<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16503_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening Wet Werk en Bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 21-08-2009 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening inzake Wet Werk en Bijstand voor de gemeente Alphen-Chaam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Werk%20en%20Bijstand">Wet Werk en Bijstand </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-08-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening Wet Werk en Bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verzamelverordening</al><al>Wet werk en bijstand</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I. Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 begripsbepalingen algemeen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en
                                                wethouders van de gemeente Alphen-Chaam.</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente
                                                Alphen-Chaam.</al></li><li nr="c."><al>WWB: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="d."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers.</al></li><li nr="e."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li><li nr="f."><al>ANW: de Algemene Nabestaandenwet.</al></li><li nr="g."><al>CWI: Centrum voor werk en inkomen.</al></li><li nr="h."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut
                                                Werknemersverzekeringen.</al></li><li nr="i."><al>premie: een premie die op grond van artikel 7 van de
                                                WWB kan worden ingezet als voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="j."><al>inkomstenvrijlating: de vrijlating van inkomsten uit
                                                arbeid bedoeld in artikel 31, lid 2, onder o, van de
                                                WWB.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsbepalingen van de WWB zijn op deze verordening van
                                        toepassing, tenzij in deze verordening anders is
                                        bepaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 belanghebbende (doelgroep)</titel></kop><al>De persoon van 18 tot 65 jaar genoemd in artikel 7, lid 1, onder
                                    a, van de WWB:</al><lijst><li nr="a."><al>die WWB-, IOAW-, IOAZ- of ANW-uitkering ontvangt of</al></li><li nr="b."><lijst><li nr="1e"><al>die als werkzoekende staat ingeschreven bij het
                                                  CWI, die geen aanspraak heeft op een uitkering van
                                                  de gemeente of het UWV en die ondersteuning
                                                  behoeft bij diens arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2e"><al>die werkt in een door de gemeente Alphen-Chaam
                                                  gesubsidieerde arbeidsplaats.</al></li></lijst></li></lijst><al>Niet tot de doelgroep behoort:</al><lijst><li nr="1."><al>de persoon die geen uitkeringsgerechtigde is en die
                                            onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in
                                            de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de
                                            Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten,
                                            en</al></li><li nr="2."><al>de persoon die een kind is als bedoeld in artikel 7,
                                            tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene
                                            Kinderbijslagwet.</al></li><li nr="3."><al>de persoon die een uitkering ontvangt van het UWV
                                            onafhankelijk de aard van de uitkering en/of de hoogte.
                                            het college en het UWV kunnen overeenkomen dat het
                                            genoemde in artikel 4, lid 1 en 2, wel van toepassing is
                                            op de persoon met een uitkering van het UWV.</al></li><li nr="4."><al>de persoon van wie het netto-(gezins)inkomen hoger is
                                            dan 120% van het sociaal minimum.</al></li><li nr="5."><al>de persoon van wie het vermogen meer bedraagt dan het
                                            voor de Wwb vrij te laten bescheiden vermogen in
                                            zijn/haar situatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 arbeidsinschakeling, ondersteuning en
                                voorziening</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsverplichting: het naar vermogen trachten te
                                        verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                        waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het CWI
                                        en waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                                        voorziening.</al></li><li nr="b."><al>re-integratieverplichting: het gebruik maken van een
                                        voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van
                                        de afstand tot de arbeid waaronder begrepen sociale
                                        activering; het meewerken aan een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; de geschiktheid voor
                                        scholing/opleiding of het vaststellen van een diagnose.</al></li><li nr="c."><al>participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving
                                        door het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd
                                        werk en als dit nog niet mogelijk is door sociale
                                        activering.</al></li><li nr="d."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                        (uiteindelijk) inschakeling in de betaalde arbeid of op
                                        maatschappelijke participatie als betaalde arbeid (nog) niet
                                        mogelijk is.</al></li><li nr="e."><al>participatiepiramide: een ordeningssystematiek tot het
                                        ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen gericht op
                                        arbeidsinschakeling bestaande uit: </al><lijst><li nr="1."><al>een basislaag: voor de participatie naar en door
                                                betaald regulier werk, werk in eigen bedrijf of
                                                zelfstandig beroep, tijdelijk gesubsidieerde arbeid
                                                of onbeloonde arbeid gericht op arbeidsparticipatie
                                                (inschakeling in de arbeid).</al></li><li nr="2."><al>een middenlaag: voor de participatie naar en door
                                                structureel gesubsidieerd werk.</al></li><li nr="3."><al>een toplaag: voor de participatie naar en door
                                                onbeloonde arbeid gericht op maatschappelijke
                                                participatie.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>voorziening: een door het college noodzakelijk geachte
                                        voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of sociale
                                        activering.</al></li><li nr="g."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep en zonder betaling voor meer dan 8 uur
                                        per week wordt geboden aan een zorgbehoevende door personen
                                        uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening
                                        rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en deze de
                                        gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt.</al></li><li nr="h."><al>werk-voorop-benadering: het na het inschrijven als
                                        werkzoekende zo snel mogelijk aan het werk zetten van
                                        belanghebbenden voor bepaalde tijd.</al></li><li nr="j."><al>polis: de met een belanghebbende gemaakte en vastgelegde
                                        afspraken over de planmatige inzet van een of meer
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="i."><al>nazorg: een voorziening gericht op het voorkomen van (een)
                                        armoede(-val) of van terugval in de uitkering gedurende de
                                        eerste 6 maanden na uitstroom uit de bijstand. De 6 maanden
                                        termijn is te verlengen met tweemaal 3 maanden tot de duur
                                        van in totaal 1 jaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Re-integratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Opdracht van het college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt de doelgroep ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                        voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt bij het ondersteunen en/of het bepalen en
                                        aanbieden van voorzieningen prioriteiten in verband met de
                                        financiële mogelijkheden en met maatschappelijke,
                                        economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van de opvang van
                                        kinderen tot 12 jaar, als die opvang nodig is voor het
                                        realiseren van duurzame arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Taak van het college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college voert zijn zorgplicht bij arbeidsinschakeling
                                        uit met in acht name van de door de raad jaarlijks vast te
                                        stellen programmabegroting.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                                        en het bepalen en aanbieden van noodzakelijke voorzieningen
                                        af op de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van
                                        flankerende voorzieningen die belemmeringen voor
                                        arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al></li><li nr="4."><al>Het college werkt bij de uitvoering van het ondersteunen bij
                                        arbeidsinschakeling samen met het CWI en het UWV.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan voor de uitvoering van zijn zorgplicht bij
                                        arbeidsinschakeling afspraken maken met derden, waaronder
                                        werkgevers en re-integratiebedrijven. Het college neemt
                                        hierbij de gemeentelijke richtlijnen voor in-, aan- en
                                        uitbesteden in acht.</al></li><li nr="6."><al>Het college legt het aanbod van een voorziening aan een
                                        persoon uit de doelgroep vast in een beschikking dan wel een
                                        polis als bijlage bij een beschikking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Rechten en plichten belanghebbende</titel></kop><al>De belanghebbende heeft aanspraak op:</al><lijst><li nr="1e"><al>een door het college noodzakelijk geachte voorziening.</al></li><li nr="2e"><al>een vaste contactpersoon vanuit de afdeling Publiekszaken in
                                        relatie tot de uitkering en ondersteuning gericht op
                                        arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3e"><al>een heroverweging (second opinion) als deze niet kan
                                        instemmen met de inhoud van een polis.</al></li><li nr="4e"><al>nazorg.</al></li></lijst><al>1. De belanghebbende heeft de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1e"><al>arbeids-/sollicitatieverplichting: zich te registreren als
                                        werkzoekende bij het CWI en naar vermogen algemeen
                                        geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te
                                        aanvaarden,tenzij ontheffing van deze verplichtingen is
                                        verleend.</al></li><li nr="2e"><al>re-integratieverplichting: gebruik te maken van een
                                        aangeboden voorziening, een programma tot inburgering op
                                        grond van de Wet inburgering inbegrepen, daar naar vermogen
                                        uitvoering aan te geven en na te laten al hetgeen het
                                        realiseren van het doel van de voorziening belemmert</al></li><li nr="3e"><al>medewerkingsverplichting: mee te werken aan een onderzoek
