49
                                        van het Bouwbesluit, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel I, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        I, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig
                                                zijn dat ten minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                  meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden
                                                gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit
                                                het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw.
                                                Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten
                                                beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor
                                                het bouwen van een bouwwerk verlenen in afwijking
                                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het
                                                  erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen
                                                  bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                        aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                        gelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is
                                        voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                        ruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                                        terrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                        worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een is vereist in het vlak voor de voorgevelrooilijn 1
                                        meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="3"><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4"><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt, geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning voor is vereist in het vlak voor de
                                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien
                                        de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                        lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde
                                        van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen
                                        de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                        dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                                        voorgevel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger
                                        reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                        voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                                        de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale
                                        bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de
                                                  bebouwdekom<cursief>.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de –
                                        krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met
                                        het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagstgelegen weg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                        een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70
                                        meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                        van genoemde maat – daarboven een zadeldak met een
                                        dakhelling van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        van een bouwwerk verlenen in afwijking van het bepaalde in
                                        het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                        omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        – buiten beschouwing worden gelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 8 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, onderdeel 8
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        produkt van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Afwijking van het verbod tot overschrijding van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                van een bouwwerk verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 8 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructie(s) voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Omgevingsvergunningverlening voor het bouwen van een bouwwerk in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al> In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag van de omgevingsvergunning van de
                                verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding
                                van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                        mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                        gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                        vervoer. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                        personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al> indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                ten minste1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m
                                                bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover die
                                                ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                                                grenst – ten minste3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde
                                        lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.6.1 t/m 2.6.18 </label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikelen 2.7.1 t/m 2.7.7</label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 De melding </label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Slopen</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan “Het Oversticht” die uit zijn midden personen voordraagt als
                                    lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                    welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                                    welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                    genoemde welstandscriteria.</al></li><li nr="3."><al>vervallen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de commissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>vervallen.</al></li><li nr="6."><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente
                                    anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van
                                het bevoegde gezag benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk uit binnen
                                    vier weken nadat door of namens het bevoegde gezag daarom is
                                    verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk uit binnen
                                    vier weken nadat door of namens burgmeester en wethouders daarom
                                    is verzocht indien deze vergunning betrekking heeft op een deel
                                    van een project of een gefaseerde aanvraag betreft. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegde gezag kan in zijn verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door het
                                    bevoegde gezag worden gegeven indien de termijn van afdoening
                                    van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9,
                                    tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door of onder
                                    verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De
                                    agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt
                                    tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                                    een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                    geschikte wijze. Indien het bevoegde gezag – al dan niet op
                                    verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare
                                    behandeling, dan dient het bevoegde gezag daaraan klemmende
                                    redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                                    bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel
                                    voor de beraadslagingen, de beoordeling, als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    van een bouwwerk hierom bij het indienen van de aanvraag om
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze
                                    door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het
                                    geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen van een bouwwerk een uitnodiging te ontvangen voor de
                                    vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                    behandeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening onder mandaat</label></kop><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                            mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen
                            leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan
                            volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het
                            bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                            bevoegde gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek
                            doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegde gezag daaraan
                            klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                            bestuur ten grondslag te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                    schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                    bevoegde gezag gevoegd bij de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                    voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                    bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad
                                    het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                    wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                                    vastgestelde verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 11 Handhaving</label></kop><structuurtekst><al>vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                    april 2012, met ingang van deze datum wordt Bouwverordening 2010
                                    Steenwijkerland, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 14 september
                                    2010, ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening 2012
                                    Steenwijkerland”.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel B Overgangsbepalingen</label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een
                            aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012 en
                            waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                            bouwverordening van toepassing, zoals die luidden voor deze wijziging. </al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, A. ten Hoff</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlagen 1 tot en met 14, behorende bij de Bouwverordening
                                2012.</vet></al><al><vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag
                            gebruiksvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                                niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties </vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 7</vet><vet> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van
                                de buitenriolering op erven en terreinen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 8</vet><vet> Checklist voor de visuele inspectie van
                                woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van
                                asbest</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</vet></al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                            (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is
                            om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te
                            nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer
                            betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet
                            gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een
                            monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de eigen
                            werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de
                            provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten. </al><al><vet><onderstreept>Bijlage 10</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                                    (</onderstreept></vet><vet><onderstreept>brandmeldinstallaties</onderstreept></vet><vet><onderstreept>)</onderstreept></vet></al><al>vervallen</al><al><vet><onderstreept>Bijlage 11</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                                    (ontruimingsalarminstallaties)</onderstreept></vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                                (vluchtrouteaanduiding)</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bijlage 13 Tabel 2.6.13 behorende bij artikel 2.6.13
                                (noodverlichtingsinstallaties)</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Bijlage 14 Tabel 2.6.16 behorende bij artikel 2.6.16
                                (mini-slanghaspels en draagbare blustoestellen)</vet></al><al>vervallen</al><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Toelichting Bouwverordening Steenwijkerland 2012</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Asbest</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Bouwbesluit</vet></al><al>Het Bouwbesluit 2012 (Stcr 2011, nr. 416 en nr. 676). Correcties en
                            aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit, het veegbesluit, zijn
                            gepubliceerd in Stcr 2011, nr. 676. </al><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester
                            en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving
                            van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                            Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                            die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op
                            rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen
                            in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                            toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau
                            kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis
                            ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn,
                            zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde
                            toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen.
                            Zij verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat
                            consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve
                            arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt
                            het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als
                            ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd
                            aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op
                            basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via
                            particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon
                            opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde
                            eisen. </al><al>Zie hiervoor:
                            http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                            over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                            (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007).</al><al><vet>Gebruiksoppervlakte</vet></al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel
                            1, begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het
                            begrip naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip
                            geamendeerd bij ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009,
                            Staatscourant 27 mei 1992).</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                            Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De
                            aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                            moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                            gebruiksoppervlakten.</al><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van
                            de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term
                            bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                            jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                            bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in
                            artikel 1 van de Woningwet.</al><al>Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer
                            gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt
                            beschermd, waaronder naast de belangen </al><al>van veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het belang betrokken bij het
                            uiterlijk van bouwwerken, zowel op zich zelf als in de omgeving. In
                            overeenstemming daarmee is bij de mondelinge behandeling van het
                            desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer opgemerkt dat het begrip
                            bouwwerk ‘alles en nog wat’ kan omvatten.</al><al>HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973,
                            XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR 1978, 196.</al><al>– De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan
                            het spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan
                            in dezen als richtsnoer dienen.</al><al> Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24 januari 1983, GS
                            6751.</al><al>– ‘Plaats van bestemming’ in de definitie van bouwwerk moet niet worden
                            opgevat als ‘plaats van voorkeur’, doch veeleer als de plaats waarop de
                            constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bij
                            voorbeeld buiten het regime van de bouwverordening vallen veelsoortig
                            constructiewerk op industriële terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats
                            (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter plaatse
                            gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan functioneren).</al><al>Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is vervaardigd met
                            de bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse te doen
                            spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats
                            van bestemming bevindt.</al><al>HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369; NJ 1972,
                            453; Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436.</al><al>– Een verrijdbaar of ‘gemakkelijk’ verplaatsbaar object moet in beginsel
                            als bouwwerk in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het
                            naar omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter
                            heeft.</al><al>HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr.
                            34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976,
                            246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli 1983, A-31.3043
                            (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</al><al>–Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij
                            krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar
                            verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp,
                            behorend bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10.</al><al><vet>Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende ‘verplaatsbare
                                objecten’:</vet></al><al>– Een wooncaravan.</al><al>Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969, 429; OB
                            1969, XI.16.1, nr. 28673.</al><al>– Een sta-caravan.</al><al> ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596;</al><al> ARRS 5 maart 1982, A-3.2901 (1980).</al><al>– Een friteskraam.</al><al> Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325.</al><al>– Een bloemenwagen.</al><al> ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.</al><al>– Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen.</al><al> Wnd. vz. ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172.</al><al> ARRS 21 januari 1986; GS 6842.</al><al>– Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en
                            schuilgelegenheid.</al><al> HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr
                            34110; NG 1974, 512.</al><al>–Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m2
                            en een hoogte </al><al>van 4 m.</al><al> Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.</al><al>– Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een
                            tuincentrum.</al><al> ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.</al><al>– Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van
                            139 m2.</al><al> ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.</al><al>– Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een
                            gebogen lichtgewicht frame dat is overspannen met plastic.</al><al> AARS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</al><al>– Demontabele luifels aan een winkelpand.</al><al> Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.</al><al>– Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water
                            gevulde band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.</al><al> ARRS 9 december 1980; BR 1981, 342.</al><al>– Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is
                            vervangen door een reclamebord in de vorm van een raket.</al><al> ARRS 19 augustus 1983, A-31.2807 (1982)/19.</al><al>– Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen
                            fundering.</al><al> ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982).</al><al>– Een vlaggemast van 13 m.</al><al> Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1971, 551.</al><al>– Een verplaatsbaar zwembad.</al><al> Kg. Sneek 27 april 1973; BR 1973, 436; NJ 1973, 365.</al><al>– Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als
                            onderdak voor een c.v.-ketel. </al><al>ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.</al><al>– Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter
                            wordt afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste,
                            inklapbare delen van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die
                            rusten op vijf in de grond verankerde staanders heeft toch een
                            plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig (nu:
                            omgevingsvergunningsplichtig) bouwwerk.</al><al> Vz. ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.</al><al>– De onderhavige frituur-unit is een bouwwerk met een plaatsgebonden
                            karakter, nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn
                            gemonteerd op plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is.
                            Het verplaatsen kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan
                            plaatsvinden. Voorts ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten
                            staan.</al><al> ARRS, 16 augustus 1993, AB 1994, nr. 345.</al><al>– Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is
                            door de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide
                            aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto
                            kan worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.</al><al> Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS, 4 april
                            1995, R03.93.5862.</al><al>– Een paardecontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt
                            een plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie
                            verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk.</al><al> ABRS 10 november 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.</al><al>– Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeil-doek
                            afgedekt, die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk
                            gezien het plaatsgebonden karakter.</al><al> ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034.</al><al>– Een verrijdbare overkapping, aan drie zijden omsloten door wanden, met
                            een oppervlakte van 75,6 m2, gezien de omvang, constructie, gebruik en
                            plaatsgebonden karakter. De omstandigheid dat de overkapping op wielen
                            staat en enige meters kan worden verreden doet daaraan niet af.</al><al> ABRS 25 april 1995, H01.95.0114 en K01.95.0022.</al><al>– Een op een standplaats geplaatste woonwagen met een permanent,
                            plaatsgebonden karakter.</al><al> ABRS 04 november 1996, R03.94.0111, JG 97.0017.</al><al><vet>Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:</vet></al><al>– Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier
                            tanks, leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een
                            oppervlakte in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m.</al><al>HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973,
                            XI.8.5.1.1, nr. 34062.</al><al>– Een woonboot die met de grond is verbonden.</al><al> Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748.</al><al>– Een duiker in een weg.</al><al> HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112.</al><al>– Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken.</al><al> ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984,
                            331.</al><al>– Een gedenkteken.</al><al> ARRS 24 januari 1983; GS 6751.</al><al>– Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed.</al><al> ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB 1980, 217.</al><al>– Een ‘neerklapbaar’ zomerhuisje op geheide fundering.</al><al> ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21.</al><al>– Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van
                            elkaar staan.</al><al> ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.</al><al>– Hekwerken, afschermingen, rietmatten.</al><al>ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978,
                            406; ARRS 10 december 1981; BR 1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980,
                            704.</al><al>– Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken
                            rustende golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet
                            in de vloer zijn bevestigd.</al><al> ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.</al><al>– Speeltoestellen.</al><al> ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004.</al><al>– Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porto-cabin, met een
                            afmeting van 3x3x2,75) met een slagboom.</al><al> Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en S03.93.0112.</al><al>–Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een
                            hoogte van zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen
                            worden en dat deze </al><al>niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn doet, in
                            aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet af.</al><al> ARRS 11 januari 1993, R03.89.6929.</al><al>– Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een
                            tank van 7 m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als
                            watertank.</al><al> ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.</al><al>– Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en
                            omvang van dit object.</al><al> Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779.</al><al>– Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel-café-restaurant, bedoeld
                            om de terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen.</al><al> ARRS 11 maart 1988, RO 3.86.5649.</al><al>Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een
                            zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een
                            bouwwerk is.</al><al>– Een verrolpoort alsmede een afrastering.</al><al> ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.</al><al>– Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de
                            stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt
                            aan de ene zijde op de buis.</al><al> ARRS 22 april 1988, GS 6863.</al><al>– Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning (nu:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk) geplaatste
                            antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne
                            bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een
                            tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren
                            aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een
                            elektromotor.</al><al> Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.</al><al>– Een balkonhek op de uitbouw van een woning.</al><al> ARRS 20 oktober 1988.</al><al>– De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders
                            worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als
                            bouwvergunningplichtige (nu: omgevingsvergunningplichtig)
                            bouwwerken.</al><al> ARRS 25 november 1993, R03.91.0529.</al><al>– Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar
                            geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en
                            plaatsgebonden karakter een bouwvergunningplichtige (nu:
                            omgevingsvergunningplichtig) bouwwerk.</al><al> Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994\9, p. 3.</al><al>– Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de
                            grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m2, is gezien het
                            plaatsgebonden karakter een bouwvergunningplichtige (nu:
                            omgevingsvergunningplichtig) bouwwerk.</al><al> Vz. ARRS 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858</al><al>–Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4
                            meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter
                            heeft, moet gelet op de omvang </al><al>en constructie – waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente
                            aanwezigheid van de reclamebanier – worden aangemerkt als een
                            bouwvergunningplichtige (nu: omgevingsvergunningplichtig) bouwwerk.
