<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR165619_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit bodemkwaliteit</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-06-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit bodemkwaliteit</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit bodemkwaliteit</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Hoofdstuk</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al><al>Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan</al><al>chemische stoffenvoor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van</al><al>belasting door lokale verontreinigingsbronnen;</al><al>Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een</al><al>bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of</al><al>instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;</al><al>Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de</al><al>voordat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte</al><al>van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de</al><al>bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen</al><al>en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;</al><al>Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45</al><al>of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van</al><al>een of meer waterkwaliteitsbeheerders;</al><al>Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater,</al><al>zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze</al><al>Ministers vastgestelde indeling;</al><al>Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van</al><al>bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;</al><al>Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen</al><al>meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch</al><al>aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;</al><al>Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en</al><al>Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode</al><al>een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de</al><al>certificering geldende normdocument;</al><al>Erkende kwaliteitsverklaring: schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling</al><al>die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die</al><al>afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een</al><al>nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met</al><al>betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven</al><al>wijze;</al><al>Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of</al><al>een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende</al><al>voorwaarden;</al><al>Fabrikant-eigenverklaring: schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een</al><al>bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de</al><al>bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit</al><al>de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit</al><al>besluit gestelde eisen;</al><al>Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2</al><al>millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van</al><al>nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind</al><al>met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;</al><al>IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-,</al><al>en controlemaatregelen mag worden toegepast;</al><al>3</al><al>Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling</al><al>met rechtspersoonlijkheid, die beoordeelt of een persoon, een stof, een product, een installatie,</al><al>een voorziening of een ander object overeenstemt met een normdocument;</al><al>Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die</al><al>aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele</al><al>eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet</al><al>bodembescherming;</al><al>Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen waardoor bij toepassing van een</al><al>bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met hemelwater en grondwater;</al><al>Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van</al><al>de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;</al><al>Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de</al><al>Meststoffenwet;</al><al>Milieuhygiënische verklaring:</al><al>a. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende</al><al>kwaliteitsverklaring, en</al><al>b. voor grond, baggerspecie of de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt</al><al>toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de</al><al>bodem, die is afgegeven op basis van een kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede</al><al>lid of een bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of onderzoeksprotocollen;</al><al>Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen</al><al>beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen</al><al>bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;</al><al>Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en</al><al>Milieubeheer;</al><al>Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze</al><al>Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het bepaalde in</al><al>artikel 14 van toepassing is;</al><al>Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;</al><al>Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare</al><al>milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast;</al><al>Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt</al><al>uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin</al><al>wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is</al><al>vastgesteld;</al><al>Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;</al><al>Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;</al><al>Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede</al><al>het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels</al><al>wordt onder “het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater” mede verstaan het toepassen</al><al>van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;</al><al>Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan</al><al>van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk</al><al>opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor</al><al>de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van</al><al>grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen van grond of</al><al>baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater;</al><al>Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres en woonplaats waar een</al><al>instelling zetelt;</al><al>4</al><al>Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50</al><al>cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;</al><al>Waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening</al><al>ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;</al><al>Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing</al><al>van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het</al><al>ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.</al><al>Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en</al><al>Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wet</al><al>milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of</al><al>bouwstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en</al><al>de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van</al><al>de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van</al><al>degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater.</al><al>2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is</al><al>aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2</al><al>van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de</al><al>vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te</al><al>verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake</al><al>is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.</al><al>3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een</al><al>bouwstof toepast in oppervlaktewater.</al><al>4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen,</al><al>genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van</al><al>bouwstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en</al><al>de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van</al><al>de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, wordt toegepast, het bevoegd gezag.</al><al>2. Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van</al><al>inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op</al><al>grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd</al><al>gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.</al><al>3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of</al><al>baggerspecie toepast in oppervlaktewater.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de</al><al>naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de</al><al>bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere</al><al>bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben betrekking op de</al><al>5</al><al>strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de</al><al>handhavingsbevoegdheden.</al><al>2. Ingeval van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem,</al><al>uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer bodembeheergebieden,</al><al>waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende</al><al>bestuursorganen één bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen</al><al>zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit</al><al>gestelde verplichtingen.</al><al>3. Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de</al><al>bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:</al><al>a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater;</al><al>b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35;</al><al>c. het verstrekken van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid;</al><al>d. