<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR166013_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2012, 14e serie wijzigingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D'n Uitkijk, 30-03-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2012, 14e serie wijzigingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R 12-010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Bouwverordening 2010, 13e serie wijzigingen wordt hierbij ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2012, 14e serie wijzigingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1 Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="-"><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>- Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>Straatpeil:</al></li></lijst><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang
                                bij voltooiing van de bouw;</al><al>-Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>Gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><al>a het gebied binnen de bebouwde kom; </al><al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet
                                            bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                  bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                  2009, in overeenstemming met het
                                                  onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>vervallen;</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking
                                            heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                                            aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken.
                                            Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in
                                            het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk
                                            afwijken van de plicht tot het indienen van een
                                            onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van
                                            de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing
                                            van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                            recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een
                                            beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel
                                            2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel
                                            5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in
                                            NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                            historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt,
                                            dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen
                                            verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN
                                            5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijngesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                    verblijven;</al><al>b voor het bouwen waarvan omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen.</al><al> is vereist; en</al><al>c 1 dat de grond raakt, of</al><al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                    wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                    omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan
                                    de omgevingsvergunning voor het bouwen., in het geval zij op
                                    grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                                    onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                                    onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                                    tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid,
                                    van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor
                                    het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog
                                    geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen. </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij
                                    de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                                    een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer en brandblusvoorzieningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><al>(Vervallen).</al><al/><al><vet><cursief>(artikel 2.5.5 t/m 2.5.30 is alleen van toepassing
                                            daar waar geen bestemmingsplan geldig
                                        is).</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                    ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                    mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                    bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van
                                    de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                    bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op
                                    15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel
                                    3, eerste lid, onder k, veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                    onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht </al><al>b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                    een omgevingsvergunning is vereist,die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                                    lid, onder k, veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7,
                                    van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van
                                    de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn.</label></kop><al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is
                                    dan het straatpeil;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel
                                    2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de
                                    voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                    overschrijden;</al><al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                    galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                    overschrijden;</al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                    hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                    dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld
                                    zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                    bouwwerken.</al><al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met
                                    het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                    aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                    bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                    voor:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                    nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                    vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming
                                    op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                    afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                    verleend;</al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                    afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                    bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                    knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d bijgebouwen, anders dan de artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                    3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                    bedoelde gebouwen;</al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                    woningen;</al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de afwijking
                                    is gebaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn
                                    en bevindt zich:</al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                    vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                    ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                    grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien
                                    meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                    kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                    andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                    voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                    herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der
                                    onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                    gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                    rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                    bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                    zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4
                                    van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                    tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                    afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen,
                                    welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                    geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding
                                    van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                    gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvaneen
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw
                                    voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al><al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de
                                    artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht</al><al>e andere onderdelen van een vervangen door ‘bouwwerk, voor het
                                    bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het
                                    afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van,
                                    artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17
                                    van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                    als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                    handels- of industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen
                                    dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                    bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen anders dan de uitbouwen die vallen
                                    onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                    hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede
                                    andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende
                                    schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in
                                    artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                    ten minste een strook grond omvat die:</al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                    achtergevel, en</al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                    begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft
                                    van ten minste 5 meter.</al><al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                    op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                    gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van
                                    dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                    veranda’s buiten beschouwing blijven. </al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                    indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                    bestemd is;</al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                    wordt voldaan:</al><al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                    voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                    voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                    als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend
                                    erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het
                                    verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                    beletsel vormen;</al><al>b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                    van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat
                                    tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige
                                    bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan
                                    1 meter breed zijn;</al><al>b niet toegankelijk zijn.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label></kop><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van
                                    6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                    daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van
                                    6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                    ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist. in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                    de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist.</al><al>in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                    met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                    maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in
                                    de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn
                                    in hetzelfde bouwblok.</al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label></kop><al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist.