                            Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te
                            betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een
                            verandering die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis
                            is.</al><al> Rb. ’s-Gravenhage 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.</al><al>– De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie
                            (omvang 7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit
                            worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie
                            niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou
                            moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, </al><al>dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw
                            waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis
                            worden beschouwd.</al><al> ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.</al><al>– Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 m bedraagt, bestaande
                            uit een aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op
                            zes palen in de grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden
                            karakter.</al><al> ARRS 10 oktober 1995, R03.91.1601.</al><al>– Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen
                            van 1 meter.</al><al> Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335.</al><al>– Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woningstichting), gelet
                            op de afmetingen en constructie.</al><al> ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</al><al>– Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang,
                            gebruik en plaatsgebonden karakter.</al><al> ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</al><al>– Een vaandel van 3,00 m hoog en 0,80 m breed, aan de boven- en
                            onderzijde bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder
                            (beugel).</al><al> ABRS 13 mei 1996, BR 1996, 654, m.nt. Weerkamp.</al><al><vet>Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:</vet></al><al>– Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden
                            buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25
                            meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering.</al><al> Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.</al><al>– Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60
                            cm die zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking
                            van circa 1,25 meter.</al><al>KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR
                            1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ
                            1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB
                            3 september 1984; BR 1984, 896.1.</al><al>– Een oever- en terreinverharding als trailerhelling.</al><al> KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S
                            120.</al><al>– Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.</al><al> Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.</al><al>– Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten,
                            die met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door
                            ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd
                            alleen ’s winters neergelegd.</al><al> ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.</al><lijst><li nr="–"><al>Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats
                                    wordt ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een
                                    elders gelegen garage. Daaraan doet niet af dat het </al></li><li nr="–"><al>voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats,
                                    aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet
                                    van de elektriciteitsmaatschappij.</al><al> Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.</al></li></lijst><al>– Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame
                            (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4
                            m.</al><al> ARRS 1 december 1980; A-3.2995 (1979).</al><al> Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</al><al>– Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst
                            is.</al><al> Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.</al><al>– Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.</al><al> ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.</al><al>Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met
                            betrekking tot een waterbassin van plasticfolie en gebruikte
                            autobanden.</al><al>– Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.</al><al> Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975;
                            NJ 1975, 274.</al><al>– Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van
                            eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een
                            plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt
                            gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn
                            studie.</al><al>Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 –
                            datum uitspraak) op het perceel gestald.</al><al> ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.</al><al>NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten
                            kan worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.</al><al>– Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als
                            woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak,
                            een caisson.</al><al> Vz. ARRS 6 augustus 1992, Gst 6968/8.</al><al>– Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven
                            grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden
                            bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten
                            of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk,
                            geen bouwwerk zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening.</al><al> Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204.</al><al>– Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen
                            gelet op de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor
                            een bouwvergunning (nu: omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                            bouwwerk) noodzakelijk is.</al><al> Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari 1994, KG 94/353G.</al><al>– Een berg aarde is geen bouwwerk.</al><al> Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.</al><al>– Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande
                            uit aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De
                            omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking
                            en van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en
                            afvoer van mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is
                            geplaatst, leidt tot een ander oordeel.</al><al> Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355.</al><al>– Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de
                            container, bestemd voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen,
                            en de wijze waarop hij los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar
                            is, redenen waarom de container naar gangbare opvattingen niet als een
                            bouwwerk in de zin van de bouwverordening kan worden aangemerkt.</al><al> Hof Amsterdam 22 december 1994, 384/94 KG.</al><al>– Een onderheid terras.</al><al> ABRS 17 februari 1995, BR 1995, p. 571.</al><al><vet>Deskundig bedrijf</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Hechtgebonden asbest</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking
                            van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op
                            grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor
                            de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen,
                            indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden
                            verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond
                            van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan
                            nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de
                            gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                            bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van
                            de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                            bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor
                            de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden
                            gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde
                            kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde
                            kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                            vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                            bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                            geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden
                            binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met
                            voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5
                            van deze toelichting.</al><al>Alternatief 1</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 3</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw,
                            maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken
                            - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of
                            een terrein voor zware industrie.</al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te
                            sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                            besluit niet dan nadat op het voornemen inspraak is verleend en het
                            advies van de welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld
                            in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens
                            artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al><al>Alternatief 4</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                            vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                            terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij alternatief
                            3).</al><al><vet>Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het
                            bouwen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Regeling omgevingsrecht. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                            omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                            indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                            aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond
                            van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit
                            omgevingsrecht (Bor).</al><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                            (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb.
                            2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en
                            nadien gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na
                            ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen,
                            door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of over de aanvrager een
                            integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau
                            ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                            te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                            rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het
                            bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd
                            gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien
                            een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor
                            de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken);
                            artikelen. 15 en 31 Wet Bibob).</al><al>Algemene wet bestuursrecht</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                            rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                            besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                            voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. </al><al>Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de
                            uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al>Wet ruimtelijke ordening</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                            vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                            kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit
                            paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel
                            (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van
                            hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                            bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat
                            of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                            bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                            vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt.
                            Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit
                            hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en
                            10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                            opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor
                            het bouwen</al><al>Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet
                            openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter
                            inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                            beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet
                            ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen
                            de antecedenten van de aanvrager, van</al><al>degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde
                            activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en
                            liggen niet ter inzage.</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                            omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                            omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning
                            voor het bouwen van een bouwwerk (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen
                            voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is
                            met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                            behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals
                            bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van
                            de omgevingsvergunning.</al><al><vet>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Arti</vet><vet>kel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen
                                bescheiden</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te
                            bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                            bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is
                            een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                            bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de
                            relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de
                            Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een
                            uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de
                            toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in
                            combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                            milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                            wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve
                            van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele </al><al>onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                            historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is,
                            kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken
                            van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                            Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond.
                            Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in
                            grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003
                            ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                            beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen.
                            Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van
                            de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan
                            nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De
                            gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                            plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een
                            intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                            organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden
                            heeft uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                            bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk
                            besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van
                            de Wabo is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning
                            te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen
                            wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn,
                            van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                            categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan
                            hiervoor beleid ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                            plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel
                            ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die
                            dan niet wordt gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan
                            worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later
                            kunnen worden ingediend. </al><al><vet>Artikelen 2.1.6 t/m 2.1.8</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Paragraaf 2.2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning
                                voor het bouwen van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikelen 2.2.1 t/m 2.2.5</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                bouwvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Paragraaf 2.3 Welstandstoetsing</vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </vet></al><al>Vervallen, omdat artikel 2.10, eerste lid, onder d van de Wabo aan geeft
                            dat een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                            moet worden getoetst aan de welstandscriteria. In artikel 9.1 van deze
                            verordening staat aangegeven dat de welstandscommissie toetst aan de in
                            de welstandsnota genoemde welstandscriteria. </al><al><vet>P</vet><vet>aragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                grond</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                            gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften
                            op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In
                            het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken
                            deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend'
                            in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de
                            bouwverordening niet is toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek
                            behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als
                            volgt:</al><al>bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                            onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                            aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                            waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden
                            verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in
                            de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als
                            archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3
                            van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het
                            bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en </al><al>actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager
                            niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het
                            bevoegd gezag zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                            bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                            opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                            wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                            bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat
                            de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt
                            voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een
                            termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden
                            worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk
                            vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en
                            gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901
                            belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de
                            Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de
                            voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van
                            bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet
                            bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen
                            van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van
                            belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel
                            milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de
                            Wabo.</al><al><vet>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</vet></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het
                            Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien
                            hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen
                            zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is
                            dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat
                            hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of
                            nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van
                            toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het
                            tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr.
                            3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks
                            gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te
                            werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet
                            gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                            (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar
                            om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of
                            meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                            kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                            nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                            waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting
                            genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of
                            nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze
                            bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het
                            verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals
                            onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die
                            feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar
                            aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt
                            naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                            (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip
                            'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt,
                            terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al><al><vet>Bouwwerken die de grond niet raken</vet></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een
                            extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit
                            kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan
                            een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de
                            bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter
                            onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</al><al><vet>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                                bodemverontreiniging</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of
                            bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die
                            daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te
                            nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van
                            verontreinigde grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming
                            (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de
                            toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een
                            provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat
                            de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van
                            de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens
                            genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                            bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al><vet>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</vet></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk
                            vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van
                            verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                            aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Het feit
                            dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt
                            echter </al><al>niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij
                            gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het
                            bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan
                            kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                            voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                            artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                            aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                            bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                            saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op
                            de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Ook in
                            deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder
                            de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden,
                            de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke
                            voorzieningen worden getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen van
                                een bouwwerk</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel
                            van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                            verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                            termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                            welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                            verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan
                            aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en -
                            in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt
                            te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en
                                    dampremmende laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt
                                    afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone
                                    bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                    grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                    totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                            verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het
                            overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                            het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de
                            sanering denkt te laten plaatsvinden.</al><al>Ook aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                            bouwwerk waarbij sprake is van een ernstig geval van
                            bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden
                            afgedaan.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991,
                                vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet
                                inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb 1998, 132),
                                en de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde serie wijzigingen</vet></al><al>– De bodembepalingen uit de (Model-)bouwverordening bieden de
                            mogelijkheid tot verlening van een bouwvergunning (nu:
                            omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk) onder voorwaarde
                            dat na afbraak van de bestaande opstallen en verwijdering van de </al><al>olietanks een nader bodemonderzoek zal plaatsvinden, en dat niet met de
                            beoogde bouw wordt begonnen voordat is gebleken dat het desbetreffende
                            terrein daarvoor geschikt is.</al><al> ABRS 13 juni 1996, BR 1996, 820.</al><al><vet>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                            vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet
                            Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                            voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                            2.5. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of
                            een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                            bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                            vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt.