                                        en/of medische keuring naar de mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling dan wel naar de inhoud, passendheid,
                                        voortgang en uitvoering van een voorziening, het aanvragen
                                        van de indicatie voor de Wet sociale werkvoorziening
                                        inbegrepen.</al></li><li nr="4e"><al>inlichtingenverplichting: op verzoek of onverwijld uit eigen
                                        beweging mededeling te doen aan het college van alle feiten
                                        en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de
                                        aanspraak op ondersteuning of voorziening. Hieronder in elk
                                        geval begrepen wijziging in woonplaats, gezondheidssituatie
                                        of arbeidshandicap, scholing, (onbetaalde) werkzaamheden of
                                        middelen (inkomsten of vermogen).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Criteria ontheffen arbeids- en/of
                                re-integratieplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent tijdelijk --geheel of gedeeltelijk--
                                        ontheffing van de arbeids- en/of re-integratieverplichting
                                        met in acht name van het bepaalde in artikel 9, lid 2 en 4,
                                        van de WWB dan wel artikel 37a van de IOAW of de IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt, zo nodig in overleg met een extern
                                        diagnosebureau, de duur van een ontheffing vast op: </al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 1 jaar als de combinatie arbeid of
                                                voorziening niet mogelijk is door de zorg voor
                                                kinderen of door mantelzorg.</al></li><li nr="b."><al>maximaal 3 jaar als de combinatie arbeid of
                                                voorziening niet mogelijk is om psychische of
                                                medische redenen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college besluit tijdig voor afloop van een verleende
                                        ontheffing tot het al dan niet verlengen ervan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ondersteunt een belanghebbende, die tot de
                                        doelgroep behoort en die het zelf niet lukt om betaalde
                                        arbeid te verkrijgen, bij diens arbeidsinschakeling vóórdat
                                        is bereikt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een persoon tot 23 jaar de grens van 6 maanden
                                                werkloosheid en</al></li><li nr="b."><al>voor een persoon van 23 tot 65 jaar de grens van 12
                                                maanden werkloosheid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college deelt de ondersteuning en voorzieningen in naar
                                        de ordeningsystematiek van de participatiepiramide. Dit
                                        onverminderd de inzet van flankerende voorzieningen als
                                        casemanagement, maatschappelijk ondernemen, hoogwaardig
                                        handhaven, scholing, schuldhulpverlening, nazorg, premie,
                                        onkostenvergoeding, inkomstenvrijlating, etc.</al></li><li nr="3."><al>Het college stemt de ondersteuning en voorzieningen af op
                                        het vergroten van de vitaliteit en de zelfredzaamheid van
                                        belanghebbenden via de kortste weg naar duurzaam regulier
                                        werk en als dit (nog) niet mogelijk is door (tijdelijk)
                                        gesubsidieerd werk , door werken met behoud van uitkering of
                                        door sociale activering.</al></li><li nr="4."><al>Voor het realiseren van de kortste weg door en naar werk zet
                                        het college de ondersteuning en voorzieningen bij voorkeur
                                        in op de werk-voorop-benadering, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>voor jongeren tot 23 jaar het behalen van een
                                                startkwalificatie als hoogste doel geldt.</al></li><li nr="b."><al>het hoger opgeleide vluchtelingen is toegestaan om
                                                met behoud van uitkering een (aanvullende) opleiding
                                                te volgen naar door het college te stellen
                                                regels.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Afweging belangen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt bij de aanspraak op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling en bij het aanbieden van voorzieningen
                                        rekening met: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in artikel 9, lid 2 en 4 van de WWB
                                                (zorgplicht alleenstaande ouder, beschikbaarheid, kinderopvang, toepassen voldoende scholing en
                                                belastbaarheid);</al></li><li nr="b."><al>met de intrinsieke motivatie van een belanghebbende,
                                                voor zover dit de kortste weg naar duurzame
                                                uitstroom in redelijkheid niet belemmert en</al></li><li nr="c."><al>de aanwezigheid van een voorliggende
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college betrekt bij het afwegen van belangen onder meer
                                        de situatie op de arbeidsmarkt, de mate van investering in
                                        een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen) en het
                                        vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Stimuleren en handhaven participatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende die een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering
                                        ontvangt en die een bijzondere inspanning verricht gericht
                                        op participatie, heeft aanspraak op een premie naar de
                                        regels in hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het niet of niet tijdig nakomen van de verplichtingen
                                        gericht op participatie geeft het college uitvoering aan: </al><lijst><li nr="a."><al>hoofdstuk 4 van deze verordening: regels met
                                                betrekking tot het verlagen van de bijstand in het
                                                geval een WWB-uitkering wordt ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 20 van de IOAW dan wel IOAZ: regels met
                                                betrekking tot het tijdelijk of blijvend, geheel of
                                                gedeeltelijk, weigeren van de uitkering, als de IOAW
                                                of IOAZ in het geding is;</al></li><li nr="c."><al>artikel 11 van deze verordening: regels met
                                                betrekking tot het vervallen van de aanspraak op een
                                                voorziening voor zover het betreft een ANW-er of
                                                Nug-er.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Beëindigen ondersteuning of voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de ondersteuning of voorziening van een
                                        ANW-er of Nug-er beëindigen als deze: </al><lijst><li nr="a."><al>de arbeids- en/of re-integratieverplichting bij
                                                voortduring niet of niet tijdig nakomt;</al></li><li nr="b."><al>niet meer tot de doelgroep behoort;</al></li><li nr="c."><al>een andere voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="d."><al>neveninkomsten heeft waarmee naar oordeel van het
                                                college duurzame uitstroom is te realiseren zonder
                                                inzet van een voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het beëindigen van een voorziening kan inhouden het opzeggen
                                        van een gesubsidieerde dienstbetrekking, een
                                        dienstbetrekking bedoeld in artikel 14 van de Invoeringswet
                                        WWB (overgangsrecht WIW en ID-banen) of het beëindigen van
                                        de subsidie daarvoor.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan besluiten enige tijd geen (nieuwe)
                                        voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening
                                        (voortijdig) is beëindigd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Stimuleren participatie</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 12 Premie op participatie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een uitkeringsgerechtigde heeft recht op een premie van
                                        minimaal € 250,-- en maximaal € 500,-- per kalenderjaar als
                                        deze naar het oordeel van het college een bijzondere
                                        inspanning heeft verricht gericht op participatie. Dit
                                        onverminderd de volgende leden en de artikelen 13, lid 3,
                                        dan wel 18, lid 3, van deze verordening (samenloop met
                                        vergoeding voor onbeloonde arbeid dan wel
                                        inkomstenvrijlating).</al></li><li nr="2."><al>Recht op de maximale premie bestaat als voor de duur van
                                        tenminste drie maanden per kalenderjaar naar vermogen
                                        betaalde arbeid in deeltijd is verricht.</al></li><li nr="3."><al>Recht op een premie van maximaal € 500,-- bestaat bij het
                                        met goed gevolg doorlopen van aangeboden nazorg in de vorm
                                        van jobcoaching: begeleiding op de werkplek.</al></li><li nr="4."><al>Recht op een premie van maximaal € 270,-- heeft de
                                        uitkeringsgerechtigde die inburgeringsbehoeftig is en die op
                                        basis van vrijwillige deelname het inburgeringsexamen tijdig
                                        en met goed gevolg aflegt.</al></li><li nr="5."><al>Per kalenderjaar bestaat recht op één premie op participatie
                                        of bij eenmalige uitbetaling per kalenderjaar op meerdere
                                        premies tot het in het eerste lid genoemde
                                        maximumbedrag.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 13 Vergoeding onbeloonde arbeid</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De uitkeringsgerechtigde die (bijvoorbeeld via WZSW)
                                        onbeloonde arbeid verricht, heeft recht op een
                                        (onkosten)vergoeding van: </al><lijst><li nr="a."><al>€ 25,-- per maand als 4 tot 10 uur per week
                                                onbeloonde arbeid wordt verricht,</al></li><li nr="b."><al>€ 40,-- per maand als 10 tot 20 uur per week
                                                onbeloonde arbeid wordt verricht en</al></li><li nr="c."><al>€ 63,66 per maand als 20 uur of meer per maand
                                                onbeloonde arbeid wordt verricht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor onbeloonde arbeid wordt verminderd met de
                                        onkostenvergoeding die voor het verrichten van de onbeloonde
                                        arbeid wordt ontvangen van de organisatie waar die arbeid
                                        wordt verricht.</al></li><li nr="3."><al>Samenloop van de vergoeding voor onbeloonde arbeid met een
                                        premie op participatie op grond van artikel 12 is niet
                                        toegestaan.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 14 Doorstroompremie werknemer voormalige
                                WIW-/ID-banen</titel></kop><structuurtekst><al>Werknemers werkzaam in een door de gemeente Alphen-Chaam
                                gesubsidieerde dienstbetrekking op grond van de voormalige Wet
                                inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroom-banen
                                hebben recht op een eenmalige premie van € 1.500,-- bij