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en 42.</al><al>4. Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens</al><al>dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:</al><al>a. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater;</al><al>b. het in opdracht verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 35, op of in de bodem,</al><al>uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.</al><al>5. Aan de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid,</al><al>en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de daartoe verplichte personen</al><al>aan de desbetreffende verplichting is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie,</al><al>voor zover:</al><al>a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan</al><al>volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing;</al><al>b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of</al><al>onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en</al><al>c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel</al><al>1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al>2. De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,</al><al>gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die</al><al>voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.</al><al>3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken</al><al>van de bepalingen van dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet</al><al>milieubeheer. In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de</al><al>Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30, eerste en tweede lid,</al><al>en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid,</al><al>45, eerste lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid, onderdeel a, onder</al><al>i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat toepassingen van bouwstoffen, grond of</al><al>baggerspecie voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn</al><al>afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen</al><al>weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of</al><al>kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij</al><al>of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk</al><al>voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden</al><al>gevergd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels onderzoek dient te</al><al>verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid</al><al>ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 71 van de Wet</al><al>bodembescherming.</al><al>2. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:</al><al>a. zijn naam en adres;</al><al>b. de naam en het adres van de rechthebbenden;</al><al>b. de plaats waar het onderzoek zal plaatsvinden;</al><al>c. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en</al><al>d. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>KWALITEIT VAN DE UITVOERING VAN EEN WERKZAAMHEID</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>ERKENNING VAN PERSONEN EN INSTELLINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een werkzaamheid een erkenning verlenen</al><al>aan een persoon of een instelling.</al><al>2. De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de</al><al>werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon</al><al>die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze</al><al>Ministers aangewezen handelingen uitvoert.</al><al>3. Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.</al><al>4. Onze Ministers stellen lijsten met erkende personen en instellingen beschikbaar via een</al><al>door hen aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de</al><al>Staatscourant geplaatst.</al><al>5. Een erkenning is niet overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een door Onze Ministers</al><al>vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers.</al><al>2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:</al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager;</al><al>b. de werkzaamheid waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al>c. het certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;</al><al>d. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;</al><al>e. indien van toepassing, de naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28</al><al>van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden, van de</al><al>natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 9, tweede lid.</al><al>3. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid</al><al>bedoelde gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Ministers beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de</al><al>aanvraag. Onze Ministers kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste acht weken.</al><al>2. Indien de beschikking niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn is</al><al>bekendgemaakt, wordt de beschikking geacht te zijn geweigerd.</al><al>3. Onze Ministers verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk indien de desbetreffende</al><al>persoon of instelling:</al><al>a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert; en</al><al>b. heeft voldaan aan artikel 10, tweede lid..</al><al>4. Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven of een erkenning voor een</al><al>werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie.</al><al>5. Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de desbetreffende</al><al>persoon of instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren</al><al>voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of</al><al>krachtens dit besluit, bij of krachtens één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel</al><al>225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een</al><al>werkzaamheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de erkenning worden gewijzigd.</al><al>Artikel 9, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>2. Het verzoek wordt, door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier,</al><al>ingediend bij Onze Ministers. Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al>3. Onze Ministers beslissen binnen vier weken na de datum van ontvangst van het</al><al>verzoek. Onze Ministers kunnen deze termijn verlengen met ten hoogste vier weken. Artikel 11,</al><al>tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 10, tweede lid, onderdeel e, verstrekt een aanvrager, wiens land</al><al>van oorsprong of herkomst een andere lidstaat van de Europese Unie is dan Nederland, dan wel</al><al>een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte een</al><al>gelijkwaardige verklaring omtrent het gedrag, die niet ouder is dan zes maanden.</al><al>2. Met een certificaat of een accreditatie wordt gelijkgesteld een certificaat of een</al><al>accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegd verklaarde certificeringsinstelling,</al><al>onderscheidenlijk accreditatie-instelling, in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in</al><al>een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake</al><al>de Europese Economische Ruimte, welk certificaat of accreditatie is afgegeven op basis van</al><al>onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig</al><al>is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen of normdocumenten wordt gewaarborgd.</al><al>3. Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of vergelijkbare beschikking</al><al>afgegeven door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie dan</al><al>Nederland dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese</al><al>Economische Ruimte, op basis van voorwaarden die een beschermingsniveau bieden dat ten</al><al>minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, wordt</al><al>gewaarborgd. Artikel 9, vierde lid en artikel 24 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Voor toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder “Onze Ministers” verstaan: Onze</al><al>Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>VERBODEN EN VERPLICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren zonder daartoe verleende erkenning.</al><al>2. De in artikel 9, tweede lid bedoelde handelingen kunnen slechts worden uitgevoerd</al><al>door een natuurlijke persoon die staat vermeld op de erkenning.</al><al>3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de werkzaamheid wordt</al><al>uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat of een accreditatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan</al><al>een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat</al><al>dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van</al><al>de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of</al><al>bouwstof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een</al><al>bij ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of</al><al>bouwstof, waarop deze instelling of persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.</al><al>2. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een</al><al>bij ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof, een</al><al>bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander object, waarmee deze instelling</al><al>of persoon een organisatorische, financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen</al><al>voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.</al><al>3. Het eerste lid geldt niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen,</al><al>op aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de</al><al>werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de organisatie dat of een</al><al>persoon die:</al><al>a. geen financieel belang heeft bij de uitkomst van de werkzaamheid;</al><al>b. onder een andere bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan degene die een persoonlijk of</al><al>zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, en</al><al>c. onder de directe aansturing van een andere leidinggevende valt dan degene die een persoonlijk</al><al>of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.