                            Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                            paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8,
                            vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                            probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk.
                            Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover
                            planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt
                            voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al><vet>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                            bestemmingsplan</vet></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat
                            deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen
                            bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende
                            bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige
                            aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd
                            bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of
                            een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te
                            bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                            opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                            duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                            bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                            bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                            bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt </al><al>duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is
                            van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                            worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                            stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                            bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                            bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te
                            worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                    onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd?
                                    Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te
                                    worden gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening
                                    ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                    gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het
                                    antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te
                                    worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met
                                    de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                                    aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat
                                    de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel
                                    of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan
                                    dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden
                                    afgewezen.</al></li></lijst><al><vet>Wet ruimtelijke ordening</vet></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5 van de
                            bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                            hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel 2.5.30
                            (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel
                            9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde
                            toelichting blijkt, blijven dit artikel vooralsnog in de MBV
                            bestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening
                            dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open
                            terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van
                            een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt
                            gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                            hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</vet>
                            Brandblusvoorzieningen</al><al>vervallen, omdat de artikelen 6.30, lid 1, 6.37 en 6.38 van het
                            Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel.</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                            gehandicapten</vet></al><al>vervallen, omdat artikel 6.49 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone
                            waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden
                            genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                            bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter
                            breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het
                            onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>– bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al>– bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>– bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– De in artikel 39, aanhef en onder b, MBV 1965 (nu artikel 2.5.5 aanhef
                            en onder b, MBV) neergelegde bepaling betreffende de ligging van de
                            voorgevelrooilijn langs wegen waarlangs gebouwd mag worden, ziet niet op
                            het geval waarin langs een weg slechts krachtens een vrijstelling als
                            hier aan de orde mag worden gebouwd.</al><al> ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</al><al>– Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.</al><al> Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, p. 377, Hoekwoning
                            Nieuw-Ginneken.</al><al>In het bestemmingsplan zijn bebouwingsgrenzen aangegeven, zodat ervan
                            moet worden uitgegaan dat dit onderwerp uitputtend in het
                            bestemmingsplan is geregeld. Er is dan geen </al><al>plaats meer voor aanvullend werkende rooilijnvoorschriften van de
                            bouwverordening, zie artikel 9, eerste lid, WW.</al><al> Rb. Breda 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.</al><al>–Indien overeenkomstig het bepaalde in 2.5.5 (Model-)bouwverordening bij
                            een hoekwoning de twee rooilijnen worden doorgetrokken tot het punt waar
                            zij elkaar snijden, is de </al><al>erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn gebouwd. In een dergelijke
                            situatie is er, mede gelet op doel en strekking van het tweede zinsdeel
                            van artikel 43, eerste lid, onder j van de Woningwet, in beginsel geen
                            aanleiding om te oordelen dat ook bij hoekwoningen slechts één
                            voorgevelrooilijn aanwezig is.</al><al> Rb. Zutphen 17 januari 1995, 94/2406 GEMWT02.</al><al>– Het huis is een hoekhuis en heeft ingevolge het bestemmingsplan twee
                            voorgevelrooilijnen. In het onderhavige geval kan, gelet op de
                            feitelijke situatie, niet worden gesproken van een voortuin of
                            achtertuin. Omdat het bestemmingsplan voor de onderhavige erfafscheiding
                            geen regeling bevat, moet aan de gemeentelijke bouwverordening worden
                            getoetst.</al><al> ABRS 20 maart 1995, R03.92.1104.</al><al>– Door het aanleggen van een weg op een binnenterrein ten behoeve van
                            woningbouw ontstaat er op grond van art. 2.5.5 (Model-)bouwverordening
                            een voorgevelrooilijn.</al><al> Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al>De bestaande bebouwing aan de wegzijde waar de bouw wordt beoogd bestaat
                            uit een dubbelwoonhuis met garage en een vrijstaande woning. De
                            voorgevels staan respectievelijk 12 en 3,5 m van de voorste
                            perceelgrens. Geen sprake van een situatie ex artikel 39 aanhef en onder
                            a (Model-)bouwverordening 1965 (thans art. 2.5.5, aanhef en onder a
                            MBV).</al><al> ABRS 29 januari 1996, R03.92.4918.</al><al>–Aangenomen moet worden dat de voorgevelrooilijn die ligt aan de met
                            huizen bebouwde zijde van de dijk slechts maatgevend is voor aan die
                            zijde op te richten bebouwing. Aangezien het bouwwerk aan de –
                            onbebouwde – overzijde is opgericht kan geen sprake zijn van overtreding
                            van artikel 39, aanhef en onder a j° 40 (Model-)bouwverordening 1965
                            (art. 2.5.5, aanhef en onder a MBV). Ook kan niet worden volgehouden dat
                            met toepassing van artikel 39, aanhef en onder b van de
                            (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder b MBV) aan de
                            onbebouwde walkant een voorgevelrooilijn aanwezig geacht moet worden nu
                            deze rooilijn dan ongeveer 2 m vanaf de walkant in de rivier zou liggen.
                            Derhalve kan in dit geval van een verbod tot bouwen met overschreiding
                            van de voorgevelrooilijn geen sprake zijn.</al><al>ABRS 14 maart 1996, R03.92.3457.</al><al>– Gelet op de functie die de uitweg ter plaatse heeft en de ligging van
                            de woningen ten opzichte van deze uitweg, is de afdeling van oordeel dat
                            de voorgevelrooilijn is gelegen langs de uitweg en niet aan de zijde van
                            de hoofdstraat, waar de uitweg op uitkomt. ABRS 23 november 1995,
                            R03.93.3280.</al><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn
                            die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                            (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                            (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand
                            te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet
                            getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro. </al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                            toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                            vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                            voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af
                            te </al><al>leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij
                            is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend)
                            vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt </al><al>echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op
                            dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In
                            geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, </al><al>maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt
                            aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat
                            bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde </al><al>onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                            met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen
                            deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen
                            is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit
                            artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 8, van
                            bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding
                            van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde
                            veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                            bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een
                            bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft
                            dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                            bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                            bedoeld in artikel 3, onderdeel 8, van Bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al><al>- 1. uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                            straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                            overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en
                            gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                            straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                            overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                            dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                            uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan
                            hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het
                            algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                            bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                            toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikel 2.5.2
                            en de artikelen 2.5.5 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn
                            verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7
                            aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de
                            voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. </al><al><vet>Artikel 2.5.8 Afwijking voor overschrijdingen van de
                                voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                            2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                            bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                            omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen
                            in afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                            beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– De vrijstelling van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn mag slechts worden verleend, indien er sprake is van
                            een voor alle belanghebbenden kenbaar toekomstig planologisch kader,
                            waaraan het bouwplan getoetst kan worden. Een dergelijk kader ontbreekt
                            nu geen bestemmingsplan van kracht is en geen sprake is van een
                            voorbereidingsbesluit of een in voorbereiding zijnd
                            bestemmingsplan.</al><al>Vz. ARRS 30 december 1992, AB 1994, nr. 248.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het </al><al>misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken,
                            die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit
                            omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                voorgevelrooilijn.Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Lid 4, onder a </al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar
                            behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen
                            vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                            zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                            gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende
                            bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                            achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die
                            elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat
                            artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn
                            die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                            (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                            (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand
                            te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                            worden als een - verboden - overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                            rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter
                            vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig
                            op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel
                            2.5.14, lid l.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– Het bouwplan had geweigerd moeten worden wegens overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn. Bij een grond voor weigering is er géén ruimte voor
                            aanhouding en doorbreking op grond van artikel 50 Woningwet (oud); omdat
                            er geen bestemmingsplan van kracht is dat de bepalingen van de
                            bouwverordening opzij zet, hoeft geen rekening te worden gehouden met
                            het toekomstig bestemmingsplan.</al><al> Vz. ABRS 10 juli 1994, JB 1994, p. 784; ABRS, 11 mei 1995,</al><al> H01.94.0014.</al><al>– Bouwvergunning (nu: omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                            bouwwerk) met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en
                            2.5.15, eerste lid, van de (Model-bouwverordening en van art. 277,
                            eerste lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de
                            erfgrens. Onder omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat
                            realisering van een bouwplan strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet
                            van toestemming van de naburig eigenaar is gebleken, zal het
                            bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in
                            redelijkeheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen overgaan. Dit
                            is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in
                            art. 5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de
                            civiele rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke
                            omvang ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</al><al> Pres. Rb. Haarlem, 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr.
                            34.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                            onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden
                            artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                            aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                            zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel
                            2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Afwijking van het verbod voor overschrijdingen van
                                de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                            artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale
                            gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                            vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                            bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij
                            zijn, uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                            verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in
                            acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware
                            er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer
                            bereikbaar moet blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan
                            op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g
                            bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of
                            industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of
                            bouwblok) met winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                            'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                            voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek,
                            want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                            voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                            vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het
                            motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk)
                            samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een
                            beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor
                            patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus
                            open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw
                            behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou
                            kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van
                            de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere
                            oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn
                            ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw </al><al>waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die
                            gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van
                            het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht
                            moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de
                            vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de
                            brandweer.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– Bouwvergunning met een vrijstelling (nu: omgevingsvergunning voor het
                            bouwen van een bouwwerk en afwijking) van het bepaalde in de art 2.5.12
                            en 2.5.15, eerste lid, van de (Model-) bouwverordening en van art. 277,
                            eerste lid, Bouwbesluit (oud) voor een dakterras binnen twee meter van
                            de erfgrens. Onder omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat
                            realisering van een bouwplan strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet
                            van toestemming van de naburig eigenaar is gebleken, zal het
                            bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in
                            redelijkeheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen overgaan. Dit
                            is </al><al>i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in art.
                            5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de civiele
                            rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang
                            ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</al><al> Pres. Rb. Haarlem 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan
                            het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                            laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                            voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                            vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder
                            meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                            dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                            gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                            woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                            bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                            zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het
                            eerste lid, dan in het andere geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                            ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat
                            deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan
                            zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als
                            door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het
                            bevoegd </al><al>gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                            verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                            smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                            bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het
                            gebouw.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– Artikel 52 MBV 1965 (nu artikel 2.5.17 MBV). Verweerders hebben een
                            vrijstelling op grond van dit artikel verleend, daar de architect is
                            uitgegaan van bouwtekeningen die nu niet meer stroken met de
                            werkelijkheid. De ruimte tussen de woningen is nu niet meer 1,50 m maar
                            0,75 m.</al><al>ARRS: Hoewel de – doodlopende – ruimte tussen de woningen smaller is
                            geworden dan voorzien, kan niet worden gesteld dat deze tussenruimte –
                            die 0,75 m bedraagt – onvoldoende bereikbaar is voor onderhoud.</al><al> ARRS 19 juli 1993, No. R03.91.2840.</al><al>– Vergunning verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening voor een omkasting van een afzuiginstallatie, welke
                            op een afstand van circa 8 cm. is gelegen van een overkapping op het
                            naastgelegen perceel. Deze tussenliggende ruimte voldoet niet aan het
                            gestelde in artikel 2.5.17, eerste lid van de (Model-)bouwverordening.
