<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR165448_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Regiobode, 27-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8 lid 1 onder g</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 4 en 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en
                bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Rheden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 maart 2012;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel g, van de Wet werk en bijstand;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen: <vet>de Verordening participatie schoolgaande
                            kinderen Wet werk en bijstand</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>maatschappelijke participatie: het deelnemen aan activiteiten
                                    met een sportief, sociaal dan wel cultureel karakter door
                                    schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een vorm van financiële ondersteuning of
                                    ondersteuning in natura, gericht op de maatschappelijke
                                    participatie van schoolgaande kinderen van ouders met een laag
                                    inkomen, ter bevordering van maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="d."><al>schoolgaand kind: ten laste komend kind van een ouder met een
                                    laag inkomen, voor wie de leer- of kwalificatieplicht, bedoeld
                                    in artikel 4 van de Leerplichtwet, geldt;</al></li><li nr="e."><al>laag inkomen: een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>De gemeenteraad beschouwt het als zijn taak om de maatschappelijke
                            participatie te bevorderen en het aantal schoolgaande kinderen dat
                            belemmeringen ondervindt in die participatie door de financiële positie
                            van hun ouders, terug te dringen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verantwoordelijkheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zet zich in voor het tot stand komen en ondersteunen van
                                diensten door rechtspersonen die naar zijn oordeel bijdragen aan
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt voorzieningen aan, die gericht zijn op
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een voorziening, bedoeld in het tweede lid, het
                                rechtskarakter heeft van categoriale bijzondere bijstand, bedoeld in
                                artikel 35, vijfde lid, van de wet, draagt het college er zorg voor
                                dat deze bijstand uitsluitend wordt verstrekt aan een belanghebbende
                                met een inkomen tot 110 procent van de op hem van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college werkt bij het bevorderen van maatschappelijke
                                participatie samen met natuurlijke en rechtspersonen, voorzover die
                                samenwerking naar het oordeel van het college daaraan
                                bijdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beleid en voorzieningen</titel></kop><al>Het college verstrekt categoriale bijzondere bijstand ten behoeve van de
                            bekostiging van de maatschappelijk participatie van schoolgaande
                            kinderen. Voor een kind dat het voortgezet onderwijs volgt € 150,00 per
                            kind en voor een kind dat het basisonderwijs volgt € 75,00 per
                            kind.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verzoek om een bijdrage categoriale bijzondere bijstand als
                                genoemd onder a van artikel 4 kan één keer per jaar worden
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verzoek als bedoeld in lid 1 moet uiterlijk vóór 1 februari
                                volgend op het kalenderjaar waar de aanvraag betrekking op heeft
                                worden ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het besluit</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na het indienen van
                            de aanvraag categoriale bijzondere bijstand als genoemd onder a van
                            artikel 4. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Maatschappelijke participatie in andere gemeentelijke
                                regelingen</titel></kop><al>Voorzover in een andere gemeentelijke regeling reeds is voorzien in een
                            wettelijke grondslag voor ondersteuning van de maatschappelijke
                            participatie, wordt die regeling geacht mede uitvoering te geven aan de
                            opdracht, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, van de
                            wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vorm van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de vorm van een voorziening vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het bepalen van de vorm van een voorziening kiest het college
                                voor de vorm die naar zijn oordeel het meest doeltreffend is om de
                                maatschappelijke participatie te bevorderen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening participatie
                            schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 24 april 2012, nr. 6.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Steeg, 24 april 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>In artikel 8 van de Wet werk en bijstand is met de inwerkingtreding van de
                    ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de wet
                    investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt
                    en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ de
                    verplichting voor gemeenteraden opgenomen om bij verordening regels te stellen
                    met betrekking tot de categoriale bijzondere bijstand genoemd in het vijfde lid
                    van artikel 35 WWB. Deze categoriale bijzondere bijstand kan verstrekt worden
                    aan personen met hen ten laste komende kinderen die onderwijs of een
                    beroepsopleiding volgen en ziet op kosten in verband met maatschappelijke
                    participatie van het kind. Het categoriale karakter van de bijstand betekent dat
                    niet nagegaan hoeft te worden of ten behoeve van dat kind die kosten ook