</al><al>4. Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen als</al><al>bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor de desbetreffende</al><al>werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende</al><al>normdocument.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover het afwijken van het</al><al>normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen</al><al>instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement of surseance van betaling. De melding</al><al>geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of intrekking van</al><al>een certificaat, onderscheidenlijk een accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een</al><al>door Onze Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een door Onze</al><al>Ministers vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens</al><al>wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd</al><al>die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in</al><al>strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.</al><al>2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en 8.49</al><al>van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid,</al><al>39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of krachtens wettelijke</al><al>voorschriften, gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs</al><al>had kunnen vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor</al><al>het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.</al><al>2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.40, eerste lid,</al><al>van de Wet milieubeheer, de artikelen 2a tot en met 2d van de Wet verontreiniging</al><al>oppervlaktewateren en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid, 39, eerste en vierde lid, 39b,</al><al>tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72 van de Wet bodembescherming.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>SANCTIES</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken:</al><al>a. op verzoek van de erkende persoon of instelling;</al><al>b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en kennis omtrent de</al><al>juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al><al>c. indien het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is</al><al>ingetrokken of niet meer geldig is;</al><al>d. indien de erkende persoon of instelling in staat van faillissement verkeert of surseance van</al><al>betaling heeft verkregen, of</al><al>e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 9, tweede</al><al>lid, een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of</al><al>krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht,</al><al>voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.</al><al>2. Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren,</al><al>geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:</al><al>a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of</al><al>b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onder e.</al><al>3. Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking heeft op een</al><al>certificeringsinstelling blijven de door deze instelling afgegeven certificaten gedurende zes</al><al>maanden geldig.</al><al>4. Ingeval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste</al><al>lid, onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen</al><al>een redelijke termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet</al><al>justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee maanden. Indien</al><al>de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of</al><al>kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren</al><al>geheel of gedeeltelijk schorsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Onze Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning in de lijsten, bedoeld in</al><al>artikel 9, vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Onze Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover deze:</al><al>a. niet in strijd zijn met een wettelijk voorschrift;</al><al>b. zijn vastgesteld door organen waarin alle betrokken partijen zich konden laten</al><al>vertegenwoordigen;</al><al>c. zowel qua inhoud als qua strekking voldoende duidelijk zijn, en</al><al>d. voldoende draagvlak hebben bij de betrokken partijen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>BOUWSTOFFEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het percentage van de</al><al>totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.</al><al>2. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per</al><al>kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid daarvan, wordt</al><al>vastgesteld.</al><al>3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een bouwstof</al><al>die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze</al><al>grond of baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:</al><al>a. bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c. van de</al><al>Woningwet worden toegepast;</al><al>b. bouwstoffen die vallen onder een douaneregeling en bestemd zijn voor douanevervoer,</al><al>plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16 van</al><al>verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober</al><al>1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).</al><al>2. Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van bouwstoffen is toegestaan</al><al>zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn</al><al>bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden</al><al>aangebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden</al><al>voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen</al><al>of toepassen van bouwstoffen is verboden, tenzij:</al><al>a. de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald aan de hand van de</al><al>parameters, die in bijlage 1 van dit besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn</al><al>aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden door of</al><al>onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning;</al><al>b. een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling op een bij regeling van</al><al>Onze Ministers voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a, de bij</al><al>regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet</al><al>overschrijden;</al><al>c. uit een milieuhygiënische verklaring, die is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers</al><al>vastgestelde voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b; en</al><al>d. een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij regeling van Onze</al><al>Ministers vastgestelde gegevens bevat.</al><al>2. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaaldin welke gevallen een afleveringsbon als</al><al>bedoeld in het eerste lid, onder d niet vereist is.</al><al>3. Degene die de bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische</al><al>verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn</al><al>toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.</al><al>4. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het</al><al>samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof.</al><al>5. Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en</al><al>7 van dit besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en</al><al>emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische</al><al>verklaring vereist, indien sprake is van de volgende handelingen:</al><al>a. het toepassen van metselmortel of natuursteenproducten, met uitzondering van breuksteen en</al><al>steenslag;</al><al>b. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van vormgegeven</al><al>bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;</al><al>c. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van bouwstoffen, waarvan</al><al>de eigendom niet wordt overgedragen;</al><al>d. het opnieuw toepassen van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien</al><al>overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt</al><al>aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;</al><al>e. het toepassen van bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van</al><al>beroep of bedrijf.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die de bouwstof</al><al>toepast op grond van kennis of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had</al><al>moeten aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder</al><al>b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast, indien:</al><al>a. de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze Ministers gesteld maximale emissiewaarden</al><al>voor IBC-bouwstoffen;</al><al>b. de bouwstof ten minste het bij regeling van Onze Ministers bepaalde volume heeft en</al><al>aaneengesloten in een werk wordt toegepast;</al><al>c. isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden getroffen, die voldoen aan de daarvoor bij</al><al>regeling van Onze Ministers gestelde eisen en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van</al><al>Onze Ministers aangewezen persoon of instelling.</al><al>2. Het is verboden IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis, gesteld in artikel 30,</al><al>onder c, voor zover anders dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van</al><al>bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.</al><al>2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:</al><al>a. de beoordeling van de gelijkwaardigheid; en</al><al>b. de bij de aanvraag te verstrekken gegevens, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van</al><al>bescherming als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3. Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier,</al><al>ingediend bij Onze Minister.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 29, eerste</al><al>lid, onder c, meldt dit voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze</al><al>Minister.</al><al>2. Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30</al><al>meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister.</al><al>3. Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende</al><al>gegevens verstrekt:</al><al>a. de naam en het adres van de toepasser;</al><al>b. de datum waarop de toepassing zal plaatsvinden;</al><al>c. de toepassingslocatie ;</al><al>d. de beoogde toepassing;</al><al>e. het soort en de hoeveelheid toe te passen bouwstof.</al><al>Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:</al><al>f. het werk, en</al><al>g. de plaats van herkomst van de toe te passen bouwstof.</al><al>Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts verstrekt:</al><al>h. een milieuhygiënische verklaring; en</al><al>i. de beschrijving van de isolatie, controle- en beheersmaatregelen, alsmede de vermelding van de</al><al>persoon of instelling die deze maatregelen heeft goedgekeurd.</al><al>4. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het derde lid</al><al>bedoelde gegevens.</al><al>5. Indien bij een voorgenomen toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische</al><al>verklaring nog niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt deze</al><al>uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze</al><al>Minister verstrekt.</al><al>6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier</al><al>waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels</al><al>stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.</al><al>7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch</al><al>door aan het bevoegd gezag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:</al><al>a. niet met de bodem wordt vermengd;</al><al>b. kan worden verwijderd; en</al><al>c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk waarvan de bouwstof deel</al><al>uitmaakt niet meer als functionele toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt</al><al>tot een grotere aantasting van de bodem of het oppervlaktewater dan het niet verwijderen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>GROND EN BAGGERSPECIE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de wijze bepaald waarop wordt vastgesteld of</al><al>een materiaal aan te merken is als grond of baggerspecie.</al><al>2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan,</al><al>grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd</al><al>materiaal.</al><al>3. Op grond van milieuhygiënische overwegingen kunnen onze Ministers voor een</al><al>toepassing van grond of baggerspecie een lager gewichtspercentage bodemvreemd materiaal</al><al>vaststellen dan genoemd in het derde lid en hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd</al><al>materiaal nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:</al><al>a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg constructies, waaronder mede worden</al><al>begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;</al><al>b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem</al><al>onder oppervlaktewater, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en</al><al>landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid;</al><al>c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een locatie die wordt gesaneerd</al><al>als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een</al><al>stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk derde lid, van de Wet</al><al>milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van</al><al>nadelige gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft</al><al>als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;</al><al>d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en</al><al>voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de</al><al>hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de</al><al>bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;</al><al>e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de</al><al>herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op</al><al>onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;</al><al>f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen,</al><al>met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;</al><al>g. verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, met het oog op de duurzame vervulling</al><al>van de ecologische en morfologische functies van het sediment, behoudens op of in uiterwaarden,</al><al>gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van de daarbinnen gelegen aangrenzende</al><al>percelen van watergangen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;</al><al>h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in</al><al>onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van</al><al>de bodem onder oppervlaktewater, of gedurende maximaal tien jaar in oppervlaktewater;</al><al>i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel</al><al>a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de</al><al>baggerspecie afkomstig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen.</al><al>2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende handelingen:</al><al>a. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de samenstelling de interventiewaarde</al><al>overschrijdt, tenzij artikel 44, tweede lid, of artikel 45, tweede lid van toepassing is;</al><al>b. het op of in de bodem brengen van producten die overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de</al><al>Meststoffenwet gestelde regels als meststof mogen worden verhandeld;</al><al>c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen van toepassing is, tenzij bij of krachtens</al><al>dat besluit anders is bepaald.</al><al>3. Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is</al><al>toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens,</al><al>zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die</al><al>toepassing wordt aangebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5,</al><al>eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.</al><al>2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop</al><al>een overschrijding wordt vastgesteld van waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd</al><al>in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de</al><al>bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe</al><al>beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip</al><al>van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.</al><al>2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een</al><al>milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.</al><al>3. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de</al><al>milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.</al><al>4. De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van</al><al>Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.</al><al>5. Bij regeling van onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het</al><al>samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.</al><al>6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:</al><al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf; en</al><al>b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,</al><al>indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel</al><al>waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie</al><al>wordt toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze</al><al>Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit</al><al>hoofdstuk niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of</al><al>baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers</al><al>bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning</al><al>krachtens artikel 9, eerste lid.</al><al>2. De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een</al><al>milieuhygiënische verklaring.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van dit besluit</al><al>genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen</al><al>worden gemeten ten behoeve van:</al><al>a. de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie, met inbegrip van de</al><al>emissiewaarden voor toepassingen voor zover vereist op grond van artikel 63, en</al><al>b. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin grond of baggerspecie wordt</al><al>toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35,</al><al>onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf</al><al>werkdagen van tevoren aan Onze Minister.</al><al>2. Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e en g,</al><al>worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:</al><al>a. de naam en het adres van degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen;</al><al>b. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt uitgevoerd;</al><al>c. de milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie;</al><al>d. de plaats van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie;</al><al>e. de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie;</al><al>f. de toepassingslocatie;</al><al>g. voor zover het een toepassing betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de</al><al>bodemkwaliteitsklasse;</al><al>h. voor zover het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemfunctieklasse.</al><al>3. Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid,</al><al>onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing,</al><al>bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld</al><al>in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.