                            Verweerders hebben geen aandacht geschonken aan het desbetreffende
                            voorschrift en er op grond van het tweede lid van genoemd artikel
                            evenmin vrijstelling van verleend. De afdeling is overigens niet
                            gebleken dat voldaan wordt aan de in het tweede lid vervatte voorwaarde
                            dat voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van
                            de vrij te laten ruimte. </al><al> ABRS 9 augustus 1996, R03.93.6116.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                            recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                            beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in </al><al>acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts
                            een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                            vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans
                            indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                            hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                            vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve
                            preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het
                            onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd
                            gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                            het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van
                            bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein
                            dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige
                            bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het
                            tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                            hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor
                            aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in
                            hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                            hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke </al><al>voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                            eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het
                            algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het
                            bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                            lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                            bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                            aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                            hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar/beheerder een recht
                            van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                            Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                            meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                            uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                            dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster -
                            dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand
                            in een bestemmingsplan geen betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                            vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al><vet>Besluit externe veiligheid buisleidingen</vet></al><al>Het <onderstreept>Besluit externe veiligheid buisleidingen
                                (Bevb)</onderstreept> en de bijbehorende <onderstreept>Regeling
                                externe veiligheid buisleidingen (Revb) </onderstreept>zijn op 1
                            januari 2011 <onderstreept>in werking getreden.</onderstreept> Het Bevb
                            regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden
                            rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn
                            met het <onderstreept>Besluit externe veiligheid
                                inrichtingen(Bevi).</onderstreept> De besluiten gaan voor op de
                            gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat
                            binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een
                            bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                            opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                            bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen,
                            blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort
                            uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij
                            paragraaf 5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al><onderstreept>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al><cursief>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel
                                van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie
                                tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de
                                duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor
                                vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</cursief></al><al><cursief>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                                ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht
                                en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van
                                met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt
                                tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.
                            </cursief></al><al><cursief>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                                boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                                aanvaardbare belemmeringshoeken voor de daglichttoetreding buiten
                                beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch
                                </cursief><cursief>geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels
                                beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                                belemmeringshoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                                definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het
                                beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                                bebouwing.)</cursief></al><al><cursief>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                enerzijds de bebouwde kom (belemmeringshoek: maximaal 45 graden) en
                                anderzijds daarbuiten (belemmeringshoek: maximaal 37 graden). Zie de
                                figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</cursief></al><al><cursief>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij
                                voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de
                                weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg
                                liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het
                                bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet
                                ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                                voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een
                                dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</cursief></al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al><cursief>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel
                                van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie
                                tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken.</cursief></al><al><cursief>V</cursief><cursief>oor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                                stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                                bedoeld.</cursief></al><al><cursief>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige
                                ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht
                                en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van
                                met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt
                                tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.
                                Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                                straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                                aanvaardbare belemmeringshoeken voor
                                de</cursief><cursief>daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                                omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                                leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke
                                vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringshoek in een
                                stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen
                                de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                                de tegenoverliggende bebouwing.)</cursief></al><al><cursief>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                enerzijds de bebouwde kom (belemmeringshoek: maximaal 45 graden) en
                                anderzijds daarbuiten (belemmeringshoek: maximaal 37 graden). Zie de
                                figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</cursief></al><al><cursief>Ten behoeve van een – soms gewenste – aanvullende werking van
                                de onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral
                                globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is – in
                                afwijking van de Model-bouwverordening 1965 – in een verdere
                                differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld
                                verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke
                                binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                                delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14 in de bij deze Toelichting
                                behorende bijlage.</cursief></al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</cursief></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><cursief>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale
                                vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 in de
                                bij deze Toelichting behorende bijlage nader toegelicht, waarbij a,
                                a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening </cursief></al><al><cursief>te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt
                                voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep
                                zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</cursief></al><al><cursief>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in
                                de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn
                                (zie figuur 18 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage).</cursief></al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al><cursief>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd
                                gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van
                                de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op
                                de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de
                                juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                                bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het
                                bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                                van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid
                            opgenomen.</cursief></al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><cursief>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale
                                vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                                toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te
                                brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat
                                bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor
                                twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn ontbreekt.</cursief></al><al><cursief>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in
                                de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn
                                (zie figuur 18 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage).</cursief></al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al><cursief>Bij achterterreinen die – door de ligging in geaccidenteerd
                                gebied of anderszins – niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van
                                de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op
                                de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de
                                juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                                bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het
                                bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                                van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid
                            opgenomen.</cursief></al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover
                            een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die
                            zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in
                            overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn
                            om af te wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor
                            het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                            hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                            hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Alternatief 1</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                            gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Alternatief 2</al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek
                            van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding
                            van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de
                            woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5
                            bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in
                            de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5
                            bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                            rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter
                            vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel
                            vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie
                            tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                            binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar
                            in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden
                            lopen tot hun goot.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al>– Door de aanleg van de weg op een binnenterrein is er geen sprake meer
                            van een binnenterrein, artikel 2.5.25 (Model-) bouwverordening is niet
                            van toepassing.</al><al>Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                            bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van ‘straatpeil’.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al>–Erfafscheiding hoger dan 2 m blijft vergunningplichtig ook al wordt
                            langs de erfafscheiding een strook grond gestort van ongeveer 40 cm
                            breed en 30 cm hoog. De </al><al>Afdeling stelt voorop dat een restrictieve uitleg moet worden gegeven
                            aan de in de Woningwet opgesomde uitzonderingen van het vereiste van een
                            bouwvergunning (nu: omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                            bouwwerk). Bij de bepaling van de hoogte van een erfafscheiding dienen
                            plaatselijke niet bij het verdere verloop van de grond passende
                            ophogingen of verdiepingen aan de voet van de erfafscheiding, zoals de
                            kunstmatig aangebrachte strook, dan ook buiten beschouwing te worden
                            gelaten.</al><al> ABRS 3 maart 97, H01.96.0191.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</vet></al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                            bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden
                            als vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval
                            deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                            om te bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen
                            of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de
                            vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een
                            bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing,
                            tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Afwijking van het verbod tot overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 8 en artikel 2, onderdelen 16 en
                            18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van
                            belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                            hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van
                            het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                            dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de
                            artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden
                            betrokken. </al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit
                            bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                            hoger is dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane
                            bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                                de bouwverordening (MBV 1965)</vet></al><al>–Welstandsoverwegingen mogen worden betrokken bij het beslissen op
                            aanvragen op verzoeken om vrijstelling van de toegestane bouwhoogte.
                            (I.c. zou het gebouw te sterk </al><al>domineren en niet aansluiten op de te verwachten toekomstige
                            ontwikkeling van de omgeving.)</al><al> ARRS 10 juni 1982; BR 1982, 847.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Omgevingsvergunningverlening voor het bouwen van een
                                bouwwerk in afwijking van het verbod voor overschrijding van de
                                rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                                voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                            afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                            enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                            anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                            bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 is te beschouwen als een bestemmingsplan
                            vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake
                            afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is </al><al>een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te
                            hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                            bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling
                            alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan,
                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan
                            geen strijd kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo
                            dat de reguliere procedure van 3.9 Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen
                            worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan
                            sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is om de
                            omgevingsvergunning te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een
                            bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of een
                            voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                            vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al><al><cursief>S</cursief>ub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                            relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                            besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                            motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                            hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de
                            eis opgenomen dat </al><al>het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten
                            bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk
                            beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om
                            de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                            structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota
                            dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                            situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter
                            inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld
                            voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen
                            basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke
                            ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt
                            gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat
                            begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische,
                            ecologische en natuurlijke en landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                            hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                            afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                            milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                            ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie
                            uit de Wabo.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij
                                of in gebouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het
                                onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe)
                                bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de
                                Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet
                                vervalt.</cursief></al><al><cursief>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel
                                van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden.
                                Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent
                                dat onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft
                                bestaan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan
                                wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het
                                parkeren.</cursief></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al><cursief>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen
                                van de bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best
                                ontsloten locatie(s).</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><cursief>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde
                                ingroeimodel. Hieronder wordt verstaan het openhouden van de
                                mogelijkheid om in te spelen op toekomstige verbeteringen in de
                                bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de gemeente op
                                het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                                tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de
                                openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken
                                gebouw.</cursief></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al><cursief>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het
                                eerste lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal
                                parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te
                                verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van het
                                onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                                minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit
                                geval per omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te
                                bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het
                                gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal
                                bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid
                                van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                                de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                                parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                                verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale
                                verkeer- en vervoerplan.</cursief></al><al><cursief>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.),
                                paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                                </cursief><cursief>Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                                Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW)
                                te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).</cursief></al><al><cursief>Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te
                                verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                                bepaald.</cursief></al><al><cursief>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals
                                gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een
                                verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het
                                onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen
                                - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                                onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                                omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar
                                boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per
                                openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat
                                niet zijn.</cursief></al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al><cursief>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                                correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die
                                leden om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of
                                onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen
                                worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het
                                kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                                vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                                werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van
                                voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2012 laat regeling van het
                                onderhavige onderwerp geheel over
                                aan</cursief><cursief>bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een
                                bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor
                                parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast
                                te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                                stoklopers.</cursief></al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al><cursief>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw
                                winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                                respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron
                                (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook
                                voor vrachtauto's).</cursief></al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al><cursief>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor het bouwen van
                                een bouwwerk te verlenen in afwijking van de eis in het eerste en in
                                het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein
                                (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval
                                dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                                aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen van een bouwwerk te verlenen in afwijking van de eis in het
                                derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                                terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                                omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in
                                binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                                voorwaarden vergunning worden verleend.</cursief></al><al><cursief>Aan de bouwvergunning (nu: omgevingsvergunning voor het bouwen
                                van een bouwwerk) mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden.
