<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR165533_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.dinkelland.nl/ariadne/loader.php/sites/dinkelland/dinkelland/actueel/voorlichting/pagina_week_18_d.d._3_mei_2012_krant.qxd.pdf/">DinkellandVisie 3 mei 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8, eerste lid, aanhef, sub c en 30 van de Wet werk en bijstand;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dinkelland;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 maart 2012;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef, sub c en 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>overwegende dat ingevolge voormelde artikelen door de raad bij verordening
                        regels dienen te worden gesteld voor welke categorieën de bijstandsnorm
                        wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                        verhoging of verlaging wordt bepaald;</al><al>besluit</al><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2012</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>a. wet : de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>b. belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit op grond van deze verordening is betrokken;</al></li><li nr="c."><al>c. woonlasten: </al></li><li nr=""><al>1. indien een huurwoning wordt bewoond, de voor de
                                        huurwoning per maand verschuldigde huurprijs;</al></li><li nr=""><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                        per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                        financie- ring van de woning verschuldigde hypotheekrente en
                                        de in ver- band met het in eigendom hebben van de woning te
                                        betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten
                                        wordt verstaan: het eigenaarsaandeel van de onroerende
                                        zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering,
                                        het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en de kosten
                                        van groot onderhoud, overeenkomstig de terzake genormeerde
                                        bedragen;</al></li><li nr="d."><al>d. toeslag : de verhogingen en verlagingen als bedoeld in
                                        Hoofdstuk 3, § 3.3 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>e. verzorgingsbehoevende : de persoon als bedoeld in artikel
                                        4, lid 5 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>f. verzorgende : de belanghebbende die, met toepassing van
                                        artikel 4, lid 5 van de wet, een verzorgingsbehoevende
                                        verzorgt die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en
                                        met wie een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                        bestaat;</al></li><li nr="g."><al>g. medebewoner : degene die, evenals de huurder of de
                                        eigenaar van een woning, in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft; </al></li><li nr="h."><al>h. bijstandsnorm : de op de belanghebbende(n) van toepassing
                                        zijnde norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de wet,
                                        exclusief vakantietoeslag en inclusief de toeslag of
                                        verlaging op grond van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>raad : de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland;</al></li><li nr="j."><al>college : het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Dinkelland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen slechts dan
                                geacht worden gedeeld te worden met een medebewoner, indien deze
                                beschikt over een in aanmerking te nemen inkomen dat hoger is dan
                                het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                                onderwijs als bedoeld in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering
                                2000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende personen
                                niet aangemerkt als een medebewoner c.q. als een persoon die in
                                dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder als bedoeld in
                                        artikel 4, lid 2 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>een bloedverwant in de eerste of tweede graad aan wie door
                                        de alleenstaande, de alleenstaande ouder, de tot het gezin
                                        behorende ouder of het daartoe behorende meerderjarig kind
                                        de zorg wordt verleend als bedoeld in artikel 4, lid 5 van
                                        de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>a. Deze verordening is van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar
                                of ouder, doch jonger dan 65 jaar.</al><al>b. Bij een gezin geldt deze verordening uitsluitend indien en voor
                                zover tenminste twee gezinsleden 21 jaar of ouder, doch jonger dan
                                65 jaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toepassing van de hoofdstukken 3 en 4 van deze verordening vindt
                                plaats onverminderd het bepaalde in artikel 18 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in deze verordening gehanteerde begrippen en begripsbepalingen
                                hebben dezelfde betekenis als bedoeld in de wet en de Algemene wet
                                bestuursrecht, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze verordening
                                wordt afgeweken</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 Categorieën</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieaanduiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden als bedoeld in artikel 1, vierde lid, sub a van
                                deze verordening aan wie bijstand wordt verleend, geldt in het kader
                                van de toepassing van deze verordening een categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1, zesde lid van deze
                                verordening worden, voor de toepassing van deze verordening, de
                                categorieën aangeduid als alleenstaande, alleenstaande ouder of
                                gezin.</al><al>HOOFDSTUK 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verhoging bijstandsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere
                                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                        waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of
                                        niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
                                        medebewoner;</al></li><li nr="b."><al>indien, met toepassing van artikel 4, lid 5 van de wet,
                                        sprake is van een verzorgingsbehoevende en verzorgende als
                                        bedoeld in artikel 1, lid 3, aanhef, sub b van deze
                                        verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt, voor zover het in dat
                                lid gestelde aan de orde is, bepaald op 20% van de bijstandsnorm als
                                bedoeld in artikel 21, lid 1 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor de alleenstaande
                                en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet van toepassing
                                is, 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de
                                wet.</al><al>HOOFDSTUK 4 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                                toeslag</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm voor een gezin wordt lager vastgesteld indien het
                                gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
                                gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een medebewoner.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging op grond van het bepaalde in het eerste lid bedraagt
                                10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de
                                wet, voor zover in dezelfde woning van het gezin sprake is van één
                                medebewoner.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging op grond van het bepaalde in het eerste lid bedraagt
                                20% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de
                                wet, voor zover in dezelfde woning van het gezin sprake is van twee
                                of meer medebewoners.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij ontbreken
                                woonlasten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging van de bijstandsnorm of de toeslag als bedoeld in
                                artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1
                                        van de wet indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder
                                        of het gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan heeft, dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag
                                        voorziet, als gevolg van het bewonen van een woning waaraan
                                        geen woonlasten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1
                                        van de wet indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder
                                        of het gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan heeft, dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag
                                        voorziet, als gevolg van het niet aanhouden van een
                                        woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op
                                de toeslag als bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging van de bijstandsnorm of de toeslag als bedoeld in
                                artikel 28 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de alleenstaande schoolverlater van 23 jaar of ouder
                                        10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1
                                        van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor de alleenstaande ouder, die als schoolverlater is aan
                                        te merken, 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                        21, lid 1 van de wet;</al></li><li nr="c."><al>voor het gezin waarvan één van de gezinsleden als
                                        schoolverlater is aan te merken, 10% van de bijstandsnorm
                                        als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging op grond van het bepaalde in het eerste lid is
                                gedurende zes maanden na beëindiging van het onderwijs of een
                                beroepsopleiding op de schoolverlater van toepassing voor
                                zover:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van een recente beëindiging (korter dan zes
                                        maanden voor aanvang van de bijstand) van de deelname aan
                                        het onderwijs of een beroepsopleiding;</al></li><li nr="b."><al>voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond
                                        op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                                        2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                        schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een verlaging op grond van dit artikel wordt afgezien, indien
                                één of beide ouders onderdeel uitmaakt respectievelijk onderdeel
                                uitmaken van het gezin waartoe de schoolverlater behoort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag bij alleenstaanden van 21 of 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 29, eerste lid van de wet wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar, in afwijking van het
                                    bepaalde in artikel 3, op nihil gesteld;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar die noodzakelijk
                                    zelfstandig woont, in afwijking van het onder a bepaalde, op 10%
                                    van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de wet
                                    gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Maximale verlaging bijstandsnorm of toeslag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                grond van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van de
                                artikelen 4, 5, 6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                25% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende meer dan één verlaging op grond van de
                                artikelen 4, 5, 6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan
                                25% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de