</al><al>4. Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer</al><al>is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn</al><al>gemeld.</al><al>5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid</al><al>bedoelde gegevens.</al><al>6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier</al><al>waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen</al><al>nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.</al><al>7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch</al><al>door aan het bevoegd gezag.</al><al>8. Het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;</al><al>b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,</al><al>indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel</al><al>waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie</al><al>wordt toegepast;</al><al>c. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang</al><al>van minder dan 50 m3 toe te passen.</al><al>9. Degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een</al><al>omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid</al><al>eenmalig de gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.</al><al>10. Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van toepassing op het toepassen</al><al>van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.</al><al>11. De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede, onder a,</al><al>c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf jaren:</al><al>a. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 39,</al><al>uitgezonderd degene, bedoeld in het achtste lid, onder a en b;</al><al>b. degene die baggerspecie verspreidt uit een watergang over de aan de watergang grenzende</al><al>percelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder g, kan de</al><al>waterkwaliteitsbeheerder met betrekking tot de oppervlaktewateren onder zijn beheer</al><al>verspreidingsvakken aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden</al><al>verspreid.</al><al>2. Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid</al><al>aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale hoeveelheid.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>TOETSINGSKADERS VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in</al><al>artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden</al><al>vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede</al><al>een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34,</al><al>tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.</al><al>2. De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden voor de</al><al>bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het</al><al>afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien:</al><al>a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door stoffen die verspreid in dat bodembeheergebied</al><al>voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging;</al><al>b. die waarden en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het</al><al>bodembeheergebied; en</al><al>c. die waarden niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld op grond van de</al><al>beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het vaststellen van de noodzaak van een</al><al>spoedige sanering als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap</al><al>kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet</al><al>verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor het</al><al>toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c</al><al>tot en met e en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden</al><al>vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of waarin de grond of baggerspecie</al><al>wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,</al><al>bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.</al><al>2. De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de</al><al>interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de maximale waarden voor de</al><al>bodemfunctieklasse industrie worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd</al><al>materiaal kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 44,</al><al>tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap</al><al>kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet</al><al>verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor</al><al>toepassingen als bedoeld in artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen</al><al>bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen</al><al>baggerspecie die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid voor die toepassing</al><al>zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,</al><al>bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.</al><al>2. Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het bestuursorgaan, bedoeld in</al><al>het eerste lid, voor daarbij aan te geven parameters geen hogere maximale waarden kan</al><al>vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.</al><al>3. Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de Nederlandse territoriale zee kan</al><al>het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de</al><al>krachtens artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid, bevat:</al><al>a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde</al><al>protocollen, waarop zijn aangegeven de begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van</al><al>de bodem en, bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder</al><al>oppervlaktewater, de bodemfuncties;</al><al>b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid;</al><al>c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel</al><al>34, derde en vierde lid;</al><al>d. een motivering van het besluit aan de hand van de lokale maximale waarden en, voor zover</al><al>van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de kwaliteit van de</al><al>bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en het gewichtspercentage bodemvreemd</al><al>materiaal en een beschrijving van de overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde</al><al>methoden bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de kwaliteit van de bodem in</al><al>het bodembeheergebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Een besluit op grond van artikel 46, eerste lid, bevat:</al><al>a. een of meerdere kaarten waarop de begrenzing van dat bodembeheergebied is aangegeven;</al><al>b.de maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 46, eerste</al><al>lid;</al><al>c. een motivering van het besluit aan de hand van de maximale waarden en het percentage</al><al>bodemvreemd materiaal in relatie tot de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en</al><al>de maatschappelijke noodzaak van die waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 wordt toepassing</al><al>gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep worden ingesteld bij de</al><al>Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Op een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46, zijn de</al><al>artikelen 47 tot en met 50 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen</al><al>grond of baggerspecie niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de</al><al>maximale waarden, bedoeld in artikel 46.</al><al>2. Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden, bedoeld in de</al><al>artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast in het</al><al>bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.</al><al>3. Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem,</al><al>waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, overschrijdt, kan deze grond of</al><al>baggerspecie alleen worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.</al><al>4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:</al><al>a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de</al><al>uitoefening van beroep of bedrijf;</al><al>b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of</al><al>baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een</al><al>vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt</al><al>toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, overweegt ten minste eenmaal in de</al><al>tien jaar in hoeverre een aldaar bedoeld besluit herziening behoeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45</al><al>of 46 is genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit</al><al>besluit op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen</al><al>hun gemeente, waarop of waarin de grond of baggerspecie zal worden toegepast, vast.</al><al>2. Bij regeling van Onze Ministers worden voor de bodemfunctieklassen, bedoeld in het</al><al>eerste lid, maximale waarden vastgesteld.</al><al>3. Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen vastgesteld waaraan de kaart, bedoeld</al><al>in het eerste lid, moet voldoen.</al><al>4. Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of</al><al>baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet overschrijdt.</al><al>5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in</al><al>oppervlaktewater.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Indien de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt</al><al>toegepast, voldoet aan de achtergrondwaarden, dan wel voor deze bodem niet de</al><al>bodemfunctieklasse wonen of industrie geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of</al><al>baggerspecie toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden niet overschrijdt.</al><al>2. Het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de</al><al>uitoefening van beroep of bedrijf;</al><al>b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of</al><al>baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een</al><al>vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt</al><al>toegepast;</al><al>c. het toepassen van baggerspecie, als bedoeld in artikel 35, onder f en i;</al><al>d. het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35, onder g.