                                Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit
                                laatste gold voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor
                                de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30.</cursief></al><al><cursief>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                                afwijkingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                                omgevingsvergunning.</cursief></al><al><cursief>De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de
                                oude wetgeving betreft kort samengevat:</cursief></al><al><cursief>1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld
                                voor een parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223
                                ABRS 4 augustus 1998</cursief></al><al><cursief>Parkeergelegenheid Schagen</cursief></al><al><cursief>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op
                                eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële
                                voorwaarde mag worden verbonden. Art. 2.5.30
                                Bouwverordening:</cursief></al><al><cursief>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet
                                worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de
                                mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een
                                financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een
                                tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                                mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening
                                aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de
                                doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                                vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of
                                vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een
                                geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit
                                hoofde </cursief><cursief>van rechtsbescherming meer aanvaardbare
                                mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te
                                verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 30
                                augustus 1985, BR 1985, p. 911.</cursief></al><al><cursief>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van
                                een financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de
                                parkeernorm op grond van art. 2.5.30 MBV.</cursief></al><al><cursief>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële
                                voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden:</cursief></al><lijst><li nr="–"><al><cursief>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te
                                        leveren aan de doelstelling van de wettelijke bepaling
                                        waarop de vergunning berust;</cursief></al></li><li nr="–"><al>d<cursief>e vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het
                                        opleggen van een geldbedrag;</cursief></al></li><li nr="–"><al><cursief>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te
                                        leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit
                                        hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid
                                        aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te
                                        verlangen.</cursief></al></li></lijst><al><cursief>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen
                                voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig
                                al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het
                                treffen van voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal
                                ondervinden.</cursief></al><al><cursief>2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te
                                vinden op www.rechtspraak.nl, over de financiële voorwaarde bij de
                                ontheffing van de parkeernorm, wordt een directere relatie tussen
                                het geld en de te realiseren voorziening geëist. Citaat uit deze
                                uitspraak:</cursief></al><al><cursief>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage
                                die door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te
                                voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het
                                bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling heeft het college
                                uiteengezet dat met</cursief><cursief>centrumgebied is bedoeld een
                                gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet
                                vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage
                                daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan
                                parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de
                                rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is
                                voor het parkeren van bezoekers, kan (…) niet afdoen aan haar
                                oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk
                                is dat de financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in
                                de behoefte daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen
                                en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in
                                strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                                bouwverordening is verleend.</cursief></al><al><cursief>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en
                                onder a, van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft
                                miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestelde
                                vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op
                                andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt
                            voorzien.</cursief></al><al><cursief>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van
                                twee van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de
                                parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van
                                het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en
                                dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de
                                aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige
                                parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die
                                twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële
                                bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging
                                van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef
                                onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende
                                parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan
                                aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde
                                vereiste.</cursief></al><al><cursief>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie
                                parkeerplaatsen geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal
                                worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre
                                slaagt.'</cursief></al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al><cursief>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning
                                door gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede
                                aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels,
                                schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en
                                bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid
                                voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend
                                openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare
                                parkeergarage.</cursief></al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al><cursief>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet
                                te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De
                                daarom per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen
                                normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                                ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                                bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar
                                vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                                gewoonlijk komen, en de </cursief><cursief>mogelijke
                                uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting
                                wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat
                                is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.</cursief></al><al><cursief>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum
                                voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en
                                de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                                www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per
                                te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                                worden bepaald.</cursief></al><al><cursief>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals
                                gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een
                                verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het
                                onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen
                                - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                                onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                                omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar
                                boven van 10% als </cursief><cursief>toelaatbaar te vermelden op
                                locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op
                                locaties die dat niet zijn.</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><cursief>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                                correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende
                                parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers
                                gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                                afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het
                                Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel
                                218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                                Bouwbesluit 2012 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel
                                over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden
                                voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                                wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                                parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                            stoklopers.</cursief></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al><cursief>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw
                                winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                                respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron
                                (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook
                                voor vrachtauto's).</cursief></al><al><cursief>Lid 4, ad a</cursief></al><al><cursief>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in
                                afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van
                                voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is
                                onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen
                                van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij
                                financiële voorwaarden worden gesteld.</cursief></al><al><vet>Paragraaf 2.6 Voorschriften inzakebrandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikelen 2.6.1 t/m 2.6.18</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Paragraaf 2.7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikelen 2.7.1 t/m 2.7.7</vet></al><al>vervallen</al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 3 </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    De melding</onderstreept></vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                            bescheiden</vet></al><al>vervallen, artikel 1.23 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>vervallen, artikel 1.24 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>vervallen, artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</vet></al><al>vervallen, omdat de wijzigingen van de Woningwet die inwerkingtreden met
                            het Bouwbesluit 2012 het niet meer mogelijk maken deze eis in de
                            bouwverordening op te nemen.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>vervallen, omdat artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>vervallen, omdat artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>vervallen, artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder </vet></al><al>vervallen, omdat de artikelen 8.2, 8.4, 8.5, 8.6 en 8.7 van het
                            Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel.</al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>vervallen, de artikelen 8.8 en 8.9 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in
                            dit artikel.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</vet></al><al>vervallen, artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>vervallen, de wijzigingen van de Woningwet die inwerkingtreden met het
                            Bouwbesluit 2012 maken het niet meer mogelijk deze eis in de
                            bouwverordening op te nemen.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>vervallen, artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen,
                                brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                                het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al><vet>Paragraaf 5.1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                            terreinen</vet></al><al>vervallen, artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</vet>
                            Brandblusvoorzieningen </al><al>vervallen, de artikelen 6.30, lid 1, 6.37 en 6.38, van het Bouwbesluit
                            2012 voorzien in dit artikel.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                            </vet></al><al>vervallen, artikel 6.49 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 5.2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al><vet>Artikelen 5.2.1 t/m 5.2.6</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Paragraaf 5.3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>vervallen, artikel 6.14 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                            </vet></al><al>vervallen, artikel 6.10 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>vervallen, artikel 6.10, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                            </vet></al><al>vervallen, artikel 6.18, lid 5 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering</vet></al><al>vervallen, artikel 6.4 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                erven en terreinen</vet></al><al>vervallen, artikel 6.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>vervallen, artikel 1.1, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 5.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie </vet></al><al>vervallen, artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 7.1 Overbevolking</vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </vet></al><al>vervallen, artikel 7.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>vervallen, artikel 7.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>P</vet><vet>aragraaf 7.2 Staken van het gebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>vervallen, artikel 7.20 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                gebrek aan hygiëne</vet></al><al>vervallen, artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder </vet></al><al>vervallen, artikelen 7.15, van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 7.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie </vet></al><al>vervallen, artikelen 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 7.5 Watergebruik</vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>vervallen, artikel 7.17 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 7.6 Installaties</vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties </vet></al><al>vervallen, artikel 1.16 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Slopen</vet></al><al><vet>Paragraaf 8.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>vervallen, de artikelen 1.25 en 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorzien
                            in dit artikel.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
                            </vet></al><al>vervallen, artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het
                            slopen</vet></al><al>vervallen, artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 8.2 Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>vervallen, paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>vervallen, artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Paragraaf 8.3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>vervallen, artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</vet></al><al>vervallen, artikel 1.32 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning
                                voor het slopen</vet></al><al>vervallen, artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>vervallen, artikel 1.33 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit
                            artikel.</al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                asbest</vet></al><al>vervallen, de wijzigingen van de Woningwet die inwerkingtreden met het
                            Bouwbesluit 2012 maken het niet meer mogelijk deze eis in de
                            bouwverordening op te nemen.</al><al><vet>Paragraaf 8.4Vrij slopen</vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>vervallen, de artikelen 8.8 en 8.9 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in
                            dit artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Welstand</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke
                            artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond
                            van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening
                            voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de
                            welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet
                            uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                            nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook
                            indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                            gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                            provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief
                            te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze
                            te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de
                            lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale
                            welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze </al><al>verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de
                            bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde
                            procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.</al><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven
                            wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd
                            gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van
                            welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken
                            waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan
                            minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet
                            kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in
                            ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                            aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor
                            moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                            geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de
                            in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt
                            bepaald dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de
                            onderscheidene categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen
                            verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit
                            biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente
                            uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen
                            gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de
                            verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in
                            een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het
                            kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                            architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de
                            toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend
                            welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid
                            te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan
                            de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek
                            en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander
                            gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding
                            van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er
                            nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het
                            betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                            vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                            buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                            afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                            het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><vet>Relatie bestemmingsplan en welstand</vet></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de
                            voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                            zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                            bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van
                            de Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor
                            bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet
                            rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van
                            de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995,
                            BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                            Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan
                            op de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet.
                            Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van
                            de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                            welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                            advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument
                            waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met
                            bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is </al><al>gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden
                            worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden
                            tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                            toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren
                            (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans
                            dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan
                            meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                            Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                            bestemmingsplan en welstand.</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een
                            welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand
                            van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                            welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een
                            welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                            de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie
                            van de stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                            wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen
                            om voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                            welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                            regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de
                            gemeenteraad de leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te
                            benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al><al><vet>Alternatief 1</vet></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van
                            de diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de
                            rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging
                            of stichting. Deze vereniging of stichting dient dan door de
                            gemeenteraad als welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging
                            of stichting draagt uit haar midden personen voor aan B&amp;W om door de
                            gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie adviseert over
                            alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                            adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Onafhankelijkheid</vet></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                            onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                            leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur.
                            Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                            welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                            Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of
                            van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de
                            eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                            neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al><vet>Deskundigen en burgers</vet></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting
                            te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en
                            opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van
                            deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen,
                            actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's.
                            Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de
                            plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins
                            beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde,
                            die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                            benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige
                            leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te
                            nemen in de welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al><vet>Alternatief 1</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De
                            secretaris is geen lid van de welstandscommissie.</al><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief
                            denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente
                            gebonden inwoners deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                            welstandscommissie.</al><al><vet>Alternatief 3</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                            rayonarchitect.</al><al><vet>Alternatief 4</vet></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar
                            dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                            provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit
                            veelal de rayonarchitect.</al><al><vet>Alternatief 5</vet></al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid
                            om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt
                            in de MBV.</al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al><cursief>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de
                                zittingsduur van de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste
                                drie jaar met een eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog
                                eens maximaal drie jaar in de commissie die in de desbetreffende
                                gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de doorstroming van de
                                leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is op de
                                koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur
                                in concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar
                                kan brengen.</cursief></al><al><cursief>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de
                                benoemingsprocedure voor (deskundige) leden op te nemen in de
                                (Model)verordening. Een reglement van orde dat als bijlage 9 bij de
                                bouwverordening dient te worden vastgesteld en toegesneden is op de
                                lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk reglement
                                van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                                regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                                welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te
                                kunnen tonen.</cursief></al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet>Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                            welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden
                            bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. </al><al>De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort
                            uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor
                            bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de
                            gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar
                            het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en
                            begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke
                            begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het
                            'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot
                            juni.</al><al><vet>Jaarverslag burgemeester en wethouders</vet></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                            welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                            welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders
                            ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd
                            jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te
                            leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de
                            orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                            tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                            welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit
                            tot uitvoering daarvan zijn overgegaan. </al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag
                            over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                            gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke
                            debat bevorderd.</al><al>B&amp;W heeft een algemene verslagverplichting ten aanzien van
                            ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen
                            zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat
                            voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de
                            advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                            verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van
                            de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                            voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                            ontvangst van verzoek om vergunning. </al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten
                            aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is
                            het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                            beslistermijn.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</vet></al><al><vet>Openbaar vergaderen</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar
                            bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in
                            artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de
                            welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan
                            slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van </al><al>bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee
                            de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                            welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                            hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te
                            maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                            vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een
                            rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                            advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de </al><al>openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                            kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                            burger/bouwer.</al><al><vet>Belanghebbenden</vet></al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                            onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                            aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                            belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid
                            tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie
                            dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                            aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de
                            aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve
                            bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde
                            adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al><vet>Spreekrecht</vet></al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht
                            wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                            spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in
                            artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens
                            de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die
                            in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning
                            voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen
                            belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop
                            de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat
                            tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers
                            voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt
                            geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in
                            dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake
                            is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                            vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het
                            is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag
                            of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde
                            leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het
                            stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou
                            dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de
                            korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.</al><al><vet>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                                welstandscommissie</vet></al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                            waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt
                            gewerkt (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In
                            geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van
                            kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe
                            belangstelling zijn </al><al>om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat
                            geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen,
                            zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte
                            (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan
                            aan mandaat.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de
                            afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen
                            waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering
                            met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken. </al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                            onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige
                            aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen
                            voor het bouwen van kleine bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn
                            om de behandeling van bouwplannen door de gemandateerde bij te wonen.
