<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR165075_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nunspeet Huis aan Huis 29-6-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>beleidsregels individuele verstrekkingen WMO</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Hoofdstuk</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Inhoud</titel></kop><structuurtekst><al>Inleiding 4</al><al>1. Vorm van de te verstrekken voorzieningen........................................................... 6</al><al>1.1. Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken ............................................. 6</al><al>1.2. Het persoonsgebonden budget.................................................................................. 6</al><al>1.3. Algemeen gebruikelijk……………………………………………………………………... 7</al><al>2. Woonvoorzieningen................................................................................................. 10</al><al>2.1 Uitsluitingen................................................................................................................ 10</al><al>2.2 Vormen van woonvoorzieningen................................................................................ 10</al><al>2.3 Beperkingen ............................................................................................................... 15</al><al>2.4 Overige woonvoorzieningen ...................................................................................... 17</al><al>2.4.1 Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard........................ 21</al><al>2.5 Procedure bij bouwkundige aanpassing .................................................................... 26</al><al>2.6 Voorwaarden voor verstrekking PGB en uitbetaling financiële tegemoetkoming...... 27</al><al>2.7 Kosten van woningaanpassingen .............................................................................. 28</al><al>2.8 Opstalverzekering ...................................................................................................... 28</al><al>2.9 Kosten in verband met woonruimteaanpassing......................................................... 28</al><al>3. Hulp bij het huishouden .......................................................................................... 30</al><al>3.1. Mogelijke voorzieningen............................................................................................. 30</al><al>3.2. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden ............................................. 31</al><al>3.3. Voorliggende voorzieningen ...................................................................................... 33</al><al>I Bijlage hoofdstuk 3 ‘Handreiking normering hulp bij het huishouden’ ....................... 34</al><al>4. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel .................................................................. 36</al><al>4.1. Vormen van vervoersvoorzieningen .......................................................................... 36</al><al>4.2. Doel van het vervoer .................................................................................................. 38</al><al>4.3. Vormen van vervoersvoorzieningen .......................................................................... 41</al><al>4.3.1. Een persoonsgebonden budget ................................................................................. 41</al><al>4.3.2. Een financiële tegemoetkoming................................................................................. 42</al><al>4.3.3. Een voorziening in natura .......................................................................................... 44</al><al>I Bijlage hoofdstuk 4 ‘Lijst algemeen gebruikelijke autoaanpassingen’ ....................... 48</al><al>5. Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel ..................................................... 49</al><al>5.1. Verplaatsen in en rond de woning ............................................................................. 49</al><al>5.2. Vormen van rolstoelvoorzieningen............................................................................. 49</al><al>5.2.1. Handbewogen rolstoelen ........................................................................................... 51</al><al>5.2.2. Elektrische rolstoelen................................................................................................. 52</al><al>5.2.3. Kinderrolstoelen ......................................................................................................... 52</al><al>5.2.4. Diversen ..................................................................................................................... 53</al><al>6. Het medisch advies.................................................................................................. 54</al><al>7. Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten ................................. 58</al><al>7.1. Aanvraag.................................................................................................................... 58</al><al>7.2. Onderzoek – Doelgroep............................................................................................. 58</al><al>7.3. Motiveren van besluiten ............................................................................................. 63</al><al>Lijst met afkortingen................................................................................................... 65</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u liggen de beleidsregels individuele verstrekkingen Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>(WMO) van de gemeente Nunspeet. Samen met de Verordening voorzieningen maatschappelijke</al><al>ondersteuning gemeente Nunspeet 2010 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente</al><al>Nunspeet vormen de beleidsregels een sluitend geheel aan regelgeving voor de WMO.</al><al>De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht:</al><al>“1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of</al><al>onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als</al><al>beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig naar worden verwezen. Uiteraard</al><al>is het wel zo dat besluiten volgens de beleidsregels moeten worden genomen. Dit sluit</al><al>uiteraard niet uit om bij gewijzigd beleid de beleidsregels aan te passen.</al><al>De Verordening is door de gemeenteraad vastgesteld. Het Besluit en de Beleidsregels worden</al><al>door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. het Besluit en de Beleidsregels</al><al>mogen dus niet in strijd mogen komen met de Verordening.</al><al>De beleidsregels volgen in principe de opbouw van de verordening. Er zijn dus hoofdstukken over</al><al>de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: woonvoorzieningen,</al><al>hulp bij het huishouden, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen)</al><al>en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). De beleidsregels beginnen met een hoofdstuk</al><al>over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (hoofdstuk 2 van de verordening).</al><al>Het eerste hoofdstuk van de verordening (algemene bepalingen en met name het onderdeel</al><al>beperkingen) is opgenomen in hoofdstuk 7, het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren</al><al>van besluiten. Tot slot een hoofdstuk dat handelt over het medische advies. In dit hoofdstuk</al><al>wordt ook ingegaan op het ICF. De verschillende hoofdstukken zijn aangevuld met het verstrekkingenbeleid.</al><al>Artikel 4 van de WMO, het artikel dat gemeenten de opdracht geeft tot het verstrekken van individuele</al><al>voorzieningen, luidt:</al><al>1. “Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder</al><al>g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie,</al><al>treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van</al><al>maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:</al><al>a. een huishouden te voeren;</al><al>b. zich te verplaatsen in en om de woning;</al><al>c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al><al>d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.</al><al>2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening</al><al>met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede</al><al>met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen</al><al>te voorzien.”</al><al>Net als in de verordening is er in deze beleidsregels van uitgegaan dat onder het voeren van een</al><al>huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden moeten worden verstaan.</al><al>Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het</al><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de vervoersvoorzieningen begrepen.</al><al>Bij de uitwerking van lid 2 van artikel 4 van de WMO moet in het bijzonder aandacht worden besteed</al><al>aan het tweede deel van deze bepaling, dat luidt: “houdt het college van burgemeester en</al><al>wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen,</al><al>alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in</al><al>maatregelen te voorzien.”</al><al>Het is deze bepaling die het college in staat stelt inkomensgrenzen te stellen voor bepaalde voorzieningen</al><al>bij een bepaald inkomen. Bij een bepaald (verzamel)inkomen wordt bijvoorbeeld verondersteld</al><al>dat een aanvrager een auto (of een daarmee vergelijkbare voorziening) zelf kan bekostigen.</al><al>Een dergelijke inkomensgrens bestond in de WVG ook al, maar was daar gebaseerd op het</al><al>begrip ‘algemeen gebruikelijk’. Dit was een begrip dat vooral in de jurisprudentie van de Centrale</al><al>Raad van Beroep was uitgewerkt, en met name leidde tot een inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen.</al><al>De formulering van artikel 4 lid 2 van de WMO is echter veel algemener. Er kan zelfs</al><al>gedacht worden aan een toepassing waarbij alle individuele voorzieningen boven een bepaald</al><al>(verzamel)inkomen niet meer verstrekt hoeven te worden. Het is duidelijk dat dit een belangrijk</al><al>sturings- of besparingselement is. Probleem is evenwel op welke plaats, bij welk inkomen, deze</al><al>inkomensgrens gelegd moet worden. De grens te laag bepalen kan aanvragers benadelen. Het</al><al>bepalen van een goede inkomensgrens waarbij sommige voorzieningen of alle voorzieningen niet</al><al>meer onder de werking van de WMO vallen is ingrijpend en vergt zorgvuldig onderzoek. In het</al><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn de grenzen vastgelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Vorm van de te verstrekken voorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.1</nr><titel>Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6 van de WMO bepaalt het volgende:</al><al>“ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een</al><al>individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het</al><al>ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder</al><al>de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de</al><al>loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.”</al><al>Gevolg van deze regel is dat drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk</al><al>zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een</al><al>voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. Artikel 6 van de WMO bepaalt dat een verplicht</al><al>alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een</al><al>Persoonsgebonden budget (PGB). Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm</al><al>van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 van de WMO:</al><al>“Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of</al><al>woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.</al><al>Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.”</al><al>In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt de verplichting opgelegd om een financiële</al><al>tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming</al><al>kan alleen al om die reden in sommige situaties geen PGB genoemd worden. Ook</al><al>wordt soms een financiële tegemoetkoming verstrekt als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding</al><al>die op declaratiebasis wordt verstrekt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.2</nr><titel>Het persoonsgebonden budget</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3 van de verordening bepaalt:</al><al>“Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als</al><al>persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze</al><al>tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de</al><al>hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet neergelegde</al><al>criteria.”</al><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 van de WMO. In de parlementaire behandeling van de</al><al>WMO is aangegeven dat uitzonderingen mogelijk zijn, onder andere als het gaat om personen</al><al>waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. In een Algemeen</al><al>Overleg over een aan de WMO verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft</al><al>de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende</al><al>systemen, zoals collectieve vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in</al><al>plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een PGB zou moeten worden verstrekt,</al><al>zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit</al><al>vervoer uit zou vallen. Voor degenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening</al><al>wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief</al><al>vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een PGB van een aanvrager die medisch gezien wel van</al><al>het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel</al><al>wordt in het hoofdstuk vervoer nader uitgewerkt.</al><al>In artikel 1.2 van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Nunspeet is bepaald dat</al><al>de verstrekking in de vorm van een PGB niet plaatsvindt als het ernstige vermoeden bestaat dat</al><al>de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een PGB. Dit is bijvoorbeeld het geval</al><al>wanneer de aanvrager in een schuldsaneringstraject zit. Verder is bepaald dat de verstrekking in</al><al>de vorm van een PGB bij roerende woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen</al><al>niet plaats vindt als duidelijk is geworden dat sprake is van een progressief ziektebeeld</al><al>of wanneer het een kind in de groei betreft. Om kapitaalvernietiging te voorkomen is deze beperking</al><al>opgenomen. De achtergrond hiervan is dat dergelijke hulpmiddelen (en de aanpassingen</al><al>daarvan) vaak verstrekt, vervangen en aangepast moeten worden waardoor een reguliere afschrijvingstermijn</al><al>van het hulpmiddel doorgaans niet haalbaar is. In de uitvoering wordt duidelijk</al><al>in welke situaties een weigering op zijn plaats is. Als het nodig is, zullen deze nieuwe situaties</al><al>later aan het besluit worden toegevoegd.</al><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het PGB. De</al><al>eerste voorwaarde daarbij is dat een PGB alleen verstrekt wordt voor individuele voorzieningen.</al><al>Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen PGB verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de</al><al>aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte,</al><al>niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen</al><al>snel te realiseren, worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve</al><al>mogelijkheid: als de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing</al><al>is of een PGB verstrekt moet worden, kan een aanvraag ingediend worden, of als al een</al><al>aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht</al><al>worden afgehandeld. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><al>- Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft.</al><al>- Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg.</al><al>- Of het gaat om een voorziening voor een incidentele zorgbehoefte.</al><al>Omvang van het PGB</al><al>De omvang van het PGB moet bepaald worden. Volgens artikel 6 van de verordening is de omvang</al><al>van het PGB afgeleid van de tegenwaarde van de in de desbetrefende situatie goedkoopst</al><al>adequate te verstrekking voorziening in natura, als nodig aangevuld met een vergoeding voor</al><al>instandhoudingskosten zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente</al><al>Nunspeet. Hierbij worden twee mogelijkheden onderscheiden. Enerzijds het PGB voor hulp bij het</al><al>huishouden, anderzijds het PGB voor voorzieningen afkomstig uit de WVG, zoals hulpmiddelen</al><al>als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.</al><al>PGB hulp bij het huishouden</al><al>De hoogte van het PGB voor hulp bij het huishouden is afhankelijk van:</al><al>- het aantal uren huishoudelijke hulp;</al><al>- de categorie hulp (1 of 2).</al><al>Hoe de omvang van het aantal uren hulp bij het huishouden wordt bepaald staat verder beschreven</al><al>in hoofdstuk 3.</al><al>Het uurtarief voor categorie 1 of 2 is afgeleid van de kosten van de voorziening in natura. Bij de</al><al>bepaling van het PGB uurtarief is aangesloten bij de loonschalen zoals deze ook gehanteerd</al><al>worden door aanbieders van hulp bij de huishouden in natura.</al><al>PGB individuele hulpmiddelen</al><al>Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de WVG moet per toekenning een berekening gemaakt</al><al>worden omdat bijvoorbeeld elke rolstoel die enige aanpassing behoeft, uit zal komen op</al><al>een ander bedrag. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt,</al><al>zijn daarbij uitgangspunt. Dat wordt bij onroerende woonvoorzieningen vaak afgeleid van</al><al>een offerte. Bij rolstoelen en vervoersvoorzieningen als een scootmobiel is het bedrag gelijk aan</al><al>het bedrag wat de gemeente zou moeten betalen aan de leverancier. In het besluit zijn deze criteria</al><al>vastgelegd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt dus uitgegaan van het</al><al>bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal vaak sprake zijn van</al><al>kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen</al><al>wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het PGB. Het is immers niet de bedoeling</al><al>dat een PGB meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen kan ervan</al><al>uitgegaan worden dat ook met een PGB een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft.</al><al>De voordelen van het PGB zijn duidelijk: zelf het heft in handen nemen, zelf de eigen zorg organiseren</al><al>en zelf bepalen wie (wanneer) komt helpen. De keuze voor een PGB leidt echter ook tot</al><al>verplichtingen en verantwoordelijkheden. Als de aanvrager kiest voor een PGB is men zelf verantwoordelijk</al><al>voor zaken als een juiste besteding, het hebben van de juiste verzekeringen, het</al><al>voeren van een (salaris)administratie, een correcte verantwoording et cetera. Wanneer de PGBhouder</al><al>daar ondersteuning bij wenst, dan kan men kosteloos gebruik maken van de ondersteuningsdiensten</al><al>van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zo zijn er zaken die voor een PGBhouder</al><al>soms moeilijk zelf te regelen zijn. Denk hierbij aan een verzekering voor loondoorbetaling</al><al>bij ziekte, het afsluiten van een contract met een Arbodienst of de afdracht aan de belastingdienst.</al><al>Al deze zaken zitten in het ondersteuningspakket van de SVB.</al><al>Beschikking uitbetaling PGB</al><al>Als het PGB berekend is, wordt het bij beschikking aan de aanvrager bekendgemaakt. In deze</al><al>beschikking wordt vermeld wat de omvang en duur van het PGB is.</al><al>Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het PGB moet worden aangeschaft en meer precies:</al><al>aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening moet voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk</al><al>omschreven Programma van eisen (PvE) bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen</al><al>worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten</al><al>worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen</al><al>leiden, wat op zich weer aanleiding kan zijn voor nieuwe aanvragen. Dit is uitsluitend te voorkomen</al><al>door een PvE onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening</al><al>aangeschaft die niet aan dat PvE voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.</al><al>In de beschikking moet ook opgenomen worden dat een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten</al><al>verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd wordt door het Centraal Administratie</al><al>Kantoor (CAK), kan in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen</al><al>worden. Wordt de eigen bijdrage/eigen aandeel niet geïnd door het CAK dan wordt het eigen</al><al>aandeel door de gemeente in mindering gebracht op het PGB.</al><al>Is de beschikking verzonden, dan kan het PGB beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer,</al><al>als daar aanleiding voor is, maar dat kan ook in termijnen, bijvoorbeeld bij een PGB voor hulp bij</al><al>het huishouden en bij de verstrekking van een PGB voor een hulpmiddel in de vorm van een</al><al>huurbedrag. Om de betaling overzichtelijk en efficiënt te houden wordt een budget dat betrekking</al><al>heeft op periodieke kosten naar evenredigheid vooraf per kwartaal beschikbaar gesteld. Het budget</al><al>voor een eenmalige verstrekking wordt ook vooraf beschikbaar gesteld, echter nadat de budgethouder</al><al>een opdrachtbevestiging heeft verstrekt.</al><al>De controle van het PGB vindt als volgt plaats:</al><al>Iedere budgethouder moet de volgende stukken bewaren:</al><al>- de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al><al>- een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;</al><al>- of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.</al><al>Steekproefsgewijs bepaalt het college bij welke budgethouders deze stukken worden opgevraagd</al><al>om te controleren of het PGB besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval,</al><al>dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het PGB anders besteed dan bedoeld, dan zal het college</al><al>het PGB geheel of gedeeltelijk herzien en terugvorderen.</al><al>Eigen bijdrage/eigen aandeel</al><al>Artikel 7 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken individuele voorziening, waaronder</al><al>een PGB, een eigen bijdrage/aandeel verschuldigd is. De eigen bijdrage wordt berekend door het</al><al>CAK. Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende</al><al>jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst,</al><al>te kunnen beschikken. In 2010 doet men aangifte over 2009, dus dat jaar is nog niet</al><al>bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2008 in 2010 gebruikt wordt. Dit betekent dat</al><al>soms een voorlopige vaststelling plaatsvindt en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering</al><al>brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel is daardoor niet altijd mogelijk.</al><al>Wordt een voorziening niet als PGB verstrekt maar in natura, dan vindt toekenning ook bij beschikking</al><al>plaats. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking</al><al>plaatsvindt.</al><al>De te betalen eigen bijdrage wordt door de gemeente alleen aangekondigd aangezien de berekening</al><al>en de inning plaatsvindt via het CAK.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.3</nr><titel>Algemeen gebruikelijk</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 2 lid 1 onder a van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente</al><al>Nunspeet 2010 is geregeld dat geen voorziening wordt toegekend voor zover de voorziening</al><al>algemeen gebruikelijk is voor een persoon als de aanvrager. Gedurende de uitvoering van</al><al>de Wet voorzieningen gehandicapten en de eerste jaren van de Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>heeft zich op dit terrein jurisprudentie ontwikkeld. Uit die jurisprudentie kunnen enkele</al><al>algemeen geldende regels worden afgeleid, die nu zijn opgenomen deze beleidsregels</al><al>Het gaat dan met name om:</al><al>• de criteria aan de hand waarvan kan worden afgeleid of een bepaalde voorziening al</al><al>of niet algemeen gebruikelijk is;</al><al>• in welke gevallen een uitzondering moet worden gemaakt op het principe, dat</al><al>geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt.</al><al>Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn vallen buiten de reikwijdte van het verstrekkingenbeleid.</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager</al><al>vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen</al><al>worden namelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd. De algemene criteria die de Centrale</al><al>Raad van Beroep hanteert bij het beoordelen of een zaak (product) als algemeen gebruikelijk</al><al>wordt aangemerkt, zijn de volgende:</al><al>• de voorziening is normaal in de handel verkrijgbaar;</al><al>• de voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking;</al><al>• de voorziening is niet duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel;</al><al>• de voorziening kan voor een niet-gehandicapte in een financieel vergelijkbare positie</al><al>tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend.</al><al>Individuele toets: bij de beoordeling of sprake is van een voorziening die algemeen gebruikelijk is</al><al>voor de persoon als aanvrager, moeten altijd de omstandigheden van de aanvrager betrokken</al><al>worden.</al><al>Hierna treft u een lijst aan met voorbeelden van voorzieningen die in ieder geval als algemeen</al><al>gebruikelijk worden beschouwd. Het gaat hier echter niet om een limitatieve opsomming. Een</al><al>limitatieve opsomming is niet te geven omdat niet voorzienbaar is welke voorziening beoordeeld</al><al>moet worden.</al><al>Voorbeelden:</al><al>• (mobiele) telefoon/abonnement;</al><al>• centrale verwarming en/of hogere huurkosten i.v.m. c.v.;</al><al>• wasdroger;</al><al>• keramische/inductie kookplaat;</al><al>• luchtzuiveringsapparaten, airco’s in auto’s en luchtbevochtigers;</al><al>• automatische transmissie;</al><al>• stuurbekrachtiging;</al><al>• een zogeheten 'Click 'n Go' -systeem. Dit is een automatische koppeling die zowel in</al><al>personen- als in bestelwagens is in te bouwen. Dit systeem is vergelijkbaar met een</al><al>automatische transmissie en bij de gewone autodealer verkrijgbaar;</al><al>• bromfiets, snorfiets, bromfietsscooter;</al><al>• fiets met hulpmotor zoals Spartamet en of een fiets met (elektrische) trapondersteuning;</al><al>• fiets met lage-instap;</al><al>• fiets met lage instap + hulpmotor;</al><al>• alle typen kranen zoals hendelmengkraan en/of thermosstatische mengkraan;</al><al>• woningsanering bij verhuizing naar nieuwe woning zonder acute noodzaak;</al><al>• waterbed;</al><al>• verhoogde toiletpot tot 9+ en toiletverhogers;</al><al>• korfladen in de keuken;</al><al>• douchekop op glijstangcombinatie;</al><al>• ligbad;</al><al>• tandemmet/tandem voor volwassenen, m.u.v. bepaalde gevallen bv. personen met</al><al>een beperkte visus;</al><al>• verhuizing, die in relatie tot de leeftijd van de cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk</al><al>is;</al><al>• een woningaanpassing of andere voorziening aan/in de woning, die in relatie tot de</al><al>leeftijd, de gezinssituatie of de woonsituatie van de cliënt voorzienbaar was;</al><al>• eenvoudige handgrepen tot 30 cm.</al><al>• (geaard) stopcontact in schuur en/of berging</al><al>Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen is op het gebied van de hulp bij het huishouden:</al><al>• boodschappendienst;</al><al>• crèche;</al><al>• kinderopvang;</al><al>• gastouder;</al><al>• alarmering;</al><al>• maaltijdservice;</al><al>• financiële administratieve ondersteuning;</al><al>• hondenuitlaatdienst.</al><al>Zie paragraaf 3.2 voor een uitgebreide toelichting op gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden.</al><al>Algemeen gebruikelijk in een wooncomplex voor ouderen</al><al>De reeds genoemde voorbeelden zijn algemeen gebruikelijk voor ‘iedere Nederlander’. Daarnaast</al><al>bestaan er voorzieningen die niet voor iedere Nederlander algemeen gebruikelijk zijn, maar dat</al><al>wel zijn binnen hun specifieke woonvorm. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een serviceflat, of bij</al><al>een ouderencomplex.</al><al>Rechtspraak stelt dat een bewoner van een serviceflat mag verwachten dat deze flat de mogelijkheid</al><al>biedt om daar als oudere op adequate wijze te kunnen wonen. Het mag dan ook als algemeen</al><al>gebruikelijk worden beschouwd dat bewoners van een serviceflat in gemeenschappelijke</al><al>ruimten beschikken over de nodige voorzieningen (zoals een elektrische deuropener). Ook als het</al><al>voorzieningenniveau in zijn algemeenheid stijgt, mag daarvan nog uitgegaan worden. In een dergelijk</al><al>geval is niet de gemeente op grond van de WMO, maar de woningeigenaar gehouden deze</al><al>voorzieningen te bieden.</al><al>Ook bij de nieuwbouw (of renovatie) van een complex dat specifiek is bedoeld voor bewoning</al><al>door ouderen en/of gehandicapten of in complexen waar - als gevolg van de vergrijzing - steeds</al><al>meer ouderen wonen, mag dan worden verwacht dat de woningeigenaar voorzieningen aanbrengt</al><al>die op die doelgroep zijn gericht. Zo kan bij een dergelijk complex een elektrische deuropener</al><al>op een gemeenschappelijke toe- of doorgangsdeur als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt.</al><al>Uitzondering</al><al>Bij wijze van uitzondering worden soms toch voorzieningen op grond van de Wmo verstrekt die</al><al>algemeen gebruikelijk zijn. Die uitzondering doet zich voor als ten gevolge van een plotseling</al><al>optredende beperking algemeen gebruikelijke zaken moeten worden vervangen die nog niet zijn</al><al>afgeschreven; dat zou zonder die beperking immers ook niet gebeuren.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4 van de WMO spreekt van: “a. een huishouden te voeren;”, onder welke regel in de verordening</al><al>zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. Hulp bij het</al><al>huishouden zal in hoofdstuk 3 besproken worden.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><structuurtekst><al>Voor alles moet bepaald worden of een van de uitsluitingen van artikel 18 van de verordening van</al><al>toepassing is:</al><al>“De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan</al><al>hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,</al><al>kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen</al><al>voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw</al><al>of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen (hadden) kunnen worden.”</al><al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig</al><al>hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten de situaties waarbij gezien de aard van het</al><al>soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is</al><al>sprake van een van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 13 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te</al><al>verstrekken, als:</al><al>a. algemene woonvoorziening;</al><al>b. woonvoorziening in natura;</al><al>c. PGB;</al><al>d. financiële tegemoetkoming.</al><al>Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare</al><al>beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor</al><al>een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en</al><al>adequaat op kan lossen.</al><al>Algemene woonvoorzieningen</al><al>De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de verordening bedoeld</al><al>voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe</al><al>zorg/voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen</al><al>snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. In de gemeente Nunspeet zijn (nog)</al><al>geen algemene woonvoorzieningen aanwezig. Daarom komen de onder b, c en d van artikel 13</al><al>van de verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking.</al><al>Onder deze verstrekkingsmogelijkheden vallen de volgende concrete voorzieningen, een:</al><al>a. tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al><al>b. bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al><al>c. niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening;</al><al>d. uitraasruimte.</al><al>Primaat verhuizing</al><al>Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vaststaat dat een aanpassing</al><al>noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning,</al><al>of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking</al><al>komt.</al><al>In de WVG-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd</al><al>door de Centrale Raad van Beroep. Onder de WMO wordt dan ook van deze mogelijkheid</al><al>gebruik gemaakt ter compensatie van woonproblemen.</al><al>In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het</al><al>principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing.</al><al>Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het</al><al>gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden</al><al>en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de</al><al>negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen wordt een goed gemotiveerd besluit genomen,</al><al>waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het</al><al>dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende.</al><al>Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing,</al><al>is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting</al><al>voldaan.</al><al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die</al><al>een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een</al><al>overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie,</al><al>een rol kunnen spelen bij de besluitvorming.</al><al>- De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd</al><al>De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost, speelt een rol in het afwegingsproces.</al><al>In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als snel een</al><al>geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van</al><al>het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt</al><al>een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning</al><al>een snellere oplossing biedt als niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt.</al><al>Uit de WVG-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke</al><al>medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem.</al><al>- Rekening houden met sociale factoren</al><al>Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt, zijn bijvoorbeeld de voorkeur</al><al>van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid</al><al>van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid</al><al>van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte</al><al>kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg.</al><al>De sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek zo veel mogelijk geobjectiveerd</al><al>worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als</al><al>dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan</al><al>worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dichtbij belangrijke voorzieningen, zoals</al><al>winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden,</al><al>bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager</al><al>zijn werk ‘aan huis’ heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de</al><al>bedrijfsmatige kant meegewogen worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf</al><al>op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke locatie negatieve gevolgen</al><al>voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben.</al><al>- Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte</al><al>Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op dit gebied, maakt het college een vergelijking</al><al>tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten</al><al>moeten daarbij in aanmerking worden genomen.</al><al>Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, brengt een verhuizing of woningaanpassing</al><al>andere gevolgen met zich mee dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een</al><al>koopwoning kan soms meer financiële consequenties hebben dan de verhuizing vanuit een</al><al>huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten</al><al>van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning</al><al>en verhuizen naar een huurwoning.</al><al>Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning</al><al>doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden.</al><al>Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook als de</al><al>aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen</al><al>heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie</al><al>van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert</al><al>(doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen</al><al>moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal</al><al>de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen.</al><al>- Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte</al><al>Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte</al><al>enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds.</al><al>Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen:</al><al>- Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte;</al><al>a. de kosten van het PGB voor verhuiskosten;</al><al>b. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;</al><al>c. kosten van het eventueel vrijmaken van de woning;</al><al>d. een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving.</al><al>- De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing.</al><al>- Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle</al><al>waarschijnlijkheid minder eenvoudig kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen.</al><al>- Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen.</al><al>- De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen.</al><al>- Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die</al><al>zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte.</al><al>Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende</al><al>aangepast worden.</al><al>De kosten zijn het uitgangspunt bij de afweging van het primaat van een verhuizing naar een</al><al>adequate woning. Maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. In verband met de verhuiskosten</al><al>en dergelijke wordt het zogenoemde ‘primaat van de verhuizing’ doorgaans pas gehanteerd,</al><al>als de kosten van de woonruimteaanpassing meer dan € 7.500,-- bedragen.</al><al>Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan</al><al>koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met</al><al>een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de</al><al>afweging dan ook een rol van belang.</al><al>Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Als vaststaat dat iemands toestand naar</al><al>verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor</al><al>beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of</al><al>aanpassen.</al><al>Soms zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager</al><al>als negatief worden beoordeeld omdat men graag wil blijven wonen in de vertrouwde woning. Als</al><al>de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend.</al><al>Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering</al><al>beoordeelt het college of ervan uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een</al><al>compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.</al><al>Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren</al><al>van het primaat van de verhuizing.</al><al>Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol</al><al>spelen. Een verhuiskostenvergoeding wordt vaak in de vorm van een PGB toegekend. Dit is in</al><al>drie situaties mogelijk aan de orde:</al><al>1. De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen</al><al>naar een adequate woning.</al><al>2. De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar</al><al>na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem.</al><al>Ook mogelijk is dat de desbetreffende woning niet kan worden aangepast.</al><al>3. Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste</al><al>woning woont.</al><al>Een PGB in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat</al><al>alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk</al><al>is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of</al><al>om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals</al><al>voorspelbare verhuizingen van senioren (artikel 20 van de verordening).</al><al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen verhuiskostenvergoeding</al><al>verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn</al><al>voor permanente bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald.</al><al>Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer sprake is van ondervonden</al><al>belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing</al><al>op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld wanneer</al><al>een persoon buiten de WMO-doelgroep een aangepaste woning vrijmaakt. Alleen als het vrijmaken</al><al>van de woning op verzoek van het college gebeurt, is aanspraak op een PGB voor verhuisen</al><al>herinrichtingskosten</al><al>Het college verstrekt in beginsel geen PGB voor verhuizing en herinrichting, als de verhuizing</al><al>heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden</al><al>vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de</al><al>verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing.</al><al>De hoogte van het persoongebonden budget voor verhuizing en inrichting is opgenomen in het</al><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Primaat losse woonunit</al><al>Is een verhuizing niet aan de orde, dan moet beoordeeld worden welke aanpassingen noodzakelijk</al><al>zijn.</al><al>Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse</al><al>woonunit (artikel 17):</al><al>“Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing</al><al>van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste</al><al>woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen</al><al>ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college</al><al>een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende</al><al>aard bestaan.”</al><al>Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal</al><al>jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik</al><al>immers gering.</al><al>Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van</al><al>een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is.</al><al>Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit</al><al>er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene</al><al>een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar,</al><al>een losse unit wel.</al><al>Het PvE zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is</al><al>daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan</al><al>de gemeente gemeld moet worden. De gemeente kan er dan voor zorgdragen dat de unit verwijderd</al><al>wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit</al><al>van de verstrekking van een losse woonunit.</al><al>Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet</al><al>worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt.</al><al>Aanpassen. Overige (bouwkundige) voorzieningen</al><al>De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen.</al><al>Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn activiteiten die</al><al>de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging,</al><al>toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en</al><al>verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen de woonruimte.</al><al>Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd,</al><al>houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld</al><al>dialyseruimten, therapeutisch baden).</al><al>Er wordt ook geen rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan</al><al>wel voorzieningen die puur als noodvoorziening gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en</al><al>niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren).</al><al>Ook voor het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen</al><al>getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie.</al><al>Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen</al><al>bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een</al><al>specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking.</al><al>Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij</al><al>het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing</al><al>van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – volgens de jurisprudentie van de Centrale</al><al>Raad van Beroep onder de WVG – beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost</al><al>door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs</al><al>te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke</al><al>oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting</al><al>dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><structuurtekst><al>Hoofdverblijf</al><al>Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1:</al><al>“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal</al><al>hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.”</al><al>Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene</al><al>zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven</al><al>dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de betrokkene</al><al>een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in</al><al>de situatie waarin de persoon uit de WMO-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een</al><al>andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding</al><al>behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.</al><al>In uitzonderingssituaties is sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan</al><al>gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden</al><al>opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van</al><al>de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen</al><al>getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de</al><al>woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd,</al><al>rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de desbetreffende</al><al>ouder is gelegen.</al><al>Artikel 19 biedt in lid 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel:</al><al>2. “In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden</al><al>voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft</al><al>in een AWBZ-instelling.</al><al>3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te</al><al>passen woning staat.</al><al>4. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde</al><al>woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente</al><al>vast te leggen maximumbedrag.</al><al>5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de</al><al>woonkamer en een toilet kan bereiken.”</al><al>Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de WVG, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken</al><al>een bovenwettelijke voorziening was. Onder de WMO is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke</al><al>voorziening in de verordening opgenomen. Omdat het gaat om een bovenwettelijke</al><al>bepaling betreft het uitsluitend de in artikel 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van</al><al>de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het</al><al>gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet</al><al>worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke</al><al>taak. Omdat het gaat om een bovenwettelijke voorziening geldt geen resultaatsverplichting. Daardoor</al><al>kan de gemeente grenzen leggen zonder dat de gemeente gedwongen kan worden meer te</al><al>doen.</al><al>Gekozen is voor een beperkte benadering, om te voorkomen dat in deze – bovenwettelijke – situatie</al><al>meer gedaan zou moeten worden dan in situaties waarin wel sprake is van een compensatieplicht.</al><al>Bovendien kan er van uitgegaan worden dat ouders als zij gaan verhuizen vaneen een</al><al>voor hun kind in het verleden geschikt gemaakte woning, rekening houden met het kunnen bezoeken</al><al>van hun kind, ook in de nieuwe woning.