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de bodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen</al><al>en worden voor de bodemkwaliteitsklassen maximale waarden vastgesteld.</al><al>2. Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste lid, vastleggen</al><al>op een kaart.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Indien het bevoegd gezag de bodemkwaliteitsklasse niet heeft vastgelegd op een kaart,</al><al>stelt degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen de bodemkwaliteitsklasse vast</al><al>op de bij regeling van Onze Ministers bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens gebruikt die</al><al>afkomstig zijn van een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning.</al><al>2. Het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;</al><al>b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,</al><al>indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel</al><al>waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie</al><al>wordt toegepast;</al><al>c. degene die voornemens is baggerspecie toe te passen, als bedoeld in artikel 35, onder f, g en i.</al><al>3. Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie als</al><al>bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h, met een duur van korter dan 6 maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder a tot en met</al><al>e, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit</al><al>van de grond of baggerspecie niet:</al><al>a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie; en</al><al>b. de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.</al><al>2. Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van grond of</al><al>baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem</al><al>toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de kwaliteit</al><al>van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het eerste lid, onder b.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in</al><al>oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden voor de</al><al>bodemfunctieklasse industrie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt</al><al>de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde</al><al>maximale waarden niet.</al><al>2. Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg, voetpad</al><al>of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de</al><al>watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Onze Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre de waarden, bedoeld in</al><al>de artikelen 55, eerste lid, en 57, derde lid, herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in</al><al>kennis van hun bevindingen daaromtrent.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Deze paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de</al><al>Nederlandse territoriale zee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en</al><al>met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft</al><al>niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits</al><al>a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:</al><al>i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en</al><al>ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, de</al><al>maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede</al><al>lid;</al><al>iii. bij toepassing in oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse</al><al>industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en</al><al>b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt</al><al>aangebracht.</al><al>2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het</al><al>eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling</al><al>van Onze Ministers te bepalen gevallen.</al><al>3. De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve</al><al>meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen</al><al>nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.</al><al>4. Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan</al><al>het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.</al><al>5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel</al><al>35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:</al><al>a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen en</al><al>spoorwegen betreft; en</al><al>b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een</al><al>aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende</al><al>bermen en taluds.</al><al>6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of</al><al>baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan</al><al>een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het</al><al>ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de toepassing van grond of baggerspecie,</al><al>bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid, nadere regels worden gesteld ter bescherming van de</al><al>kwaliteit van de omliggende bodem en het grond- of oppervlaktewater.</al><al>2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld met betrekking tot</al><al>beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding van de toepassing, bedoeld in artikel 63,</al><al>eerste en vijfde lid.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken,</al><al>met dien verstande dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende tijdstippen</al><al>kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het besluit tot inwerkingtreding van het</al><al>besluit bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 83, eerste lid.</al><al>2. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming blijft van</al><al>toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke</al><al>Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken, met uitzondering van</al><al>artikel 21, met dien verstande dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit</al><al>bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.</al><al>2. Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:</al><al>a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het Besluit uitvoeringskwaliteit</al><al>bodembeheer is aangevangen;</al><al>b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering van een wettelijke taak door of in opdracht</al><al>van een bestuursorgaan, of</al><al>c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A</al><al>Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag</al><al>bouwvergunning komt te luiden:</al><al>e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek</al><al>uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit</al><al>bodemkwaliteit is erkend.</al><al>B</al><al>Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag</al><al>bouwvergunning komt te luiden:</al><al>e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun</al><al>bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op</al><al>te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder</al><al>meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de</al><al>bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen</al><al>onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van</al><al>Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de</al><al>Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een</al><al>verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een</al><al>terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de</al><al>resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek</al><al>milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740</al><al>volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN</al><al>5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de</al><al>onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van</al><al>asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN</al><al>5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat)</al><al>respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen.</al><al>Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en</al><al>wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek.</al><al>Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van</al><al>bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader</al><al>onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel</al><al>1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.</al><al>De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op</al><al>grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen</al><al>voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning</al><al>nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een</al><al>bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen</al><al>bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en</al><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond</al><al>raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een</al><al>bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op</al><al>grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.</al><al>Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5,</al><al>onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon</al><al>of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd</al><al>besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer.</al><al>Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het</al><al>uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van</al><al>VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat</al><al>of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen</al><al>aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.