                                wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Uitvoering verordening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening, in gevallen waarin deze
                                verordening niet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 18 van de wet kan het college, in
                            bijzondere gevallen en voor zover toepassing van deze verordening tot
                            een onbillijkheid van overwegende aard leidt, afwijken van het in deze
                            verordening bepaalde en ter zake, op individuele gronden, een nadere
                            beslissing nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>Het college brengt eenmaal per twee jaar verslag uit aan de raad met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de
                                bekendmaking daarvan en werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de in het eerste lid vermelde datum vervalt de bij
                                besluit van 16 september 2004 vastgestelde Toeslagenverordening WWB
                                gemeente Dinkelland 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening
                            gemeente Dinkelland 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 24 april
                        2012.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. O.J.R.J. Huitema, Mr. R.S. Cazemier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Toeslagenverordening gemeente Dinkelland 2012</label></kop><divisie><kop><label>A.</label><titel>Algemene toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>1. Inleiding</label></kop><al>Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef, sub c en artikel 30 van de Wet
                        werk en bijstand (hierna ‘WWB’) dient de raad bij verordening vast te
                        stellen voor welke categorieën belanghebbenden de bijstandsnorm wordt
                        verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                        verhoging of verlaging wordt bepaald. Uit de verordening dient te blijken
                        voor welke categorieën en op grond van welke criteria een verhoging of
                        verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die manier kan
                        een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening afleiden welke
                        verhoging of verlaging in zijn situatie geldt.</al><al/><al>Bij het afbakenen van de categorieën en de daarbij toe te passen verhogingen
                        en/of verlagingen is rekening gehouden met in de praktijk eenvoudig te
                        hanteren criteria. Dit heeft ertoe geleid dat in de verordening alleen die
                        situaties zijn omschreven, waarin iemand geacht wordt lagere algemeen
                        noodzakelijke kosten van bestaan te hebben. Hierdoor wordt rekenwerk met
                        werkelijke kosten voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>2. Normen</label></kop><al>Voor personen van 21 tot 65 jaar bestaan er, op grond van § 3.2 van de Wet
                        werk en bijstand (hierna ‘WWB’), drie basisnormen:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder 50% van de gezinsnorm;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder 70% van de
                                gezinsnorm;</al></li><li nr="c."><al>voor gezinnen waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65
                                jaar zijn 100% van het wettelijk minimumloon (de gezinsnorm).</al></li></lijst><al>Dit onderscheid is, in de vorm van categorieaanduiding, in artikel 2 van de
                        verordening verwerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>3. Toeslagen</label></kop><al>Een toeslag op de norm wordt verstrekt aan een alleenstaande of
                        alleenstaande ouder dan wel indien, met toepassing van artikel 4, lid 5 van
                        de wet, sprake is van een verzorgingsbehoevende en verzorgende als bedoeld
                        in artikel 1, lid 3, aanhef, sub b van de verordening. De maximale toeslag
                        van 20% van de gezinsnorm kan zonder nader onderscheid tussen deze
                        categorieën worden toegekend. De uitkering voor deze categorieën is dan ten
                        hoogste:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>70% van de gezinsnorm voor alleenstaanden;</al></li><li nr="·"><al>90% van de gezinsnorm voor alleenstaande ouders.</al><al/></li></lijst><al>Deze toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is uitgewerkt in
                        artikel 3 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>4. Verlagingen</label></kop><al>De WWB kent de volgende verlagingen:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met
                                een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij
                                gezinnen (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                                (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al><al/></li></lijst><al>De twee laatstgenoemde verlagingen zijn bedoeld om de stimulans richting
                        betaalde arbeid te versterken, overeenkomstig de kerngedachte van de WWB
                        (‘werk boven uitkering’).</al><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 8 van de
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>5. Individualisering</label></kop><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden van 21
                        jaar tot 65 jaar.</al><al/><al>In een uitzonderlijke situatie waarin een uitkeringsgerechtigde van 21 tot
                        65 jaar in vergelijkbare omstandigheden slechter af zou zijn, kan het
                        college de bijstand aanpassen op grond van artikel 18, lid 1 van de WWB. Met
                        inachtneming van het bepaalde in dit artikel is de mogelijkheid tot
                        individualisering nader geregeld in artikel 10 van de verordening
                        (hardheidsclausule).</al><al/><al>Daarnaast voorziet artikel 9, tweede lid van de verordening in de
                        bevoegdheid van het college om nadere regels te stellen met betrekking tot
                        de uitvoering van de verordening, in gevallen waarin de verordening niet
                        voorziet.</al></divisie><divisie><kop><label>6. Uitvoeren combinatie verlagingen bij ontbreken woonlasten</label></kop><al>In gevallen waarin zowel de toeslag als de bijstandsnorm verlaagd kan
                        worden, schrijft de WWB niet voor dat deze verlaging met voorrang op de
                        toeslag zou moeten plaatsvinden.</al><al/><al>Voor de toepassing van de verlaging bij het ontbreken van woonlasten in
                        combinatie met de leeftijdsverlaging maakt het echter wel verschil of de