                    daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Het behoren tot de doelgroep
                    waarvoor de categoriale bijstand is bestemd, geeft recht op een aanspraak op de
                    categoriale bijstand.</al><al>Gelijktijdig met het instellen van de verordeningplicht in artikel 8 van de WWB
                    is aan artikel 35 een negende lid toegevoegd, waarin personen met een inkomen
                    boven 110 procent van de op die persoon van toepassing zijnde bijstandnorm
                    worden uitgesloten van het recht op de categoriale bijstand. De enige
                    inhoudelijke eis die in de WWB wordt gesteld aan de verordening is dat invulling
                    gegeven dient te worden aan het begrip ‘maatschappelijke participatie’.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al>Gebruikte begrippen waarvan de betekenis niet zonder meer duidelijk is worden
                    hier omschreven. Het begrip ‘maatschappelijke participatie’ is hier omschreven,
                    ter uitvoering van de opdracht van de wetgever, bedoeld in artikel 8, eerste
                    lid, onderdeel g WWB. Er is gekozen voor een ruime betekenis. Maatschappelijke
                    participatie kan op vele wijzen plaatsvinden en niet ieder kind is hetzelfde. Om
                    die reden wordt het begrip op deze plaats in zo algemeen mogelijke bewoordingen
                    gedefinieerd, en wordt het toegespitst op ouders van schoolgaande kinderen, met
                    een laag inkomen. Een dergelijke begripsomschrijving heeft als voordeel dat op
                    andere plaatsen in de verordening volstaan kan worden met het begrip
                    ‘maatschappelijke participatie’, waarmee dan gedoeld wordt op de participatie
                    van de hier beschreven doelgroep. </al><al>In het vervolg van de verordening wordt verduidelijkt op welke wijze
                    gemeenteraad en college invulling geven aan de ondersteuning van
                    maatschappelijke participatie. </al><al>Het begrip ‘voorziening’ is in de verordening gebruikt en heeft een ruime
                    betekenis gekregen. In wezen wordt met iedere vorm van financiële ondersteuning
                    of ondersteuning in natura door het college die specifiek is bestemd voor de
                    maatschappelijke participatie van kinderen, uitvoering gegeven aan de wens van
                    de wetgever als verwoord in de Memorie van Toelichting op artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel g WWB. Een dergelijke voorziening kan bijzondere bijstand zijn, maar
                    ook een tegemoetkoming of kostenvergoeding dan wel een subsidie of verstrekking
                    ‘in natura’, zolang dit maar bijdraagt aan de participatie. </al><al>Het begrip ‘Schoolgaand kind’ is gedefinieerd. Schoolgaande kinderen staan
                    centraal in het beleid met betrekking tot maatschappelijke participatie. Dit
                    begrip wordt ook genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, WWB maar niet
                    nader omschreven. Onder schoolgaande kinderen wordt in dit verband verstaan,
                    niet alleen kinderen die feitelijk schoolgaand zijn, maar ook zij die de
                    verplichting hebben omdat ze onder de leerplicht of kwalificatieplicht vallen. </al><al>Het begrip ‘laag inkomen’ is omschreven, omdat daarmee in deze verordening de
                    doelgroep van het gemeentelijk armoedebeleid wordt aangeduid. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Toepassingsbereik</vet></al><al>In artikel 2 is verduidelijkt wat de gemeenteraad, gegeven de verordeningsplicht
                    als zijn taak aanmerkt. Die taak is enerzijds gelegen in het in algemene zin
                    vergroten van de maatschappelijke participatie van de doelgroep (kwalitatief) en
                    anderzijds het terugdringen van het aantal kinderen dat onvoldoende participeert
                    (kwantitatief). In het tweede lid is aangegeven wat gegeven die taken, het doel
                    is van deze verordening. Dat is het stellen van regels voor het bestuursorgaan
                    dat belast is met uitvoering van deze verordening, het college. Het is
                    vervolgens aan het college om die regels tot uitvoering te brengen. Dat kan door
                    middel van beleidsplannen, -regels of andere instrumenten, zoals
                    samenwerkingsovereenkomsten. Voor een zuivere plaatsbepaling is tevens de
                    wettelijke opdracht herhaald om invulling te geven aan het begrip
                    ‘maatschappelijke participatie’. Daaraan is uitvoering gegeven in het eerste
                    lid, onderdeel b van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Verantwoordelijkheid college </vet></al><al>Met betrekking tot het beleid, gericht op maatschappelijke kinderparticipatie,
                    krijgt het college in dit artikel nog enkele opdrachten. Allereerst is in lid 1
                    bepaald dat het college zich inzet voor dienstverlening door derden aan kinderen
                    die bijdraagt aan maatschappelijke participatie. Maatschappelijke participatie
                    is niet een exclusieve taak van de overheid. Ook allerlei maatschappelijke
                    instellingen dragen daaraan bij. Het college krijgt de opdracht om te zoeken
                    naar wegen om de dienstverlening van dergelijke instellingen te ondersteunen
                    zodat de participatie wordt bevorderd. In het tweede lid is vastgelegd dat het
                    college de opdracht krijgt om zelfstandig vormen van ondersteuning te creëren
                    die de participatie ondersteunen. Zoals ook uit artikel 8 volgt, bepaalt het
                    college de vorm, tenzij de vorm in deze verordening is bepaald. </al><al>Het derde lid bepaalt dat voorzieningen met het karakter van categoriale
                    bijstand, onder de beperking van de inkomensgrens van 110% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm vallen. Zoals uit de algemene toelichting ook blijkt, kan evenzeer
                    door middel van individuele voorzieningen in maatschappelijke participatie voor
                    de doelgroep worden voorzien. </al><al>Het vierde lid geeft uitdrukking aan het idee dat samenwerking gewenst c.q.
                    noodzakelijk is in het bevorderen van maatschappelijke participatie.