</al><al>Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas</al><al>kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het</al><al>voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de</al><al>bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd</al><al>kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit</al><al>onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze</al><al>bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de</al><al>aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde</al><al>voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere</al><al>indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip</al><al>van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden</al><al>vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>A</al><al>Categorie 28.3, onderdeel c van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit</al><al>milieubeheer komt te luiden:</al><al>c. inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie</al><al>waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld in</al><al>overeenstemming met de bepalingen van dat besluit;</al><al>Onderdeel f vervalt onder vernummering van onderdeel g tot f.</al><al>B</al><al>Categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, onderdeel</al><al>a, onder 3°, komt te luiden:</al><al>3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde</al><al>baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.10 m3 of meer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A</al><al>in artikel 1 vervallen de aanduidingen van</al><al>nationale beoordelingsrichtlijn</al><al>onderhoudsspecie klasse 0</al><al>onderhoudsspecie klasse 1</al><al>onderhoudsspecie klasse 2</al><al>verspreiden en de daarbijbehorende begripsomschrijvingen.</al><al>B</al><al>Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:</al><al>1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:</al><al>b. sprake is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit</al><al>bodemkwaliteit;</al><al>2. De onderdelen c, d en e vervallen.</al><al>3. Onderdeel f komt te luiden:</al><al>f. dit geschiedt overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit in een werk waarin avi-bodemas</al><al>wordt gebruikt als bouwstof indien deze;</al><al>1. niet meer dan 5,5% onverbrand vliegas bevat,</al><al>2. niet is vermengd met avi-vliegas, en</al><al>3. ten minste zes weken opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas</al><al>eerder is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het</al><al>Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, of in een werk als</al><al>bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit;</al><al>4. Het tweede lid komt te luiden:</al><al>2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid aangegeven</al><al>handelingen met gevaarlijke afvalstoffen.</al><al>5. Het derde lid komt te luiden:</al><al>3. Het eerste lid, onder a, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde</al><al>handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het</al><al>Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt.</al><al>6. Het vierde lid vervalt.</al><al>7. Het vijfde lid komt te luiden:</al><al>5. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde</al><al>handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het</al><al>Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt, met uitzondering van:</al><al>a. categorie 19, voorzover het betreft granulaat en de categorieën 20, 21 en 24;</al><al>b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.</al><al>C</al><al>Artikel 3 vervalt.</al><al>D</al><al>Artikel 4a vervalt</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>70</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A</al><al>Artikel 3, tweede lid, komt te luiden;</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als</al><al>bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:</al><al>a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de categorieën 20, 21 en 24;</al><al>b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.</al><al>B</al><al>Aan artikel 11e wordt een lid toegevoegd, luidende:</al><al>3. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning als</al><al>bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag in</al><al>oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet</al><al>milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten</al><al>hoogste tien jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>71</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:</al><al>Na artikel 7 wordt in Hoofdstuk 2 een artikel ingevoegd, luidende:</al><al>Artikel 7a</al><al>1. Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet, bedraagt € 0,45.</al><al>2. Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een bedrag van</al><al>€ 226 890,11.</al><al>3. Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>72</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:</al><al>Artikel 5, onderdeel l, wordt vervangen door:</al><al>l. bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien zijn van een</al><al>overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende</al><al>kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat zij voldoen aan</al><al>de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of artikel 30, eerste lid, van dat besluit en die</al><al>worden toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende</al><al>vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is</al><al>aangebracht;</al><al>m. grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien is van een</al><al>overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende</al><al>kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat de kwaliteit van</al><al>de grond de maximale waarde voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55,</al><al>tweede lid, van dat besluit, niet overschrijdt en die wordt toegepast in een voorziening, die op</al><al>grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de</al><al>Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A</al><al>Artikel 1 vervalt.</al><al>B</al><al>Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:</al><al>In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:</al><al>b. Indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het</al><al>Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van</al><al>verontreiniging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Onderdeel c van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als</al><al>volgt gewijzigd:</al><al>A</al><al>In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:</al><al>1°. baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en</al><al>B</al><al>Onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als</al><al>volgt gewijzigd:</al><al>In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:</al><al>1°. Het storten of opslaan van baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit</al><al>bodemkwaliteit in een hoeveelheid van 250.000 m3 of meer,</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft van toepassing</al><al>op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en baggerspecie in een werk, indien de</al><al>bouwstoffen voor dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het tijdstip van</al><al>inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of waarin de grond wordt gebruikt een</al><al>bodemkwaliteitskaart is vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de</al><al>bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding</al><al>van dit besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>77</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor</al><al>partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere bewijsmiddelen, die krachtens het</al><al>Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van</al><al>inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de desbetreffende verklaring,</al><al>maar ten hoogste voor drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>78</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor maximaal</al><al>drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11,</al><al>eerste lid, 18, tweede lid,of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en</al><al>oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met</al><al>de toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>79</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft</al><al>geldig, indien voor dat tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een vergunning is</al><al>verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid,</al><al>van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar ten</al><al>hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.</al><al>2. Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet</al><al>verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35,</al><al>onder g, vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.</al><al>3. In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van een vergunning waarbij</al><al>verspreidingsvakken worden aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit</al><al>besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Op het toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond</al><al>gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>81</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Indien het bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging</al><al>van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049,</al><al>nr. 1 nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van</al><al>grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde tijdstip in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>82</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en</al><al>Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit</al><al>besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit</al><al>in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>83</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor</al><al>de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als bedoeld in</al><al>artikel 35, verschillend kan worden vastgesteld.