                        bijstandsnorm of de toeslag wordt verlaagd. In de verordening is in verband
                        hiermee in het tweede lid van artikel 5 opgenomen dat deze verlaging in die
                        situaties bij voorrang wordt toegepast op de toeslag als bedoeld in artikel
                        3 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>7. Anti-cumulatiebeding</label></kop><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, aanhef, sub b van de WWB is bepaald dat
                        in de verordening in ieder geval dient te worden vastgesteld, dat niet
                        gelijktijdig toepassing mag worden gegeven aan een verlaging van de
                        bijstandsnorm of de toeslag bij personen die zowel als schoolverlater als
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar kunnen worden aangemerkt.</al><al/><al>In de voorliggende verordening is de opname van dit beding, ongeacht het
                        dwingende karakter van het bepaalde in voormeld artikel van de WWB, niet
                        opportuun aangezien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de verlaging op grond van artikel 6 van de verordening (verlaging
                                bijstandsnorm of toeslag bij schoolverlaters) betrekking heeft op
                                alleenstaande schoolverlaters van 23 jaar of ouder (alsmede op
                                alleenstaande ouders, die als schoolverlater zijn aan te merken en
                                op gezinnen waarvan één van de gezinsleden als schoolverlater is aan
                                te merken;</al></li><li nr="b."><al>de verlaging op grond van artikel 7 van de verordening (verlaging
                                toeslag bij alleenstaanden van 21 of 22 jaar) uitsluitend betrekking
                                heeft op alleenstaanden van 21 of 22 jaar (waaronder begrepen
                                alleenstaande schoolverlaters van 21 en 22 jaar).</al><al/></li></lijst><al>Gelet op de verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden waarop beide
                        artikelen betrekking hebben, kan geen enkele sprake zijn van gelijktijdige
                        toepassing van de artikelen en is dan ook, in verband hiermee, van opname
                        van het bepaalde in artikel 30, tweede lid, aanhef, sub b van de WWB in deze
                        verordening afgezien.</al></divisie><divisie><kop><label>B.Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Artikel 1, lid 1</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, sluiten zoveel mogelijk
                        aan en hebben zoveel mogelijk een gelijkluidende betekenis als de
                        omschrijving hiervan in de WWB. Dit is mede vastgelegd in het zesde lid van
                        dit artikel. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen, dat deze
                        verordening uitsluitend betrekking heeft c.q. van toepassing is op niet in
                        een inrichting verblijvende belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger
                        dan 65 jaar. Dit laatste is in het vierde lid , sub a van dit artikel
                        bepaald.</al><al/><al>a. <cursief>de wet</cursief></al><al> Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>b. belanghebbende</cursief></al><al>Voor de toepassing van deze verordening worden hieronder verstaan personen
                        van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar.</al><al/><al>c.<cursief>woonlasten</cursief></al><al>Volgens de Centrale Raad van Beroep volgt uit de geschiedenis van de
                        totstandkoming van de <onderstreept>Algemene bijstandsw</onderstreept>et dat
                        het begrip woonlasten ten tijde van deze wet (nog steeds) moest worden
                        uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering.</al><al/><al>Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van
                        betekenis is. Een en ander betekent dat, in het kader van de uitvoering van
                        deze verordening, onder woonlasten moet worden verstaan:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond: de op de aanvangsdatum van het
                                lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in verband
                                met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten
                                en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                onderhoud.</al><al/></li></lijst><al>Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het alleen om de rente voor (dat
                        deel van) de hypotheek, die is afgesloten voor de financiering van de
                        woning. Dit betekent dat rente, verbonden aan (een deel van) de hypotheek
                        die betrekking heeft op bijvoorbeeld de financiering van duurzame
                        gebruiksgoederen, bij de vaststelling van de woonlasten niet wordt
                        meegenomen.</al><al/><al>d.<cursief>toeslag</cursief></al><al>Hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 van de WWB (waar de verhogingen en verlagingen
                        van de bijstandsnormen zijn geregeld) is van toepassing op algemene
                        bijstand. De verhoging van de bijstandsnorm met een toeslag is dan ook
                        slechts mogelijk, indien en voor zover sprake is van algemene bijstand als
                        bedoeld in artikel 5, aanhef, sub b van de WWB.</al><al>De criteria ter nadere bepaling van de hoogte van de toeslag zijn vastgelegd
                        in de artikelen 3 tot en met 8 van de verordening.</al><al/><al>e.<cursief>verzorgingsbehoevende</cursief></al><al>Voor de omschrijving van deze begripsbepaling is aangesloten bij het
                        gestelde in artikel 4, lid 5 van de WWB.</al><al/><al>f.<cursief>verzorgende</cursief></al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>g.<cursief>medebewoner</cursief></al><al>In het kader van de uitvoering van deze verordening wordt onder medebewoner
                        verstaan onderhuurders, onderverhuurders, kostgangers, kostgevers, inwonende
                        kinderen en woningdelers van 21 tot 65 jaar. Conform het wettelijk
                        uitgangspunt worden medebewoners geacht de algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan geheel of gedeeltelijk met een ander te kunnen delen.</al><al/><al>Bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de toeslag bij
                        aanwezigheid van medebewoners speelt het begrip ‘hoofdverblijf in dezelfde
                        woning’ een belangrijke rol, evenals de feitelijke situatie van medebewoning
                        en niet de wijze waarop de medebewoners zich ‘naar buiten toe’ presenteren.