</al><al>Overige beperkingen woonvoorzieningen</al><al>Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de verordening</al><al>vastgelegd in artikel 20:</al><al>“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd als:</al><al>a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe</al><al>op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of</al><al>gebrek geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al><al>b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare</al><al>meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend</al><al>door het college;</al><al>c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische</al><al>deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;</al><al>d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie</al><al>of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en geen</al><al>sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;</al><al>e. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor zover de aanvraag een</al><al>verhuiskostenvergoeding betreft;</al><al>f. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar</al><al>door bewoond te worden;</al><al>g. de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het</al><al>verstrekken van zorg;</al><al>h. er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn</al><al>ondervonden;</al><al>i. De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard</al><al>van de in de woning gebruikte materialen.</al><al>De onder a. genoemde beperking ziet vooral toe op situaties waarbij vanuit een aangepaste en</al><al>geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze</al><al>verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een</al><al>belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een</al><al>zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste</al><al>woning niet meer bewoond kan blijven worden enzovoort. In deze uitzonderingssituaties</al><al>mag verwacht worden dat de aanvrager van tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de</al><al>gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is.</al><al>Onder b. wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte</al><al>woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen</al><al>een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen moet worden voor de geschikte</al><al>woning. Gebeurt dat niet, dan is dat aanleiding tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of</al><al>van tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening worden gehouden met de kennis</al><al>die een gemeente heeft van op dat moment beschikbare geschikte woningen.</al><al>Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd</al><al>worden. Dit uitgangspunt is onder punt c. vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen</al><al>hoeven niet verstrekt te worden. De keuze voor de limitatieve lijst moet natuurlijk wel</al><al>gemotiveerd worden.</al><al>Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen</al><al>die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van</al><al>de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen vijf jaar onmogelijk gaat worden,</al><al>moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot</al><al>het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding</al><al>zijn tot afwijzing.</al><al>Ten slotte onder e tot en met i. dat is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Overige woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Uitbreiding van ruimten</al><al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima in vierkante meters aangehouden,</al><al>tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard moet dat door een onafhankelijk</al><al>adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven worden:</al><al>Soort vertrek Bij aanbouw Bij uitbreiding</al><al>woonkamer 30 6</al><al>keuken 10 4</al><al>eenpersoonsslaapkamer 10 4</al><al>tweepersoonsslaapkamer 18 4</al><al>toiletruimte 2 1</al><al>badkamer</al><al>- wastafelruimte 2 1</al><al>- doucheruimte 3 2</al><al>entree/hal/gang 5 2</al><al>berging 6 4</al><al>Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen</al><al>Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening,</al><al>hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen</al><al>en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften,</al><al>douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk wordt uit oogpunt van</al><al>herbruikbaarheid gekozen voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld is,</al><al>gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing</al><al>voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een</al><al>bouwkundige voorziening. Meestal is de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief</al><al>voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel</al><al>kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook wordt bij voorkeur met</al><al>losse voorzieningen gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling</al><al>of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking</al><al>van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf</al><al>niet-efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook als mensen in een slooppand wonen.</al><al>Bijzonderheden</al><al>Voor een aantal bijzondere omstandigheden wordt hierna de specifieke bepaling vastgelegd. Deze</al><al>bepalingen zijn tot stand gekomen op basis van ontwikkelde WVG jurisprudentie.</al><al>Zelfwerkzaamheid</al><al>Als een voorziening (geheel of gedeeltelijk) in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, worden alleen</al><al>de materiaalkosten aangemerkt en vervalt de post loonkosten. Kosten voor het inschakelen van</al><al>een architect kunnen alleen worden vergoed als hiertoe een noodzaak is vastgesteld. Dit is alleen</al><al>het geval bij ingrijpende aanpassingen. Ingeval van zelfwerkzaamheid aanvaardt de gemeente</al><al>geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van ondeugdelijk, dan wel ondeskundig aangebrachte</al><al>voorzieningen. Zelfwerkzaamheid wordt alleen toegestaan als de totale kosten beneden een bedrag</al><al>van € 7.500,-- blijven. Uitbetaling vindt eerst na indiening van gespecificeerde facturen</al><al>plaats. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van aanwijzingen duidelijk is geworden dat</al><al>de aanvrager (technische) problemen heeft bij zelfwerkzaamheid.</al><al>Trapliften</al><al>Een traplift is een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het traplopen</al><al>op te heffen (verticaal verplaatsen). Afhankelijk van de situatie in de desbetreffende woning</al><al>en/of de handicap zijn de volgende trapliften mogelijk:</al><al>- stoeltraplift;</al><al>- plateaulift;</al><al>- stalift.</al><al>Een plateaulift of stalift wordt alleen in bijzondere situaties verstrekt.</al><al>Beoordelingscriteria</al><al>De gehandicapte moet belemmeringen ondervinden bij het traplopen en traplopen is medisch</al><al>gezien niet meer mogelijk of medisch gezien niet meer verantwoord. Er moet altijd een afweging</al><al>gemaakt worden of goedkopere, adequate voorzieningen mogelijk zijn om de belemmeringen die</al><al>de aanvrager ondervindt bij het traplopen te verminderen en/of te heffen. Te denken valt hierbij</al><al>aan bijvoorbeeld een extra trapleuning en dergelijke. De voorziening wordt alleen geplaatst als de</al><al>primaire woonfuncties van de belanghebbenden op meerdere woonlagen gelegen zijn. Sinds een</al><al>aantal jaren zijn trapliften of delen van trapliften herbruikbaar. Hierdoor is hergebruik mogelijk.</al><al>Gezien het vaak relatief kortdurend gebruik van een traplift, de mogelijkheden tot hergebruik en</al><al>het feit dat het gaat om een kostbare voorziening, wordt een traplift alleen in bruikleen verstrekt.</al><al>Zie ook artikel 1.3 lid b van het besluit.</al><al>Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen</al><al>Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. In</al><al>hoofdstuk 7.2 wordt het begrip algemeen gebruikelijk nader gedefinieerd. Hierna (2.4 en 2.4.1)</al><al>staan een aantal voorbeelden van woonvoorzienignen waarbij het begrip algemeen gebruikelijk</al><al>van toepassing is.</al><al>Eenhendelmeng- en thermosstatische kranen</al><al>Omdat een eenhendelmengkraan als algemeen gebruikelijk geacht wordt, is geen sprake van een</al><al>voorziening in de zin van de WMO. Daarom kan voor deze voorziening geen vergoeding worden</al><al>verstrekt.</al><al>Antislipmat</al><al>Omdat een antislipmat als algemeen gebruikelijk geacht wordt, is geen sprake van een</al><al>voorziening in de zin van de WMO. Daarom kan voor deze voorziening geen vergoeding worden</al><al>verstrekt.</al><al>Aanbrengen en bedienen zonwering</al><al>aanbrengen: Zonneschermen worden niet aangebracht voor het zelfstandig functioneren in de</al><al>woning en zijn daarom niet noodzakelijk voor het wegnemen of verminderen van</al><al>beperkingen in de dagelijkse woonfuncties; daarom geen vergoeding.</al><al>bedienen: Bij het bedienen van een zonnescherm kunnen ten gevolge van medische redenen</al><al>beperkingen worden ondervonden (bijvoorbeeld omdat men de kracht er niet meer</al><al>voor heeft). Het elektrisch bedienbaar maken van de zonwering zou deze</al><al>belemmering op kunnen heffen. Omdat deze algemeen in de handel verkrijgbaar</al><al>zijn, valt een dergelijke voorziening in principe niet onder de WMO. De bediening</al><al>van een zonnescherm is geen activiteit, zonder welke zelfstandig functioneren</al><al>onmogelijk is. Bovendien is geen sprake van een elementaire woonfunctie.</al><al>Speel-/hobbykamer</al><al>Het gebruiken van een hobby-, werk- of recreatieruimte valt niet onder het begrip woonvoorziening.</al><al>De reden hiervoor is dat geen sprake is van het opheffen van (ergonomische) beperkingen</al><al>die het normale gebruik van de woning omvatten. Een uitzondering kan worden gemaakt als de</al><al>belanghebbende bijvoorbeeld alleen via de hobbyruimte toegang tot de woning kan verkrijgen,</al><al>deze kan dan worden aangepast uit een oogpunt van toegankelijkheid. Een uitzondering kan ook</al><al>worden gemaakt met betrekking tot een kind. Voor een kind wordt tot de elementaire woonfuncties</al><al>gerekend dat het kind binnenshuis kan spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid. Als</al><al>voorwaarde geldt dat dit gevaar niet kan worden beheerst door in redelijkheid te vergen oppas of</al><al>andere maatregelen.</al><al>Keukenaanpassingen</al><al>Omschrijving: Een voorziening in de vorm van een aanpassing aan en/of verbouwing van de keuken.</al><al>Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld:</al><al>- verhoging/verlaging van het aanrecht;</al><al>- het ophangen van keukenkastjes op een andere hoogte;</al><al>- het plaatsen van apparatuur op een sokkel;</al><al>- het adequaat maken van de keukenkraan;</al><al>- het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht;</al><al>- het in hoogte verstelbaar maken van het aanrecht;</al><al>- en als van toepassing het creëren van vervangende kastruimte;</al><al>- verrijdbare kasten, korven et cetera.</al><al>De aanpassing/verbouwing van een keuken valt onder een onroerende woonvoorziening. Belanghebbende</al><al>ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in het gebruik van</al><al>de keuken en zonder aanpassingen is gebruik van de keuken niet mogelijk. Aanpassingen aan of</al><al>verbouwing van een keuken worden verstrekt in eigendom aan de eigenaar van de woning.</al><al>Bepalingen voor de verstrekking:</al><al>- Als gebruik wordt gemaakt van een trippelstoel (hoog/laag verstelbaar), is een in hoogte verstelbare</al><al>keuken niet noodzakelijk, maar kan volstaan worden met het (gedeeltelijk) onderrijdbaar</al><al>maken van het aanrecht. Vaak kan volstaan worden met het verwijderen van een kastdeurtje.</al><al>Eventueel kan aan de voorkant van het aanrecht een beugel aangebracht worden,</al><al>als aanvrager niet met de voeten bij de grond kan komen om zich voort te bewegen.</al><al>- Als belanghebbende rolstoelafhankelijk is en er is een partner die dezelfde keuken gebruikt,</al><al>dan kan een hoog/laag verstelbare keuken eventueel noodzakelijk zijn. Afhankelijk van de</al><al>taakverdeling tussen de partners/huisgenoten kan de goedkoopst/adequate voorziening ook</al><al>een op twee verschillende hoogten geplaatst werkblad zijn.</al><al>- Een elektrische hoog/laag keuken wordt alleen dan verstrekt, als de werkhoogten van beide</al><al>partners verschillend zijn en beide partners dusdanige belemmeringen ondervinden in de</al><al>handfunctie, dat voor beiden een handmatige verstelling niet te bedienen is.</al><al>- In een keuken zitten standaard drie kastjes onder het aanrecht en twee kastjes boven het</al><al>aanrecht, meer kastruimte wordt door de WMO niet vergoed.</al><al>- Als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt: magnetron, oven, vaatwasser, kookvoorziening,</al><al>afzuiging, verlichting en dergelijke.</al><al>Toilet op etage</al><al>Een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het traplopen en de</al><al>toiletgang te verminderen of op te heffen. Dit kan een vaste voorziening zijn of als goedkoopst</al><al>adequaat een toilet met vermaler. Bij het verstrekken van een toilet op de etage, moet zorgvuldig</al><al>de goedkoopst/adequate voorziening afgewogen worden, zowel bouwtechnisch als ook de afweging</al><al>tot verstrekking van een toiletstoel.</al><al>Bepalingen voor de verstrekking:</al><al>1. belanghebbende ondervindt belemmeringen bij het traplopen en</al><al>2. belanghebbende maakt 's nachts regelmatig gebruik van het toilet en de afstand naar het</al><al>toilet beneden is niet of slechts met grote moeite overbrugbaar en</al><al>3. belanghebbende woont zelfstandig en er is geen ander persoon aanwezig, die ondersteuning</al><al>kan bieden bij het legen van een toiletstoel en belanghebbende ondervindt zelf dusdanige belemmeringen</al><al>bij het traplopen dat het zelfstandig legen van een po niet mogelijk is en/of</al><al>4. gebruik van een toiletstoel is niet mogelijk, omdat met name sprake is van toiletgebruik niet</al><al>alleen voor urine, maar ook voor ontlasting en</al><al>5. geen traplift aanwezig is;</al><al>6. als de langdurige noodzaak van de voorziening een punt van discussie is, kan een losse</al><al>voorziening de meest economische keus zijn;</al><al>7. voor vaststelling van een indicatie voor een toilet op de etage zal bij de meeste aanvragen</al><al>extern medisch advies worden aangevraagd om de goedkoopst/adequate voorziening te beoordelen.</al><al>Vaak is een toiletstoel een adequate voorziening.</al><al>Automatische deuropener</al><al>Een middel waarmee de deur van een woning op afstand geopend kan worden. Een automatische</al><al>deuropener kan verstrekt worden als aanpassing aan een individuele woning, maar ook als</al><al>aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte (bijvoorbeeld de ingang van een complex). Betrokkene</al><al>moet zelfstandig wonen en kan zonder hulp van derden de voordeur van de woning niet</al><al>openen en/of bereiken.</al><al>Tijdelijke aanpassingen (huidige) niet adequate woning bij indicatie verhuizing</al><al>Nadat de noodzaak van een verhuizing is vastgesteld, kan het nog enige tijd duren voordat een</al><al>adequate woning vrijkomt. Een vergoeding op grond van de WMO voor eenvoudige, tijdelijke</al><al>aanpassingen (zoals een douchestoel in bruikleen) is mogelijk als de situatie in de huidige woning</al><al>zodanig is, dat per direct enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Het betreft in dit geval kleine,</al><al>marginale aanpassingen.</al><al>Als direct grote aanpassingen nodig zijn en de verwachting is dat een nieuwe woning niet direct</al><al>beschikbaar komt, dan moet opnieuw een afweging tussen aanpassen en verhuizen plaatsvinden.</al><al>Er bestaat een uitzondering op dit uitgangspunt wanneer een of meerdere adequate woningen</al><al>zijn geweigerd en daarom langer in de oude, inadequate woning moet worden verbleven. Door</al><al>het aanbieden van (of wijzen op) een andere adequate woning heeft de gemeente aan haar zorgplicht</al><al>voldaan. Als de gemeente instemt met de weigering van een woning om (bijvoorbeeld) persoonlijke</al><al>redenen, ontstaat voor de gemeente geen zwaardere of nieuwe zorgplicht voor de situatie</al><al>in de oude woning. In voorkomende gevallen moet wel duidelijk op de gevolgen van de weigering</al><al>worden gewezen (langer zonder aanpassingen in de inadequate woning en geen verantwoordelijkheid</al><al>van de gemeente voor de op zich noodzakelijke aanpassingen).</al><al>Nieuwbouw ‘meerkosten’ aanpasbaar bouwen</al><al>Bij het bouwen van een (nieuwe) woning moet de aanvrager rekening houden met de mogelijkheden</al><al>om ‘aangepast’ te bouwen (bijvoorbeeld al een slaapkamer op de begane grond ). Ook kan</al><al>worden gekozen voor het bouwen van een nieuwe woning omdat (adequaat) functioneren in de</al><al>oude woning niet meer mogelijk is. In sommige gevallen kost het aanpasbaar of aangepast bouwen</al><al>meer dan het bouwen van een 'reguliere' woning.</al><al>Deze meerkosten kunnen in aanmerking komen voor vergoeding als:</al><al>- de aanpassingen nog niet gebouwd of aangebracht zijn;</al><al>- de aanpassingen door de medisch adviseur geïndiceerd zijn en de belanghebbende</al><al>volledig rolstoelgebonden is of wordt;</al><al>- het daadwerkelijk om meerkosten gaat;</al><al>- het aanpassingen betreft die nu of in de nabije toekomst (binnen één jaar) noodzakelijk zijn</al><al>(dus wordt geen WMO-vergoeding gegeven als iemand uit voorzorg een huis ‘aanpasbaar’</al><al>bouwt);</al><al>Als de aanpassingen ook zonder meerkosten aangebracht kunnen worden, wordt geen vergoeding</al><al>gegeven.</al><al>Meerkosten luxe-voorzieningen</al><al>In artikel 2 lid 2 sub b van de verordening is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend voor</al><al>zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau</al><al>voor sociale woningbouw. Als dit uitrustingsniveau niet tegemoet komt aan de wensen</al><al>van de belanghebbende, wordt door de gemeente de volgende procedure toegepast. De</al><al>gemeente vergoedt de kosten – berekend op basis van de 'goedkoopst adequate voorziening die</al><al>niet duurder dan nodig is' – aan belanghebbende, zodat deze het bedrag kan gebruiken voor de</al><al>door hem gewenste voorziening. Wel gelden daarbij de volgende voorwaarden:</al><al>- de alternatieve oplossing moet adequaat zijn (als zodanig vastgesteld door de medisch adviseur);</al><al>- alle meerkosten (dus ook architect- en toezichtkosten) moeten door belanghebbende zelf</al><al>betaald worden;</al><al>- als de alternatieve oplossing tot hogere bijkomende kosten leidt dan de adequate voorziening,</al><al>die niet duurder dan nodig is, moeten ook die meerkosten door de belanghebbende betaald</al><al>worden (bijvoorbeeld hogere onderhoudskosten).</al><al>Aanpassingen buitenshuis (trottoir en dergelijke)</al><al>In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn dat ook buiten de woning aanpassingen plaatsvinden</al><al>omdat belanghebbende anders alsnog beperkingen ondervindt (bijvoorbeeld bij een zeer hoge</al><al>voordeurdrempel; een oprit naar de woning; de stalling voor een scootmobiel). In dit verband heeft</al><al>de gemeente ook een zorgplicht voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning. Voor</al><al>de beperkingen die als gevolg van het gebruik van een door de WMO verstrekte voorziening optreden,</al><al>geldt dat de aanpassing wordt beschouwd als een woonvoorziening, en een financiële</al><al>tegemoetkoming is mogelijk als aan de volgende criteria wordt voldaan:</al><al>- De aanpassing moet noodzakelijk zijn om de ergonomische beperkingen die belanghebbende</al><al>bij het betreden van het huis ondervindt op te heffen of te verminderen.</al><al>- De aanpassing moet het gevolg zijn van een WMO-verstrekking én niet algemeen gebruikelijk</al><al>zijn, zoals bijvoorbeeld het opheffen van verzakt straatwerk.</al><al>Voor de stalling van een scootmobiel of buitenwagen geldt het volgende. Bij hoge uitzondering</al><al>wordt de bestaande woonruimte aangepast dan wel uitgebouwd. Hiertoe wordt pas overgegaan</al><al>als nergens naar redelijke maatstaven stalling mogelijk is. Hierbij zijn niet de wensen van de belanghebbende</al><al>doorslaggevend. Uitgegaan wordt van de situering en indeling van de woning.</al><al>Criteria daarbij zijn de toegankelijkheid voor de gehandicapte en de manoeuvreerruimte.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.5</nr><titel>Procedure bij bouwkundige aanpassing</titel></kop><structuurtekst><al>Zie ook de bepalingen in hoofdstuk 7.</al><al>Procedure aanvraag woningaanpassing</al><al>1. Vaststellen PvE</al><al>Nadat de aanvraag is ingediend, wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris</al><al>met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een</al><al>PvE voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis</al><al>van dat PvE enkele offertes bij een aannemer op.</al><al>2. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt</al><al>De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële</al><al>tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het PGB:</al><al>- voor aanpassingen tot en met € 1.000,-- moet minimaal één offerte ingediend worden;</al><al>- voor woningaanpassingen vanaf € 1.000,-- tot en met € 5.000-- moeten minimaal twee offertes</al><al>ingediend worden;</al><al>- voor woningaanpassingen vanaf € 5.000,-- moeten minimaal drie offertes ingediend worden.</al><al>Van het indienen van een offerte kan worden afgezien als het college met een of meerdere leveranciers</al><al>vaste eenheidsprijzen heeft afgesproken. De vastgestelde eenheidsprijs is in dat geval</al><al>gelijk aan de verstrekking. Het college kan per aanvraag nader een maximum bedrag totaalbedrag</al><al>bepalen bij de verstrekking van eenheidsprijzen.</al><al>3. Het college geeft toestemming</al><al>Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet al</al><al>zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming</al><al>of het PGB betrekking heeft.</al><al>4. De eigenaar voert uit</al><al>De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing volgens het</al><al>PvE.</al><al>5. Het college controleert</al><al>Het college verleent slechts een PGB of een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing</al><al>als de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing</al><al>wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde</al><al>personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, die betrekking hebben op de</al><al>woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.</al><al>6. Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding</al><al>De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing</al><al>van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen twaalf maanden na het verlenen van toestemming</al><al>voor het aanpassen van de woning, verklaart degene aan wie de financiële tegemoetkoming</al><al>wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid</al><al>(de gereedmelding). Deze gereedmelding is ook een verzoek om vaststelling en uitbetaling</al><al>van de financiële tegemoetkoming. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij</al><al>het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het PGB of de financiële</al><al>tegemoetkoming is verleend. Degene aan wie het PGB of de financiële tegemoetkoming wordt</al><al>uitbetaald, moet gedurende een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met</al><al>betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar houden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.6</nr><titel>Voorwaarden voor verstrekking PGB en uitbetaling financiële tegemoetkoming.</titel></kop><structuurtekst><al>Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd volgens het PvE en aldus een</al><al>adequate aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming</al><al>ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking</al><al>aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is,</al><al>worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden.</al><al>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</al><al>a. Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering</al><al>van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande</al><al>schriftelijke toestemming van het college.</al><al>b. Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt</al><al>tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht.</al><al>c. Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen,</al><al>welke betrekking hebben op de woningaanpassing.</al><al>d. Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de</al><al>woningaanpassing.</al><al>e. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen twaalf maanden na</al><al>het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële</al><al>tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid volgens het</al><al>PvE.</al><al>f. De gereedmelding is ook een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al><al>g. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen</al><al>is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen</al><al>en betalingsbewijzen worden bijgevoegd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.7</nr><titel>Kosten van woningaanpassingen</titel></kop><structuurtekst><al>De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in aanmerking worden genomen</al><al>bij de vaststelling van (het PGB of) de financiële tegemoetkoming:</al><al>1. De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening.</al><al>2. De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de</al><al>Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991.</al><al>3. Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat</al><al>dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de Bond van Nederlandse</al><al>Architecten (BNA). Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect</al><al>voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht.</al><al>Het betreft dan vaak de ingrijpender woningaanpassingen. Het architectenhonorarium</al><al>komt niet voor vergoeding in aanmerking als de gemeente deze activiteiten in eigen beheer</al><al>kan verrichten.</al><al>4. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2%</al><al>van de aanneemsom.</al><al>5. De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening.</al><al>6. De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting.</al><al>7. Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de</al><al>bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen.</al><al>8. De prijs van bouwrijpe grond, als noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd</al><al>kan worden, volgens bijgaande tabel.</al><al>9. De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten</al><al>tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.</al><al>10. De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot</al><al>het verrichten van de aanpassing.</al><al>11. De administratiekosten die verhuurder maakt voor het treffen van een voorziening voor de</al><al>gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,-- bedragen, 10%</al><al>van die kosten, met een maximum van € 350,--.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.8</nr><titel>Opstalverzekering</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering</al><al>aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.9</nr><titel>Kosten in verband met woonruimte/-aanpassing</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Sub-paragraaf 2.9.1 Onderhoud, keuring en reparatie</tussenkop><al>Omschrijving</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten</al><al>van het onderhoud, de keuring en de reparatie van roerende en onroerende woonvoorzieningen.</al><al>Het betreft hier alleen voorzieningen die elektrisch, mechanisch of hydraulisch aangedreven worden.</al><al>Bepalingen voor de verstrekking:</al><al>- Voor de kosten van geringe en/of dagelijkse reparaties en voor reparaties van schade ten gevolge</al><al>van grove schuld of opzet wordt geen vergoeding verstrekt.</al><al>- De totale kosten van reparatie worden vergoed.</al><al>- Voor de kosten van het onderhoud en de keuring van trap- en andere liften geldt een maximum</al><al>vergoeding zoals dat overeengekomen is met de leverancier van de gemeente.</al><al>- Voor de voorzieningen die in het kader van de oude regeling RGSHG zijn verstrekt, kan een</al><al>tegemoetkoming worden verstrekt.</al><al>Bijzonderheden</al><al>De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van andere installaties worden aangemerkt als een</al><al>bestanddeel van de woning en komen in geval van verhuur voor rekening van de verhuurder. Hiervan</al><al>is bijvoorbeeld sprake bij een centrale verwarmingsinstallatie, een mechanische ventilatie, een</al><al>intercom en dergelijke.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 2.9.2 Tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>Omschrijving</al><al>Als de gehandicapte in aanmerking komt voor woningaanpassingen en het voor het aanbrengen</al><al>van deze aanpassingen noodzakelijk is dat tijdelijk naar een andere woonruimte moet worden uitgeweken,</al><al>kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten</al><al>worden verstrekt. Deze tegemoetkoming kan ook worden verstrekt als iemand de nieuwe</al><al>woning nog niet kan betrekken maar wel al woonlasten heeft.</al><al>Bepalingen voor de verstrekking:</al><al>- Voorwaarde voor het verstrekken van een tegemoetkoming is dat de belanghebbende de dubbele</al><al>woonlasten niet redelijkerwijs heeft kunnen vermijden.</al><al>- De vergoeding voor de kosten van tijdelijke huisvesting wordt in principe ten hoogstens gedurende</al><al>een periode van zes maanden verstrekt.</al><al>- De vergoeding bedraagt maximaal het huurbedragbedrag waarvoor aanspraak op huurtoeslag</al><al>bestaat.</al><al>- De vergoeding wordt verstrekt aan de huurder.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 2.9.3 Huurderving</tussenkop><al>Omschrijving</al><al>Als het ten gevolge van aangebrachte voorzieningen (meer) moeite kost een woning opnieuw te</al><al>verhuren aan een persoon die voor dezelfde voorzieningen is geïndiceerd, kan de verhuurder een</al><al>beroep doen op huurderving. Dit maakt het mogelijk dat de verhuurder eerder zijn medewerking</al><al>zal verlenen aan het aanpassen van een woning en ook dat een al aangepaste woning voor de</al><al>‘doelgroep’ beschikbaar blijft. Bepalingen voor de verstrekking:</al><al>- De vergoeding voor de kosten van tijdelijke huisvesting wordt in principe ten hoogstens gedurende</al><al>een periode van zes maanden verstrekt.</al><al>- De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de noodzakelijk te maken huurkosten.</al><al>- De vergoeding wordt verstrekt aan de verhuurder.</al><al>- Criteria voor het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving:</al><al>1. In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte kan de gemeente de woningeigenaar</al><al>een financiële tegemoetkoming verlenen in de werkelijke kosten van derving van inkomsten</al><al>uit huur vermeerderd met vaste servicekosten voor de duur van ten hoogste zes</al><al>maanden.</al><al>2. De in het eerste lid genoemde periode kan worden verlengd als naar het oordeel van de gemeente</al><al>vaststaat dat binnen een redelijke periode een gehandicapte voor de woning in aanmerking</al><al>komt.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het Huishouden</titel></kop><structuurtekst><al>Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Mogelijke voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 8 van de verordening geeft drie mogelijk te verstrekken voorzieningen aan:</al><al>a. een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden;</al><al>b. hulp bij het huishouden in natura;</al><al>c. een PGB te besteden aan hulp bij het huishouden.</al><al>Algemene hulp bij het huishouden</al><al>Uit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond</al><al>van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één</al><al>of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en</al><al>adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking</al><al>kan komen.</al><al>Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk</al><al>dat deze vorm van hulp in Nunspeet bestaat. Nu is dan nog niet het geval. Zolang deze</al><al>algemene voorziening niet bestaat, vervalt automatisch deze vorm van hulp. Zodra deze vorm</al><al>van hulp wel aanwezig is, dan gaat het, zo meldt de toelichting op artikel 8, om “een snelle en</al><al>eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en</al><al>aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden</al><al>vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op</al><al>basis van een kortdurende hulpbehoefte.” De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><al>- Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft.</al><al>- Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg.</al><al>- Of het gaat om een voorziening voor een incidentele zorgbehoefte.</al><al>Wat betreft het eerste aspect moet beoordeeld worden of het gaat om een kortdurende voorziening.</al><al>De grens daarvan ligt bij zes weken. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om</al><al>lichte, niet complexe zorg, zoals tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Tot</al><al>slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, zoals een periode na een</al><al>ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de</al><al>behandelend arts van het ziekenhuis. De duur en de omvang zijn beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure</al><al>zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten.</al><al>Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men</al><al>meldt zich met de verwijsbrief bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die</al><al>duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is</al><al>die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze</al><al>hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van</al><al>een keuze voor een PGB.</al><al>Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ</al><al>werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid</al><al>voor een PGB geboden. Om veel administratieve rompslomp te voorkomen, wordt bij deze</al><al>algemene voorziening geen eigen bijdrage gevraagd. Er vindt daarom een eenvoudige toets</al><al>plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, wat in een brief</al><al>wordt bevestigd. Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen</al><al>stemmen, wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke</al><al>onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd als</al><al>men het daar mee eens is. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van</al><al>hulp. Te meer daar geen eigen bijdrage wordt gevraagd, wordt deze vorm van hulp altijd uitsluitend</al><al>voor een kortdurende periode toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die</al><al>maximaal drie tot zes maanden voortduren.</al><al>Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een PGB</al><al>Artikel 9 van de verordening bepaalt dat als de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig</al><al>is, of als deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing bied, men in aanmerking</al><al>kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een PGB, te besteden aan hulp bij</al><al>het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond</al><al>van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg.</al><al>Er moet allereerst worden nagegaan of sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van</al><al>ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1,</al><al>eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de WMO: mensen met een beperking of een chronisch</al><al>psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan moet op objectieve</al><al>wijze plaatsvinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling.</al><al>In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die</al><al>daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij moet bijzondere aandacht bestaan voor de zogenaamde</al><al>medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden</al><al>voor het verlenen van antirevaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt</al><al>worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat</al><al>die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is</al><al>dat een reden voor toekenning. Daarbij moet ervan uitgegaan worden dat de hulp bij het huishouden</al><al>plaatsvindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis,</al><al>als die een ander woonadres heeft als de hulpvrager.</al><al>Indeling categorie 1 en 2</al><al>Onder hulp bij het huishouden categorie 1 vallen de volgende werkzaamheden;</al><al>- Licht huishoudelijke activiteiten (eventueel onderscheid in hoog/laag en op werkhoogte)</al><al>- Zwaar huishoudelijke activiteiten</al><al>- Textielverzorging (eventueel onderscheid in transport/ophangen/afhalen en strijken/vouwen)</al><al>- Boodschappen halen</al><al>- Maaltijd klaarzetten: brood en/of warm</al><al>- Warme maaltijd bereiden</al><al>Onder hulp bij het huishouden categorie 2 vallen alle genoemde huishoudelijke werkzaamheden</al><al>onder categorie 1 aangevuld met;</al><al>- Verzorging van kinderen</al><al>- Instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden</al><al>- Organisatie (regie) van de huishoudelijke activiteiten</al><al>Onder hulp in natura wordt verstaan dat de resultaatsverplichting leidt tot het inschakelen van een</al><al>instelling die de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn rekening neemt. Onder een</al><al>persoonsgebonden budget wordt verstaan dat om het resultaat te bereiken door de gemeente</al><al>een geldbedrag ter beschikking wordt gesteld met welk bedrag betrokkene zelf iemand inhuurt om</al><al>de werkzaamheden te verrichten. Daarbij bestaat de keuze uit een tweetal mogelijkheden het</al><al>persoonsgebonden budget in te vullen: men kan een situatie waarbij er een verhouding</al><al>opdrachtgever – opdrachtnemer ontstaat (waarbij de helpende niet in loondienst komt) of een</al><al>situatie die in de Wmo omschreven is als “een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste</al><al>lid van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij sprake is van de Regeling diensten aan huis.</al><al>Wat betreft deze beide keuzemogelijkheden dient de gemeente betrokkenen uitgebreid te informeren.</al><al>Om te beoordelen of een aanvraag om hulp bij het huishouden gehonoreerd kan worden wordt</al><al>een</al><al>onderzoek verricht naar de volgende vragen:</al><al>a. Wat is de reden dat betrokkene het huishoudelijk werk geheel of gedeeltelijk niet zelf kan</al><al>verrichten?</al><al>b. Is deze reden (medisch/psychisch) te objectiveren?</al><al>c. Zijn er wettelijk voorliggende voorzieningen om het probleem op te lossen?</al><al>d. Heeft betrokkene zelf nog (andere) mogelijkheden om het probleem op te lossen?</al><al>e. Zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen die het probleem deels kunnen oplossen?</al><al>f. Is er sprake van gebruikelijke zorg (zie onder 3.2.)?</al><al>Als na beantwoording van deze vragen het probleem blijft bestaan zal het de taak van de gemeente</al><al>zijn het probleem op te lossen.</al><al>Overgangsrecht PGB</al><al>In artikel 11 van de WMO verordening 2010 is geregeld dat de hoeveelheid hulp bij het huishouden</al><al>het huishouden uitgedrukt wordt in uren. In de oude verordening werd een klassensysteem</al><al>gehanteerd. Omdat deze verandering voor enkele PGB budgethouders tot een verlaging van het</al><al>PGB kan leiden, wordt voor die groep een overgangsregeling getroffen. Gedurende de periode 1</al><al>juli 2010 tot en met 31 december 2010 houdt deze groep recht op het budget zoals dat voor 1 juli</al><al>2010 gold. Gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 wordt het PGB vastgesteld</al><al>op het gemiddelde van het oude budget en het nieuwe budget. Vanaf 1 juli 2011 wordt het</al><al>nieuwe tarief gehanteerd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 10 van de verordening bepaalt dat, “…als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van</al><al>uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten”</al><al>men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden.” Deze beperking heet “gebruikelijke</al><al>zorg en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde voor de functie HV in</al><al>de AWBZ tot de invoering van de WMO.</al><al>Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die huishoudelijk werk over</al><al>kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat geen</al><al>ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende</al><al>gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke</al><al>werk. Dat betekent dat als degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet</al><al>meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit</al><al>principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf</al><al>18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden</al><al>te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig</al><al>huishouden te kunnen draaien.</al><al>Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de</al><al>eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enzovoorts. Ook met deze</al><al>activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt geen rekening mee gehouden</al><al>of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de</al><al>leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke</al><al>indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen</al><al>maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om</al><al>van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt moet naast zijn werk het huishouden</al><al>doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat</al><al>geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk</al><al>werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding</al><al>te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.</al><al>Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange</al><al>werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege</al><al>hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het</al><al>huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze,</al><al>wordt daar geen rekening meegehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter</al><al>hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of</al><al>marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.</al><al>Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)</al><al>kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar</al><al>en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de</al><al>werkzaamheden voor de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd!</al><al>Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Ter illustratie een niet-Nunspeets voorbeeld: bij</al><al>kloostergemeenschappen is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een</al><al>taakverdeling die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor</al><al>bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer als met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke</al><al>ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn, kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het</al><al>niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten,</al><al>refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.</al><al>Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en</al><al>dus niet geïndiceerd kan worden.</al><al>Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden, geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het</al><al>eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene</al><al>wordt betaald. Dan gaat het immers om al aanwezige professionele zorg en is er geen</al><al>tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.</al><al>Is geen sprake van gebruikelijke zorg, dan moet de omvang van de hulp bij het huishouden worden</al><al>vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan</al><al>uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor</al><al>normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het</al><al>huishoudelijk werk verricht moeten worden. In dit hoofdstuk is een bijlage “handreiking normering</al><al>hulp bij het huishouden”opgenomen. De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd.</al><al>Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en is samengesteld</al><al>in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente</al><al>is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de</al><al>benodigde tijd voor bepaalde activiteiten.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Artikel 2 Wmo bepaalt</al><al>immers: “Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking</al><al>tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning</al><al>een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling bestaat.” Op basis van de</al><al>hardheidsclausule kan in bijzondere situaties bij uitzondering van deze regels worden afgeweken.</al><al>Algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld gevonden</al><al>worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of</al><al>naschoolse opvang) oppascentrales, maaltijddiensten, hondenuitlaatservice, boodschappendiensten</al><al>enzovoorts. De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet</al><al>zo, dan is geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden</al><al>met de sociale kaart zoals die ter plekke bestaat. Niet relevant is of men gebruik wil maken van</al><al>een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende</al><al>voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen</al><al>als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van</al><al>de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten.</al><al>Als het gaat om zorg in natura, kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden</al><al>toegekend en ook doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is</al><al>relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen</al><al>worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend.</al><al>Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten de benodigde gegevens worden doorgegeven</al><al>aan het CAK die deze eigen bijdragen int.</al><al>Gaat het om een PGB, dan kan, als aan het gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en</al><al>geen overwegende bezwaren bestaan het PGB bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge</al><al>lid 4 van artikel 6 tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie moeten de benodigde</al><al>gegevens voor het innen van de eigen bijdrage (of het ingehouden eigen aandeel) aan het</al><al>CAK worden doorgegeven.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>Bijlage I</nr><titel>Handreiking normering hulp bij het huishouden</titel></kop><structuurtekst><al>Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven</al><al>Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van</al><al>boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten</al><al>per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen</al><al>jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Als de afstand</al><al>tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor</al><al>boodschappen de marge voor toekennen 60 tot 150 minuten bedraagt. Eigen keuzen, zoals de</al><al>keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd</al><al>moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet</al><al>gehonoreerd. Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden.</al><al>Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd</al><al>Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen,</al><al>koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig. Wat betreft de warme maaltijd</al><al>vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen</al><al>en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd kan per</al><al>keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen</al><al>jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend. Per dag kan het dus</al><al>gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten</al><al>en 120 minuten.