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de –
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist. mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen
                                    op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte
                                    van de laagst gelegen weg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten –
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21,
                                    eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23
                                    en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II
                                    bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                    anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                    aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij
                                    het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                    voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                    breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                    breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product
                                    van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                    plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                    meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20,
                                    eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid,
                                    2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                    andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                    vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                    indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                    gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                    handels- en industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                    bouwwerk, anders dan bedoeld i artikel 3, onderdeel 7 van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                    overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking
                                    is gebaat;</al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                    hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de
                                    bestaande;</al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in: artikel.2,
                                    onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                    soortgelijke aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                    meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                    1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                    afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                    erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                    verschillende gebouwen behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                    1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot
                                    bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel
                                            3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                            toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                            zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                            ruimtelijke ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                            onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><al>1 Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat
                                    is aangeduid op de – bij deze bouwverordening behorende – kaart
                                    als zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of
                                    goed bereikbaar is, moet – voor zover de omvang of de bestemming
                                    van het gebouw daartoe aanleiding geeft – ten behoeve van het
                                    parkeren of stallen van auto’s in beperkte mate ruimte zijn
                                    aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het
                                    onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>2 Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat
                                    is aangeduid op de – bij deze bouwverordening behorende – kaart
                                    als zijnde een gebied:</al><al>a waarin de bereikbaarheid per openbaar vervoer in de toekomst
                                    uitstekend of goed zal zijn; en</al><al>b waarin tevens, totdat die verbeterde bereikbaarheid is
                                    verwezenlijkt, van gemeentewege voor aanvullende parkeer- of
                                    stallingruimte wordt zorg gedragen;</al><al>moet – voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw
                                    daartoe aanleiding geeft – ten behoeve van het parkeren of
                                    stallen van auto’s in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in,
                                    op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>3 Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente
                                    dan wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang
                                    of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet
                                    ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende
                                    mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel
                                    op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                    Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of
                                    de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                    gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar
                                    vervoer.</al><al>4 De – in de voorgaande leden bedoelde – ruimten voor het
                                    parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd
                                    op gangbare personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                    1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; </al><al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                    een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de
                                    lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij
                                    5,00 m bedragen.</al><al>5 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                    te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>6 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde
                                    en het vijfde lid:</al><al>a voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                    stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;</al><al>b indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke
                                    bijzondere omstandigheden – voor wat betreft de toepassing van
                                    het eerste en het tweede lid – in elk geval worden
                                    gerekend:</al><al>een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte
                                    gebruikers of bezoekers van het gebouw; een te verwachten meer
                                    dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers, indien het gebouw
                                    bestemd is voor de vestiging van één of meer
                                    detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of
                                    vermakelijkheid; een bestemming van het gebouw als
                                    parkeergarage, dan wel garagebedrijf.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3 De melding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandcriteria</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><al> (Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen .</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. </label></kop><structuurtekst><al>Reinheid</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>6 Brandveilig gebruik</label></kop><structuurtekst><al>(Vervallen).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1Bepaling aantal personen nachtverblijf”</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van
                                    het Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op
                                    10. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>8 Slopen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen.</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen. </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7Intrekkenomgevingsvergunning voor het slopen. </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen.</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>9 Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand wordt uitgevoerd
                                door de gemeentelijke Welstandscommissie Reusel-De Mierden. Deze
                                commissie bestaat uit twee extern ter zake deskundige leden en een
                                intern lid zijnde beleidsmedewerker bouw- en woningtoezicht, hierna
                                gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al><al>2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                                welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan zonder advies van de welstandscommissie
                                beoordelen of een omgevingsvergunning voor het bouwen niet in strijd
                                zijn met redelijke eisen van welstand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><al>1 De welstandscommissie bestaat uit twee extern ter zake deskundige
                                leden en een intern lid zijnde beleidsmedewerker bouw- en
                                woningtoezicht.</al><al>2 Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden aangewezen die hen
                                bij afwezigheid kunnen vervangen.</al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste twee leden aanwezig zijn.</al><al>4 De externe deskundige leden van de welstandscommissie zijn
                                onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.</al><al>5 De welstandscommissie voert haar eigen secretariaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, zoals deze omschreven staat in
                                artikel 12c van de Woningwet. </al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag is