                        Het begrip ‘hoofdverblijf’ wordt in de WWB niet nader toegelicht.</al><al/><al>Ter bepaling van het begrip is de regelgeving in verband met de
                        gemeentelijke bevolkingsadministratie (GBA) daartoe richting gevend. Deze
                        regelgeving houdt in dat, als iemand op meer dan één adres woont, voor het
                        GBA het adres geldt, waar de persoon naar redelijke verwachting gedurende
                        een half jaar in beginsel de meeste keren zal overnachten.</al><al>Van zelfstandige huisvesting is sprake, indien een woning wordt bewoond,
                        waarin geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Voor de toepassing van de
                        verordening geldt dat alleen dan van zelfstandige huisvesting sprake is,
                        indien door de persoon een woning wordt bewoond die voorzien is van een
                        eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en
                        slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met anderen en/of andere
                        wooneenheden worden gedeeld.</al><al/><al>Een eigen toegang houdt in, dat de woonruimte kan worden bereikt zonder dat
                        daarbij vertrekken of gangen en dergelijke gepasseerd behoeven te worden,
                        waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij daarvan huurder of eigenaar
                        zijn.</al><al/><al> h. <cursief>bijstandsnorm</cursief></al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>i. <cursief>raad</cursief></al><al> Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>j. lege</cursief></al><al> Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 1, lid 2</al><al>Daar waar sprake is van een medebewoner met inkomen, heeft dit gevolgen voor
                        de vaststelling van de hoogte van de toeslag. Dit lid beoogt hieraan een
                        minimumgrens te stellen in relatie tot de hoogte van het inkomen van de
                        medebewoner. Als de kosten feitelijk niet kunnen worden gedeeld als gevolg
                        van geen of een te laag inkomen bij de medebewoner, kan de beperking van de
                        toeslag als bedoeld in artikel 3, derde lid, dan wel de verlaging van de
                        bijstandsnorm als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de verordening niet
                        worden gerechtvaardigd.</al><al/><al>Artikel 1, lid 3</al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 1, lid 4</al><al>De werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden
                        (uitkeringsgerechtigden) van 21 tot 65 jaar. Hierin is in sub a van dit lid
                        voorzien.</al><al>De artikelen 26, 27 en 28 van de WWB maken ook categoriale verlagingen
                        mogelijk voor (gehuwde) uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar. Deze
                        uitkeringsgerechtigden hebben echter al een lagere bijstandsnorm op grond
                        van hun leeftijd, omdat zij (tot de 21-jarige leeftijd) in principe geacht
                        worden een beroep te kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Een
                        verdere verlaging van de bijstandsnorm leidt voor deze categorie
                        uitkeringsgerechtigden tot een inadequate vorm van bijstandsverlening, wat
                        met het bepaalde in sub b van dit artikel wordt voorkomen door de
                        minimumleeftijd waarop de bepalingen in deze verordening van toepassing zijn
                        voor (gehuwde) uitkeringsgerechtigden op 21 jaar te stellen.</al><al/><al>Artikel 1, lid 5</al><al>In artikel 30, vierde lid van de WWB is vastgelegd dat een verhoging of
                        verlaging van de bijstandsnorm, of een afwijkende vaststelling van de
                        toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de WWB
                        plaatsvindt. Dit houdt in dat, zonodig in afwijking van de uit deze
                        verordening voortvloeiende hoogte van de bijstand, door het college de
                        bijstand anders wordt vastgesteld indien dat, gelet op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, wenselijk is. Met
                        inachtneming hiervan is in dit lid, gelijk aan de strekking van artikel 30,
                        vierde lid van de WWB, vastgelegd dat het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4
                        van deze verordening de toepassing van artikel 18, eerste lid van de WWB
                        onverlet laat.</al><al/><al>Artikel 1, lid 6</al><al>In het belang van volledige afstemming van de begrippen met de relevante
                        wetgeving is hier bepaald, dat de begrippen in deze verordening, tenzij
                        daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken, dezelfde betekenis hebben als in de
                        in dit lid vermelde wetten.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Categorieaanduiding</vet></al><al/><al>Artikel 2, lid 1</al><al>Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 30 van de WWB waarin is
                        bepaald dat bij verordening dient te worden vastgesteld, voor welke
                        categorieën belanghebbenden de bijstandsnorm wordt verhoogd of
                        verlaagd.</al><al/><al> Artikel 2, lid 2</al><al>De categorieaanduiding is gebaseerd op de in hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 van
                        de WWB bij de artikelen 25 en 26 gehanteerde begrippen. Voor het toekennen
                        van de toeslag op de bijstandsnorm zijn de in dit lid genoemde categorieën
                        in dat kader dan ook van belang.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Verhoging bijstandsnorm</vet></al><al/><al>Artikel 3, lid 1, sub a</al><al>De mate waarin de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                        worden gedeeld bepaalt de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt
                        minimaal 0% en maximaal 20% van de bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld
                        in artikel 21, lid 1 van de WWB.</al><al>Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk
                        maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er
                        derhalve terecht aanspraak op deze toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt
                        een integraal deel van de bijstandsuitkering uit.</al><al>De algemene inlichtingenverplichting die op de bijstandsgerechtigde rust,
                        geldt op grond hiervan ook voor het toeslagendeel van de uitkering. Dit
                        houdt in dat de bijstandsgerechtigde dan ook door middel van het overleggen
                        van gegevens het recht op de toeslag zal moeten aantonen.</al><al>Gezinnen worden per definitie geacht de algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan te kunnen delen en komen op grond hiervan niet in aanmerking
                        voor een toeslag op de bijstandsnorm. Het verstrekken van een toeslag laat
                        onverlet, dat bepaalde verlagingen op basis van deze verordening mede
                        mogelijk zijn.</al><al/><al>Artikel 3, lid 1, sub b</al><al>Gelet op de landelijke tendens om ouderen en gehandicapten zo lang mogelijk
                        zelfstandig te laten wonen, wordt aan zowel de verzorgende alleenstaande,
                        alleenstaande ouder en/of het gezin als aan de verzorgingsbehoevende een
                        toeslag van 20% op grond van het tweede lid van dit artikel toegekend, voor
                        zover voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4, lid 5 van de WWB en de
                        relevante begripsbepalingen in artikel 1 van de verordening De overweging om
                        in een dergelijke situatie de bijstandsnorm te verhogen met de maximale
                        toeslag is gelegen in het feit dat, indien in zo’n situatie geen of een
                        lagere toeslag zou worden verleend in verband met bij betrokkenen aanwezig
                        geachte schaalvoordelen, dit een nadelig effect kan hebben op de bereidheid
                        tot het ontvangen en verlenen van hulpverlening. Voor het beoordelen van de
                        verzorgingsbehoevendheid wordt uitgegaan van de in de WWB bij artikel 4, lid
                        5 omschreven geobjectiveerde criteria.</al><al/><al>Artikel 3, lid 2</al><al>Artikel 30, tweede lid van de WWB schrijft voor dat in de verordening in
                        ieder dient te worden vastgesteld dat de toeslag, onverminderd het bepaalde
                        in de artikelen 27 en 28 van de WWB, voor de alleenstaande en de
                        alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen, in wiens woning
                        geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in het tweede lid
                        van artikel 25 van de WWB bedoelde maximumbedrag. Op grond van het bepaalde
                        in dit lid wordt hierin voorzien.</al><al>De toeslag van 20% zoals in dit lid vermeld, komt neer op 20% van de
                        bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de WWB, wat
                        overeenstemt met het in het tweede lid van artikel 25 van de WWB bedoelde
                        maximumbedrag. Dit bedrag wordt regelmatig (veelal halfjaarlijks) wettelijk
                        bijgesteld. Door de vermelding van het percentage worden deze geregelde
                        bijstellingen van het maximumbedrag in de verordening voorkomen.</al><al>De artikelen 26, 27, 28 en 29 van de WWB geven de gemeente overigens de
                        bevoegdheid om voor bepaalde categorieën belanghebbenden de bijstandsnorm of
                        de toeslag lager vast te stellen.</al><al>Dit betekent dat, indien een alleenstaande of een alleenstaande ouder met
                        zijn ten laste komende kinderen, in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft, in beginsel voldoet aan de in dit lid vermelde
                        voorwaarde, voor de persoon toch geen recht op een toeslag van 20% van de
                        bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de WWB kan
                        bestaan.</al><al>Dit laatste is aan de orde indien de gemeente, bij de toekenning van de
                        toeslag op grond van dit lid, tevens gebruik maakt van de bevoegdheid om de
                        bijstandsnorm of de toeslag voor deze persoon te verlagen. De mogelijkheden
                        daartoe zijn geregeld in de artikelen 4 tot en met 7 van deze
                        verordening.</al><al/><al>Artikel 3, lid 3</al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                        schaalvoordelen treden op, omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De
                        kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht
                        nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager,
                        omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden
                        gebracht.</al><al>Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten met
                        een medebewoner die, op grond van de wijze van medebewoning, niet als een
                        medebewoner in de zin van deze verordening kan worden aangemerkt, wordt de
                        toeslag, als gevolg van de uit de wijze van medebewoning optredende
                        schaalvoordelen, ingevolge het bepaalde in dit lid forfaitair op 10% van de
                        bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de WWB