</al><al>Licht poetswerk in huis, kamers opruimen</al><al>Hieronder vallen de volgende activiteiten: Als geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen,</al><al>handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer. Opruimen, stof</al><al>afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de</al><al>woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten</al><al>per keer. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning)</al><al>bij ernstige beperkingen in armen en handen die leiden tot extra rommel kan meer tijd worden</al><al>toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning</al><al>niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30</al><al>minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</al><al>Zwaar huishoudelijk werk</al><al>Hieronder valt: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen,</al><al>opruimen huishoudelijk afval. Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2</al><al>kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een</al><al>huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2 (aanpassen in uren!). In grote woningen</al><al>met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing)</al><al>bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen</al><al>kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren</al><al>wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd.</al><al>Verzorging kleding/linnengoed</al><al>Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren,</al><al>ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/</al><al>afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen</al><al>90 minuten per week. Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week</al><al>extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige</al><al>transpiratie, incontinentie, speekselverlies et cetera 30 minuten per week extra. Bij huishoudens</al><al>met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties</al><al>wordt uitgegaan van éénmaal per week.</al><al>Organisatie van het huishouden</al><al>Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen</al><al>helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om</al><al>een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.</al><al>Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden</al><al>aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen,</al><al>spelen, opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen,</al><al>de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/</al><al>huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten.</al><al>Dagelijkse organisatie van het huishouden.</al><al>- Administratieve werkzaamheden voor de cliënt. Alleen als deze administratieve werkzaamheden</al><al>gecombineerd worden met andere huishoudelijke activiteiten. Bij een beperkt regelvermogen</al><al>van de cliënt vallen deze werkzaamheden onder de AWBZ-functie “ondersteunende</al><al>begeleiding”.</al><al>- Het organiseren van huishoudelijke activiteiten;</al><al>- het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.</al><al>Als hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Hiervan</al><al>kan worden afgeweken als er communicatieproblemen zijn, wanneer er veel en/of tijdvragende</al><al>huisgenoten zijn zoals kinderen onder de 16 jaar of wanneer er sprake is van (psychosociale)</al><al>problematiek bij meerdere huisgenoten.</al><al>Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen</al><al>- het formuleren van doelen en het bijstellen van doelen met betrekking tot het huishouden;</al><al>- het helpen verkrijgen en handhaven van structuur in het huishouden;</al><al>- het handhaven en/of vergroten van de zelfredzaamheid ten aanzien budget;</al><al>- het begeleiden van ouders bij de opvoeding van de kinderen (beperkt en in combinatie me</al><al>andere onderdelen zoals overlap met ondersteunende begeleiding en Jeugdzorg). Eerst moet</al><al>de mate van gebruikelijke zorg bepaald worden.</al><al>Omvang: 30 minuten per week.</al><al>Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden</al><al>- instructie omgaan met hulpmiddelen;</al><al>- instructie licht huishoudelijk werk;</al><al>- instructie textielverzorging;</al><al>- instructie boodschappen doen;</al><al>- instructie koken.</al><al>Omvang: 30 minuten per keer. Maximaal 3 x per week gedurende 6 weken.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 22 van de verordening luidt:</al><al>“De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken</al><al>voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;</al><al>b. een vervoersvoorziening in natura;</al><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.”</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen.</titel></kop><structuurtekst><al>Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten voor vervoersvoorzieningen</al><al>ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel</al><al>23 blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat</al><al>voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst</al><al>gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen</al><al>bieden, indien dat niet het geval is, wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan</al><al>oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking.</al><al>De algemene voorzieningen</al><al>Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.</al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><al>− het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg of</al><al>− het gaat om een voorziening voor een incidentele zorgbehoefte.</al><al>Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten nog ontwikkeld</al><al>worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate</al><al>van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate</al><al>oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent</al><al>verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort</al><al>in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken.</al><al>Indien nodig, is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende)</al><al>instructie mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn,</al><al>uiteraard altijd een aanvraag kan indienen voor een individuele voorziening. Dan geldt echter de</al><al>reguliere aanvraagprocedure.</al><al>Primaat collectief vervoer</al><al>Als een algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening</al><al>nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Op</al><al>grond van dit primaat komt een persoon die als gevolg van ziekte of gebrek het openbaar vervoer</al><al>niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – als dit medisch</al><al>mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer.</al><al>De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van</al><al>het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd</al><al>middels het loopafstandcriterium ‘maximale loopafstand 800 meter’. Kan men geen 800</al><al>meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men</al><al>verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk</al><al>in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.</al><al>Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een</al><al>buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening</al><al>te verstrekken. Als nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening</al><al>mee worden gehouden.</al><al>Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er</al><al>twee terreinen waarop vervoer mogelijk is.</al><al>Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het ‘loop’ en ‘fietsvervoer’.</al><al>Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het</al><al>openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan, moet op</al><al>beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een</al><al>zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet op grond van de</al><al>jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden.</al><al>Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis</al><al>van artikel 24 van de verordening in aanmerking voor collectief vervoer als dit medisch gezien</al><al>adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van</al><al>Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (wat zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen</al><al>of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet</al><al>worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking</al><al>komt voor verstrekking.</al><al>De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal</al><al>vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden</al><al>budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer</al><al>in gevaar te brengen.</al><al>Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer,</al><al>geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe</al><al>woon- en leefomgeving. Artikel 26 lid 1 van de verordening bepaalt hierover:</al><al>1. “Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten</al><al>behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen</al><al>in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich</al><al>een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend</al><al>door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager</al><al>noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.”</al><al>De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen.</al><al>Het gaat er daarbij om dat de WMO-pashouder binnen een gebied van 5 zones tegen</al><al>OV-tarief (zonder bejaardenkorting) kan reizen. De regiotaxi rijdt 7 dagen per week, van</al><al>06.00uur tot 1.30 uur ´s nachts.</al><al>Artikel 26, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale</al><al>Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden.</al><al>2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale</al><al>verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte</al><al>tot 2000 kilometer mogelijk maken.”</al><al>Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte)</al><al>van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op</al><al>deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de jurisprudentie van de Centrale</al><al>Raad. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep aangegeven dat wie aan kan tonen</al><al>een grotere vervoersbehoefte te hebben dan de bandbreedte tot 2000 km, ook voor het</al><al>meerdere gecompenseerd kan worden, zij het met de beperking van “lokale verplaatsingen”</al><al>zodat er geen verschil hoeft te bestaan tussen mensen die met een collectief vervoersysteem</al><al>onbeperkt kunnen reizen (tegen reguliere kosten) en personen die een andere vervoersmogelijkheid</al><al>nodig hebben.</al><al>Als collectief vervoer niet adequaat is, moet een andere voorziening gekozen worden. Het kan</al><al>dan gaan om een voorziening in natura (een bruikleenauto, een auto-aanpassing, een gesloten</al><al>buitenwagen) of een persoonsgebonden budget, als alternatief voor een voorziening in natura of</al><al>een geldbedrag bedoeld voor een zelf te regelen voorziening (autokostenvergoeding, taxikostenvergoeding,</al><al>rolstoeltaxikostenvergoeding).</al><al>Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een scootermobiel of een</al><al>driewielfiets. Of een persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te schaffen.</al><al>In artikel 25 van de verordening is een inkomensgrens gesteld voor bepaalde vervoersvoorzieningen,</al><al>die in onze gemeente is bepaald op 1,5 maal de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning</al><al>voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen. Aanvragers met een inkomen</al><al>boven deze grens kunnen bepaalde vervoersvoorzieningen niet krijgen.</al><al>Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen</al><al>zijn zoals bijvoorbeeld de taxi. Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer is er geen inkomenstoets.</al><al>Gebruik van collectieve vervoersvoorziening</al><al>In onze regio kennen we het vraagafhankelijk, regionaal taxisysteem (Regiotaxi Gelderland). Het</al><al>taxisysteem is zowel voor WMO-gerechtigden, op vertoon van een persoonsgebonden WMOtaxipas,</al><al>toegankelijk, als voor niet-WMO-gerechtigden. WMO-gerechtigden betalen het normale</al><al>OV-zone tarief; Niet-WMO-gerechtigden betalen een hoger tarief per zone. Men kan alleen gebruikmaken</al><al>van de WMO-pas, wanneer men hiervoor geïndiceerd is. Variaties op de normale</al><al>WMO-pas zijn:</al><al>WMO-pas met medische begeleiding:</al><al>Als de WMO-gerechtigde niet zelfstandig gebruik kan maken van de regiotaxi, kan hij/zij een indicatie</al><al>krijgen voor een begeleider.</al><al>Onderscheid: - bij medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer kan een begeleiderspas</al><al>verstrekt worden als de chauffeur deze begeleiding niet kan geven;</al><al>- geen begeleiderspas wordt verstrekt als sprake is van sociale begeleiding op de</al><al>plaats van bestemming.</al><al>individueel vervoer</al><al>Als een belanghebbende door zeer bijzondere omstandigheden niet met anderen vervoerd kan</al><al>worden.</al><al>‘Vraagafhankelijk’ wil zeggen dat de regiotaxi alleen op afroep rijdt, er is geen dienstregeling. De</al><al>WMO-pashouder moet de taxi van tevoren telefonisch reserveren. De passagiers worden opgehaald</al><al>rond het bestelde tijdstip: maximaal 15 minuten eerder en maximaal 15 minuten later. Het</al><al>collectief vervoer is van deur tot deur vervoer; van deur tot halte of van halte tot halte. De regiotaxi</al><al>haalt de pashouder voor de deur/halte op en zet de pashouder ook weer voor de deur/halte</al><al>van bestemming af. De chauffeur van de regiotaxi helpt de klant bij het in- en uitstappen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon – of leefomgeving</titel></kop><structuurtekst><al>Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving</al><al>De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel ‘vervoer</al><al>in het kader van het leven (meedoen) van alledag in de directe woon- of leefomgeving’ genoemd.</al><al>Het gaat in de WMO in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar</al><al>eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te</al><al>bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.</al><al>Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen</al><al>of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen</al><al>van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht.</al><al>Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van</al><al>alledag. In dat geval wordt met het treffen van een WMO-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen</al><al>rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met</al><al>het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de WMO verstrekt. Te</al><al>denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen</al><al>om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen.</al><al>Onder de WVG is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel</al><al>van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de WMO en fungeert dan ook</al><al>als kader voor de WMO-compensatieplicht.</al><al>Vervoer in verband met werk:</al><al>Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met</al><al>vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk</al><al>voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Reavoorzieningen</al><al>die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden</al><al>uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen</al><al>(Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun</al><al>werkgever.</al><al>Vervoer in verband met vrijwilligerswerk</al><al>Vervoer in het kader van vrijwilligerswerk, dat onder de Wvg niet meegerekend werd tot de</al><al>zorgplicht, zal onder de compensatieplicht van de Wmo wel degelijk een rol spelen. Op dit punt is</al><al>de doelstelling duidelijk verbreed. Er moet echter ook rekening gehouden worden dat de organisatie</al><al>waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt, vervoerskosten betaald.</al><al>Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars</al><al>Vervoer van en naar medische behandelaars waarvoor een beroep gedaan kan worden op een</al><al>voorliggende voorziening zoals de Reeling Zorgverzekering valt niet onder de WMO. Maar uitspraken</al><al>van de Centrale Raad van Beroep in 2009 geven aan dat ook het vervoer naar medische</al><al>bestemmingen, als daar op basis van bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de AWBZ geen</al><al>vergoeding voor mogelijk is, onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo vallen.</al><al>Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de</al><al>WMO-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die</al><al>mensen – in de regel – van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie</al><al>spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt.</al><al>Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel moeten daarom kritisch worden beoordeeld.</al><al>Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en</al><al>de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie</al><al>een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend</al><al>of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te</al><al>beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag.</al><al>Vervoer in verband met het volgen van onderwijs</al><al>Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de WMO-compensatieplicht. Er zijn voorliggende</al><al>voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen</al><al>die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen.</al><al>Vervoer van kinderen door ouders met een beperking</al><al>Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen</al><al>van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden</al><al>met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van beroep.</al><al>Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoner.</al><al>Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere</al><al>inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid</al><al>werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, wat</al><al>betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners.</al><al>Onder de WMO is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige WMO-doelgroep</al><al>inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze</al><al>geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners.</al><al>Deze categorie mensen heeft in de regel een lagere vervoersbehoefte dan zelfstandig wonenden,</al><al>omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen.</al><al>Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte</al><al>voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd.</al><al>Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij,</al><al>verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in</al><al>het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien.</al><al>Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen,</al><al>omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor</al><al>vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met</al><al>deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen</al><al>dan ook rekening gehouden.</al><al>Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale</al><al>instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag</al><al>is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld op basis van het</al><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning een lager PGB voor vervoerskosten worden verstrekt.</al><al>Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is.</al><al>Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners</al><al>Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen</al><al>onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden</al><al>met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen.</al><al>Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht</al><al>ten aanzien van de begeleiding.</al><al>Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners</al><al>Onder de WVG is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd.</al><al>Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners</al><al>van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners</al><al>is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De</al><al>compensatieplicht wijkt onder de WMO voor AWBZ-bewoners niet af van de bestaande jurisprudentie.</al><al>De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel zorgplicht is voor regionaal vervoer</al><al>voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering – bij dreigende vereenzaming – zorgplicht</al><al>voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van</al><al>grote instellingen is deze situatie onder de WVG-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan</al><al>van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt</al><al>is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de</al><al>zorgplicht valt.</al><al>Wat betreft de frequentie wordt in de WVG-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus</al><al>de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZbewoners</al><al>aan het ouderlijk huis</al><al>Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de</al><al>compensatieplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Dat is ook logisch,</al><al>omdat dit het verplaatsen in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te</al><al>boven gaat.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Evenals de overige voorzieningen gelden ook voor de in dit hoofdstuk omschreven voorzieningen</al><al>de algemene bepalingen zoals deze staan in hoofdstuk 4.1 (onder andere primaat algemene en</al><al>collectieve voorzieningen) en het bepaalde in hoofdstuk 7.2 (onder andere goedkoopst adequaat).</al><al>Ook voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. In</al><al>hoofdstuk 7.2 wordt het begrip algemeen gebruikelijk nader gedefinieerd. Hierna (4.3.1, 4.3.2 en</al><al>4.3.3) staan een aantal voorbeelden van vervoersvoorzieningen waarbij het begrip algemeen gebruikelijk</al><al>van toepassing is.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 4.3.1 Een persoonsgebonden budget</tussenkop><al>in het gebruik van:</al><al>a. een taxi</al><al>Omschrijving: Het betreft een vervoerskostenvergoeding die gebruikt moet worden voor een taxi.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>− In het geval beide echtgenoten een indicatie hebben voor een individuele taxikostenvergoeding en</al><al>voor zover de vervoersbehoeften van echtgenoten niet of niet volledig samenvallen, wordt aan elk</al><al>75% van het maximumbedrag voor een voorziening in de kosten van vervoer toegekend;</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en 7.2);</al><al>− De taxikostenvergoeding wordt per kwartaal toegekend;</al><al>− Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval</al><al>als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw</al><al>medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden.</al><al>b. een rolstoeltaxi</al><al>Omschrijving: Het betreft een vervoerskostenvergoeding voor een rolstoelgebruiker (dus niet een</al><al>gebruiker van een scootmobiel) die gebruikt moet worden voor een rolstoeltaxi/busje.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>− In het geval beide echtgenoten een indicatie hebben voor een individuele (rolstoel-) taxikostenvergoeding</al><al>en voor zover de vervoersbehoeften van echtgenoten niet of niet volledig samenvallen,</al><al>wordt aan elk 75% van het maximumbedrag voor een voorziening in de kosten</al><al>van vervoer toegekend.</al><al>− De rolstoel kan niet verlaten worden en dus dient het vervoer zittend in de rolstoel te geschieden;</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en 7.2);</al><al>− De taxikostenvergoeding wordt per kwartaal toegekend;</al><al>− Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval</al><al>als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw</al><al>medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden.</al><al>c. een bruikleenauto/eigen auto</al><al>Omschrijving: Kosten van benzine, olie en kleine reparaties bij het gebruik van een in bruikleen</al><al>verstrekte auto of bij het gebruik van de eigen auto.