                                aansluitende, duurzame uitstroom naar regulier betaald werk waarmee
                                volledig in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden
                                voorzien.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 15 Premie op maat werkgever voormalige
                                WIW-/ID-banen</titel></kop><structuurtekst><al>Werkgevers die een door de gemeente Alphen-Chaam met toepassing van
                                de voormalige Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en
                                doorstroombanen gesubsidieerde dienstbetrekking omzetten in een
                                reguliere dienstbetrekking voor onbepaalde tijd (niet zijnde
                                gesubsidieerd werk op grond van de Wet sociale werkvoorziening of
                                anderszins) en waarmee de werknemer volledig in de noodzakelijke
                                kosten van het bestaan kan voorzien, hebben recht op een eenmalige
                                premie op maat, door het college vast te stellen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 16 Tegemoetkoming kosten arbeidsplaats
                                (loonkostensubsidie)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent op aanvraag een tegemoetkoming in de
                                        kosten van een arbeidsplaats aan een werkgever die duurzaam
                                        een reguliere dienstbetrekking aanbiedt aan de
                                        uitkeringsgerechtigde die daar naar het oordeel van het
                                        college voor in aanmerking komt.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de hoogte
                                        en de duur van de subsidie en de verplichtingen die aan de
                                        subsidie worden verbonden. De tegemoetkoming bedraagt
                                        maximaal de netto uitkering van de
                                        uitkeringsgerechtigde.</al></li><li nr="3."><al>Het aanbieden van deze voorziening vindt plaats
                                        overeenkomstig de beleidsaanbeveling van het ministerie van
                                        SZW "Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van
                                        re-integratie werkzoekenden" (bijlage 1).</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 17 Onkostenvergoeding</titel></kop><structuurtekst><al>De uitkeringsgerechtigde met een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering die
                                kosten maakt in verband met het nakomen van een voorziening waarvoor
                                geen aanspraak bestaat op een voorliggende voorziening heeft recht
                                op een vergoeding:</al><lijst><li nr="a."><al>van de reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede
                                        klasse of bij reizen buiten Alphen-Chaam naar de fiscale
                                        norm voor de aftrek van woonwerkverkeer;</al></li><li nr="b."><al>van de werkelijke reiskosten binnen Alphen-Chaam als om
                                        medische redenen gebruik wordt gemaakt van de deeltaxi;</al></li><li nr="c."><al>van de overige noodzakelijke kosten die direct voortvloeien
                                        uit een voorziening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 18 Inkomstenvrijlating</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Voor het toepassen van deze voorziening wordt het inkomen
                                        uit arbeid van een uitkeringsgerechtigde geacht steeds bij
                                        te dragen aan zijn arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid blijft buiten toepassing als de informatie
                                        over het inkomen niet, niet tijdig of onvolledig is
                                        verstrekt en dit de uitkeringsgerechtigde te verwijten
                                        valt.</al></li><li nr="3."><al>Samenloop van inkomstenvrijlating met een premie op
                                        participatie op grond van artikel 12 is niet toegestaan. Na
                                        afloop van de inkomstenvrijlating, die wettelijk eenmalig en
                                        maximaal voor de duur van zes aaneengesloten maanden is toe
                                        te kennen, is weer wel een premie toe te kennen (ook in
                                        hetzelfde kalenderjaar).</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 19 Aanvullende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college kent de voorzieningen in dit hoofdstuk,
                                        uitgezonderd de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 16,
                                        zoveel mogelijk toe zonder dat daarvoor een aanvraag hoeft
                                        te worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de vergoeding voor de voorzieningen in dit
                                        hoofdstuk nader vaststellen. Als een voorziening is
                                        afgestemd op een bedrag in de WWB of andere verordening, dan
                                        wordt de hoogte ervan geacht te zijn aangepast met ingang
                                        van de dag waarop dat bedrag wijzigt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Sanctiebeleid (afstemmen/verlagen van de
                            bijstand)</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 20 Maatwerk</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verlaagd met een percentage van die
                                        norm. Dit met een minimum van 5 procent oplopend tot
                                        maximaal 100% en waarbij per verwijtbare gedraging de
                                        afstand tussen minimum- en maximumverlaging 25% bedraagt
                                        (zogeheten bandbreedte).</al></li><li nr="2."><al>De langdurigheidstoeslag en de bijzondere bijstand worden
                                        niet verlaagd, tenzij bijzondere bijstand is verleend op
                                        grond van artikel 12 van de WWB (verhogen bijstandsnorm voor
                                        18 tot 21 jarigen als geen beroep kan worden gedaan op de
                                        onderhoudsplicht van de ouders).</al></li><li nr="3."><al>De bijstandsnorm wordt niet verlaagd, als: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt,</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten,</al></li><li nr="c."><al>door het niet (volledig) nakomen van de
                                                inlichtingen- of medewerkingsverplichting bedoeld in
                                                artikel 17 van de WWB een reeds eerder toegekende
                                                uitkering is of wordt beëindigd (omdat het recht op
                                                bijstand niet langer kan worden vastgesteld) of</al></li><li nr="d."><al>het niet (volledig) nakomen van deze verplichtingen
                                                niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                                                hoog bedrag verlenen van bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De bijstandsnorm wordt verlaagd voor de duur van één maand,
                                        tenzij sprake is van: </al><lijst><li nr="a."><al>samenloop van het niet nakomen van verplichtingen,
                                                waarbij de hoogte en duur van de verlaging wordt
                                                vastgesteld op het zwaarste verwijtbare gedrag.</al></li><li nr="b."><al>recidive (het binnen twaalf maanden na het verlagen
                                                van de bijstandsnorm opnieuw niet nakomen van
                                                verplichtingen), waarbij de duur van de verlaging
                                                wordt verdubbeld.</al></li><li nr="c."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                                afwijkende duur is vastgesteld.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>In samenhang met het armoedebeleid wordt afgezien van het
                                        volledig (100%) verlagen van de bijstandsnorm en volstaan
                                        met een 50% verlaging met een verdubbeling van de duur van
                                        de verlaging, maar niet als het betreft het weigeren van
                                        algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="6."><al>Het verlagen van de bijstandsnorm gaat in op de eerste dag
                                        van de kalendermaand die volgt op de maand waarin het
                                        besluit bekend is gemaakt, maar niet als het betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>een besluit op een aanvraag of</al></li><li nr="b."><al>het schenden van de informatieverplichting en de
                                                belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij
                                                teveel of ten onrechte bijstand ontving.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>In de situatie onder a en b genoemd, werkt het verlagen van
                                        de bijstandsnorm terug tot de datum van aanvraag dan wel de
                                        dag waarop het verzuim betrekking heeft.</al></li><li nr="7."><al>Het besluit tot het verlagen van de bijstandsnorm vermeldt
                                        in ieder geval de reden, duur en hoogte van de verlaging en
                                        de redenen om af te wijken van het minimumpercentage binnen
                                        een vastgestelde bandbreedte.</al></li><li nr="8."><al>Voordat de bijstandsnorm wordt verlaagd, wordt de
                                        belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze
                                        naar voren te brengen, maar niet als: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet,</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar
                                                heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten
                                                of omstandigheden,</al></li><li nr="c."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                                inlichtingenverplichting of</al></li><li nr="d."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de
                                                ernst van de gedraging of de mate van
                                                verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 21 Inlichtingenverplichting (rechtmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1"><al>Bij het niet, niet tijdig of onvolledig voldoen aan de
                                        verplichtingen op grond van artikel 18, lid 2, van de WWB,
                                        waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is
                                        verleend, wordt --onder handhaving van het bepaalde in het
                                        derde lid-- de bijstandsnorm verlaagd met 10% van de ten
                                        onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto
                                        bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Bij een reeds beëindigde of te beëindigen uitkering wordt
                                        --onder handhaving van het bepaalde in het derde lid-- het
                                        bruto bedrag van de terug te vorderen kosten van bijstand
                                        eenmalig verhoogd met 10% voor administratiekosten.</al></li><li nr="3."><al>Het percentage van de maatregel in het eerste en tweede lid
                                        wordt verdubbeld bij misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                                        bijstand waarbij sprake is van opzet of bedrog (vernuftige
                                        constructie van misleiden of met opzet tot misleiden), van
                                        vermogensfraude of criminele activiteiten (hennepteelt,
                                        drugshandel e.d.).</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 22 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                (rechtmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan
                                        van een schenking, waarmee rekening zou zijn gehouden bij
                                        het verlenen van de bijstand, wordt voor de duur van het