                            Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf
                            minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er
                            geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                            uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                            ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                            motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                            direct zodra bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van
                            een bouwwerk (voorheen: bouwvergunning) wordt ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                            welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van
                            artikel 1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op
                            de kaartbijlage als bedoeld in dit artikel.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                                de bouwverordening (MBV 1965)</vet></al><al>– Toetsingscriterium is het uiterlijk aanzien van een bouwwerk, niet de
                            functie van dat bouwwerk in relatie tot een ander bouwwerk. (Het geval
                            betrof een klokkestoel.)</al><al> Vz. ARRS 31 augustus 1982, A-31.4184 (1982)/S1332.</al><al>– Het stellen van zodanige eisen van welstand dat daardoor een geldend
                            bestemmingsplan geheel of ten dele van zijn kracht wordt beroofd,
                            verdraagt zich niet met het stelsel van de Woningwet; met name niet met
                            artikel 2, tweede lid, van deze wet.</al><al>ARRS 16 februari 1978; GS 6509; BR 1978, 404; HR 30 januari 1981; RvdW
                            24; ARRS 3 september 1982; AB 1983, 81.</al><al>– Uitgangspunt is dat de esthetische merites van een bouwplan bij de
                            toetsing aan de eisen van welstand, moeten worden bezien binnen het raam
                            van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.</al><al> ABRS 14 november 1994, R03.92.0453.</al><al>– Over de terugtreding van de bouwverordening voor een in voorbereiding
                            zijnd bestemmingsplan dient naar het oordeel van de Afdeling rechtspraak
                            van geval tot geval te worden geoordeeld.</al><al>ABRS 11 mei 1995, H01.94.0014; Vz. ABRS 10 juli 1994, JB 1994, nr. 290;
                            ARRS 15 september 1986, AB 1987, nr.134, BR 1987, p. 141; ARRS 18
                            september 1986, AB 1987, nr. 135, BR 1987, p. 374;</al><al>– De welstandsbeoordeling dient zich te richten naar de
                            bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Daarbij doet
                            niet ter zake dat dit bestemmingsplan (nog) niet is geactualiseerd
                            overeenkomstig de plannen die de gemeente met het betrokken gebied
                            heeft.</al><al> ARRS 10 maart 1983; AB 1983, 391; vz. ARRS 3 oktober 1985, RO3.85.4672;
                            AB 1986, 279.</al><al>– Als de afmetingen van een bouwwerk moeten worden getoetst in het kader
                            van een bestemmingsplan, dan is er geen plaats voor welstandelijke
                            toetsing van deze afmetingen.</al><al> ARRS 24 augustus 1984, RO3.3134.</al><al>– Een beoordeling van de welstandsaspecten valt buiten het bestek van de
                            aan de colleges van gedeputeerde staten in het kader van de procedure
                            van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50,
                            achtste lid, van de Woningwet opgedragen planologische toetsing.</al><al> ARRS 7 augustus 1981; BR 1981, 910.</al><al>–In een situatie, waarin het bouwplan voor een garage in overeenstemming
                            is met het geldende bestemmingsplan, oordeelt de Afdeling rechtspraak,
                            dat er ruimte is voor een </al><al>welstandsadvies, dat uitgaat van het – eveneens in overeenstemming met
                            het bestemmingsplan – alternatief plaatsen van de garage op het erf van
                            betrokkene. Het welstandsadvies is gebaseerd op de mening, dat het
                            bouwwerk op de gekozen plaats door zijn afmetingen sterk afbreuk doet
                            aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied.
                            Burgemeester en wethouders mogen niet zonder nadere motivering van dit
                            advies afwijken.</al><al> ARRS 22 juni 1988, RO3.86.3045.</al><al>–Vergunning voor bouw serre in beschermd stadsgezicht. Materiaalkeuze
                            (kunststof) passend? Welstandscommissie: het bouwplan is acceptabel en
                            past binnen het beschermde stadsgezicht. ARRS: onvoldoende gemotiveerd,
                            niet tot uitdrukking gebracht dat de commissie aandacht heeft besteed
                            aan de vraag of materiaalkeuze passend is te achten binnen het
                            beschermde stadsgezicht. B&amp;W hadden zich opnieuw moeten wenden tot
                            welstandscommissie.</al><al>ARRS 29 april 1992, R03.89.6911; BR 1992, 777.</al><al>– Overwegingen van financieel-economische aard kunnen mede van betekenis
                            zijn voor het al dan niet volgen van het advies van de
                            welstandscommissie. Evenwel is bij de besluitvorming op dit punt de
                            aanvaardbaarheid van het uiterlijk van het bouwwerk van overwegende
                            betekenis. Gelet op de fundamentele kritiek van de welstandscommissie op
                            het bouwwerk had in casu beter gemotiveerd moeten worden, liefst op
                            basis van een ander deskundigenadvies.</al><al> Vz. ARRS 16 januari 1992; Gemeentestem 6959, pag. 87.</al><al>–Aanschrijving tot verwijdering van zonder vergunning geplaatste
                            dwarsantenne, o.a. vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. De
                            Afdeling is van oordeel dat het verwijderen van de dwarsantennes het
                            recht als bedoeld in artikel 10 EVRM beperkt. Beperking ter bescherming
                            van de openbare orde is echter toegestaan. Dit is naar het </al><al>oordeel van de Afdeling in het geding waar een ordelijke inrichting van
                            een samenleving van zeer dicht bij elkaar wonende personen vraagt om een
                            beteugeling van de vrijheid bouwwerken op te richten die onevenredig
                            bezwarend zijn voor omwonenden.</al><al> ARRS 9 mei 1991, R03.89.1030; AB 1992, nr.178.</al><al>– Het moet onder omstandigheden niet uitgesloten worden geacht dat het
                            uiterlijk van een woning in een rij door een afwijkende kleurstelling
                            niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.</al><al> ARRS 15 februari 1991, AB 1992, nr. 73.</al><al>– Voorbeeld van voldoende gemotiveerde afwijking van het
                            welstandsadvies: Uitgebreide omschrijving van de (directe) omgeving van
                            het te bouwen bouwwerk, aandacht voor de verschillende hoogtes van de
                            omliggende bouwwerken, het karakter van de omliggende bouwwerken, de
                            afstand tussen het te bouwen bouwwerk en de overige bouwwerken en de
                            functie van het te bouwen bouwwerk gerelateerd aan de omgeving.</al><al> Vz. ARRS 27 mei 1993, Nos. R03.93.1915/P90 en S03.93.1448.</al><al>– Het plaatsen van een lichtbak die direct op de gevel van het pand is
                            bevestigd en slechts 15 cm uitsteekt is geen oprichten van een
                            afzonderlijk bouwwerk, maar het veranderen van het uiterlijk aanzien van
                            een bestaand bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen dan artikel 310
                            MBV-1965 toepassen (nu artikel 9.1 MBV).</al><al> ARRS 10 juni 1993, No. R03.90.4664.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                                de bouwverordening (MBV 1992)</vet></al><al><vet>Inhoudelijk</vet></al><al>– Acceptatie welstandsbeleid inzake rolluiken. Rolluiken kunnen in
                            winkelstraten slechts de welstandstoets doorstaan indien zij een
                            transparant oppervlak van tenminste 65% hebben. Dit beleid houdt verband
                            met het behoud van de aantrekkelijkheid van de binnenstad die is
                            aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet;
                            tegelijk moet het gewenste transparante oppervlak voldoende beveiliging
                            tegen inbraak en vandalisme bieden.</al><al> Vz. ARRS 10 september 1993, S03.93.3092.</al><al>– Richtlijn welstand eist een minimale openheid van 75% ter voorkoming
                            dat winkelstraten een grimmig en weinig verblijfsvriendelijk karakter
                            krijgen. Uitzondering voor een rolluik van geperforeerd plaatstaal met
                            een visuele openheid van 80 à 90%, indien daarachter voldoende licht
                            brandt? Een proef heeft uitgewezen dat het transparante effect teniet
                            werd gedaan door onvoldoende verlichting of beschildering met reclames.
                            Weigeren van uitzondering niet onredelijk.</al><al> Wnd. Vz. ABRS 12 april 1994, BR 1994, p. 930.</al><al>– Richtlijn van B&amp;W inzake dakkapellen inhoudende dat wanneer twee
                            dakkapellen boven elkaar worden gebouwd de bovenste dakkapel niet vanuit
                            de nok mag worden gebouwd en er tussen beide dakkapellen voldoende
                            tussenruimte dient te bestaan, wordt door de Afdeling onjuist noch
                            onredelijk geacht. Het feit dat de dakkapel niet van de openbare weg
                            zichtbaar is, doet er niet aan af dat ook in die situatie dient te
                            worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand.</al><al> ABRS 12 mei 1995, JB 1995, nr. 167.</al><al>– Artikel 12, eerste lid van de Woningwet biedt geen grond voor de
                            opvatting dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                            (voorheen: bouwvergunning) op grond van welstand slechts kan worden
                            geweigerd indien het bouwwerk en op zichzelf en in relatie tot de
                            omgeving niet aan redelijke eisen van welstand voldoet. Een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (voorheen:
                            bouwvergunning) </al><al>dient reeds te worden geweigerd indien het uiterlijk en de plaatsing van
                            een bouwwerk, op zichzelf, derhalve los van de overige criteria, in
                            strijd zijn met redelijke eisen van welstand.</al><al> ABRS 11 september 1996, HR03.94.0326.</al><al>– Bij de toets aan de redelijke eisen van welstand dient het tijdelijk
                            karakter van een bouwwerk een rol te spelen.</al><al> Pres. Rb Den Haag 14 juni 1996, 96/04858.</al><al>– De commissie heeft zich laten voorlichten door de architect-adviseur
                            van de commissie, die ten onrechte slechts een gedeeltelijke
                            plaatsopneming heeft verricht. Omdat uit het advies blijkt dat de
                            commissie bij het welstandsoordeel heeft meegewogen dat het
                            bestemmingsplan de realisering van de bouwwerken mogelijk maakt. B&amp;W
                            hebben zich er aldus niet van overtuigd dat de commissie voldoende
                            zorgvuldig een beeld heeft gevormd van de gevolgen voor de omgeving van
                            de bouwwerken en of bij weglating van de overweging over de
                            mogelijkheden van het bestemmingsplan, tot een negatief advies was
                            gekomen. Voorts blijken B&amp;W te zijn afgeweken van het advies van de
                            commissie om de tunnelkassen met groen kasdoek af te dekken, om de reden
                            dat dit hoge kosten met zich meebrengt en dat de tunnelkassen slechts 4
                            maanden per jaar aanwezig zijn. Uit het advies blijkt dat zonder deze
                            aanpassing het bouwwerk in ieder geval niet zou voldoen aan behoorlijke
                            eisen van welstand. Volgens de president zijn kosten noch tijdelijkheid
                            aspecten, die iets van doen hebben met de feitelijke ruimtelijke
                            inpassing van de kassen in het gebied. B&amp;W zijn hiermee getreden
                            buiten de toetsing aan de eisen van behoorlijke welstand.</al><al> Pres. Rb Assen 18 februari 1997, nr. 97/19 BSTPL P01 G07.</al><al><vet>Procedureel</vet></al><al>– Nu het advies van de welstandscommissie een zogenaamd stempeladvies
                            betreft en appellant reeds in zijn bezwaarschrift gemotiveerd heeft
                            uiteengezet dat het bouwplan niet voldeed aan redelijke eisen van
                            welstand, kan een gemotiveerd oordeel van B en W hieromtrent evenwel
                            niet worden gemist.</al><al> ARRS 4 januari 1993, AB 1994, 138.</al><al>– Aan het welstandsadvies komt weliswaar zwaarwegende betekenis toe,
                            maar het ontslaat B&amp;W niet van de verplichting zich een eigen
                            oordeel te vormen over de welstandsaspecten van een bouwplan. Gezien de
                            aard van de bezwaren van appellant tegen het welstandsadvies had
                            verweerder bij heroverweging daaraan inhoudelijk aandacht moeten
                            schenken en zo nodig een hernieuwd welstandsadvies ter zake moeten