                        gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Verlaging bijstandsnorm</vet></al><al>Artikel 4, lid 1</al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 4, lid 2 en 3</al><al>Indien sprake is van een situatie zoals vermeld in deze leden wordt, zowel
                        bij lid 2 als bij lid 3 een forfaitaire verlaging van respectievelijk 10% en
                        20% toegepast (in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met de daaruit voortvloeiende
                        schaalvoordelen), op de voor de gezinnen geldende bijstandsnorm als bedoeld
                        in artikel 21, lid 1 van de WWB. Het bepaalde in deze leden spreekt verder
                        voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij ontbreken
                            woonlasten</vet></al><al>Artikel 5, lid 1, sub a en b</al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Artikel 5, lid 2</al><al>De verlagingen als bedoeld in het eerste lid worden, voor de in dat eerste
                        lid genoemde categorieën, bij voorrang in mindering gebracht op de (in
                        eerste instantie) berekende toeslag. Indien de toeslag lager is dan de in
                        het eerste lid vermelde percentage, wordt het restant van de verlaging op de
                        bijstandsnorm gekort.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Verlaging bijstandsnorm of toeslag bij
                        schoolverlaters</vet></al><al>Artikel 6, lid 1, sub a</al><al>Artikel 28 van de WWB biedt het college de mogelijkheid om de bijstandsnorm
                        of de toeslag voor de duur van maximaal zes maanden na de beëindiging van
                        een studie of opleiding te verlagen bij personen die recent de deelname aan
                        onderwijs of beroepsopleiding hebben beëindigd, waarvoor aanspraak bestond
                        op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een
                        tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
                        hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                        schoolkosten.</al><al>Overeenkomstig het algemene uitgangspunt van de WWB (werk boven uitkering),
                        is de achtergrond daarvan de schoolverlater financieel richting de
                        arbeidsmarkt te stimuleren.</al><al>Sub a voorziet in de situatie van de alleenstaande schoolverlaters van 23
                        jaar of ouder, aangezien de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22
                        jaar, op grond van artikel 7 van de verordening, op nihil is gesteld.</al><al/><al>Artikel 6, lid 1, sub b en c</al><al>Onder verwijzing naar het gestelde bij sub a van dit artikel is in sub b en
                        c geregeld dat, indien een alleenstaande ouder of een gezinslid als een
                        schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de WWB valt aan te merken, de
                        verlaging van de toeslag in dat geval (en gegeven de daarbij behorende
                        omstandigheden) op 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, lid 1
                        van de WWB wordt bepaald.</al><al/><al>Artikel 6, lid 2</al><al>Hier is invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 28 van de WWB met
                        betrekking tot de verlaging van de toeslag bij schoolverlaters, in relatie
                        tot de periode waarop deze verlaging (gedurende zes maanden na beëindiging
                        van het onderwijs of een beroepsopleiding) van toepassing is.</al><al>Van belang hierbij is, dat de schoolverlater daadwerkelijk recht heeft/had
                        op studiefinanciering en niet, dat de soort studie of opleiding daar in
                        theorie recht op geeft/gaf. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever,
                        zoals blijkt uit de toelichting op artikel 28 van de WWB.</al><al/><al>Artikel 6, lid 3</al><al>Met de bepaling dat de bijstandsnorm niet lager wordt vastgesteld, indien
                        één of meer van de ouders onderdeel uitmaakt van het gezin waartoe de
                        schoolverlater behoort, wordt voorkomen dat grote(re) gezinnen c.q. de
                        ouders/verzorgers dan wel de alleenstaande ouder van de schoolverlater in
                        financiële problemen komen.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Verlaging toeslag bij alleenstaanden van 21 of 22
                        jaar</vet></al><al>Artikel 7, sub a</al><al>Ter voorkoming dat de bijstandsuitkering voor alleenstaanden van 21 of 22
                        jaar hoger kan zijn dan het loon, dat deze personen bij een voltijds
                        dienstbetrekking zouden kunnen verdienen, is in sub a geregeld dat de
                        toeslag voor de alleenstaanden van 21 en 22 jaar op nihil wordt gesteld. Dit
                        stimuleert het aanvaarden van (voltijdse) arbeid en stemt overeen met het
                        algemene uitgangspunt van de WWB ‘werk boven uitkering’.</al><al/><al>Artikel 7, sub b</al><al>In afwijking van het bepaalde in sub a kan aan een alleenstaande van 21 of
                        22 jaar die noodzakelijk zelfstandig woont een toeslag van 10% van de
                        bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de WWB
                        worden toegekend, indien en voor zover de noodzakelijke zelfstandige
                        bewoning voor deze categorie uitkeringsgerechtigden een gevolg is van het
                        feit dat:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>de beide ouders van de belanghebbende zijn overleden;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende uit huis is geplaatst op grond van een officiële
                                maatregel;</al></li><li nr="·"><al>het onverantwoord is de belanghebbende bij zijn/haar ouder(s) te