                                        eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn de
                                        bijstandsnorm verlaagd met: </al><lijst><li nr="a."><al>10% tot 30% bij het maximaal 12 maanden eerder of
                                                langer bijstandsafhankelijk zijn en</al></li><li nr="b."><al>30% tot 50% bij het meer dan 12 maanden eerder of
                                                langer bijstandsafhankelijk zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het eerder of langer bijstandsafhankelijk zijn wordt
                                        berekend door het versneld ingeteerd vermogensbedrag of het
                                        geschonken bedrag te delen door 1½ maal de bijstandsnorm
                                        verhoogd met het verschuldigde bedrag voor de
                                        zorgverzekering (basis- en aanvullende verzekering). De duur
                                        van de verlaging wordt naar boven afgerond op (een) hele
                                        maand(en).</al></li><li nr="3."><al>In overige gevallen van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid wordt de bijstandsnorm verlaagd met
                                        10%.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 23 Voorliggende voorziening (rechtmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><al>Als door eigen toedoen geen of onvoldoende gebruik is te maken van
                                een voorliggende voorziening (artikel 15 van de WWB) wordt de
                                bijstandsnorm verlaagd met 10% van het bedrag van de schadelast voor
                                de duur van de schadelastperiode. Onder schadelast te verstaan: de
                                bruto kosten van bijstand die de gemeente niet verschuldigd zou zijn
                                geweest als tijdig een beroep was gedaan op een voorliggende
                                voorziening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 24 Ernstig misdragen
                                (rechtmatigheid/doelmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij het zich jegens het college, hun ambtenaren, medewerkers
                                        van het CWI of ingeschakeld re-integratie of
                                        diagnosebedrijf, zeer ernstig misdragen met betrekking tot
                                        het uitvoeren van de WWB, een diagnose of een polis
                                        inbegrepen, gelden de volgende regels: </al><lijst><li nr="1"><al>een aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling
                                                gelaten en</al></li><li nr="2"><al>al toegekende bijstand wordt beëindigd per de datum
                                                van misdraging.</al></li><li nr="2"><al>Dit omdat het recht op bijstand niet is vastgesteld
                                                kunnen worden. Eerst na het doorlopen van de
                                                procedures uit het agressieprotocol (afkoelperiode,
                                                ordegesprek, justitiële aangifte en dergelijke) kan
                                                sprake zijn van het afhandelen van de aanvraag dan
                                                wel het herstellen van de uitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een herstel van de uitkering per de datum van ernstige
                                        misdraging wordt de bijstandsnorm verlaagd met 50% voor de
                                        duur van 2 maanden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 25 Arbeids- en/of re-integratieverplichting
                                (doelmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                        daaronder begrepen ondersteuning of voorzieningen die
                                        garantie bieden op die arbeid, wordt de bijstandsnorm
                                        verlaagd met 100% voor de duur van 1 maand.</al></li><li nr="2."><al>Bij het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        wordt de bijstandsnorm verlaagd met 50% voor 2 maanden.</al></li><li nr="3."><al>Bij het anderszins niet, niet tijdig of in onvoldoende mate
                                        meewerken aan de arbeids- en/of re-integratieverplichting
                                        wordt de bijstandsnorm wordt als volgt verlaagd: </al><lijst><li nr="1."><al>regulier betaald werk, zelfstandig ondernemerschap
                                                of tijdelijk gesubsidieerd werk</al></li><li nr="met"><al>50 tot 75% voor 1maand.</al></li><li nr="2."><al>onbeloonde arbeid gericht op het verkrijgen van
                                                regulier betaald werk:</al></li><li nr="--"><al>met 25 tot 50% voor 1 maand bij hoog uitzicht op
                                                regulier betaald werk.</al></li><li nr="--"><al>met 5 tot 25% voor 1 maand bij laag uitzicht op
                                                regulier betaald werk.</al></li><li nr="--"><al>tot 10% voor 1 maand bij weinig uitzicht op regulier
                                                betaald werk.</al></li><li nr="b."><al>voor op de middenlaag van de participatiepiramide
                                                gerichte verplichtingen en</al></li><li nr="(flankerende)"><al>voorzieningen met 50 tot 75% voor één maand.</al></li><li nr="c."><al>voor op de toplaag van de participatiepiramide
                                                gerichte verplichtingen en (flankerende)</al></li><li nr="voorzieningen"><al>met 5 tot 10% voor 1 maand, maar niet als sprake is
                                                van een ontheffing</al></li><li nr="van"><al>zowel de arbeids- als
                                                re-integratieverplichting.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij een niet constructieve opstelling of het weerspannig,
                                        structureel dan wel stelselmatig dwarsbomen/frustreren van
                                        de arbeids- en/of re-integratieverplichting geldt het
                                        maximum van de aangegeven verlaging.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 26 Inburgering (doelmatigheid)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Voor de uitkeringsgerechtigde die niet, niet tijdig of
                                        onvolledig voldoet aan de verplichting tot inburgering wordt
                                        de bijstandsnorm afgestemd als volgt: </al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm als geen gehoor wordt
                                                gegeven aan de oproep van het college of onvoldoende
                                                medewerking wordt verleend aan het onderzoek tot
                                                inburgering.</al></li><li nr="b."><al>40% van de bijstandsnorm als geen of onvoldoende
                                                medewerking wordt verleend aan de uitvoering van de
                                                vastgestelde inburgeringsvoorziening.</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm als niet binnen de
                                                wettelijk vastgestelde basistermijn het
                                                inburgeringsexamen is behaald.</al></li><li nr="d."><al>80% van de bijstandsnorm als niet binnen de
                                                verlengde basistermijn het inburgerings-examen is
                                                behaald.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan de bijstandsnorm minder of meer verlagen,
                                        rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van
                                        verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                                        uitkeringsgerechtigde. De verlaging bedraagt maximaal: </al><lijst><li nr="a."><al>€ 250,-- voor handelen in strijd onder punt 1a,</al></li><li nr="b."><al>€ 500,-- voor handelen in strijd onder punt 1b,</al></li><li nr="c."><al>€ 500,-- voor het niet naleven van punt 1c,</al></li><li nr="d."><al>€ 1.000,-- voor het niet naleven van punt 1d.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 27 Hoogwaardig handhaven</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude is
                                        ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig
                                        handhaven. Dit model bestaat uit de volgende elementen die
                                        in samenhang worden uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>het vroegtijdig voorlichten van burgers over hun
                                                rechten en plichten,</al></li><li nr="b."><al>de dienstverlening optimaliseren,</al></li><li nr="c."><al>het vroegtijdig vaststellen en afhandelen van
                                                oneigenlijk gebruik en misbruik en</al></li><li nr="d."><al>het metterdaad sanctioneren van vastgestelde
                                                fraude.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college richt het beleid voor hoogwaardig handhaven bij
                                        voorkeur op het voorkomen van fraude.</al></li><li nr="3."><al>Het college maakt gebruik van de diensten van het regionaal
                                        coördinatiepunt fraudebestrijding: een kennisnet voor
                                        handhaving in de sociale zekerheid gericht op het bevorderen
                                        van programmatisch en hoogwaardig handhaven.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 28 Voorlichting en communicatie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan belanghebbenden een klantenmap met
                                        informatie over de rechten en plichten die aan het ontvangen
                                        van bijstand zijn verbonden en de gevolgen bij misbruik en
                                        oneigenlijk gebruik van bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Het college verstrekt aan de uitkeringsgerechtigden
                                        regelmatig een nieuwsbrief met actuele onderwerpen over
                                        rechtmatigheid, doelmatigheid en handhaving.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 29 Optimaliseren dienstverlening/administratieve
                                lastenvermindering</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet er actief op toe, dat in de werkprocessen
                                        van de sector Sociale Zaken onnodige procedurele belemmering
                                        worden weggenomen door:</al></li><li nr="--"><al>gebruik te maken van het (in te voeren) digitaal
                                        klantdossier gericht op het voorkomen van dubbele uitvraag
                                        van gegevens.</al></li><li nr="--"><al>het integreren van de dienstverlening in de
                                        ketensamenwerking CWI, UWV en gemeente</al></li><li nr="--"><al>het uitwisselen van gegevens met Stichting
                                        Inlichtingenbureau dat door het ministerie van SZW is
                                        opgericht om gemeenten te ondersteunen bij de controle van
                                        de rechtmatigheid van de bijstandsuitkeringen.</al></li><li nr="2."><al>Het college ondersteunt uitkeringsgerechtigden tot 65 jaar
                                        bij wijze van dienstverlening met een maandelijkse
                                        inkomstenverklaring (rechtmatigheidsformulier).</al></li><li nr="3."><al>Het college verstrekt een uitkering voor algemene bijstand
                                        in aansluiting op de betaalcyclus van de aanvrager. Dit als
                                        voorschot en naar de regels van artikel 52 van de WWB.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 30 Vroegtijdig vaststellen en afhandelen
                                misbruik/oneigenlijk gebruik</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college legt de controle van de rechtmatigheid van de
                                        verstrekte bijstand en de doelmatigheid van de polissen
                                        (re-integratie) vast in het werkproces van de afdeling
                                        Publiekszaken, onderdeel Sociale Zaken.</al></li><li nr="2."><al>Het college past bij de controle naar de doelmatigheid van
                                        de polissen en de aangeboden (flankerende) voorzieningen
                                        trajectbewaking toe.</al></li><li nr="3."><al>Het college past bij de controle naar de rechtmatigheid van
                                        de verstrekte bijstand het zogeheten stoplichtenmodel toe.