                    Armoedebestrijding is niet alleen iets van gemeenten, maatschappelijke
                    instellingen spelen hier ook een belangrijke rol bij. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Beleid en voorzieningen (materiële invulling)</vet></al><al>Bij een materiële invulling van de verordeningsplicht past een bepaling waarin
                    aangegeven wordt welk beleid er wordt gevoerd door de gemeenteraad c.q. aan welk
                    beleid het college uitvoering moet geven. In dit artikel is geregeld dat het
                    college uitvoering geeft aan het verstrekken van categoriale bijzondere bijstand
                    ten behoeve van de bekostiging van de maatschappelijke participatie van
                    schoolgaande kinderen. Dit voor € 150,00 per kind dat het voortgezet onderwijs
                    volgt, en € 75,00 per kind dat het basisonderwijs volgt.</al><al/><al><vet>Artikel 5 De aanvraag</vet></al><al>In het eerste lid is geregeld dat één keer per jaar een aanvraag kan worden
                    ingediend. </al><al>De bijdrage wordt op schriftelijk verzoek (aanvraag) verstrekt. De aanvrager
                    geeft aan welke kosten worden gemaakt. De bijdrage wordt aan de aanvrager
                    uitbetaald. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat een aanvraag tijdig moet worden
                    ingediend.</al><al>De aanvraag kan gedurende het gehele kalenderjaar worden gedaan en na afloop van
                    dat kalenderjaar nog tot 1 februari van het daaropvolgende jaar. Hiermee wordt
                    voorkomen dat lang na afloop van een kalenderjaar nog aanvragen worden
                    ingediend. Aanvragen die na 31 januari, van het jaar volgend op het jaar waarop
                    de kosten betrekking hebben, worden ingediend moeten worden afgewezen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Het besluit</vet></al><al>Dit spreekt voor zich en sluit aan bij de bepalingen van de Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Maatschappelijke participatie in andere regelingen</vet></al><al>Zoals in de algemene toelichting reeds is vermeld, is het denkbaar dat aan
                    ondersteuning van maatschappelijke participatie uitdrukking is gegeven door het
                    creëren van regelingen of voorzieningen buiten de WWB om. Dit komt geregeld
                    voor. Gedacht moet worden aan reductieregelingen, subsidies (bijvoorbeeld aan
                    het jeugdsportfonds of stichting leergeld), tegemoetkomingen en verstrekkingen
                    ‘in natura’ (fietsen, computers en dergelijke) met behulp van andere instanties.
                    Als er voor dergelijke voorzieningen reeds een passend materieel wettelijk kader
                    is gecreëerd dan kan dit uiteraard overgenomen worden in deze verordening. Een
                    alternatief, waarmee de door de wetgever nagestreefde transparantie en
                    verantwoording ook worden bereikt is, om te verwijzen naar de betreffende
                    regelingen, de voorzieningen die worden aangeboden kort aan te duiden en de
                    regeling aan te merken als een regeling waarmee uitvoering wordt gegeven aan de
                    opdracht van de wetgever in artikel 8, eerste lid, onderdeel g WWB. Een
                    dergelijke benadering voorkomt een belastend en materieel overbodig proces voor
                    aanpassing van de lokale wetgeving, mede in het licht van de tijdelijkheid van
                    de verordeningsplicht. Het betreft veelal regelingen die onder de autonome
                    bestuursbevoegdheid van de gemeenteraad tot stand gekomen zijn (artikel 149
                    Gemeentewet). Uitgangspunt blijft daarbij dat het vaststellen van
                    participatiebevorderende maatregelen tot dat domein behoort.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Vorm van een voorziening</vet></al><al>Het college kiest de vorm van een voorziening, tenzij daarover reeds iets is
                    bepaald in deze verordening of de gemeenteraad langs andere wegen daarover ander
                    een standpunt inneemt. Uitgangspunt is de meest doeltreffende vorm, uiteraard
                    voorzover dat financieel- en uitvoeringstechnisch realiseerbaar is. </al><al/><al><vet>Slotbepalingen Artikelen 9 en 10</vet></al><al>De artikelen 9 en 10 behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>