                                verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat
                                algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning voor het
                                bouwen uit binnen vier weken. </al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag is
                                verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat
                                algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een
                                project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen vier weken.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label></kop><al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
                                van de welstandscommissie is openbaar. De data voor de vergaderingen
                                van de welstandscommissie worden tijdig bekendgemaakt in een
                                huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen het
                                bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van
                                de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                                de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Belanghebbenden hebben spreekrecht voor zover de meerderheid van
                                de commissie dit toelaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                        advies, in afwijking van artikel 9.2, onder
                                        verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of
                                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de
                                        aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                        worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd
                                        aan de welstandscommissie.’</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><al>1 De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                bevoegd gezag bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening
                                en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                                andere voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij
                                deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de
                                bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of
                                het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of
                                vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>11 Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</label></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Overgangsbepalingen algemeen</label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een
                                aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012
                                en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen
                                van de Bouwverordening Reusel-De Mierden 2010 van toepassing, zoals
                                die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de
                                gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.7 Slotbepaling</label></kop><al>1 Deze verordening treedt in werking op 1 april 2012.</al><al>2 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><al>a de Bouwverordening Reusel-De Mierden 2010, 13e serie wijzigingen,
                                vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29 juni 2010;</al><al>3 Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening 2012,
                                14<sup>e</sup> serie wijzigingen’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 maart 2012.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.C.M. van Berkel H.A.J. Tuerlings</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlagen</label></kop><al><vet>Bijlage 1 </vet><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag
                        bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 1</vet><vet> De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening
                    </vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 2</vet><vet> De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                        gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de
                        bouwverordening</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 3</vet><vet> Funderingsplan</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 4</vet><vet> Constructieve en aanverwante gegevens</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 5</vet><vet> Bouwveiligheidsplan</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 6</vet><vet> Eisen ten aanzien van tekeningen</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Artikel 7</vet><vet> Eisen ten aanzien van berekeningen</vet></al><al>(Vervallen).</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 3</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet> Bijlage 9</vet></al><al>Reglement op de welstandscommissie Reusel-De Mierden</al><al>Taken van de commissie</al><lijst><li nr=""><al>Wettelijke taken</al><al>a. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen van bouwplannen waarvoor een vergunning vereist is.</al></li><li nr=""><al>Niet wettelijk verplichte taken</al><lijst><li nr=""><al>a. Beoordeling van aanvragen voor reclames.</al></li><li nr=""><al>b. Onder regie van de gemeente, en op verzoek de gemeente of de
                                    aanvrager het noodzakelijk geacht overlegvoeren met betrokkenen
                                    bij de voorbereiding van de bouwplannen.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>c. Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de
                                    welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen,
                                    bestemmingsplannen, erfbeplanting en inrichtingsplannen,
                                    beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere
                                    relevante beleidsstukken.</al></li><li nr=""><al>d. Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en
                                    architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                                    ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>e. Desgevraagd adviseren in het geval van excessen:
                                    buitensporigheden n het uiterlijk van bouwwerken die ook voor
                                    niet-deskundigen evident zijn.</al></li><li nr=""><al>f. Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de
                                    gemeenteraad, het bevoegd gezag en burgers. </al></li></lijst></li></lijst><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr=""><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
                            Zodra het advies is uitgebracht wordt het door of namens het bevoegd
                            gezag gevoegd bij de aanvraag om een vergunning</al></li><li nr=""><al>De Commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan het
                            bevoegd gezag, over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een
                            bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                            verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen
                            van welstand” (art. 12, lid 1 Ww 2002) Dit wordt beoordeeld aan de hand
                            van de criteria die daartoe door de gemeenteraad zijn vastgesteld. </al></li></lijst><al>Een welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben:</al><al><vet>Voldoet</vet></al><al>De Commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst
                    motiveert de Commissie haar advies schriftelijk.</al><al><vet>Voldoet mits </vet></al><al>De Commissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet
                    aan de toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde
                    bezwaren op die punten. De Commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van
                    het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het bevoegd gezag het advies overneemt,
                    krijgt de aanvrager voor zover dit</al><al> nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen
                    te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. Het bevoegd gezag kan ook
                    besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen in de
                    bouwvergunning.</al><al><vet>Voldoet in principe</vet></al><al>De hoofdopzet van het plan (de bouwmassavorm) voldoet aan redelijke eisen van
                    welstand. De geveluitwerkingen alsmede de materialisering en detailleringen
                    worden nog ter advisering opgevraagd. </al><al><vet>Voldoet niet</vet></al><al>De Commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan
                    redelijke eisen van welstand. Een negatief standpunt houdt in dat indien het
                    bevoegd gezag het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden
                    gewijzigd. Adviseert de Commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige
                    schriftelijke motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende
                    plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een
                    samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. </al><al><vet>Aanhouden</vet></al><al>De Commissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een nadere
                    toelichting van de opdrachtgever /ontwerper noodzakelijk is.</al><al/><al><cursief>Afwijken van het advies, afwijken van de criteria</cursief></al><al>Het bevoegd gezag volgen in hun oordeel in principe het advies van de
                    welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden:</al><al><cursief>Afwijken van het advies op inhoudelijke grond / second opinion
                    </cursief></al><al>Het bevoegd gezag kan op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de
                    welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de
                    van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie
                    naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien het bevoegd
                    gezag bij een vergunningaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel
                    komen dan de welstandscommissie, dan vragen zij voordat het besluit op de
                    vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de daarvoor geldige
                    afhandelingtermijn, een second opinion aan bij een andere welstandscommissie.