                                laten wonen;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende de zorg heeft voor één of meer ten laste van
                                hem/haar komende kinderen;</al></li><li nr="·"><al>de belanghebbende al langer dan één jaar buitenshuis woont, voordat
                                bijstand wordt aangevraagd en geen sprake is van tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid ter voorziening in de algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Maximale verlaging bijstandsnorm of toeslag</vet></al><al>Artikel 8, lid 1</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden krachtens de
                        artikelen 4, 5, 6 en 7 van deze verordening, dient rekening te worden
                        gehouden met de cumulatieve effecten hiervan. Om te voorkomen dat de hoogte
                        van de bijstandsuitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien, bedraagt de totale
                        verlaging, bij een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en één
                        of meer verlagingen op grond van de artikelen 4, 5, 6 en 7, niet meer dan
                        25% van de bijstandsnorm voor gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van
                        de WWB.</al><al/><al> Artikel 8, lid 2</al><al>Ook bij de toepassing van meer dan één verlaging op grond van de artikelen
                        4, 5, 6 en 7 geldt voor de belanghebbenden dat de totale verlaging van de
                        bijstandsnorm of toeslag niet meer dan 25% van de bijstandsnorm voor
                        gezinnen als bedoeld in artikel 21, lid 1 van de WWB bedraagt.</al><al>Ook hieraan ligt de overweging ten grondslag, dat de bijstandsuitkering die
                        overblijft voldoende voor de belanghebbende(n) dient te zijn om in de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen blijven
                        voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Uitvoering verordening</vet></al><al>Artikel 9, lid 1</al><al>Overeenkomstig hetgeen hierover wettelijk is geregeld en met inachtneming
                        van het gemeentelijke mandaatbesluit, kan het college de uitvoering van het
                        bepaalde in deze verordening zoals in dit lid vermeld mandateren aan
                        gemeenteambtenaren, zulks onder eventueel nader door het college te stellen
                        regels en onder behoud van de verantwoordelijkheid van het college van de
                        door de gemeenteambtenaren ter zake namens het college genomen
                        besluiten.</al><al/><al>Artikel 9, lid 2</al><al>Op grond van het bepaalde in dit lid heeft het college de bevoegdheid om
                        nadere (uitvoerings)regels te stellen, in gevallen waarin de verordening
                        niet voorziet. Bij toepassing van dit lid wordt de raad van deze nadere door
                        het college gestelde regels in kennis gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Hardheidsclausule</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 18 van de WWB kan het college op grond
                        van dit artikel in niet krachtens deze verordening voorziene situaties en
                        voor zover toepassing van deze verordening tot een onbillijkheid van
                        overwegende aard leidt op individuele basis naar bevind van zaken handelen
                        en beslissen.</al><al>Aan het desbetreffende van de verordening afwijkende besluit van het college
                        dient een op de individuele situatie afgestemde motivering ten grondslag te
                        liggen, waaruit duidelijk moet blijken waarom de hardheidsclausule in de
                        concrete situatie is toegepast.</al><al>In de beschikking dient de nadere aanduiding van de bijzondere situatie en
                        de motivering die op grond hiervan tot de van de in de verordening
                        afwijkende beslissing heeft geleid te worden vermeld.</al><al>Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet als een uitzondering en niet
                        als een regel worden beschouwd.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Verslaglegging</vet></al><al>Op grond van dit artikel wordt eenmaal per twee jaar verantwoording door het
                        college aan de raad afgelegd met betrekking tot de uitvoering van deze
                        verordening. Deze verantwoording vindt schriftelijk plaats in het tweede
                        kwartaal van het desbetreffende verslagjaar. Gelet op de datum van
                        inwerkingtreding van deze verordening, houdt het bepaalde in dit artikel in
                        dat in het tweede kwartaal van 2014 deze verslaglegging voor het eerst
                        plaatsvindt.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Inwerkingtreding</vet></al><al>Artikel 12, lid 1</al><al>Alvorens een verordening algehele werking verkrijgt, dient, voorafgaande aan
                        de datum van inwerkingtreding, in voldoende mate mededeling van de
                        vaststelling door de gemeenteraad van de desbetreffende verordening te
                        worden gedaan (i.c. melding in Dinkelland Visie). Het eerste lid van dit
                        artikel voorziet hierin. Aard en strekking van deze verordening staan de
                        inwerkingtreding van deze verordening met terugwerkende kracht tot en met 1
                        januari 2012 niet in de weg.</al><al/><al> Artikel 12, lid 2</al><al>Gelijktijdig met de datum van inwerkingtreding van deze verordening vervalt
                        de op 16 september 2004 door de gemeenteraad vastgestelde
                        Toeslagenverordening WWB gemeente Dinkelland 2004. Dit is in dit artikellid
                        vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Citeertitel</vet></al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>