                            vragen.</al><al> ARRS 17 juli 1993, AB 1994, 166.</al><al>– Met betrekking tot meldingplichtige bouwwerken geldt niet altijd de
                            verplichting tot het inwinnen van het advies van een onafhankelijke
                            welstandscommissie.</al><al> Vz. ARRS 19 november 1993, JG 94.0107.</al><al>Bouwtekeningen en een later toegezonden foto van de plaatselijke
                            situatie zijn toereikend om een verantwoord welstandsadvies met
                            betrekking tot het bouwplan uit te brengen. </al><al>Een oordeel omtrent welstand is onvermijdelijk tot op zekere hoogte
                            subjectief van aard, zodat de ruimte voor inhoudelijke toetsing beperkt
                            is.</al><al> Vz. ARRS 11 januari 1994, R03.93.6450 en S03.93.5279.</al><al>– Bij de toetsing of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van
                            welstand, komt aan het ingewonnen welstandsadvies zwaarwegende betekenis
                            toe. Daarvan kan slechts worden afgeweken op grond van zwaarwegende –
                            uit de welstandstoetsing voortvloeiende – redenen, waarbij de afwijkende
                            visie gebaseerd dient te zijn op een deskundig oordeel ter zake.</al><al> Pres. Rb. Amsterdam 6 april 1994, KG 1994, p. 404.</al><al>– Bij de welstandstoetsing dient uit te worden gegaan van het bouwwerk
                            waar het in concreto over gaat. B&amp;W mogen niet afgaan op een
                            positief advies van de welstandscommissie met betrekking tot eenzelfde
                            bouwplan bij een woning in de buurt.</al><al> Pres. Rb. Haarlem 12 augustus 1994, BR 1994, p. 931.</al><al>– De welstandscommissie kan op een eerder advies afgaan. Met de
                            verwijzing naar dat eerdere advies is slechts beoogd aan te geven dat
                            tegen het thans in het geding zijnde bouwplan soortgelijke bezwaren
                            bestonden als tegen het oorspronkelijke bouwplan.</al><al> ABRS 19 september 1994, R03.92.0274.</al><al>– Weigering bouwvergunning (nu: omgevingsvergunning voor het bouwen van
                            een bouwwerk) voor het plaatsen van een erfafscheiding, bestaande uit
                            houten overlapschermen over een lengte van ruim 100 m. Volgens het
                            welstandsadvies dient de erfafscheiding vooral door begroeiing te worden
                            gerealiseerd, hoogstens afgewisseld met een schutting van beperkte
                            lengte (ongeveer 10 m). De afdeling is van oordeel dat verweerder ten
                            onrechte niet heeft onderzocht of de weigering zich verdraagt met het
                            bepaalde in artikel 5:48 BW, waarin de eigenaar het recht is toegekend
                            om zijn erf af te sluiten. Dit recht strekt niet zover dat iedere
                            beperking als een aantasting van dit recht kan worden gezien. Welke
                            beperkingen toelaatbaar zijn, is afhankelijk van de concrete
                            omstandigheden.</al><al> ABRS 28 oktober 1994, R03.91.4363.</al><al>– B&amp;W zijn afgeweken van het negatieve welstandsadvies vanwege het
                            belang van de aanvrager bij eenduidige vormgeving van restaurants
                            (McDonald’s) en de plaats van vestiging aan de rand van het stedelijk
                            gebied. B&amp;W hadden zich, nu ook voor dat gebied de welstandseisen
                            van toepassing zijn, niet uitsluitend mogen laten leiden door het
                            bedrijfseconomisch belang van de aanvrager.</al><al> Pres. Rb. Zutphen 27 december 1994, JB 1995, p. 118.</al><al>– Een welstandscommissie bestond uit vier leden, te weten drie
                            architecten en een wethouder, die het voorzitterschap vervulde. Nog
                            daargelaten of de wethouder kan worden beschouwd als deskundige op het
                            gebied van welstand, is in ieder geval niet voldaan aan het vereiste van
                            onafhankelijkheid nu een van de leden van verweerders zitting heeft
                            gehad in de welstandscommissie. Dat deze zich niet inlaat met de
                            welstandsadvisering, doch zich beperkt tot het leiden van de zitting,
                            maakt dit niet anders. Ook bij een niet in dienst van de gemeente
                            werkzame deskundige kan sprake zijn van een nauwe relatie met de
                            gemeente. Een welstandscommissie met een oud-burgemeester als voorzitter
                            is wel correct samengesteld.</al><al> Rb. Maastricht 9 januari 1995, AWB 94/386.</al><al>– Appellant betoogt dat de welstandsadviezen niet op reguliere wijze tot
                            stand zijn gekomen. Hiervoor zijn naar het oordeel van de Afdeling geen
                            aanwijzigingen. Het enkele feit dat uit de korte weergave van de
                            welstandsadviezen niet de samenstelling van de commissie blijkt,
                            rechtvaardigt niet een dergelijke conclusie. </al><al> ABRS 20 maart 1995, R03.91.1190.</al><al>–Een negatief welstandsadvies kan niet een zo verstrekkende betekenis
                            hebben dat een inrichting die al vele jaren op dezelfde locatie in
                            werking is, niet meer aan de krachtens de </al><al>milieuwetgeving aan dat bedrijf te stellen voorschriften zou kunnen
                            voldoen omdat het in acht nemen van deze voorschriften strijd oplevert
                            met redelijke eisen van welstand. </al><al> Pres. Rb. Leeuwarden 20 maart 1995, JB 1995, 133, m.nt. R.J.G.H.
                            S.</al><al>– Afwijking van het welstandsadvies met als motivering dat het bouwplan
                            past in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Met deze motivering
                            wordt het karakter van de welstandstoetsing en de strekking van het
                            welstandsadvies miskend. De omstandigheid dat een bouwplan niet in
                            strijd is met een bestemmingsplan impliceert immers niet dat het
                            bouwplan ook voldoet aan de redelijke eisen van welstand.</al><al> Rb. Zutphen 16 januari 1995, 94/1969 WW 50 02 en 94/2707 WW 44 02.</al><al>– Negatief welstandsadvies voor een tijdelijk bouwwerk is met de
                            volgende motivering terzijde geschoven: “dat wij dit oordeel niet kunnen
                            overnemen, omdat de welstandscommissie onvoldoende rekening houdt met
                            het feit dat hier sprake is van een tijdelijk aanwezig gebouw; dat,
                            gelet op de relatief korte duur van de aanwezigheid, een vormgeving als
                            de onderhavige voor de hand ligt en ook moeilijk een meer op de omgeving
                            afgestemde vormgeving verlangd kan worden.” De president is van oordeel
                            dat een dergelijke motivering zo algemeen is dat het vereiste van een
                            welstandsadvies in een art. 17 WRO-procedure daarmee illusoir zou
                            worden. Pres. Rb Arnhem 22 juni 1995, KG 1995, nr. 370.</al><al>– B&amp;W zijn van het welstandsadvies afgeweken. Zij hebben daarbij
                            overwogen dat de door de welstandscommissie voorgestane wijziging van
                            het bouwplan huns inziens de massaliteit van het gebouw alleen maar zou
                            doen toenemen, hetgeen nu juist onwenselijk is. Naar het oordeel van de
                            president vormen deze overwegingen bij uitstek overwegingen die ten
                            grondslag liggen aan de beoordeling van welstand, een beoordeling
                            waartoe die commissie bij uitstek deskundig is. De president ziet dan
                            ook niet in dat B&amp;W met enkel eigen opvattingen de opvatting van een
                            deskundige commissie ter zijde kan stellen.</al><al> Pres. Rb. Dordrecht 17 juli 1995, BR 1995, p. 844.</al><al>– Afwijking van het negatieve welstandsadvies door B&amp;W Motivering is
                            echter niet toereikend. B&amp;W hebben hun standpunt uitsluitend
                            gebaseerd op hun eigen - van die van de terzake kundig te achten
                            welstandscommissie afwijkende - opvatting omtrent de welstandsaspecten
                            van dit bouwwerk. Een genoegzame onderbouwing van dit standpunt -
                            bijvoorbeeld met een rapport van een terzake deskundige -
                            ontbreekt.</al><al> ABRS 8 februari 1996, R03.93.0201.</al><al>– Aan het advies van de welstandscommissie moet als regel groot gewicht
                            worden toegekend. Deze advisering moet worden gezien als een waarborg
                            voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde
                            beoordeling van de welstandsaspecten. Hoewel B&amp;W niet aan het
                            welstandsadvies gebonden zijn en de verantwoordelijkheid voor de
                            welstandstoetsing geheel bij hen berust, mogen zij aan het advies in
                            beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het
                            advies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager
                            of een derde-belanghebbende een andersluidend advies overlegt van een
                            ander deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het
                            advies naar inhoud of totstandkoming gebreken vertoont. Appellant heeft
                            in de bezwaarfase geen tegenadvies van een of meer deskundigen
                            overgelegd; zijn privé-opvatting omtrent de welstandsaspecten van het
                            bouwwerk kan het oordeel van de welstandscommissie niet opzij
                            zetten.</al><al>ABRS, 30 mei 1996, R03.93.4418. Zie in gelijke zin ARRS 1 september
                            1993, R03.91.5767; ABRS, 11 januari 1996, Gst 7055/7, m.nt. JT; Rb.
                            Maastricht, 29 maart 1996, JB 1996, nr. 132.</al><al>– Negatief welstandsadvies wordt bestreden, waarbij geen tegenadvies is
                            overgelegd. Dat B&amp;W geen antwoord hebben gegeven op de vraag welk
                            bureau men zou kunnen inschakelen </al><al>om een ‘second opinion’ te krijgen doet daaraan niet af. Het verkrijgen
                            van een tegenadvies is niet een zaak van B&amp;W. </al><al> ABRS 13 mei 1996, Gst 7055/6, m.nt. JT.</al><al>– Verweerders hadden naar aanleiding van het negatieve welstandsadvies,
                            dat was gebaseerd op argumenten van planologisch-landschappelijke aard,
                            de welstandscommissie moeten vragen om opnieuw advies uit te brengen,
                            daarbij onder de aandacht brengend dat de oprichting van een
                            geluidscherm niet kan worden tegengehouden omdat het geldende
                            bestemmingsplan die toestaat en dat de beoordeling van het bouwplan zich
                            derhalve zou moeten toespitsen op de materiaalkeuze en de wijze van
                            uitvoering. Indien de welstandscommissie dit verzoek naast zich neer zou
                            leggen, zouden verweerders zichzelf een </al><al>oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van het bouwplan uit een oogpunt van
                            welstand moeten vormen.</al><al> ABRS 26 april 1995, R03.91.0372/R03.91.4853.</al><al>– Het is geoorloofd dat een lid van de welstandscommissie wordt
                            aangewezen als rapporteur, waarna diens advies door de voltallige
                            commissie wordt besproken, waarbij de commissie worden geacht de
                            beschikking te hebben gehad over alle voor de beoordeling van het in
                            geding zijnde bouwwerk relevante gegevens.</al><al> ABRS 24 oktober 1996, H01.96.0298.</al><al>– De welstandscommissie is niet ter plaatse komen kijken maar heeft haar
                            advies uitsluitend gebaseerd op een enkele foto. De grief dat hiermee
                            sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies deelt de
                            Voorzitter niet, daar is gebleken dat korte tijd voor de beoordeling van
                            onderhavige erfafscheiding een advies is uitgebracht over een tegenover
                            het perceel van appellant gelegen woning met bijbehorende
                            erfafscheiding. De commissie was derhalve op de hoogte van de feitelijke
                            situatie in de buurt, hetgeen ook blijkt uit het gegeven advies.</al><al> ABRS 14 november 1996, H01.96.0755/P90 en K01.96.0097.</al><al>– De welstandscommissie was bij het uitbrengen van haar advies t.a.v.
                            het bouwplan niet op de hoogte van de toekomstige bouwplannen van de
                            buurman. Hierdoor heeft deze commissie het bouwplan niet kunnen toetsen
                            ten opzichte van zijn (toekomstige) omgeving. B&amp;W mochten niet
                            afgaan op dit advies maar moeten een nieuw advies inwinnen.</al><al> ABRS 13 mei 1996, R03.93.5004.</al><al>–Weigering bouwvergunning in verband met niet voldoen aan redelijke
                            eisen van welstand op basis van advies welstandscommissie. Appellant
                            voert aan dat het advies op </al><al>onjuiste wijze tot stand is gekomen. Gebleken is, dat de
                            welstandscommissie heeft aangeboden een nadere toelichting te geven.