                    Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de verdere
                    oordeelsvorming van het bevoegd gezag. Indien het advies van de reguliere
                    commissie en de second opinion tegengesteld zijn en het bevoegd gezag op
                    inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie
                    wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De
                    reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al><al><cursief>Afwijken van het advies om andere redenen </cursief></al><al>Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 44 lid 1 d Ww 2002 de mogelijkheid om
                    bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch
                    de vergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere
                    redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze
                    afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd.
                    De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag
                    uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de
                    ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of
                    maatschappelijke belangen. </al><al><cursief>Afwijken van de criteria </cursief></al><al>De welstandscommissie kan bij haar advisering afwijken van het welstandsnota.
                    Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij
                    plannen die weliswaar niet voldoen aan enige</al><al> gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria maar wel aan redelijke
                    eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene
                    welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                    vergunning eveneens gemotiveerd. </al><al>Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de
                    welstandscommissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het
                    beleid, zal zij het bevoegd gezag in haar advies daarover informeren. </al><al><vet>Bijlage 10</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 12 </vet></al><al>(vervallen)</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Bouwverordening Reusel-De Mierden 2012 (14e serie wijzigingen)</label></kop><al>(inclusief de 14e serie wijzigingen op het model 1992)</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><cursief>Bouwtoezicht</cursief></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen
                    burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden.
                    Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als
                    “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al>Zie hiervoor:
                    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                    over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR: (Lbr.07/17,
                    CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al><cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al><cursief>Alternatief 3</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een
                    gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat
                    op het voornemen inspraak is verleend en het advies van de welstandscommissie is
                    ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                    voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al><al><cursief>Alternatief 4</cursief></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een
                    gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van
                    welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie (zie ook de toelichting bij alternatief 3).</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten
                    aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                    (Bor).</al><al><cursief>Wet BIBOB</cursief></al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet
                    Bibob).</al><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al><cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor
                        het bouwen</cursief></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al><cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning
                    en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1
                    Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                    gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al><cursief>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen.</al><al> Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                    gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds
                    als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend
                    dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een
                    afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een
                    private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden
                    heeft uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                    het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al><cursief>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                        bodem</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt
                    in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog
                    niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden
                    gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet </al><al>1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is
                    de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de
                    aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het
                    bevoegd gezag zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of</al><al> nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken
                    wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                    algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die
                    gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven
                    van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809,
                    nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een
                    recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het
                    begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl
                    dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe
                    zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al><cursief>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</cursief></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel</al><al> verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van
                    de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                    noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al><cursief>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                    opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al><cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                    bestemmingsplan</cursief></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit
                    artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro. </al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouw</al><al>d oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen
                    sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van
                    een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou
                    toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. </al><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te</al><al> sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al><cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief></al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling
                    externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in</al><al> werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden
                    moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De
                    normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi).