</al><al>2. Artikel 36 van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop</al><al>artikel 1 in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>84</nr><titel>Artikel</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.</al><al>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad</al><al>zal worden geplaatst.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Behorende bij artikel 28, eerste en tweede lid en artikel 41</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie</al><al>1. Metalen CAS-nummers</al><al>Antimoon (Sb) 7440-36-0</al><al>Arseen (As) 7440-38-2</al><al>Barium (Ba) 7440-39-3</al><al>Beryllium (Be) 7440-41-7</al><al>Cadmium (Cd) 7440-43-9</al><al>Chroom (Cr) 7440-47-3</al><al>Kobalt (Co) 7440-48-2</al><al>Koper (Cu) 7440-50-8</al><al>Kwik (Hg) 7439-97-6</al><al>Lood (Pb) 7439-92-1</al><al>Molybdeen (Mo) 7439-98-7</al><al>Nikkel (Ni) 7440-02-0</al><al>Seleen (Se) 7782-49-2</al><al>Tellurium (Te) 13494-80-9</al><al>Thallium (Tl) 7440-28-0</al><al>Tin (Sn) 7440-31-5</al><al>Vanadium (V) 7440-62-2</al><al>Zilver (Ag) 7440-22-4</al><al>Zink (Zn) 7440-66-5</al><al>2. Overige anorganische stoffen</al><al>Bromide n.v.t</al><al>Chloride n.v.t</al><al>Cyanide (vrij) n.v.t</al><al>Cyanide-complex (ph &amp;lt; 5) n.v.t</al><al>Cyanide-complex (ph ≥ 5) n.v.t</al><al>Fluoride n.v.t</al><al>Thiocyanaten (som) n.v.t</al><al>Sulfaat n.v.t</al><al>3. Aromatische stoffen</al><al>Benzeen 71-43-2</al><al>Ethylbenzeen 100-41-4</al><al>Tolueen 108-88-3</al><al>Ortho-xyleen 95-47-6</al><al>Meta-xyleen 108-38-3</al><al>Para-xyleen 106-42-3</al><al>Styreen 100-42-5</al><al>Fenol 108-95-2</al><al>Catechol 120-80-9</al><al>Resorcinol 108-46-3</al><al>Hydrochinon 123-31-9</al><al>Ortho-Cresol 95-48-7</al><al>Meta-cresol 108-39-4</al><al>Para-Cresol 106-44-5</al><al>Dodecylbenzeen 123-01-3</al><al>1,2,3-trimethylbenzeen 526-73-8</al><al>1,2,4-trimethylbenzeen 95-63-6</al><al>1,3,5-trimethylbenzeen 108-67-8</al><al>2-ethyltolueen 611-14-3</al><al>3-ethyltolueen 620-14-4</al><al>4-ethyltolueen 622-96-8</al><al>Isopropylbenzeen 98-82-8</al><al>Propylbenzeen 103-65-1</al><al>4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)</al><al>Naftaleen 91-20-3</al><al>Fenantreen 85-01-8</al><al>Antraceen 120-12-7</al><al>Fluorantheen 206-44-0</al><al>Chryseen 218-01-9</al><al>Benzo(a)antraceen 56-55-3</al><al>Benzo(a)pyreen 50-32-8</al><al>Benzo(k)fluorantheen 207-08-9</al><al>Indeno(1,2,3cd)pyreen 193-39-5</al><al>Benzo(ghi)peryleen 191-24-2</al><al>Pyrene 129-00-0</al><al>Acenaphthene 83-32-9</al><al>Benzo(b)fluoranthene 205-99-2</al><al>Benzo(j)fluoranthene 205-82-3</al><al>Dibenz(a,h)anthracene 53-70-3</al><al>9H-Fluorene 86-73-7</al><al>Acenaphthylene 208-96-8</al><al>5. Gechloreerde koolwaterstoffen</al><al>A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen</al><al>Monochlooretheen 75-01-4</al><al>Dichloormethaan 75-09-2</al><al>1,1-dichloorethaan 75-34-3</al><al>1,2-dichloorethaan 107-06-2</al><al>1,1-dichlooretheen 75-35-4</al><al>Cis-1,2-dichlooretheen 156-59-2</al><al>Trans-1,2-dichlooretheen 156-60-5</al><al>1,1-dichloorpropaan 78-99-9</al><al>1,2-dichloorpropaan 78-87-5</al><al>1,3-dichloorpropaan 142-28-9</al><al>Trichloormethaan 67-66-3</al><al>1,1,1-trichloorethaan 71-55-6</al><al>1,1,2-trichloorethaan 79-00-5</al><al>Trichlooretheen 79-01-6</al><al>Tetrachloormethaan 56-23-5</al><al>Tetrachlooretheen 127-18-4</al><al>B. Chloorbenzenen</al><al>Monochloorbenzeen 108-90-7</al><al>1,2-dichloorbenzeen 95-50-1</al><al>1,3-dichloorbenzeen 541-73-1</al><al>1,4-dichloorbenzeen 106-46-7</al><al>1,2,3-trichloorbenzeen 87-61-6</al><al>1,2,4-trichloorbenzeen 120-82-1</al><al>1,3,5-trichloorbenzeen 108-70-3</al><al>1,2,3,4-tetrachloorbenzeen 634-66-2</al><al>1,2,3,5-tetrachloorbenzeen 634-90-2</al><al>1,2,4,5-tetrachloorbenzeen 95-94-3</al><al>Pentachloorbenzeen 608-93-5</al><al>Hexachloorbenzeen 118-74-1</al><al>C. Chloorfenolen</al><al>2-chloorfenol 95-57-8</al><al>3-chloorfenol 108-43-0</al><al>4-chloorfenol 106-48-9</al><al>2,3-dichloorfenol 576-24-9</al><al>2,4-dichloorfenol 120-83-2</al><al>2,5-dichloorfenol 583-78-8</al><al>2,6-dichloorfenol 87-65-0</al><al>3,4-dichloorfenol 95-77-2</al><al>3,5-dichloorfenol 591-35-5</al><al>2,3,4-trichloorfenol 15950-66-0</al><al>2,3,5-trichloorfenol 933-78-8</al><al>2,3,6-trichloorfenol 933-75-5</al><al>2,4,5-trichloorfenol 95-95-4</al><al>2,4,6-trichloorfenol 88-06-2</al><al>3,4,5-trichloorfenol 609-19-8</al><al>2,3,4,5-tetrachloorfenol 4901-51-3</al><al>2,3,4,6-tetrachloorfenol 58-90-2</al><al>2,3,5,6-tetrachloorfenol 935-95-5</al><al>Pentachloorfenol 87-86-5</al><al>D. Polychloorbifenylen</al><al>(PCB's)</al><al>PCB 28 7012-37-5</al><al>PCB 52 35693-99-3</al><al>PCB 101 37680-73-2</al><al>PCB 118 31508-00-6</al><al>PCB 138 35065-28-2</al><al>PCB 153 35065-27-1</al><al>PCB 180 35065-29-3</al><al>E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen</al><al>2-chlooraniline 95-51-2</al><al>3-chlooraniline 108-42-9</al><al>4-chlooraniline 106-47-8</al><al>2,3-dichlooraniline 608-27-5</al><al>2,4-dichlooraniline 554-00-7</al><al>2,5-dichlooraniline 95-82-9</al><al>2,6-dichlooraniline 608-31-1</al><al>3,4-dichlooraniline 95-76-1</al><al>3,5-dichlooraniline 626-43-7</al><al>2,3,4-trichlooraniline 634-67-3</al><al>2,3,5-trichlooraniline 18487-39-3</al><al>2,4,5-trichlooraniline 636-30-6</al><al>2,4,6-trichlooraniline 634-93-5</al><al>3,4,5-trichlooraniline 634-91-3</al><al>2,3,4,5-tetrachlooraniline 634-83-3</al><al>2,3,5,6-tetrachlooraniline 3481-20-7</al><al>Pentachlooraniline 527-20-8</al><al>EOX n.v.t.</al><al>2,3,7,8-TCDD 1746-01-6</al><al>1,2,3,7,8-PeCDD 40321-76-4</al><al>1,2,3,6,7,8-HxCDD 57653-85-7</al><al>1,2,3,7,8,9-HxCDD 19408-74-3</al><al>1,2,3,4,7,8-HxCDD 39227-28-6</al><al>1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 35822-46-9</al><al>1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD 3268-87-9</al><al>2,3,7,8-TCDF 51207-31-9</al><al>1,2,3,7,8-PeCDF 57117-41-6</al><al>2,3,4,7,8-PeCDF 57117-31-4</al><al>1,2,3,6,7,8-HxCDF 57117-44-9</al><al>1,2,3,7,8,9-HxCDF 72918-21-9</al><al>1,2,3,4,7,8-HxCDF 70648-26-9</al><al>2,3,4,6,7,8-HxCDF 60851-34-5</al><al>1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 67562-39-4</al><al>1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 55673-89-7</al><al>1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF 39001-02-0</al><al>α-Chloornaftaleen 90-13-1</al><al>β-Chloornaftaleen 91-58-7</al><al>C10-13-chlooralkanen 85535-84-8</al><al>6. Bestrijdingsmiddelen</al><al>A. Organochloorbestrijdingsmiddelen</al><al>Aldrin 390-00-2</al><al>Dieldrin 60-57-1</al><al>Endrin 72-20-8</al><al>Isodrin 465-73-6</al><al>Telodrin 297-78-9</al><al>Cis-chloordaan 5103-71-9</al><al>Trans-chloordaan 5103-74-2</al><al>2,4-DDT 789-02-6</al><al>4,4-DDT 50-29-3</al><al>2,4-DDE 3424-82-6</al><al>4,4-DDE 72-55-9</al><al>2,4-DDD 53-19-0</al><al>4,4-DDD 72-54-8</al><al>α-Endosulfan 959-98-8</al><al>Endosulfansulfaat 1031-07-8</al><al>Endosulfan 115-29-7</al><al>α-HCH 319-84-6</al><al>β-HCH 319-85-7</al><al>γ-HCH 58-89-9</al><al>δ-HCH 319-86-8</al><al>ε-HCH 6108-10-7</al><al>Heptachloor 76-44-8</al><al>Cis-Heptachloorepoxide 280044-83-9</al><al>Trans-Heptachloorepoxide 1024-5703</al><al>Hexachloorbutadieen 87-68-3</al><al>B. Organofosforpesticiden</al><al>Azinfos-methyl 86-50-0</al><al>C. Organotin bestrijdingsmiddelen</al><al>Tributyltin 688-73-3</al><al>Trifenyltin 892-20-6</al><al>Tributyltin-kation 36643-28-4</al><al>D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden</al><al>MCPA 94-74-6</al><al>E. Overige</al><al>bestrijdingsmiddelen</al><al>Atrazine 1912-24-9</al><al>Carbaryl 63-25-2</al><al>Carbofuran 1563-66-2</al><al>Maneb 1247-38-2</al><al>4-chloor-3-methylfenol 59-50-7</al><al>4-chloor-2-methylfenol 1570-64-5</al><al>Propazine 139-40-2</al><al>Simazine 122-34-9</al><al>Terbutryn 886-50-0</al><al>Bromofos-ethyl 4824-78-6</al><al>Bromofos-methyl 2104-96-3</al><al>Chloorpyrifos-ethyl 2921-88-2</al><al>Dichloorvos 62-73-7</al><al>Disulfoton 298-04-4</al><al>Fenthion 55-38-9</al><al>Malathion 121-75-5</al><al>Parathion-ethyl 56-38-2</al><al>Parathion-methyl 298-00-0</al><al>Alachloor 15972-60-8</al><al>Chloorfenvinfos 470-90-6</al><al>Diuron 330-54-1</al><al>Isoproturon 34123-59-6</al><al>Trifluraline 1582-09-8</al><al>7. Overige parameters</al><al>Acrylonitril 107-13-1</al><al>Asbest n.v.t.</al><al>Butanol 71-36-3</al><al>Butylacetaat 123-86-4</al><al>Cyclohexanon 108-94-1</al><al>Diethyleenglycol 111-46-6</al><al>Ethylacetaat 141-78-6</al><al>Ethyleenglycol 107-21-1</al><al>Formaldehyde 50-00-0</al><al>Dimethylftalaat 131-11-3</al><al>Diethylftalaat 84-66-2</al><al>Di-isobutylftalaat 84-69-5</al><al>Dibutylftalaat 84-74-2</al><al>Butylbenzylftalaat 85-68-7</al><al>Dihexylftalaat 84-75-3</al><al>Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7</al><al>Di-n-octylftalaat 117-84-0</al><al>Isopropanol 67-63-0</al><al>Methanol 67-56-1</al><al>Methylethylketon 78-93-3</al><al>MTBE 1634-04-4</al><al>Minerale olie n.v.t.</al><al>Vertakte en onvertakte alkanen</al><al>bestaande uit minimaal 5 en</al><al>maximaal 40 koolstofatomen(1)</al><al>n.v.t.</al><al>Nutriënten n.v.t.</al><al>pH n.v.t.</al><al>Pyridine 110-86-1</al><al>Reducerend vermogen n.v.t.</al><al>Tetrahydrofuran 109-99-9</al><al>Tetrahydrothiofeen 110-01-0</al><al>Tribroommethaan 75-25-2</al><al>Zwevende stof n.v.t.</al><al>Nonylfenolen 25154-52-3</al><al>4-para-nonylfenol 104-40-5</al><al>Octylfenolen 1806-26-4</al><al>Para-tert-octylfenol 140-66-9</al><al>(1) (1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende</al><al>deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>