                            Appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt, doch wel gereviseerde
                            tekeningen ingediend, die wederom tot een negatief advies hebben geleid.
                            B&amp;W hebben in redelijkheid tot weigering kunnen komen. </al><al> ABRS 11 januari 1996, H01.95.0439/Q01.</al><al>– B&amp;W wijken gemotiveerd af van een negatief advies van de
                            welstandscommissie. Zij baseren zich op een tweede welstandsadvies dat
                            is opgesteld door de stedenbouwkundige van het adviesbureau dat ook het
                            vigerende bestemmingsplan heeft opgesteld. De afdeling ziet geen
                            aanknopingspunten voor de stelling dat het onderhavige bureau ter zake
                            niet gekwalificeerd is. Het enkele feit dat dit bureau betrokken is
                            geweest bij het opstellen van het bestemmingsplan, betekent nog niet dat
                            dit bureau niet onafhankelijk zou zijn.</al><al> ABRS 25 januari 1996, BR 1996, p. 651; JB 1996, 58.</al><al>–Het bestuursorgaan dat gebruik maakt van adviezen, dient zich ervan te
                            vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid,
                            zoals die aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Hiertoe
                            behoort dat is komen vast te staan dat van de zijde van de adviseurs
                            geen vooringenomenheid t.a.v. het onderwerp van advisering kon bestaan.
                            Uit het advies moet ten minste blijken op basis van welke gegevens dit
                            tot stand is gebracht en </al><al>welke procedure eis gevolgd. I.c. konden B&amp;W niet aantonen dat het
                            lid van de welstandscommissie, dat een collega-architect was van de
                            aanvrager, niet had deelgenomen aan de beraadslaging. Rb. Maastricht 29
                            maart 1996, JB 1996, nr. 132.</al><al>– Positief stempeladvies. Na de ingediende bezwaren hebben B&amp;W om
                            een nadere schriftelijke motivering gevraagd, die niet is bestreden door
                            overlegging van een deskundig tegenadvies. Omtrent welstand kan
                            verschillend geoordeeld worden. B&amp;W mochten op dit advies
                            afgaan.</al><al> ABRS 21 maart 1996, Gst 7055/5, m.nt. JT.</al><al><vet>Relatie bestemmingsplan – welstand</vet></al><al>– De welstandscommissie heeft getoetst aan criteria die een beletsel
                            opleveren voor het verwezenlijken van de bestemmingsmogelijkheden die
                            het bestemmingsplan biedt. Een dergelijke uitoefening van het
                            welstandstoezicht verdraagt zich niet met het stelsel van de
                            Woningwet.</al><al> Vz. ARRS 9 december 1993, R03.93.5818 en S03.93.4710.</al><al>– Hoewel het ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet geldende
                            welstandsvereiste niet wordt bestreken door de in artikel 9 van de
                            Woningwet neergelegde voorrangsregeling, dient de welstandstoets zich
                            niettemin in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het
                            geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>ABRS 25 maart 1995, BR 1995, 579 (hoger beroep van de uitspraken van de
                            Pres. Rb. Arnhem, 4 mei 1994, AWB 94/807 en Pres. Rb. Arnhem, 8
                            september 1994, AWB 94/2768 en AWB 94/2421.)</al><al>– Welstandseisen kunnen niet zover gaan dat daardoor de bij het
                            bestemmingsplan geschapen bouwmogelijkheden illusoir worden.</al><al> ABRS 8 augustus 1996, ABkort 1996, nr. 660.</al><al>– Welstandstoets mag niet leiden tot beperkingen bij realisering van de
                            aan de grond toegekende bestemming. </al><al> ABRS 25 maart 1995, AB 1996, nr. 185.</al><al>– Beide alternatieven houden rekening met het feit, dat de orde van de
                            vergadering of het belang van de aanvrager kan noodzaken tot het achter
                            gesloten deuren vergaderen. Een dergelijk besluit wordt genomen door de
                            commissie. Voor wat betreft de orde van de vergadering kan gedacht
                            worden aan de situatie, waarin een te volle publieke tribune veroorzaakt
                            wordt door de wens om de commissie onder druk te zetten.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet></al><al>– Uit de stukken is gebleken dat het in Maastricht gebruikelijk is dat
                            de beslissing van burgemeester en wethouders naar aanleiding van het
                            door de welstandscommissie uitgebrachte advies in veel gevallen
                            krachtens mandaat wordt genomen door de ambtelijk secretaris van de
                            welstandscommissie. Hoewel de Vz. ARRS zijn bedenkingen heeft tegen deze
                            gang van zaken, ziet hij hierin, in het thans voorliggende geval.
                            Onvoldoende aanleiding om over te gaan tot schorsing van het bestreden
                            besluit.</al><al> Vz. ARRS 20 januari 1993, Gst. 6983/8.</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                                woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                            Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen
                            (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële
                            regeling gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de
                            uitvoering van werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat
                            burgemeester en wethouders bij toepassing van de voorschriften van de
                            bouwverordening afwijken van een daarin aangewezen NNI-publikatie of
                            ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij houden aan de herziene
                            tekst van die zelfde publikatie of dat zelfde voorschrift. Bij een
                            dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde instantie immers in
                            het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen, waarbij een
                            commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke kring
                            - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publikatie van een voorlopige
                            editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het
                            onderhavige voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het
                            verschijnen van een gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een
                            norm, voornorm, praktijkrichtlijn of ander voorschrift de
                            bouwverordening moet worden gewijzigd om de actuele versie van de
                            aangewezen uitgave van kracht te doen zijn.</al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is
                            gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder
                            2<sup>o</sup> van de Wet op de economische delicten.</al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>vervallen, het gaat hier om oud en niet meer van toepassing zijnde
                            overgangsrecht van de modelverordening 1965 naar de modelverordening
                            1992.</al><al><vet>Artikel 12.3 Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                            artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                            zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van
                            het besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente </al><al>algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw
                            vastgestelde verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient
                            op grond van artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter
                            inzage te liggen op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door
                            de raad te bepalen plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                            bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                            echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening
                            vaststellen of burgemeester en wethouders in de verordening de
                            bevoegdheid geven om de inwerkingtreding van de verordening op een nader
                            tijdstip te bepalen.</al><al>Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking een
                            afschrift van de verordening te worden gezonden aan de inspecteur van de
                            Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt; zie artikel
                            95 van de Woningwet.</al><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Het Bouwbesluit 2012 treedt op 1 april 2012 inwerking. Omdat de
                            verordening op 17 april 2012 aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, is er
                            voor gekozen om de verordening met terugwerkende kracht op 1 april 2012
                            in te laten gaan. Zou dit niet gebeuren dan zou er een lacune ontstaan
                            in de periode 1 april 2012 t/m 16 april 2012, omdat door de
                            inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 een groot aantal bepalingen
                            van de Bouwverordening Steenwijkerland 2010 van rechtswege vervallen. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                                de bouwverordening (MBV 1965)</vet></al><al>-Niet de datum van het raadsbesluit bepaalt de inwerkingtreding, maar de
                            datum van afkondiging in samenhang met artikel 205 van de Gemeentewet,
                            dan wel hetgeen daarover in dat besluit is bepaald.</al><al>- ARRS 24 september 1985, RO 3.84.2316.</al><al><vet>Artikel B Overgangsbepalingen</vet></al><al>Deze overgangsbepaling ziet erop dat een aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, alsmede enig
                            bezwaar of beroep ingesteld tegen een beslissing op zo’n aanvraag, wordt
                            afgedaan op grond van de oude regeling.</al><al/><al><vet> Bijlagen</vet></al><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al><vet>Toelichting verordening</vet></al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i9eed0372-0638-427b-b77b-606ebc40c3b0" naam="i95990i9eed0372-0638-427b-b77b-606ebc40c3b0.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="11.13cm"/></plaatje></al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="iaa8b1e27-17cf-414a-af5e-65429c957e04" naam="i95986iaa8b1e27-17cf-414a-af5e-65429c957e04.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="11.47cm"/></plaatje></al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="if39b9756-a92e-46f0-9235-eba0dfef620b" naam="i95991if39b9756-a92e-46f0-9235-eba0dfef620b.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="9.49cm"/></plaatje></al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i9764183e-eae1-4585-a6c1-57231a49afe5" naam="i95992i9764183e-eae1-4585-a6c1-57231a49afe5.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="9.74cm"/></plaatje></al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i71377cf6-f4e1-4631-afa0-ab9980a69be9" naam="i95993i71377cf6-f4e1-4631-afa0-ab9980a69be9.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="10.40cm"/></plaatje></al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i72451b15-3f56-4ce7-bb0f-bbfc0c9cebfc" naam="i95994i72451b15-3f56-4ce7-bb0f-bbfc0c9cebfc.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="10.00cm"/></plaatje></al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder b)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i3fb07ece-3872-4e4a-a8ea-84c6259255af" naam="i95995i3fb07ece-3872-4e4a-a8ea-84c6259255af.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="9.90cm"/></plaatje></al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder c)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i90d37f2b-7cc4-4407-9592-7d90ae7fbfea" naam="i95997i90d37f2b-7cc4-4407-9592-7d90ae7fbfea.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="10.17cm"/></plaatje></al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder c)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i9d52939e-58f9-4479-928b-55dd26f32cfb" naam="i96000i9d52939e-58f9-4479-928b-55dd26f32cfb.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.3cm" hoogte="10.19cm"/></plaatje></al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder d)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i283f0682-162c-4a69-a1ba-b6d6e5d84842" naam="i96001i283f0682-162c-4a69-a1ba-b6d6e5d84842.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="10.60cm"/></plaatje></al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                            lid, onder e)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i75395b1e-264b-4978-8c3d-db690c70f39a" naam="i96002i75395b1e-264b-4978-8c3d-db690c70f39a.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="9.52cm"/></plaatje></al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                            achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                            artikel 2.5.11, lid 2)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ibece9f25-420f-402f-8003-aa5e0d42ada4" naam="i96004ibece9f25-420f-402f-8003-aa5e0d42ada4.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="10.04cm"/></plaatje></al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen
                            de bebouwde kom</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i808e524e-21a7-4d6b-bed8-d3edcbaa578e" naam="i96005i808e524e-21a7-4d6b-bed8-d3edcbaa578e.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="8.90cm"/></plaatje></al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten
                            de bebouwde kom</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i3c003dc8-86a2-433d-a279-ce2f1e25b6ba" naam="i96006i3c003dc8-86a2-433d-a279-ce2f1e25b6ba.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="9.74cm"/></plaatje></al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24,
                            alternatief 2). Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i6fa21cbd-19f5-4f89-8088-e4528f6deeae" naam="i96007i6fa21cbd-19f5-4f89-8088-e4528f6deeae.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="10.85cm"/></plaatje></al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                            lid, eerste alinea)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i197fd1c7-0f3d-4995-9472-3f49e3e52f14" naam="i96008i197fd1c7-0f3d-4995-9472-3f49e3e52f14.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="11.04cm"/></plaatje></al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                            lid, tweede alinea)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i518ad652-e66a-4f72-954b-8a2b6cf3dee2" naam="i96009i518ad652-e66a-4f72-954b-8a2b6cf3dee2.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="10.93cm"/></plaatje></al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede
                            lid, eerste alinea)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ibe90b92f-d667-4e23-836d-29c045cb881d" naam="i96010ibe90b92f-d667-4e23-836d-29c045cb881d.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15cm" hoogte="10.88cm"/></plaatje></al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede
                            lid, tweede alinea)</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i2dd2e29a-dc9c-464b-83f7-1fe5eb037174" naam="i96011i2dd2e29a-dc9c-464b-83f7-1fe5eb037174.png" uitlijning="start" kleur="nee" type="foto" breedte="15.1cm" hoogte="10.64cm"/></plaatje></al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                            (artikelen 2.5.22)</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>