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>− Uitbetaling vindt per kwartaal plaats aan de belanghebbende zelf tot aan de gemaximeerde</al><al>vergoeding;</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en 7.2);</al><al>− Voor de eigen auto geldt dat de belanghebbende en/of de partner beschikt over een eigen auto</al><al>en rijbewijs;</al><al>− Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval</al><al>als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw</al><al>medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 4.3.2 Een financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>in de kosten van:</al><al>a. aanpassing van de eigen auto</al><al>Omschrijving: Dit zijn autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een</al><al>handicap en die niet algemeen gebruikelijk of standaard ingebouwd zijn.</al><al>Aanpassingen kunnen betreffen:</al><al>− de bediening en besturing van de auto;</al><al>− het in en uit de auto komen;</al><al>− de zithouding (zie speciale autostoel: a.1);</al><al>− de verzorging van de gehandicapte;</al><al>− het mee kunnen nemen van hulpmiddelen.</al><al>Aanpassingen komen maximaal eenmaal per 5 jaar voor vergoeding in aanmerking. Ook geldt</al><al>ook hier het uitgangspunt van de goedkoopst adequate voorziening.</al><al>Bijkomende kosten (in verband met het aanpassen van de auto) die voor een vergoeding in aanmerking</al><al>komen zijn:</al><al>− kosten van de keuring door de Rijksdienst van het wegverkeer;</al><al>− kosten van een restreint1 op het rijbewijs door het CBR.</al><al>− kosten extra rijlessen. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze</al><al>extra lessen noodzakelijk zijn om te kunnen rijden met de aangepaste auto (zie ook 4.3.3.</al><al>onder c. Rijlessen/Gewenningslessen).</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− Een eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van</al><al>de gehandicapte. Dit moet blijken uit een restreint op het rijbewijs.</al><al>− Er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden.</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en</al><al>7.2).</al><al>− Faciliteiten die ‘af-fabriek’ in de zogeheten referentieauto aanwezig zijn, zoals standaard</al><al>stuurbekrachtiging en automatische transmissie komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al><al>De ‘referentieauto’ is of zijn die personenauto's inclusief de daarin aanwezige faciliteiten, die</al><al>verkrijgbaar zijn voor een bepaald bedrag (referentiebedrag). Voor de vaststelling van het referentiebedrag</al><al>wordt aangesloten bij de ‘Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen</al><al>2006’ dat jaarlijks door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) wordt vastgesteld</al><al>(zie bijlage).</al><al>− De eigen auto is aan te passen en in goede staat.</al><al>1 Restreint is een beperkende voorwaarde waaronder de betrokken bestuurder bevoegd is een motorvoertuig</al><al>te besturen. Bijvoorbeeld: een aanpassing van de gas- en rempedalen is noodzakelijk door een aandoening</al><al>van het bewegingsapparaat.</al><al>− De eigen auto is in principe niet ouder dan 3 jaar of met weinig kilometers op de teller c.q. moet</al><al>nog 5 jaar meekunnen (afschrijvingstermijn van de aanpassing). Dit hoeft niet te gelden bij aanpassingen</al><al>die overgebouwd kunnen worden in een andere auto;</al><al>− Een aanpassing moet niet meer kosten dan strikt noodzakelijk is. Bijvoorbeeld een aanpassing</al><al>van een auto voor besturing vanuit een rolstoel wordt niet verstrekt.</al><al>Voor het normbedrag van een referentieauto wordt aangesloten bij de beleidsregels UWV normbedragen</al><al>voorzieningen.</al><al>a.1 Speciale autostoel</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− De bepalingen zoals deze gelden bij de speciale aanpassingen van de eigen auto, tenzij de</al><al>bepalingen hierna daarvan afwijken.</al><al>− Bij de volgende situaties wordt geen indicatie verstrekt als:</al><al>− het alleen gaat om een verbeterde zithouding en de voorziening is verkrijgbaar in de reguliere</al><al>handel;</al><al>− de klachten pas ontstaan na lange afstanden of rijtijden (75 km/1 uur);</al><al>− de voorziening wordt aangeschaft uit preventief oogpunt;</al><al>− de aanschaf van de voorziening had voorkomen kunnen worden bij een goede autokeuze</al><al>omdat in sommige situaties een standaard autostoel adequaat kan zijn.</al><al>− De voorziening wordt in bruikleen verstrekt.</al><al>− Als een financiële tegemoetkoming voor de speciale autostoel wordt verstrekt, wordt deze voor</al><al>een periode van vijf jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor een zelfde aanpassing kan</al><al>slechts na deze periode weer ingediend worden en voor zover vervanging op dat moment technisch</al><al>noodzakelijk is.</al><al>− Aan de eigen auto worden geen randvoorwaarden gesteld: in principe kan de stoel van de ene</al><al>in de andere auto overgeplaatst worden.</al><al>a.2 Autozitje</al><al>Omschrijving: Speciaal zitje voor vervoer van een gehandicapt kind in de auto.</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− De ouders zijn genoodzaakt hun gehandicapt kind mee te nemen bij hun verplaatsingen in het</al><al>kader van het ‘leven van alle dag’;</al><al>− Een regulier autozitje voor kinderen volstaat niet;</al><al>− Voor het vervoer van het gehandicapt kind kan geen gebruik gemaakt worden van het OV, de</al><al>fiets en niet of in beperkte mate van het AOV c.q. CVV. Zie ook de bepalingen in hoofdstuk 4.1</al><al>en 7.2;</al><al>− De voorziening wordt in bruikleen versterkt.</al><al>− Een gewoon 'algemeen gebruikelijk' autozitje wordt niet verstrekt;</al><al>a.3 Een persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een auto van afwijkend type</al><al>Omschrijving: Een auto(bus) van een bepaald merk en type die als gevolg van de aard van de handicap</al><al>van de aanvrager duurder is dan de zogenaamde referentieauto (zie bijlage I). Te denken valt</al><al>aan een speciale bus, stationwagen, in verband met rolstoel of verzorgingsaspecten, et cetera. Het</al><al>gaat om de meerkosten die de aanschaf van zo’n speciale auto met zich meebrengt.</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en 7.2).</al><al>− Er is een zodanige handicap dat er geen alternatief vervoer mogelijk is (gesloten buitenwagen,</al><al>scootmobiel, taxi, rolstoeltaxi enzovoort). Bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi wordt niet als adequaat</al><al>alternatief vervoer beschouwd in een gezinssituatie met een kind jonger dan 15 jaar én twee</al><al>gezinsleden die gehandicapt zijn.</al><al>− Er zijn zodanige individuele omstandigheden waardoor betrokkene in feite voor iedere verplaatsing</al><al>buitenshuis op een auto is aangewezen;</al><al>− Er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden.</al><al>− Bij een bus is ook nog sprake van de noodzaak om zittend in een rolstoel vervoerd te worden of</al><al>om bijzondere verzorgingsaspecten.</al><al>− Er sprake is van gebruik betreffende korte en lange afstanden om in de dagelijkse noodzakelijke</al><al>behoeften te voorzien.</al><al>− Een rijbewijs moet aanwezig zijn. Indien een meerijdsituatie is gewenst, is een rijbewijs van de</al><al>partner ook acceptabel.</al><al>− Aan gehandicapten worden de extra kosten van de aanschaf van een auto van een afwijkend</al><al>type niet vergoed. Bepalend is de kostprijs van de referentieauto. De aanpassingskosten worden</al><al>wel vergoed.</al><al>− Een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van de auto van een afwijkend type</al><al>wordt maximaal eenmaal per 5 jaar toegekend en voor zover vervanging op dat moment technisch</al><al>noodzakelijk is.</al><al>− Vergoeding van auto's die niet nieuw zijn wordt vastgesteld naar gelang de op 5 jaar te stellen</al><al>afschrijving;</al><al>− Voor de vaststelling van bijzondere eisen en aanpassingen aan de auto(bus) wordt een deskundigenadvies</al><al>gevraagd worden.</al><al>− De ‘referentieauto’ is c.q. zijn die personenauto's inclusief de daarin aanwezige faciliteiten, die</al><al>verkrijgbaar zijn voor een bepaald bedrag (referentiebedrag). Voor de vaststelling van het referentiebedrag</al><al>wordt aangesloten bij de ‘Beleidsregels normbedragen REA-voorzieningen’</al><al>dat jaarlijks door het UWV wordt vastgesteld (zie bijlage I).</al><tussenkop> Sub-paragraaf 4.3.3 Een voorziening in natura;</tussenkop><al>Een al dan niet aangepaste voorziening in natura in de vorm van:</al><al>a een open elektrische buitenwagen/scootmobiel</al><al>Omschrijving: Een elektrisch aangedreven plateaurolstoel met mechanische besturing, genaamd</al><al>scootmobiel.</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en</al><al>7.2);</al><al>− Er is sprake van ernstige stoornissen in de sta- en loopfunctie;</al><al>− Betrokkene kan (met behulp van een loopmiddel, bijv. rollator) minder dan 300 meter lopen;</al><al>− Een dermate geringe loopfunctie dat de dagelijkse verplaatsingsdoelen binnen een straal van</al><al>100 meter niet kunnen worden bereikt.</al><al>− Als de voorziening dient ter vervanging van een algemeen verkrijgbare gewone fiets, geldt voor</al><al>deze voorziening een besparingsbedrag volgens artikel 4 van het besluit maatschappelijke ondersteuning</al><al>gemeente Nunspeet.</al><al>− Een persoonsgebonden budget in de kosten van vervoer al dan niet in combinatie met een</al><al>andere vervoersvoorziening is niet de goedkoopst adequate oplossing;</al><al>− Er is sprake van gebruik betreffende de korte en iets langere afstand om in de dagelijkse noodzakelijke</al><al>behoeften te kunnen voorzien.</al><al>− Scootermobiel: Te gebruiken op trottoir, voet- en fietspad. Snelheid 6 tot 15 km per uur.</al><al>− Een scootermobiel kan in combinatie met CVV gegeven worden.</al><al>− Een scootmobiel wordt niet voor recreatieve doeleinden verstrekt, maar voor het vervoer binnen</al><al>de woonplaats. Daarom worden geen aanpassingen aan auto, aanhangwagen en dergelijke</al><al>vergoed voor het meenemen van de scootmobiel.</al><al>b. een gesloten buitenwagen</al><al>Omschrijving: Specifiek voertuig voor mensen met een handicap; is niet breder dan 1 meter en niet</al><al>uitgerust met een motor, dan wel uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van</al><al>ten hoogste 50 cm³, of met een elektromotor (RVV art. 1). Meest bekend: de Arola</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− Het moet de goedkoopst adequate oplossing betreffen en passen binnen de bepalingen van het</al><al>hiervoor omschreven primaat van algemene en collectieve voorzieningen (zie hoofdstuk 4.1 en</al><al>7.2);</al><al>− Er is een medische noodzaak (ter beoordeling van een arts) tot bescherming tegen de</al><al>weersomstandigheden.</al><al>* Ernstige aandoeningen aan luchtwegen, bloedsomloop, spieren en botten.</al><al>* Temperatuurwisselingen, koude e.d. kunnen de restfuncties zodanig beïnvloeden dat open</al><al>vervoer, ondanks extra beschermende kleding, niet mogelijk is;</al><al>− Een gemaximeerde vergoeding in de kosten van vervoer al dan niet in combinatie met een andere</al><al>vervoersvoorziening is geen adequate en minder dure oplossing;</al><al>− Er sprake is van gebruik betreffende vooral de korte en iets langere afstand om in de dagelijkse</al><al>noodzakelijke vervoersbehoefte te voorzien.</al><al>− Te gebruiken op trottoir, voetpad, fietspad of rijbaan. Snelheid max. 30 km in- en 40 km buiten</al><al>de bebouwde kom. Geen voorrang op snelverkeer. Mag zonder ontheffing op invalidenparkeerplaats;</al><al>− Er wordt geen rekening gehouden met vervoer van gezinsleden en honden, maar wel met de</al><al>verzorgingsbehoefte onderweg en met het meenemen van apparatuur zoals zuurstof of een rolstoel.</al><al>c. Rijlessen/Gewenningslessen</al><al>Omschrijving:</al><al>− Rijlessen voor het kunnen bedienen van en deelname aan het verkeer met een auto(bus).</al><al>− Gewenningslessen voor het bedienen van de aangepaste auto, een gesloten of open buitenwagen</al><al>die in bruikleen wordt verstrekt.</al><al>Bepalingen ten aanzien van deze verstrekking:</al><al>− De gehandicapte moet geïndiceerd zijn voor het middel waarvoor de lessen bedoeld zijn;</al><al>− De vervoersvoorziening is geïndiceerd, maar kan nog niet gebruikt worden als geen rijlessen of</al><al>gewenningslessen gevolgd zijn.</al><al>− Rijlessen voor een auto:</al><al>- In beginsel zijn rijlessen 'algemeen gebruikelijk';</al><al>- Als iemand nog niet over een rijbewijs beschikt, kan voor rijlessen geen vergoeding worden</al><al>verleend;</al><al>- Als iemand al over een rijbewijs beschikt, maar extra lessen nodig heeft om met de eigen</al><al>aangepaste auto te kunnen rijden worden maximaal vijf lessen vergoed op basis van een</al><al>kilometervergoeding als vermeld in bijlage I.</al><al>Gewenningslessen voor een vervoermiddel (scootermobiel, gesloten buitenwagen):</al><al>Instructies voor het gebruik van een vervoermiddel zijn in het algemeen bij de levering inbegrepen.</al><al>Indien geïndiceerd, kunnen maximaal 5 gewenningslessen vergoed worden.</al><al>d. een ander verplaatsingsmiddel</al><al>d.1. Fiets</al><al>Omschrijving:</al><al>- Driewielfiets ( gewoon, speciaal, met motoraandrijving);</al><al>- Vierwielfiets;</al><al>- Tandem;</al><al>- Tandem met motoraanpassing (Tandamet).</al><al>- Verlengde fiets</al><al>Indicatiecriteria:</al><al>De fiets speelt een essentiële rol in de verplaatsingen in het kader van het 'leven van alle dag'.</al><al>Drie- of vierwielfiets:</al><al>Voor mensen met als handicap een slecht evenwicht, gestoorde motoriek of een verstandelijke</al><al>handicap.</al><al>Tandem:</al><al>Voor mensen die zonder hulp van een bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn, zoals</al><al>mensen met een visuele, motorische- of verstandelijke handicap.</al><al>Tandem met motoraanpassing:</al><al>- Als bij een tandem;</al><al>- Als de gehandicapte en de meerijder/bestuurder energetische beperkingen hebben waardoor</al><al>de verplaatsingen niet of deels op eigen kracht kunnen plaatsvinden.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking onder d.1:</al><al>- Bovengenoemde middelen worden volgens artikel 1.2 onder b. van het besluit maatschappelijke</al><al>ondersteuning gemeente Nunspeet in bruikleen verstrekt zolang de gehandicapte nog in de groeifase</al><al>van zijn/haar leven verkeert (± 18 jaar). In andere situaties in natura of middels een PGB.</al><al>- Een gewone fiets, brommer, spartamet en elo-bike en vergelijkbare vervoersvoorzieningen zijn</al><al>'algemeen gebruikelijke' vervoermiddelen die zowel voor een gehandicapte als een nietgehandicapte</al><al>normaal in de handel te verkrijgen zijn. Deze middelen kunnen dus niet verstrekt</al><al>worden op grond van de WMO.</al><al>Kindervoorzieningen waarbij het verplaatsingsaspect aan de orde is</al><al>d.2 Fietszitje</al><al>Omschrijving:</al><al>- Speciaal zitje voor vervoer van een gehandicapt kind op de fiets;</al><al>- Kidcar (fietsaanhanger).</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- De ouders zijn genoodzaakt hun gehandicapt kind mee te nemen bij hun verplaatsingen in het</al><al>kader van het ‘leven van alle dag’.</al><al>- De voorziening is noodzakelijk om gebruik te kunnen maken van de fiets.</al><al>- Een gewoon fiets- en autozitje is een 'algemeen gebruikelijk' middel en komt niet voor verstrekking</al><al>in aanmerking. Het moet dus gaan om een specifiek zitje dat speciaal bestemd is voor vervoer</al><al>van een gehandicapt kind.</al><al>d.3 Buggies</al><al>Omschrijving: Speciale wandelwagen voor zeer jonge licht-gehandicapte kinderen.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- De ouders zijn genoodzaakt hun gehandicapt kind mee te nemen bij hun verplaatsingen in het</al><al>kader van het ‘leven van alle dag’.</al><al>- De voorziening is noodzakelijk om voor het vervoer van het gehandicapt kind gebruik te kunnen</al><al>maken van het OV en het AOV.</al><al>- Een gewoon 'algemeen gebruikelijk' wandelwagentje/buggy komen niet voor verstrekking in</al><al>aanmerking. Een speciale buggy voor gehandicapte kinderen kan als voorziening in bruikleen</al><al>verstrekt worden.</al><al>- Een gewone buggy is een 'algemeen gebruikelijk' vervoermiddel en wordt niet verstrekt, tenzij</al><al>het om een ouder kind (vanaf 5 jaar.) gaat voor wie een buggy niet meer algemeen gebruikelijk</al><al>is.</al><al>d.4 Zitondersteuningselementen</al><al>Omschrijving:</al><al>Gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten, moeten vaak gebruik</al><al>maken van zogenaamde zitondersteuningselementen. De kinderen brengen vaak een groot deel</al><al>van de dag door in deze stoeltjes, zodat het gebruik ervan kan worden vergeleken met een rolstoel.</al><al>De verstrekking ervan valt onder de WMO. Als een dergelijke voorziening noodzakelijk is</al><al>voor een rolstoel of wandelwagen, kunnen de kosten hiervan volledig worden vergoed.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- Het gehandicapt kind kan niet in een gewone kinderstoel zitten.</al><al>- De voorziening is geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden.</al><al>- Naast het zitelement moet ook het verplaatsingselement aan de orde zijn.</al><al>- De kosten van een gewoon 'algemeen gebruikelijke' kinderstoel kunnen niet worden vergoed.</al><al>- Schoolvoorzieningen komen niet voorvergoeding in aanmerking.</al><al>d.5 Speelvoertuigen voor kinderen</al><al>Omschrijving:</al><al>Voorzieningen voor jonge gehandicapte kinderen die het midden houden tussen (therapeutische)</al><al>speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Het is een voorbereidende fase op het zich zelfstandig</al><al>kunnen verplaatsen.</al><al>Speelmobiel en vliegende hollander</al><al>Een vliegende hollander is een speelmobiel op 3 wielen voortbewogen door middel van een op en</al><al>neer te bewegen hendel of een 'koffiemolen'.</al><al>Kruipwagens en kruiphulpmiddelen</al><al>Middel waarop liggend of zittend met de handen kan worden voortbewogen.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>Er is geen alternatief adequaat speelvoertuig mogelijk om met andere kinderen buiten te spelen en</al><al>de voorziening is adequaat en niet duurder dan noodzakelijk.</al><al>d.6 Handbike</al><al>Omschrijving: Aankoppelunit voor de rolstoel waardoor met armkracht zelfstandig gefietst kan worden.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- Medische noodzaak voor zittend verplaatsen;</al><al>- Er is sprake van dagelijks gebruik betreffende vooral de korte afstand (1 à 1,5 km) om in de</al><al>noodzakelijke vervoersbehoefte te kunnen voorzien;</al><al>- Er kan geen gebruikgemaakt worden van het (aanvullend) openbaar vervoer;</al><al>- De actieradius van de rolstoel kan 4 x zo groot worden, afhankelijk van het type rolstoel</al><al>waaraan de handbike gekoppeld wordt en afhankelijk van de kracht en het uithoudingsvermogen</al><al>van de gehandicapte;</al><al>- Wordt niet in combinatie met een scootermobiel of een ander vervoermiddel voor de korte</al><al>afstand verstrekt. De actieradius die de gehandicapte gezien zijn/haar medische situatie met</al><al>behulp van de handbike kan afleggen moet hierbij uitgangspunt zijn;</al><al>- Als in een belangrijk deel van de vervoersbehoefte voorzien kan worden met behulp van de</al><al>handbike, is de verstrekking van een ander vervoermiddel niet aan de orde.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>Bijlage</nr><titel>Hoofdstuk 4</titel></kop><structuurtekst><al>Lijst met autoaanpassingen die als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt (niet limitatief).</al><al>Faciliteiten die functioneel noodzakelijk kunnen zijn voor het gebruik van een auto door mensen</al><al>met een handicap, maar die niet voor vergoeding in aanmerking komen.</al><al>- automatische transmissie;</al><al>- rechterbuitenspiegel;</al><al>- warmtewerend glas;</al><al>- achterruitverwarming;</al><al>- elektrische ruitenwisser en sproeier achter;</al><al>- verstelbare stuurwielen;</al><al>- driepuntsgordel;</al><al>- verstelbare voorstoelen;</al><al>- hoofdsteunen;</al><al>- handgrepen bij passagiersplaats voorin;</al><al>- lendenstellen voorstoel verstelbaar;</al><al>- rembekrachtiging;</al><al>- (kunst)stoffenbekleding;</al><al>- airconditioning/climat control;</al><al>- gelaagde voorruit;</al><al>- buitenspiegel van binnenuit bestelbaar;</al><al>- interval op de voor- en achterruitwisser;</al><al>- elektrisch bediende portierruiten;</al><al>- stuurbekrachtiging;</al><al>- neerklapbare of inklapbare achterbank (in verband met meenemen rolstoel);</al><al>- uitneembare hoedenplank (in verband met meenemen rolstoel);</al><al>- derde of vijfde deur (in verband met meenemen rolstoel).</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4, lid 1 van de WMO, aanhef en onder b luidt:</al><al>“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder</al><al>g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie,</al><al>treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke</al><al>ondersteuning die hem in staat stellen:</al><al>a. (…)</al><al>b. zich te verplaatsen in en om de woning;</al><al>c. (…)”</al><al>Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijze plaatsvinden: met een rollator,</al><al>lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend</al><al>de rolstoel onder de WMO. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke regelingen</al><al>en zijn daarom op grond van artikel 2 van de WMO uitgesloten.</al><al>Er is van af gezien om een begripsomschrijving van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren</al><al>proberen, nog steeds niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren.</al><al>Daarom blijft staan: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in</al><al>het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in</al><al>en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om vier wielen,</al><al>soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms twee grote wielen achter en twee kleine</al><al>wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven.</al><al>Een rolstoel kan inderdaad met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er</al><al>motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om de rijden met de rolstoel te ondersteunen,</al><al>lichter te maken. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor</al><al>verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 27 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om rolstoelen te verstrekken:</al><al>- Een algemene rolstoelvoorziening;</al><al>- Een rolstoel in natura;</al><al>- Een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoel;</al><al>- Een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.</al><al>De algemene rolstoelvoorziening.</al><al>De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de WMO een nieuwe vorm van verstrekken.</al><al>Deze vorm van verstrekken biedt mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel</al><al>niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan aanvragers die in en om de</al><al>woning geen hulpmiddelen nodig hebben of met andere loophulpmiddelen zich kunnen verplaatsen,</al><al>terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of een middagje winkelen de afstanden die afgelegd</al><al>te groot worden zodat een rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden vaak opgeklapt</al><al>achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij bovenomschreven activiteiten. In artikel 28 van de</al><al>verordening staat dat het primaat bij een algemene rolstoelvoorziening ligt. Daarvoor is het allereerst</al><al>noodzakelijk dat deze algemene voorziening in Nunspeet bestaat. Zolang de algemene</al><al>rolstoelvoorziening niet bestaat, vervalt dit primaat automatisch. Om in aanmerking te komen voor</al><al>een rolstoelvoorziening (via een PGB of in natura) moet het dagelijks zittend verplaatsen in en om</al><al>de woning noodzakelijk zijn. Wanneer iemand incidenteel een rolstoel gebruikt, geldt deze eis niet</al><al>en kan een algemene rolstoelvoorziening een adequaat hulpmiddel zijn.</al><al>Bij een algemene rolstoelvoorziening is het voor diegenen die daartoe het recht hebben een rolstoel</al><al>voor één of meer dagen te lenen om de gewenste activiteiten mee uit te kunnen voeren. Als</al><al>aanvragers liever zelf een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik hebben, kunnen zij gewezen</al><al>worden op de uitgebreide tweedehandsmarkt rond deze rolstoelen en ook op de mogelijkheid</al><al>individueel een dergelijke rolstoel aan te schaffen.