                                        Dit model gaat uit van het principe: hoe groter het risico
                                        op misbruik of oneigenlijk gebruik, hoe groter/zwaarder de
                                        controle. Binnen dit model wordt gewerkt met risicogroepen
                                        gebaseerd op risicoprofielen.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt bij de controle van de rechtmatigheid van
                                        de verstrekte bijstand onder meer gebruik van de
                                        faciliteiten van de Stichting Inlichtingenbureau voor het
                                        maandelijks vergelijken van het uitkeringenbestand met dat
                                        van de belastingdienst, het uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen en de informatiebeheergroep
                                        (studiefinanciering).</al></li><li nr="5."><al>Het college verhoogt de fraudealertheid van de medewerkers
                                        die zijn belast met het uitvoeren van de WWB. Dit door het
                                        uitreiken van een fraudekompas (checklist) en het
                                        ondersteunen van hun werkzaamheden met
                                        fraudepreventiemedewerkers.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt jaarlijks een taakstelling vast voor het
                                        type en het aantal in te stellen
                                        fraude(preventie-)onderzoeken.</al></li><li nr="7."><al>Het college maakt gebruik van het instrument
                                        huisbezoek.</al></li><li nr="8."><al>Het niet meewerken aan een onaangekondigd dan wel
                                        onmiddellijk af te leggen huisbezoek heeft alleen gevolgen
                                        voor de uitkering, als sprake is van een voor het
                                        vaststellen van het recht op bijstand gerechtvaardigd en
                                        noodzakelijk huisbezoek.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 31 Sanctioneren vastgestelde fraude / aangifte
                                justitie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Als door het niet nakomen van of handelen in strijd met de
                                        inlichtingenverplichtingen ten onrechte of tot een te hoog
                                        bedrag bijstand is verleend, verlaagt het college,
                                        onverminderd het tweede lid, de bijstand overeenkomstig
                                        artikel 21 van deze verordening. Dit met handhaving van de
                                        bevoegdheid van het college tot terugvordering van de
                                        onverschuldigd betaalde bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet steeds na goed overleg met het Openbaar
                                        Ministerie justitiële aangifte overeenkomstig de Aanwijzing
                                        Sociale Zekerheidsfraude, Staatscourant 07-09-2004, 170
                                        (waarbij de grens voor het doen van aangifte is vastgesteld
                                        op een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende
                                        bruto bijstand van meer dan € 6.000,-- (normbedrag
                                        2007).</al></li><li nr="3."><al>De zaken bedoeld in het tweede lid, waarin wordt afgezien
                                        van justitiële aangifte of die na het doen van aangifte
                                        worden geseponeerd, worden als zware vorm van fraude
                                        afgedaan volgens artikel 21, lid 3, van deze verordening
                                        (uitkering verlagen met 20% van de bruto terug te vorderen
                                        kosten van bijstand of bij een beëindigde uitkering de terug
                                        te vorderen kosten van bijstand verhogen met 20%
                                        administratiekosten).</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 32 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college vordert de ten onrechte of tot een te hoog
                                        bedrag verleende bruto bijstand uit het niet nakomen van of
                                        handelen in strijd met de inlichtingenverplichtingen in
                                        beginsel volledig terug.</al></li><li nr="2."><al>Het afzien, matigen en terugvorderen van de onverschuldigd
                                        betaalde bijstand vindt plaats overeenkomstig het door het
                                        college van de gemeente Tilburg vastgestelde "Beleidskader
                                        terug- en invordering Wet werk en bijstand" (dit in verband
                                        met de integrale uitbesteding aan Tilburg van het onderdeel
                                        terugvordering en verhaal.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 33 Hardheidsclausule en onvoorziene
                                omstandigheden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                        bepalingen in deze verordening als het toepassen daarvan
                                        leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist in gevallen waarin deze verordening niet
                                        voorziet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 34 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste
                                        dag van de kalendermaand volgend op de dag van
                                        bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Het intrekken van de re-integratie-, de afstemmings- en de
                                        misbruikverordening Wet werk en bijstand vindt plaats per de
                                        datum waarop deze verordening in werking treedt.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening werkt voor nieuwe gevallen en op
                                        rechtsfeiten die plaatsvinden na inwerkingtreding.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verzamelverordening
                                        WWB".</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20 november 2008</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al>De in 2004 vastgestelde verordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand
                    (WWB) voor re-integratie, afstemming en misbruik, zijn aangepast en
                    samengevoegd. De redenen voor het aanpassen zijn gelegen in:</al><al>- het verhogen van de participatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt,</al><al>- de samenstelling van het bestand in de bijstand (hoog aandeel ouderen en zeer
                    langdurig</al><al>uitkeringsgerechtigden),</al><al>- afstemming op de pijler sociale samenhang van het regeerakkoord en het
                    daarop</al><al>gebaseerde Bestuurlijk Akkoord "Samen aan de slag" met ambities en
                    prestatie-afspraken</al><al>om de participatie van de burgers te vergroten,</al><al>- gewijzigde wetten en regels (o.a. het invoeren van de nieuwe Wet inburgering
                    en het verbod</al><al>op dubbele uitvraag van gegevens) en</al><al>- actuele rechtspraak over huisbezoeken en het protocol voor de
                    huisbezoeken.</al><al>Tot het samenvoegen van deze verordeningen is overgegaan gelet op hun onderlinge
                    samenhang en het vereenvoudigen en terugdringen van regels. De
                    verzamelverordening biedt tevens meer houvast bij het verstrekken van premies.
                    Dit was een uitdrukkelijk verzoek van de afdeling.</al><al>De nieuwe verzamelverordening draagt bij aan meer duidelijkheid en houvast voor
                    belanghebbenden door verbeterde rechtswaarborgen. De aanpassingen zorgen er
                    gelijktijdig voor, dat de uitvoering meer flexibel kan inspelen op in- en
                    externe ontwikkelingen en op de toenemende samenhang met beleidsterreinen als
                    armoedebestrijding, onderwijs en zorg. De nieuwe verzamelverordening biedt
                    voorts voldoende ruimte voor innovatie, maatwerk en effectiviteit. De
                    verzamelverordening is voorbereid op nog te ontwikkelen arbeidsmarktbeleid. Het
                    verbinden van arbeidsmarkt met re-integratie is mede gericht op het beheersen
                    van het volume in de bijstand. Dit gelet op de druk op het lokale risico uit de
                    100% financiële verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de WWB.</al><al>Participatie dóór en náár betaaldwerk is uitgangspunt bij het bepalen en
                    aanbieden van voorzieningen. Betaald werk biedt mensen immers inkomen en gevoel
                    van eigenwaarde en is goed voor integratie en emancipatie. Het is bovendien een
                    goede voorziening tegen armoede. De werk-voorop-benadering voorziet hierin.
                    Verder staat centraal de aandacht voor de onderkant van de arbeidsmarkt: de
                    participatie dóór en náár werk van het bestand zeer langdurig
                    uitkeringsgerechtigden. Het terugdringen van hun afhankelijkheid van de sociale
                    zekerheid verloopt via inzetbanen (onbeloonde arbeid) en participatieprojecten.
                    Deze projecten zijn mede gericht op het verbeteren van de samenhang tussen de
                    WWB en de Wet Maatschappelijk Ondersteuning. Het project Wonen, Zorg, Service in
                    de Wijk is hier een voorbeeld van. Mensen kunnen ook op een andere manier
                    meedoen en door het verlenen van mantelzorg of door het verrichten van
                    vrijwilligerswerk bijdragen aan meer sociale samenhang.</al><al>In de verzamelverordening is het nieuwe beleid voor het verhogen van de
                    participatie van mensen die langere tijd aan de kant staan, afgestemd op het
                    eveneens vernieuwde sanctiebeleid. Het sanctiebeleid is tevens herijkt tegen de
                    achtergrond van de landelijke discussie over agressie tegen dienstverleners. Zo
                    zijn de uitgangspunten van het agressieprotocol opgenomen in de verordening.
                    Hiermee verkrijgt het protocol de juridische waarde die het verdient voor het
                    ingrijpen in de uitkeringsrelatie.</al><al>Verder bestaat de verzamelverordening voor een groot deel uit overname van voort
                    te zetten beleid uit de voormalige verordeningen.</al><al>Het premiebeleid uit het werkboek is ingepast. Het premiebeleid is verbeterd in
                    samenhang gebracht met overige voorzieningen gericht op het stimuleren van
                    participatie en het bijdragen aan meer sociale samenhang. Het beleid voor
                    misbruik blijft opgebouwd op het model voor hoogwaardig handhaven, dat mede is
                    gericht op het beperken van instroom in en het bevorderen van uitstroom uit de
                    bijstand.</al><al>Nieuw aangekondigde landelijke regels zijn nog te verwachten over:</al><al>- het invoeren van een leerwerkplicht voor jongeren tot 27 jaar,</al><al>- het schrappen van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen
                    tot 5 jaar,</al><al>- een voorziening die werken in deeltijd voor alleenstaande ouders met
                    sollicitatieplicht</al><al>financieel aantrekkelijk maakt (Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande
                    ouders),</al><al>- een inkomensregeling voor werkloze werknemers van 60 jaar en ouder (UWV voert
                    uit) en</al><al>- de modernisering van de WSW.</al><al>Deze nieuwe regels zijn naar verwachting zonder aanpassing van de
                    verzamelverordening in te voeren en uit te voeren. De WWB en deze
                    verzamelverordening spreken van "door het college noodzakelijk geachte
                    voorzieningen". Als gebruik is te maken van een bestaande, te wijzigen of nieuw
                    in te voeren voorliggende voorziening, dan gaan die voorzieningen voor
                    (prevaleren) op de regels uit deze verordening over het aanbieden van een
                    WWB-voorziening. Door al deze ontwikkelingen verschuiven de accenten in het
                    WWB-beleid naar het intensiever investeren in jongeren, het stimuleren van
                    (klein) ondernemerschap, het ontwikkelen van competenties van mensen en het
                    effectiever inzetten van voorzieningen. De nieuwe verzamelverordening is
                    afgestemd op deze ontwikkelingen en accenten.</al><al>In nauwe betrekking tot deze accenten staan de ontwikkelingen rond het
                    financieren van de re-integratievoorzieningen. De middelen uit het werkdeel-WWB
                    komen onder druk te staan in verband met de koppeling ervan aan het volume in de
                    bijstand. Het nog resterende bestand in de WWB bestaat voor een groot deel uit
                    personen met een (zeer) grote afstand tot regulier betaald werk. Deze groep
                    vraagt om specifieke, vaak langdurige voorzieningen. Aan deze voorzieningen
                    hangt over het algemeen een hoger kostenplaatje. Verder streeft het kabinet naar
                    het verbeteren van de effectiviteit en inrichting van de keten(-samenwerking).