                    De besluiten gaan voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                    kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                    delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet</al><al> evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II
                    van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18</al><al> van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al><cursief>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief></al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al><al><cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                    relevant?</cursief></al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al><cursief>Sub d</cursief>.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al><cursief>Sub e</cursief>.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt
                    verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te
                    geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van
                    een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen</al><al> normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging
                    in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers,
                    de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het
                    tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid
                    van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                    verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                    vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op
                    CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving
                    en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting
                    CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een
                    verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis
                    in het eerste en in het tweede lid om een beperkte</al><al> parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer
                    bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare
                    parkeergarage aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te
                    verlenen in afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van
                    voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer
                    bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in
                    binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden vergunning
                    worden verleend.</al><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan een
                    daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder
                    meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30
                    MBV.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen en
                    eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de omgevingsvergunning. De op
                    grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft
                    kort samengevat:</al><al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                    parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                    1998</al><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de
                    parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden verbonden.
                    Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden aangenomen
                    dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel
                    van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot
                    betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                    mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de
                    voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de
                    wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de
                    verlening van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het
                    heffen van een geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit
                    hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                    tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar
                    de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële
                    voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art.
                    2.5.30 MBV. </al><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                    toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling
                    van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                    geldbedrag;</al><al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit
                    blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare
                    mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of</al><al> compensatie te verlangen.</al><al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren
                    van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de
                    parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de
                    omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al><al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                    www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                    parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                    voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                    [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                    desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting
                    van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld
                    een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast
                    dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden
                    aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing
                    betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m
                    acceptabel is voor het parkeren van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar
                    oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de
                    financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan.
                    De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer
                    terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid,
                    aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.</al><al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                    bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan
                    aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts
                    mogelijk is indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt
                    voorzien.</al><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de vijf
                    parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal
                    worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare
                    ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd
                    op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige
                    parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee
                    parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die
                    door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als
                    bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te
                    voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In
                    zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde
                    vereiste.</al><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                    inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                    betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik van de
                    afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt b,
                    is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken,
                    indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op
                    een blijvend</al><al> openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking</al><al> van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op
                    eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken.
                    De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt</al><al> bepaald dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de
                    onderscheidene categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen
                    naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om
                    de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                    als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                    kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                    ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                    beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                    stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                    beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor
                    een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend
                    beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de
                    orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                    terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                    alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit
                    vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                    Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                    voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing.
                    De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is
                    blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999,
                    356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. </al><al>In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd
                    dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                    advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                    langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen
                    omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende
                    bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                    welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van
                    de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt,
                    belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De
                    kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al><cursief>Alternatief </cursief></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert
                    over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><cursief>Onafhankelijkheid</cursief></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al><cursief>Deskundigen en burgers</cursief></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                    geen lid van de welstandscommissie.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar
                    minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners
                    deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstandscommissie.</al><al><cursief>Alternatief 3</cursief></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt
                    gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al><cursief>Alternatief 4</cursief></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit
                    elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale
                    welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de
                    rayonarchitect.</al><al><cursief>Alternatief 5</cursief></al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een
                    stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de MBV.</al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al><cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond
                    van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                    artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                    overgegaan. </al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning. </al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</vet></al><al><cursief>Openbaar vergaderen</cursief></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken</al><al> als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                    bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                    aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al><cursief>Belanghebbenden</cursief></al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al><cursief>Spreekrecht</cursief></al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al><cursief>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                        welstandscommissie</cursief></al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7
                    MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende
                    omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet
                    vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                    bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan
                    slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan
                    en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandadvies.</al><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer
                    op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken </al><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag
                    welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd
                    onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                    bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                    verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan de
                    welstandscommissie (..) voorleggen).</al><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te
                    stellen. </al><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de
                    beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk over
                    te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen
                    gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                    commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de
                    vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand
                    (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                    uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
                    om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria
                    zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van
                    de Woningwet.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te</al><al> leggen aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in
                    samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende
                    bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op
                    basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van
                    welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de
                    omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen
                    te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of
                    vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                    aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter
                    advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te
                    toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                    welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe
                    aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                    kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al><cursief>Geen mandatering</cursief></al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1
                    Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan.
                    Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de
                    commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de
                    modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan. </al><al><cursief>Samengevat</cursief></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><lijst><li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al></li><li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als
                            bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel 1.3
                    van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als
                    bedoeld in dit artikel.</al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te</al><al> voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor
                    burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In
                    dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14
                    november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al><cursief>Toelichting verordening</cursief></al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde
                    kom</al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde
                    kom</al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen
                    grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>