</al><al>Ook deze algemene voorziening kent een simpele ‘toegangstoets’, weinig bureaucratie en geen</al><al>eigen bijdrage. Op eenvoudige wijze moet vastgesteld worden of er ook een contra-indicatie is</al><al>voor een dergelijke rolstoel. In geval van twijfel kan altijd een normale aanvraagprocedure inclusief</al><al>een medisch advies worden gevolgd. Dit kan ook als de aanvrager dit wenst, omdat een eigen</al><al>rolstoel noodzakelijk geacht wordt. Ook voor deze voorziening alleen aan de orde kan komen,</al><al>zodra deze daadwerkelijk in de gemeente voorhanden is.</al><al>Rolstoel in natura en PGB</al><al>De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep adequaat kunnen bedienen. Voor hen</al><al>die (veel) vaker, met name dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en rond de</al><al>woning kan op basis van het gestelde in artikel 28, lid 2 van de verordening een rolstoel toegekend</al><al>worden. Dit kan op grond van artikel 27 van de verordening, aanhef en onder b en c als</al><al>voorziening in natura en als persoonsgebonden budget. Via een medisch onderzoek wordt bepaald</al><al>of er een indicatie is voor een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens van de</al><al>aanvrager bepalend en wordt een persoonsgebonden budget uitsluitend geweigerd als sprake is</al><al>van het gestelde in artikel 3 en 6 van de verordening en artikel 1.2 van het Besluit maatschappelijke</al><al>ondersteuning.</al><al>Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen. Voor een sportrolstoel komt men op</al><al>grond van artikel 28, lid 3 van de verordening in aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel</al><al>onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Dit om het ook</al><al>mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te kunnen doen. Het</al><al>gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten</al><al>(marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten</al><al>worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te</al><al>zijn zal dan ook afgewezen worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is</al><al>van een gehandicaptensportvereniging. Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportvereniging</al><al>de mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te proberen of</al><al>een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen</al><al>dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt.</al><al>Een sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening en wordt uitsluitend als persoonsgebonden</al><al>budget verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel bedoeld</al><al>en een deel voor onderhoud. In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische</al><al>rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een beroep op de hardheidsclausule een</al><al>hoger bedrag worden verstrekt. Dat is mogelijk als het inkomen de aanschaf van een elektrische</al><al>sportrolstoel met een persoonsgebonden budget niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele</al><al>beoordeling is hiervoor noodzakelijk.</al><al>Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen.</al><al>Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk</al><al>maken.</al><al>De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrolstoel. Net als in de WVG is gekozen</al><al>voor deze beperking. Bij de WVG is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de AAW meegenomen.</al><al>Dit gebeurt nu weer vanuit de WVG naar de WMO. Volgens vaste jurisprudentie van de</al><al>Centrale Raad van Beroep in de WVG is dat terecht. Nu bij invoering van de WMO geen extra</al><al>geld beschikbaar is gekomen om ruimer sportvoorzieningen te verstrekken is deze regel vanuit de</al><al>WVG in de WMO aangehouden.</al><al>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners</al><al>Bewoners van AWBZ-instellingen, komen slechts in aanmerking voor een rolstoel als zij vanuit de</al><al>AWBZ geen rolstoel krijgen. Het gaat daarbij om bewoners van AWBZ-instellingen die op grond</al><al>van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkend zijn. Zie hiervoor ook artikel 29 van de</al><al>verordening. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van</al><al>toepassing is.</al><al>Artikel 15 Bza luidt:</al><al>1. “Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de</al><al>artikelen 8, 13 en 14, tevens:</al><al>a. geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg;</al><al>b. farmaceutische zorg;</al><al>c. hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg;</al><al>d. tandheelkundige zorg;</al><al>e. kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling;</al><al>f. het individueel gebruik van een rolstoel.</al><al>2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld</al><al>en zakgeld.”</al><al>En de zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie behandeling, ziekenhuiszorg</al><al>en revalidatiezorg. Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in</al><al>dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen</al><al>zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig</al><al>is terug te gaan naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de WMO.</al><al>Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het</al><al>niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie moet worden</al><al>nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Besluit</al><al>zorgaanspraken van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder</al><al>of bij het zorgkantoor.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 5.2.1 Handbewogen rolstoelen</tussenkop><al>Zelfbewegers:</al><al>- voortbeweging door middel van hoepels of hefbomen;</al><al>- kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter;</al><al>- goede arm- en handfunctie vereist en een redelijk uithoudingsvermogen;</al><al>- er zijn andere constructies voor de voortbeweging van de rolstoel denkbaar voor gehandicapten</al><al>met een beperkte arm- en handfunctie.</al><al>Duwwandelwagens:</al><al>- voortgeduwd door een begeleider;</al><al>- veelal kleine wielen.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- Loophulpmiddelen voldoen niet meer;</al><al>- Medische noodzaak voor zittend verplaatsen;</al><al>- In WMO-kader primair een verplaatsingsmiddel voor binnen én buiten;</al><al>- Naast een rolstoelvoorziening kan aanspraak gedaan worden op vervoersvoorzieningen;</al><al>- Bij een kortdurende noodzaak voor een rolstoel is een rolstoel vanuit de AWBZ mogelijk via</al><al>de thuiszorg;</al><al>- Zie voor onderhoud en reparatie 5.3.6 onder d.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 5.2.2 Elektrische rolstoelen</tussenkop><al>Omschrijving:</al><al>- Voortbeweging door middel van joystick/computergestuurd;</al><al>- Oplaadbare accu's;</al><al>- Geen zogeheten plateaurolstoelen, dit zijn scootermobielen en deze vallen onder de vervoersvoorzieningen.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- Loophulpmiddelen voldoen niet meer;</al><al>- Medische noodzaak voor zittend verplaatsen;</al><al>- Een elektrische rolstoel is noodzakelijk als een handbewogen rolstoel niet geschikt of toepasbaar</al><al>is.</al><al>- In WMO-kader primair een verplaatsingsmiddel voor binnen én buiten;</al><al>- Naast een rolstoelvoorziening kan aanspraak bestaan op andere vervoersvoorzieningen;</al><al>- Indien geïndiceerd kan naast een elektrische rolstoel nog een handbewogen rolstoel verstrekt</al><al>worden;</al><al>- Bij een kortdurende noodzaak voor een rolstoel is een (niet elektrische) rolstoel vanuit de</al><al>AWBZ mogelijk via de Thuiszorg;</al><al>- Voor reparatie, onderhoud en verzekering zie 5.3.6 onder d.</al><tussenkop> Sub-paragraaf 5.2.3 Kinderrolstoelen</tussenkop><al>De algemene omschrijvingen, indicatiecriteria, mogelijkheden en bijzonderheden voor rolstoelen</al><al>zoals hiervoor omschreven zijn ook van toepassing op rolstoelen voor kinderen. Bij de verstrekking</al><al>van rolstoelen voor kinderen gelden echter nog enkele specifieke aandachtspunten:</al><al>Vanaf het moment dat kinderen gewoonlijk kunnen lopen, kunnen zij in principe gebruik gaan</al><al>maken van een rolstoel. Dit levert een bijdrage aan de ontwikkeling van het kind, stimuleert het</al><al>zelfstandig worden en het gewoon mee doen met andere kinderen;</al><al>Kinderen aangewezen op een elektrische rolstoel zijn over het algemeen ongeveer vanaf hun</al><al>vierde jaar in staat deze te bedienen. Tot dat moment zijn zij aangewezen op een buggy of kinderduwwandelwagen;</al><al>Er zijn diverse soorten duwwandelwagens die in meer of mindere mate ondersteuning bieden</al><al>voor zwaarder gehandicapte kinderen. Duwwandelwagens en buggy’s zijn vervoersvoorzieningen</al><al>en worden in dat deel van dit verstrekkingenboek beschreven;</al><al>In artikel 1.2 onder b. van het Besluit maatschappelijk ondersteuning gemeente Nunspeet is onder</al><al>andere bepaald dat de verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget niet plaatsvindt</al><al>bij rolstoelvoorzieningen indien het een kind in de groei betreft. Aangezien kinderen voortdurend</al><al>groeien moet een dergelijke voorziening vaker vervangen worden zonder dat sprake is van een</al><al>technisch/economisch afgeschreven voorziening. Wel wordt gestreefd (meegroei-)voorzieningen te</al><al>selecteren die niet jaarlijks vervangen hoeft te worden. Maar ook dan is naar verwachting de reguliere</al><al>afschrijvingstermijn vaak niet haalbaar.</al><al>Voorzieningen aan de rolstoel die in het eigenbelang van (spelende) kinderen zijn, kunnen standaard</al><al>aangebracht worden: bijvoorbeeld anti-kiepwieltjes, duwhandvaten en spaakbeschermers;</al><tussenkop> Sub-paragraaf 5.2.4 Diversen</tussenkop><al>a. Aanpassingen:</al><al>Aanpassingen worden waar mogelijk direct met de verstrekking van de rolstoel geregeld. Daar waar</al><al>bij een al door de WVG in bruikleen verstrekte rolstoel – na medische indicatie – een aanpassing</al><al>moet plaatsvinden, gebeurt dit in overleg met de eigenaar van de rolstoel.</al><al>b. Zitorthesen en anti-decubituskussen</al><al>- Zitorthesen en anti-decubituskussens die een vast onderdeel zijn van de rolstoel, of los zijn,</al><al>maar speciaal bestemd zijn voor het gebruik in de rolstoel of duwwandelwagen, vallen onder</al><al>de WMO.</al><al>- Losse zitorthesen en anti-decubituskussens die in een rolstoel of duwwandelwagen worden</al><al>gebruikt, maar ook gebruikt worden voor het zitten op stoel en bank, kunnen via de Ziekenfondswet</al><al>verkregen worden.</al><al>c. Accessoires</al><al>In individuele situaties kan alleen bij een medische noodzaak een vergoeding worden overwogen.</al><al>d. Onderhoud, reparatie en verzekering</al><al>Omschrijving: Kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van een rolstoel die niet in bruikleen</al><al>verstrekt is.</al><al>Bepalingen ten aanzien van de verstrekking:</al><al>- De indicatiecriteria zijn van toepassing zoals ze beschreven staan onder het betreffende middel;</al><al>- Voor gehandicapten die een rolstoel anders dan in bruikleen in de vorm van een PGB verstrekt</al><al>krijgen, kunnen kosten van onderhoud, reparatie en verzekering in het kader van de WMO vergoed</al><al>krijgen;</al><al>- Gehandicapten waarbij de rolstoel door UWV of het pensioenfonds is verstrekt, moeten voor</al><al>deze kosten een aanvraag indienen bij de verstrekkende instantie;</al><al>- Gehandicapten die hun rolstoel in bruikleen verstrekt hebben gekregen hoeven geen kosten te</al><al>maken voor onderhoud, reparatie en verzekering, aangezien deze kosten in het bruikleencontract</al><al>zijn inbegrepen.</al><al>- Bij de vergoeding van kosten van onderhoud en reparatie speelt de beoordeling mee of de kosten</al><al>in redelijke verhouding staan tot de resterende technische levensduur van de rolstoel. Als</al><al>deze afweging negatief is, wordt een nieuwe aanvraag opgemaakt voor een nieuw rolstoel.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Het medisch advies</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.1</nr><titel>Inleiding.</titel></kop><structuurtekst><al>De Wmo onderscheidt zich van de Wvg doordat niet meer de beschikbare producten beschreven</al><al>staan en uitgangspunt zijn van de aanvraagprocedure, maar de problemen of beperkingen door</al><al>de aanvrager ondervonden en het te bereiken resultaat. Dit te bereiken resultaat in relatie tot de</al><al>vier terreinen die in artikel 4 Wmo zijn omschreven, te weten:</al><al>- het voeren van een huishouden,</al><al>- zich verplaatsen in en om de woning,</al><al>- zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al><al>- medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan,</al><al>waarbij het vierde terrein niet alleen duidt op bepaalde oplossingsmogelijkheden, zoals gebruikmaken</al><al>van bestaande of aanvullende voorzieningen, zoals maatjes of bezoekregelingen met</al><al>vrijwilligers, maar ook de formulering van het resultaat is van acties op de eerste drie terreinen en</al><al>als einddoel daarvan gezien moet worden. De Wmo is immers ook samen te vatten in het woord</al><al>“meedoen” . Prestatieveld 6 van de Wmo ondersteunt daarbij via het verstrekken van individuele</al><al>voorzieningen, als daar aanleiding toe is.</al><al>Daartoe zal in een gesprek met de aanvrager beoordeeld moeten worden wat het te bereiken</al><al>resultaat zal zijn. Daarna kan bekeken worden welke voorzieningen er al beschikbaar zijn, omdat</al><al>zij in de maatschappij voor iedereen aanwezig zijn (algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen)</al><al>welke voorzieningen betrokkene zelf kan verwerven en uiteindelijk welke individuele</al><al>voorzieningen met alles wat er al is noodzakelijk zijn om het beoogde resultaat te bereiken.</al><al>De aanvraag is niet automatisch altijd de start van een procedure maar zal alleen ingediend worden</al><al>als het gaat om concrete voorzieningen die getroffen moeten worden.</al><al>Voordeel van een algemeen intakegesprek is dat het een meer open karakter kan hebben, er</al><al>wordt gekeken naar problemen en beperkingen en hoe deze het best opgelost kunnen worden.</al><al>De klant is dan minder gericht op de voorziening en meer op de oplossing en de Wmoconsulent is</al><al>niet direct uit op toetsen of er wel recht bestaat op die voorziening maar bekijkt eerst samen met</al><al>de klant naar de situatie en mogelijke oplossingen.</al><al>Uiteraard hoeft niet bij elke aanvraag een algemeen intakegesprek plaats te vinden. Wie een</al><al>aanvraag indient voor vervanging van een versleten rolstoel zal bekend zijn. In die situatie kan de</al><al>aanvraag via een korte procedure worden afgehandeld.</al><al>In een algemeen intakegesprek zal allereerst met de aanvrager geïnventariseerd worden wat de</al><al>aanvrager wel en niet kan en welke behoeften de aanvrager heeft, toegespitst op activiteiten in de</al><al>woning en in het huishouden, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich verplaatsen per</al><al>vervoermiddel in de directe woon- en leefomgeving en bij het ontmoeten van medemensen het op</al><al>basis daarvan aangaan van sociale verbanden. In het gesprek zal duidelijk moeten worden om</al><al>welke behoeften het precies gaat, zoals het bezoeken van een (bepaalde) kerk, het gaan winkelen,</al><al>familiebezoek enz. Als dit onderdeel van het gesprek afgerond is, dient samengevat te worden</al><al>wat het resultaat is, zowel wat betreft datgene dat (nog) wel gedaan kunnen worden, als datgene</al><al>waartoe men niet meer in staat is. Deze samenvatting dient op papier te worden vastgelegd.</al><al>De volgende stap is het formuleren van het te bereiken resultaat. Dit te bereiken resultaat kan</al><al>op een of op meerdere terreinen zijn gelegen.</al><al>Met het geformuleerde te bereiken resultaat kan vervolgens beoordeeld worden in hoeverre dat</al><al>resultaat te bereiken is door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene</al><al>voorzieningen en collectieve voorzieningen, of zaken die verstrekt kunnen worden op basis</al><al>van andere wettelijke regelingen (art. 2 Wmo).</al><al>Als aan de hand van het te behalen resultaat beoordeeld is welke algemeen gebruikelijke, welke</al><al>algemene voorzieningen, welke collectieve voorzieningen mogelijk bij kunnen dragen aan het te</al><al>behalen resultaat, kan nog beoordeeld worden of er individuele voorzieningen zijn die hieraan</al><al>eveneens bij kunnen dragen.</al><al>Artikel 4 Wmo bepaalt in lid 2 “Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester</al><al>en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager</al><al>van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten</al><al>zelf in de maatregelen te voorzien. Aan de hand van deze bepaling kan beoordeeld worden in</al><al>hoeverre de aanvrager in staat is, ook financieel gezien, zelf in de individuele voorzieningen te</al><al>voorzien. Door het eigen bijdrage systeem dat de Wmo kent is het bij hogere inkomens mogelijk</al><al>dat men een voorziening geheel zelf zal moeten betalen. Dat kan betekenen dat een aanvrager</al><al>besluit daartoe zelf over te gaan.</al><al>Ook kan het mogelijk zijn dat men de voorziening weliswaar zelf zal moeten betalen maar niet in</al><al>staat is op opziet tegen het proces van aanschaffen van de voorziening. In dat geval zal in het</al><al>kader van de Wmo door de gemeente alles verzorgd kunnen worden, terwijl de aanvrager uiteindelijk</al><al>zelf betaalt.</al><al>Medisch advies</al><al>Aanleiding</al><al>Bij toekenning van voorzieningen op grond van de WVG of bij indicatiestelling voor van de functie</al><al>Huishoudelijke Verzorging AWBZ was het begrip ‘medische noodzaak’ doorslaggevend. Uit de</al><al>jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt dat die medische noodzaak</al><al>in de ogen van de Raad noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg</al><al>dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur van cruciaal belang</al><al>is. Daarom is hierover een apart hoofdstuk opgenomen.</al><al>Verordening</al><al>In de verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 32:</al><al>1. “Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het</al><al>recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:</al><al>a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en</al><al>tijdstip en hem nadere informatie te vragen;</al><al>b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen</al><al>deskundigen informatie te vragen en/of onderzoeken.</al><al>2. Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies als:</al><al>a. het college van plan is de gevraagde voorziening om medische redenen af te wijzen;</al><al>b. het college dat overigens gewenst vindt.</al><al>3. Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie die</al><al>gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van</al><al>de aanvraag.</al><al>4. Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruikgemaakt van</al><al>de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities</al><al>and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al><al>6. De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden</al><al>en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van</al><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een</al><al>psychosociaal probleem.</al><al>Gebruik van artikel 32 uit de verordening</al><al>Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet</al><al>sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking</al><al>verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende</al><al>onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak</al><al>niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de</al><al>medische noodzaak vastgesteld kan worden.</al><al>In lid 2 van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin het college de door haar aangewezen</al><al>adviesinstantie om advies moet vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente</al><al>medisch advies:</al><al>1) Als een aanvraag om medische reden wordt afgewezen wordt de medisch adviseur altijd om</al><al>een advies gevraagd. Zonder een medisch advies zou in deze situatie het besluit onvoldoende</al><al>gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk besluit vernietigen als onvoldoende gemotiveerd.</al><al>2) Als het college aanleiding zien om medisch advies te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden</al><al>bij een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen.</al><al>Per situatie wordt dit beoordeeld. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd.</al><al>Lid 3 van dit artikel bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de</al><al>aanvraag verschaft moeten worden aan het college. Hierbij kan gedacht worden aan medische</al><al>gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van</al><al>de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende</al><al>sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet – geruime tijd in beslag nemen. Dat</al><al>werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling</al><al>van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met</al><al>name als de aanvrager aangeeft welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde</al><al>informatie aan de medische adviseur.</al><al>Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend</al><al>plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij moet in de verklaring opgenomen worden</al><al>welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd</al><al>worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.</al><al>Lid 4 bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification</al><al>of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet</al><al>worden.</al><al>“De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend</al><al>in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau</al><al>zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in</al><al>een zinvolle ordening geplaatst.” 2</al><al>Van de zeer uitgebreide ICF3 zijn met name de lijsten met ‘functies’ en ‘activiteiten en participatie’</al><al>van belang. Daarom zijn deze lijsten als bijlage bij dit hoofdstuk gevoegd.</al><al>De adviseur moet van de ICF gebruikmaken op de volgende wijze. Door de adviseur wordt allereerst</al><al>aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen).</al><al>Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau,</al><al>en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van</al><al>deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk.</al><al>Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat</al><al>een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Als dat wel het geval is, moeten ook niet-direct</al><al>relevante functies worden aangegeven.</al><al>2 Uit Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health</al><al>Compilatie, blz. 22, dit is een toelichting op de ICF, zie http://www.rivm.nl/whofic/</al><al>in/ICFwebuitgave.pdf</al><al>3 http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm</al><al>Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau</al><al>dat de compensatie op basis van de WMO plaats moet vinden. Ook bij de vermelding van deze</al><al>stoornissen in ‘activiteiten en participatie’ gebruikgemaakt worden van het begrippenkader van de</al><al>ICF. De indeling van activiteiten en participatie is als bijlage 2 bij dit hoofdstuk opgenomen.</al><al>Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de</al><al>daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen moet vermelden, gerelateerd</al><al>aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de</al><al>ICF wordt gebruikt.</al><al>Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot (gedeeltelijke) toekenning of</al><al>afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening.</al><al>Geen medisch advies CVV 75+</al><al>Voor 75 plussers kan in zijn algemeenheid gesteld worden dat men langzamerhand meer beperkingen</al><al>krijgt en grotendeels een medische indicatie heeft voor CVV. Daarom wordt voor 75 plussers</al><al>geen medische indicatie meer gesteld bij aanvragen CVV.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.1</nr><titel>Aanvraag.