                    Met de invulling hiervan wordt een ombuiging beoogd vanaf 2009 die oploopt tot
                    structureel € 190 mln vanaf 2012. Eenderde van deze taakstelling komt voor
                    rekening van de gemeenten. Dit dwingt om de middelen voor re-integratie zo
                    effectief mogelijk te gebruiken. De financiële ruimte wordt begrenst door het
                    toe te kennen budget uit het werkdeel-WWB dan wel het per 2009-2010 in te voeren
                    brede participatiefonds-SZW. In dat nieuwe fonds worden samengevoegd de
                    re-integratie-middelen uit het werkdeel-WWB, de educatiemiddelen uit de Wet
                    Educatie en Beroepsonderwijs en de middelen uit de Wet Inburgering. Middelen die
                    ontkokerd en daarmee effectiever zijn in te zetten voor gecombineerde
                    trajecten.</al><al>Bij het uitwerken van de verzamelverordening is rekening gehouden met de wensen
                    van de uitvoering. De wensen betreffen het kunnen leveren van maatwerk bij
                    participatie (stimuleren en sanctioneren) plus het voorkomen en bestrijden van
                    agressie. In dit verband wordt opgemerkt dat over een andere inrichting van de
                    ontvangsthal van de afdeling Publiekszaken wordt nagedacht.</al><al>De verzamelverordening overschrijdt mogelijk de verdeling van bevoegdheden tot
                    het vaststellen van regels door de raad en het vaststellen van beleid door het
                    college. De verordening is evenwel op voordracht van het college vastgesteld.
                    Het college stemt in met het voorstel en handelt in overeenstemming met de
                    nieuwe verzamelverordening. Het mogelijk overschrijden van de verordenende
                    bevoegdheid is te beschouwen als het verwoorden van de beleidslijn van het
                    college voor het invullen van de aan hem toegekende vrije bevoegdheid.</al><al>Het beleid voor re-integratie, het afstemmen van de bijstand, het toekennen van
                    premies en misbruik/handhaving is hieronder nader artikelsgewijs toegelicht.
                    Waar sprake is van bijstand of uitkering is veelal de WWB, IOAW en IOAZ
                    bedoeld.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Algemeen / artikel 1</al><al>De centrale rol van participatie in de WWB (werk boven inkomen en iedereen doet
                    mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de reikwijdte van
                    begrippen als arbeids-inschakeling, ondersteuning en voorzieningen. De in de
                    verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan bij die
                    van de WWB. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee wordt het
                    voor de burger makkelijker om de samenhang te doorzien tussen het doel van de
                    WWB en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders.</al><al>Artikel 2</al><al>Belanghebbende is ook de zogeheten niet-uitkeringsgerechtigde (Nug-er). De
                    gemeente beperkt het ondersteunen van Nug-ers en personen met een ANW-uitkering
                    tot:</al><al>a. personen die een door de gemeente Alphen-Chaam gesubsidieerde arbeidsplaats
                    bezetten en</al><al>b. jongeren van 16 tot 23 jaar die werkloos en/of vroegtijdige schoolverlater
                    zonder startkwalificatie zijn en die geen aanspraak kunnen maken op
                    studiefinanciering WSF of WTOS.</al><al>Voor personen onder a is de ondersteuning gericht op het stimuleren van de
                    door-/uitstroom naar regulier betaald werk. De ondersteuning van de personen
                    onder b verloopt bij voorkeur door gebruik van de opleidingsfondsen van de
                    sector waarin werk gezocht wordt. Als dit niet mogelijk is, dan is een
                    werk-leertraject aangewezen (beroepsbegeleidende of beroeps-opleidende leerweg).
                    Voor hen geldt als arbeidsrelevante startkwalificatie een diploma voor vmbo,
                    havo, vwo of mbo tot en met opleidingniveau 2. De door het UWV verstrekte
                    uitkeringen betreffen de Werkloosheidswet, de Wet
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
                    arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet Werk en inkomen naar
                    arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
                    Toeslagenwet.</al><al>Als een persoon een netto (gezins)inkomen heeft dat hoger is dan 120% van het
                    sociaal minimum, dan wordt deze niet aangemerkt als een Nug-er. Dit geldt ook
                    als het vermogen meer bedraagt dan het voor de Wwb geldende bescheiden
                    vermogen.</al><al>Artikel 3</al><al>De arbeids- en re-integratieverplichting zijn omschreven met het oog op:</al><al>- het vergroten van de participatie bij een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt,</al><al>- het verlenen van een ontheffing voor één of beide verplichtingen,</al><al>- de koppeling met het recht op vakantie met behoud van uitkering. Deze is voor
                    uitkerings- gerechtigden tot 65 jaar gesteld op 4 weken. Voor 65-plussers en bij
                    ontheffing van beide verplichtingen is (nu nog) 13 weken vakantie met behoud van
                    uitkering toegestaan.</al><al>Het beginsel ‘iedereen participeert (doet mee)’ is uitgewerkt in een
                    participatiepiramide, die de werkgelegenheidsladder vervangt. De piramide
                    bevestigt beter het beeld, dat mensen in de bijstand primair worden toegeleid
                    naar werk, bij voorkeur door werk, en dat de uitkering tijdelijk van aard is. De
                    lat is hoog gelegd, maar niet voor iedereen even hoog. Er is sprake van
                    participatie "naar vermogen": iedereen stapt in op de laag die men aankan.</al><al>p a r t i c i p a t i e p i r a m i d e</al><al>Afdelingsplan</al><al>Innovatie &amp; Strategie</al><al>2008</al><al>Verbonden</al><al>met de</al><al>basis!</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 2 van 20</al><al>Voorwoord</al><al>Verbinden</al><al>Verbinden met jezelf, je eigen basis, je ziel en je zakelijkheid,</al><al>Verbinden met je collega, onze basis voor samenwerking waarbij één plus één drie
                    wordt,</al><al>Verbinden met innovatie, de basis voor vernieuwing,</al><al>Verbinden met strategie, de basis voor vooruitkijken,</al><al>Verbinden met een andere teams van SoZa, de basis voor samen beleid maken en
                    uitvoeren,</al><al>Verbinden met de juiste systemen, de basis om te weten en te meten wat we
                    doen,</al><al>Verbinden met andere diensten, de basis voor gemeentebrede uitvoering in
                    programma's,</al><al>Verbinden met de stad, de basis voor ketensamenwerking,</al><al>Verbinden met onze klant, de basis voor succes!</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 3 van 20</al><al>Hoofdstuk 1</al><al>Leiderschap</al><al>Het vertrek van André biedt een kans om opnieuw te kijken naar de taken en
                    verantwoordelijkheden van de leidinggevende</al><al>van de afdeling. Duidelijk is dat, mede als gevolg van de veelheid van
                    onderwerpen en de veranderende</al><al>omgeving van Sociale Zaken, de combinatie van leidinggevende met
                    programmamanager Arbeidsmarktbeleid niet meer</al><al>door één persoon kan worden uitgevoerd. Het is simpelweg te veel werk.</al><al>Voorgesteld is de functie te splitsen in:</al><al>1. afdelingsmanager I&amp;S, lid van het MT sociale zaken</al><al>2. programmamanager Arbeidsmarktbeleid.</al><al>Voor deze laatste functie vragen we extra formatieve ruimte binnen de afdeling.