</titel></kop><structuurtekst><al>Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet</al><al>bestuursrecht van toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in dit verstrekkingenboek</al><al>als bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan.</al><al>Aanvragen in het kader van de WMO kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend.</al><al>Een uitzondering daarop kunnen de algemene voorzieningen zijn. Het karakter van deze algemene</al><al>voorzieningen: een snelle oplossing in weinig complexe en niet langdurige situaties, zonder</al><al>administratieve rompslomp, dus met weinig bureaucratie, geen eigen bijdragen en geen beschikkingen,</al><al>is zodanig dat bij algemene voorzieningen andere wijzen van aanvragen dan uitsluitend</al><al>schriftelijk mogelijk moet zijn.</al><al>Volstrekt helder moet wel zijn:</al><al>− wanneer het verzoek om een algemene voorziening is gedaan;</al><al>− door wie dat verzoek is behandeld;</al><al>− welke beperkte toets is uitgevoerd;</al><al>− wat daar het effect van is;</al><al>− welke algemene voorziening van toepassing is;</al><al>− op welke wijze de voorziening verstrekt wordt;</al><al>− voor welke periode de voorziening verstrekt wordt.</al><al>Dit zou vastgelegd kunnen worden in een eenvoudige rapportage van maximaal één A4 en van</al><al>de hand van degene die heeft behandeld.</al><al>Voor zover het geen algemene voorziening betreft moet de aanvraag schriftelijk plaatsvinden. Dit</al><al>gebeurt op grond van artikel 30 van de verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier.</al><al>Voordeel van een dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is en alle voor de behandeling</al><al>noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.</al><al>De aanvraag moet ingediend worden op de in artikel 31 van de verordening van de gemeente</al><al>Nunspeet genoemde plaats, waar een loket bestaat dat ook bedoeld is voor het indienen van</al><al>aanvragen in het kader van de AWBZ. Is op het terrein van de WMO en op het terrein van de</al><al>AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan.</al><al>Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de WMO dat er een relatie gelegd moet worden</al><al>tussen de indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de WMO.</al><al>Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn,</al><al>kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een</al><al>termijn van acht weken beschikbaar.</al><al>Als het niet lukt binnen de voorgeschreven acht weken op een aanvraag een beschikking te nemen,</al><al>moet voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte worden gesteld,</al><al>onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.2</nr><titel>Onderzoek – doelgroep.</titel></kop><structuurtekst><al>Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de aanvrager behoort tot de</al><al>doelgroep van de WMO. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten in de WMO zelf en aanvullend</al><al>hierop enkele uitgangspunten in de verordening. In de WMO zelf liggen de volgende uitgangspunten:</al><al>Artikel 2 van de WMO bepaalt:</al><al>“Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de</al><al>problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een</al><al>voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.”</al><al>Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder</al><al>andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ</al><al>worden gerekend, maar ook de WIA.</al><al>Artikel 4 van de WMO spreekt van “de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste</al><al>lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke</al><al>participatie”.</al><al>De formering van het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 luidt als volgt:</al><al>4 het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate</al><al>oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen</al><al>van vrijwilligers;</al><al>5 het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig</al><al>functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van</al><al>mensen met een psychosociaal probleem;</al><al>6 het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch</al><al>probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en</al><al>het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke</al><al>verkeer;”</al><al>Het gaat daarbij om de volgende personen:</al><al>1. mantelzorgers,</al><al>2. mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een</al><al>psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan het maatschappelijk verkeer en</al><al>zelfstandig functioneren;</al><al>3. mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een</al><al>psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van het behouden</al><al>en bevorderen van het zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer.</al><al>Als het gaat om het onderdeel ‘mantelzorgers’ in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor</al><al>voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft</al><al>degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan moeten die uiteraard op zijn of haar</al><al>naam aangevraagd worden. Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden</al><al>gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging)</al><al>door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden</al><al>gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer</al><al>tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging. Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het</al><al>huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker</al><al>te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager.</al><al>Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking of een chronisch</al><al>psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem zal vaak een medisch</al><al>advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te</al><al>objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij wordt gebruikgemaakt</al><al>van de ICF, wat verder is uitgewerkt in hoofdstuk 6.</al><al>In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd bestaande uit ‘beperkingen</al><al>ten gevolge van ziekte of gebrek’ (art. 8 verordening) of ‘aantoonbare beperkingen op grond</al><al>van ziekte of gebrek’ (artikel 9 verordening), ‘aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of</al><al>gebrek’ (artikel 14, lid 1 verordening), “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek”</al><al>(artikel 16, lid 1 verordening), “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” (artikel</al><al>24, lid 1 modelverordening) en “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” (artikel</al><al>28, de leden 1, 2 en 3 verordening).</al><al>Er wordt dus een aanvullende eis gesteld. Er moet sprake zijn van (aantoonbare) beperkingen op</al><al>grond van ziekte of gebrek. Het gaat hierbij om een medisch oordeel.</al><al>Ook binnen de WMO staat, net als binnen de WVG en de AWBZ, de medische noodzaak centraal</al><al>staan bij het toekennen van voorzieningen. Via een medisch onderzoek moet vastgesteld worden</al><al>of er inderdaad medische noodzaak bestaat. Op het medisch onderzoek wordt in hoofdstuk 6</al><al>ingegaan.</al><al>Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van</al><al>ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn, speelt</al><al>de vraag of er algemene beperkingen zijn. Deze vraag zal ook eerder spelen omdat het weinig zin</al><al>heeft om een uitbreid medisch onderzoek te starten als van tevoren duidelijk is dat het om een</al><al>tijdelijk probleem gaat.</al><al>Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele algemene beperkingen,</al><al>zoals vastgelegd in de verordening in artikel 2. Het gaat daarbij om de begrippen langdurig noodzakelijk</al><al>(artikel 2.1, aanhef en onder a), goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b) en</al><al>in overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en onder c). Verder wordt in een</al><al>aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het geval bij een algemeen gebruikelijke zaak</al><al>(artikel 2, lid 2 aanhef en onder a), als de aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar</al><al>de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder b), voor zover de ondervonden problemen</al><al>voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c), voor</al><al>zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw</al><al>(artikel 2, lid 2 aanhef en onder d), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef</al><al>en onder e), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken</al><al>(artikel 2, lid 2 aanhef en onder f) en tot slot voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak</al><al>betreft (artikel 2, lid 2 aanhef en onder g).</al><al>Langdurig noodzakelijk (artikel 2.1, aanhef en onder a)</al><al>De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft te maken met de afgrenzing</al><al>met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot</al><al>kan gedurende drie maanden, eenmaal te verlengen met nog eens drie maanden,</al><al>een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen</al><al>betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes</al><al>maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het</al><al>blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren, maar daarna over is,</al><al>mag ervan worden uitgegaan dat er geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens</al><al>niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting vier maanden is, is duidelijk dat</al><al>het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan</al><al>worden van langdurige noodzaak. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening</al><al>langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode</al><al>hulp bij het huishouden nodig is en een algemene voorziening is niet realiseerbaar, bijvoorbeeld</al><al>bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.</al><al>Goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b)</al><al>Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat</al><al>moet zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de</al><al>goedkoopste voorziening. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt</al><al>van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij</al><al>kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die</al><al>het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen</al><al>vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen</al><al>brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben.</al><al>Dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper uit met een andere voorziening dan</al><al>collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het</al><al>collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen.</al><al>In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en onder c).</al><al>Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager.</al><al>Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering</al><al>op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.</al><al>Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder a),</al><al>Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW. Volgens de vaste jurisprudentie</al><al>van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk als de volgende criteria</al><al>van toepassing zijn:</al><al>1. de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld;</al><al>2. de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar;</al><al>3. de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.</al><al>In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden</al><al>beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen</al><al>gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat</al><al>om:</al><al>1. een plotseling optredende handicap, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder</al><al>dan normaal moeten worden vervangen;</al><al>2. de aanvrager die een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de</al><al>voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.</al><al>Woonachtig in Nunspeet</al><al>In de wet is geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich</al><al>beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over</al><al>ingezetenen. Daarom is artikel 2, lid 2 aanhef en onder b in de verordening opgenomen waarin</al><al>staat dat er geen voorziening wordt toegekend voorzover de aanvrager niet woonachtig is in de</al><al>gemeente Nunspeet, als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk</al><al>Wetboek.</al><al>Tijdelijk verblijf buiten Nunspeet</al><al>In bijzondere omstandigheden kan het onredelijk zijn de voorziening in te trekken c.q. niet toe te</al><al>kennen. Bijvoorbeeld bij een kort verblijf buiten de gemeente zoals een tijdelijke opname in een</al><al>verpleeghuis. Als een belanghebbende voor maximaal zes maanden buiten de gemeente verblijft</al><al>voor revalidatie of behandeling, dan wordt de voorziening in de vorm van CVV of een aangepaste</al><al>rolstoel in deze zes maanden niet beëindigd. Als een belanghebbende pas een aanvraag indient</al><al>tijdens een verblijf buiten de gemeenten, dan kan alleen CVV toegekend worden. Voorwaarde</al><al>voor het recht op de voorziening is dat belanghebbende in de GBA van Nunspeet staat ingeschreven</al><al>en uit verklaringen van de instelling(en) blijkt dat belanghebbende binnen zes maanden</al><al>weer in Nunspeet gaat wonen.</al><al>Voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen (artikel</al><al>2, lid 2 aanhef en onder c) zal ook geen voorziening worden verstrekt.</al><al>Het zal hierbij bijvoorbeeld om woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan spaanplaat</al><al>dat deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel waterdoorslag geven en</al><al>dus veel vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort</al><al>materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt</al><al>door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening</al><al>te weigeren.</al><al>Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw</al><al>(artikel 2, lid 2 aanhef en onder d).</al><al>Iedereen heeft een uitgavenpatroon wat past bij zijn of haar inkomen. Dat geldt ook voor de kosten</al><al>van het wonen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand</al><al>met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen</al><al>(zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen)</al><al>rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor bijvoorbeeld een</al><al>inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden</al><al>gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle</al><al>extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale</al><al>woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.</al><al>Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en onder e) wordt ook geen</al><al>voorziening verstrekt.</al><al>De WMO kent immers het compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn.</al><al>Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als hij die auto</al><al>moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten</al><al>die gecompenseerd moeten worden. Het onderzoek naar meerkosten is van belang in</al><al>situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening.</al><al>Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2</al><al>aanhef en onder f).</al><al>Dit wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait accompli te stellen</al><al>waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met</al><al>andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing.</al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer</al><al>mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle</al><al>achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet</al><al>meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot</al><al>consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopstadequate</al><al>oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-</al><al>adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk</al><al>duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft</al><al>aangeschaft.</al><al>Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid 2 aanhef en onder g), en</al><al>daarbij sprake is van schuld,zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden.</al><al>Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd moet worden. Toch komt</al><al>het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties</al><al>nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid,</al><al>onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het</al><al>goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst.</al><al>Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot</al><al>aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het</al><al>probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking</al><al>plaats te vinden. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren</al><al>gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te</al><al>worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende,</al><al>maar noodzakelijke maatregel zijn. Als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan op gelijke</al><al>wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden.</al><al>Naast deze algemene beperkingen spelen ook per vertrekkingengebied bijzondere beperkingen.</al><al>Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken besproken.</al><al>Als er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (met inbegrip van</al><al>psychosociale problemen) en er is recht op compensatie in de vorm van een voorziening in natura</al><al>of een persoonsgebonden budget, kan er toekenning plaatsvinden middels een positieve beschikking.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.3</nr><titel>Motivering van besluiten</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 26, lid 1 van de WMO, dat luidt:</al><al>“1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt</al><al>op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de</al><al>zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of</al><al>een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.”</al><al>Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten worden op welke wijze de</al><al>genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en</al><al>de normale maatschappelijke participatie van betrokkene. Gaat het om een positieve beschikking,</al><al>dan zal dit niet zo moeilijk zijn.</al><al>Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt door de toegekende</al><al>voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. Enkele voorbeelden: Bij toekenning van</al><al>een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift, kan aangegeven worden dat door deze voorziening</al><al>betrokkene, die voordien problemen had bij het normale gebruik van de woning, doordat de</al><al>verdieping niet te bereiken was, nu met de traplift weer op de verdieping kan komen om de slaapkamer</al><al>en de sanitaire ruimte te bereiken, waarmee het probleem is gecompenseerd.</al><al>Bij toekenning van een scootermobiel kan aangegeven worden dat betrokkene voordien problemen</al><al>had bij verplaatsing in de directe woonomgeving, en daardoor problemen bij het bezoeken</al><al>van winkels, familie en kennissen enzovoort. Deze problemen zijn gecompenseerd door middel</al><al>van een persoonsgebonden budget waarmee betrokkene een scootermobiel kan aanschaffen</al><al>waarmee gedurende vijf jaar de verplaatsingen in de directe woon en leefomgeving gemaakt kunnen</al><al>worden.</al><al>Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, bestaat er om een</al><al>andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken van de aangevraagde voorziening</al><al>of de aangevraagde hulp bij het huishouden, ook dan moet op grond van artikel 26, lid 1 van de</al><al>WMO gemotiveerd moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het</al><al>behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie</al><al>van betrokkene. Dit is uiteraard niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking is</al><al>aangegeven. Bij een afwijzing moet men denken aan een formulering waarbij aangegeven wordt</al><al>dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde</al><al>voorzieningen ook in staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden of</al><al>te bevorderen.</al><al>Enkele voorbeelden:</al><al>Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de woning en hulp bij het huishouden.</al><al>Uit medisch onderzoek blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en</al><al>dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend</al><al>worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er</al><al>dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl er dus nog behandelmogelijkheden</al><al>onbenut zijn. De medisch adviseur zal persoon naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden</al><al>te benutten. Hangende die behandelmogelijkheden wordt geen rolstoel noch</al><al>hulp bij het huishouden toegekend. Mocht persoon in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum,</al><al>dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een beperkte</al><al>of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling</al><al>niet in de weg staat.</al><al>De motivering wordt dan:</al><al>Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch onderzoek is gebleken</al><al>dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden</al><al>stellen bestaat de mogelijkheid dat u door gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden</al><al>in de weg staat. Het doel van de WMO is niet aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen,</al><al>maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom kennen wij u op</al><al>dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden toe. Mocht uit uw behandeling in overleg</al><al>met uw behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact</al><al>met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars.</al><al>In de verordening is in artikel 34 opgenomen dat men verplicht is om wijzigingen in de situatie te</al><al>melden:</al><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het</al><al>college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet</al><al>zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al><al>Ondanks dat deze regel in de verordening staat, is het van belang deze voorwaarde ook in de</al><al>beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager</al><al>hierop weer attent wordt gemaakt.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Lijst van afkortingen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>WMO Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>WVG Wet voorzieningen gehandicapten</al><al>AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</al><al>Awb Algemene wet bestuursrecht</al><al>UWV Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen</al><al>WAO Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</al><al>WIA Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</al><al>Waz Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</al><al>Wajong Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten</al><al>ZW Ziektewet</al><al>AOV Algemeen openbaar vervoer</al><al>CVV Collectief vraagafhankelijk vervoer</al><al>AAW Algemene arbeidsongeschiktheidswet</al><al>Bza Besluit zorgaanspraken AWBZ</al><al>ICF International Classification of Functioning, Disability and Health Compilatie</al><al>PGB Persoonsgebonden butget</al><al>PV Persoonlijke verzorging</al><al>HV Huishoudelijke verzorging</al><al>ZN Zorgverzekeraars Nederland</al><al>VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten</al><al>VWS Ministerie van Volksgezondheid, welzijn en sport</al><al>COPD Chronic Obstructive Pulmonary Diseases</al><al>CAK Centraal Administratie Kantoor</al><al>CIZ Centrum Indicatiestelling Zorg</al><al>CARA Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen</al><al>ADL Algemene dagelijkse levensverrichtingen</al><al>PvE Programma van Eisen</al><al>BNA Bond Nederlandse architecten</al></bijlage></regeling></body></cvdr>