                    Gezien de ontwikkelingen binnen de</al><al>keten en de opdracht, zoals die vanuit de nota 'Vooropgesteld Tilburg werkt' op
                    ons bordje ligt, is dat noodzakelijk. We</al><al>verwachten dat beide functies in de eerste helft van 2008 worden ingevuld.</al><al>De afdelingsmanager is degene die staat voor zijn afdeling. De manager zorgt
                    ervoor dat medewerkers kunnen</al><al>functioneren. Hij/zij bepaalt de koers van de afdeling en verdedigt de belangen
                    van de afdeling zowel intern als extern.</al><al>Om zicht te krijgen op zijn eigen functioneren houdt de afdelingsmanager
                    360graden feedback.</al><al>De afdelingsmanager wordt in deze taak ondersteund door de senioren van de
                    afdeling. Waar het de taak is van de</al><al>afdelingsmanager om de grote lijn weer te geven, de kaders te scheppen en het
                    beleid op strategisch niveau neer te</al><al>zetten, is het de taak van de senioren om binnen hun teams, hieraan inhoudelijk
                    (strategisch en tactisch) invulling te</al><al>geven. In 2008 werken we deze werkwijze uit en vertalen hem naar een
                    beschrijving van taken en verantwoordelijkheden</al><al>van de senior beleidsmaker.</al><al>De afdelingsmanager I&amp;S is naast afdelingmanager ook lid van MT-SoZa. Vanuit
                    deze rol heeft hij/zij besluitvormende</al><al>invloed op de keuzes van de gehele organisatie, het formuleren van prioriteiten,
                    het vormgeven van de organisatie en de</al><al>invulling van de politieke en maatschappelijke rol van Sociale Zaken. De rol van
                    onze afdelingsmanager richt zich hierbij</al><al>vooral op strategisch beleidsmatige keuzes, het stellen van prioriteiten, de
                    ketenontwikkeling en de innovatieve en</al><al>ontwikkeldoelen van de organisatie.</al><al>Naast intern zal de afdelingsmanager zich ook extern manifesteren. Immers, in
                    een organisatie die in verandering is, die</al><al>steeds meer te maken krijgt met ketensamenwerking op alle beleidsterreinen, is
                    het de afdelingsmanager die het gezicht</al><al>(mede) naar buiten bepaald. Op basis van interne en externe signalen immers kan
                    de koers van Sociale Zaken vorm</al><al>gegeven worden. Steeds belangrijker wordt ook de samenwerking met andere
                    onderdelen van de gemeente. De dossiers</al><al>op het gebied van armoedebestrijding, inburgering, jeugdwerkeloosheid, sociale
                    actvering, wijkgerichte aanpak en WMO</al><al>maken dat de samenwerking met de diensten BeleidsOntwikkeling en
                    GebiedsOntwikkeling steeds frequenter</al><al>plaatsvindt. Met de hoofden van de betrokken afdelingen maken we afspraken over
                    de invulling van deze samenwerking</al><al>en de voorwaarden waarbinnen dit plaats kan vinden.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 4 van 20</al><al>Hoofdstuk 2</al><al>Beleid en strategie</al><al>Belangrijkste speerpunt voor 2008 blijft het bevorderen van participatie.
                    Participatie, deelname aan de samenleving in al</al><al>zijn verscheidenheid en veelkleurigheid, bevordert zelfstandigheid en
                    zelfrealisatie. Participatie kent vele</al><al>verschijningsvormen en kan variëren van werk, mee kunnen doen aan
                    sportactiviteiten, vrijwilligerswerk etc.</al><al>Binnen Sociale zaken zijn werk, armoede en maatschappelijke deelname als
                    aandachtspunten benoemd, waarbij zorg</al><al>(WMO) ook onverkort aandacht krijgt. Vastgesteld is dat het hebben van regulier
                    werk door ons gezien wordt als de</al><al>beste manier om mee te kunnen doen in de maatschappij. Regulier werk voorziet in
                    een inkomen, creëert een sociale</al><al>context en draagt bij aan de individuele zelfrealisatie. Maar wij hebben ook
                    duidelijk oog voor de mensen die niet meer</al><al>regulier kunnen werken, gesubsidieerde arbeid en maatschappelijk deelname dragen
                    bij aan participatie. Onze</al><al>inspanningen in 2008 blijven erop gericht om op basis van de
                    participatiepiramide ons werk vorm te geven.</al><al>In dit hoofdstuk beschrijven we de acties voor 2008 op terrein van werk
                    (regulier/gesubsidieerd/inburgering),</al><al>maatschappelijke deelname, armoede, zorg en uitkeringsbeleid. De acties van het
                    Regionaal Coördinatiepunt</al><al>Fraudebestrijding (RCF), geen onder onze participatiepiramide, lichten we ook
                    toe.</al><al>Verbinding</al><al>Alle beleidsthema's binnen de afdeling I&amp;S hebben als hoofddoel het
                    bevorderen van zelfredzaamheid van de Tilburgse</al><al>burger door middel van maatschappelijke participatie. Vanuit werk en
                    maatschappelijke deelname vindt dit door middel</al><al>van werk of deelname aan maatschappelijke activiteiten plaats.</al><al>Vanuit zorg doen we dit bijvoorbeeld door het ter beschikking stellen van
                    vervoersmiddelen waardoor ouderen en</al><al>mensen met een beperking in staat gesteld worden om deel te nemen aan de
                    samenleving.</al><al>Bij het armoedebeleid betekent participeren, dat mensen met een laag inkomen
                    volwaardig meetellen en mee kunnen in</al><al>de samenleving.</al><al>Gezamenlijke opdracht in 2008</al><al>_ Participatie is de paraplu boven de WWB, Wet Inburgering, WMO, WSW en het
                    Armoedebeleid. Door de wetten (beter)</al><al>te laten samenwerken, kun je het maximale uit het participatiebeleid halen. Een
                    voorbeeld van verbinding van deze</al><al>wetten is het project Woon, zorg en service in de wijk. In 2008 gaan we bekijken
                    op welke punten de wetten elkaar</al><al>in de praktijk nog meer kunnen versterken.</al><al>_ Ketensamenwerking. De afdeling I&amp;S maakt deel uit van verschillende
                    ketens, zoals armoede, werk en zorg. Deze</al><al>functioneren nu naast elkaar. In 2008 willen we verbinding maken tussen de
                    ketens daar waar het een toegevoegde</al><al>waarde heeft. Bijvoorbeeld voor het bereiken van de doelgroep 'working poor' is
                    de verbinding tussen de keten</al><al>werk en armoede noodzakelijk. In 2008 wordt bekeken of in samenwerking met
                    werkgevers deze doelgroep beter</al><al>bereikt kan worden.</al><al>_ Ook intern blijven we de verbinding steeds leggen naar andere teams en
                    afdelingen binnen SoZa. Bijvoorbeeld met</al><al>Bezwaar &amp; Beroep, waar we in 2008 samen mee analyseren wat de gevolgen van
                    ons beleid in de juridische context.</al><al>Wijkgericht</al><al>De gemeente Tilburg heeft met Minister Vogelaar een intentieverklaring getekend
                    waarin afspraken zijn gemaakt om 5</al><al>wijken in Tilburg op het gebied van wonen, werken, armoede en inkomen, leren en
                    opgroeien, integreren, veiligheid en</al><al>zorg te versterken. Deze wijken, ook wel impulswijken genoemd zijn Groenewoud,
                    Groeseind/Hoefstraat, Kruidenbuurt,</al><al>Stokhasselt en Trouwlaan/Uitvindersbuurt.</al><al>De afdeling I&amp;S maakt voor de thema's werk en armoede deel uit van de kern-
                    en werkgroep impulswijken. Veel werk is</al><al>niet wijkgebonden, zelfs vaak niet gemeente gebonden. Bij werk wordt met name
                    gedacht aan speciale consulenten die</al><al>in de 5 impulswijken als 'linking-pin' fungeren tussen de bewoners en Sociale
                    Zaken.</al><al>participatiepiramide</al><al>maatschappelijke deelname</al><al>gesubsidieerd &amp; onbetaald werk</al><al>Regulier werk</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 5 van 20</al><al>Bij het vermijden en bestrijden van armoede past zeker, door de
                    oververtegenwoordiging van mensen met een laag</al><al>inkomen in deze 5 impulswijken, een wijkgerichte aanpak. In 2008 geven we hier
                    gericht invulling aan.</al><al>Werk</al><al>De kadernota 'Vooropgesteld Tilburg werkt' geeft de visie voor de jaren 2008 tot
                    en met 2011 weer. Direct hieraan</al><al>ontleend zijn de 6 prioriteiten die in het sectorplan van Sociale Zaken zijn
                    opgenomen onder de paragraaf 'Werk</al><al>herzien'. Uitgangspunt daarin is dat werk centraal staat als ultieme vorm van
                    participatie in de maatschappij. Werk als</al><al>doel maar ook als re-integratiemiddel. In 2008 geeft I&amp;S invulling aan die
                    visie en dat uitgangspunt, gericht op het</al><al>realiseren van het resultaat voor Sociale Zaken breed. Hierbij zijn onze
                    inspanningen erop gericht om samen een</al><al>bestandsdaling van 8% te realiseren. Daarbij zit er spanning tussen financiële
                    mogelijkheden en het inkopen van extra</al><al>instrumenten om deze doelstellingen te realiseren. Dat betekent dat het huidige
                    aanbod aan verschillende instrumenten,</al><al>trajecten en pilots zal vereenvoudigd worden. Daarnaast zijn we innovatief in
                    het creëren van nieuw beleid dat past</al><al>binnen de visie en de financiële mogelijkheden voor de komende jaren.</al><al>Snelle nieuwe diagnose</al><al>Voor onze nieuwe instroom zetten we in 2008 een snelle diagnose aan de kop van
                    het proces. Op basis van de diagnose</al><al>kan er vervolgens veel gerichter dan nu direct bemiddeld worden of het
                    vervolgtraject gekozen worden.Voor 2008 en</al><al>verder is het uitgangspunt dat hét re-integratietraject "werk' is. Meest
                    wenselijk is directe bemiddeling naar een betaalde</al><al>baan. Indien dat (nog) niet haalbaar is, dan wordt de vorm van werk mede bepaald
                    door de diagnose aan de kop.</al><al>Resultaat van deze diagnose is een gericht arbeidsmarktadvies, gebaseerd op
                    branche, (nog te ontwikkelen)</al><al>competenties, niveau, ed. Het vervolgtraject bestaat uit;</al><al>1. direct werk op de reguliere arbeidsmarkt na bemiddeling door de keten (CWI,
                    MatchingsUnit)</al><al>2. direct werk waarbij op basis van diagnose wordt voorgesorteerd op de branche
                    (benoemd zijn: zorg, techniek,</al><al>detailhandel en logistiek)</al><al>a. direct werk zonder uitkering en met arbeidsovereenkomst welke (deels) door
                    gemeente is gefinancierd. Dit is</al><al>mogelijk bij werkgevers of in één van onze branchegerichte bedrijfshallen of
                    WZSW</al><al>b. direct werk met (tijdelijk) behoud van uitkering (WIZ, tROM)</al><al>3. voorbereiding op werk</al><al>Ondersteunende instrumenten</al><al>Tot nu toe hebben we het voortdurend over de basis van de piramide gehad waarin
                    regulier werk altijd centraal staat en</al><al>bereikbaar is voor de kandidaat. I&amp;S heeft ook de taak om randvoorwaarden op
                    maat aan te bieden uit andere</al><al>beleidsterreinen. Zeg maar de zaken die nodig zijn om werk te behouden. Dit
                    gebeurt door middel van instrumenten die</al><al>het voor de casemanager mogelijk maken om voortdurend werk (in welke vorm dan
                    ook) te kunnen faciliteren en</al><al>drempels daartoe voortdurend te kunnen slechten; denk aan:</al><al>- schuldhulpverlening - kinderopvang - huisvesting - psychische problematiek -
                    verslavingszorg - diagnose - medische</al><al>(on)mogelijkheden- nazorg-casemanagement - jobcoaching.</al><al>Ook voor het zittend bestand zijn deze instrumenten inzetbaar. Belangrijk is dat
                    werk ook voor hen niet alleen als doel</al><al>wordt gesteld maar dat werk ook voor deze groep hét middel is om te
                    re-integreren, al dan niet in combinatie met de</al><al>instrumenten uit het flankerende beleid.</al><al>Werkplan nieuwbouw re-integratie</al><al>Sociale activering speelt in beginsel een rol op het middenstuk van de piramide
                    waarbij gesubsidieerd of onbetaald werk</al><al>centraal staat. Sociale Activering kan nog leiden tot regulier werk maar dat is
                    slechts bijvangst. Ook is vanuit Sociale</al><al>Activering een doorstap naar maatschappelijke deelname mogelijk. Van belang is
                    dat de Sociale Activering gericht is op</al><al>dié klanten van Team Activering die nog perspectief hebben op enige vorm van
                    werk. Hierbij gaan we uit van individueel</al><al>maatwerk. Ná de diagnose dus pér individu de juiste vorm van werk in combinatie
                    met het benodigde flankerend beleid</al><al>inzetten. Concrete invulling van het bovenstaande doen we in het eerste kwartaal
                    van 2008. Per 1 april 2008 ligt er</al><al>vanuit Innovatie&amp;Strategie een concreet werkplan waarin de blauwdruk staat
                    beschreven voor de nieuwbouw van het reintegratiebeleid.</al><al>Het bovenstaande is gericht op ontwikkelingen in 2008, het bestaande beleid en
                    de contracten zullen daarnaast</al><al>onderhoud nodig hebben. Van de huidige contracten en verplichtingen loopt een
                    deel in 2008 door maar een aantal</al><al>loopt ook af. Deze contracten en verplichtingen moeten gemonitord en aangestuurd
                    worden. Bovendien bekijken we of</al><al>ze passen binnen de nieuwe beleidslijn en waar ze plaats krijgen in het nieuwe
                    "werk"plan. Voor de aflopende contracten</al><al>betekent dit een analyse of de inhoud nog wenselijk is en hoe deze
                    dienstverlening al dan niet verlengd of vervangen</al><al>wordt. Voorbeelden hiervan zijn Werk In Zicht en WerkendeWijs.</al><al>tROM</al><al>In de afgelopen jaren heeft ons eigen instrument tROM zich ontwikkeld tot een
                    succesvol re-integratie-instrument. Zo</al><al>heeft tROM zich verbreed door een grotere variëteit aan mensen op te nemen in
                    het traject, maar heeft het ook laten</al><al>zien dat het traject tot succes leidt en substantieel heeft bijgedragen aan de
                    bestandsdaling in 2007. Bovendien werkt</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 6 van 20</al><al>tROM er aan om meer variatie aan te brengen in de werkzaamheden die mensen bij
                    hen kunnen verrichten. In de</al><al>omvorming van onze instrumenten naar branchegerichte werkomgevingen geven we
                    tROM een belangrijke rol. We</al><al>nemen tROM mee in de ontwikkeling die we in 2008 inzetten. We behouden daarbij
                    de eigenheid van het instrument en</al><al>richten tROM op één of meerdere branches. Daarnaast halen we tROM van de
                    pilotstatus af en bedden tROM in als een</al><al>structureel, betaalbaar en eigen re-integratie-instrument.</al><al>Gesubsidieerd werk</al><al>In het verleden is reeds gebleken dat er in de stad grote behoefte is aan
                    zogenaamde gesubsidieerde banen. Mensen</al><al>met een gesubsidieerde baan worden door een reguliere werkgever in de profit of
                    non-profit sector in dienst genomen.</al><al>Ze werken tegen wettelijk minimum loon. De kosten voor de werkgever worden met
                    een (forse) loonkosten subsidie</al><al>gereduceerd. In 2008 stimuleren we initiatieven om dit type banen met name tot
                    stand te laten komen in de sectoren:</al><al>zorg, diensten (beide WMO georiënteerd), vrijetijd, en grijs en
                    groenonderhoud.</al><al>Verder houden wij de zorg voor mensen die in het verleden via ID of WIW
                    trajecten aan het werk zijn gekomen. Bij de</al><al>beëindiging van deze instrumenten hebben we er voor gekozen deze mensen actief
                    te willen houden binnen de</al><al>werkomgeving waarin zij via het traject werkzaam waren. Voor deze mensen wordt
                    hun huidige baan gesubsidieerd door</al><al>een (volledige) bijdrage in de loonkosten te verstrekken aan de werkgever.</al><al>Naast deze vorm van gesubsidieerde arbeid, werken we binnen de gemeente Tilburg
                    nog met uitstroombanen en de</al><al>stimuleringsregeling. Over het voortbestaan van de uitstroombanen is begin 2008
                    meer duidelijk. Indien besloten wordt</al><al>om te gaan stoppen met deze vorm betekent dit dat de huidige contracten van
                    cliënten zullen aflopen.</al><al>WSW vernieuwd</al><al>Per 1 januari 2008 treedt de nieuwe, gemoderniseerde Wet Sociale Werkvoorziening
                    (WSW) in werking. Die versterkt de</al><al>regierol van de gemeenten en biedt de mogelijkheid om de WSW in te passen in het
                    grotere gemeentelijke beleidsterrein</al><al>(samenhang met bijvoorbeeld de WWB). De belangrijkste wijziging ten opzichte van
                    de oude WSW is dat gemeenten een</al><al>één op één financiële verantwoordingsrelatie krijgen met het ministerie.
                    Daarnaast zullen we een aantal WSWverordeningen</al><al>moeten gaan vaststellen, o.a. over persoonsgebonden budget en wachtlijstbeheer.
                    In 2008 ontwikkelen</al><al>we een nadere visie over van de positie van de WSW binnen het gemeentelijk
                    beleidsterrein. We bepalen welke</al><al>bevoegdheden we als gemeente overdragen aan de organisatie waar de uitvoering
                    van de WSW ligt (Diamant-groep) en</al><al>welke we zelf houden. We maken beleid over een oplossing voor de steeds langer
                    wordende wachttijden.</al><al>Ketensamenwerking werk</al><al>Er is ook een bredere samenhang dan alleen binnen Sociale Zaken. Zo wordt in
                    2008 binnen het Regionale Keten Overleg</al><al>(REKO), waarin CWI, UWV en Gemeenten verenigd, zijn aangevuld met het ROC. Op
                    die manier wordt de SUWI keten nog</al><al>sterker en breder. In 2007 is hierop al voorgesorteerd met de opzet en start van
                    jongerenloket BLINK! BLINK! is een</al><al>samenwerking om schooluitval en jeugdwerkloosheid terug te dringen. Het project
                    richt zich op het behalen van een</al><al>startkwalificatievoor jongeren tot 23 jaar. Wanneer dit niet lukt, wordt gezocht
                    naar een duurzame positie op de</al><al>arbeidsmarkt.. Het betreft één fysiek loket op de locatie van het CWI.</al><al>Een ander initiatief binnen het REKO is de opzet van gezamenlijk
                    ketenmarktbewerkingsplan. Hierbinnen gaan we</al><al>gezamenlijk binnen de keten werkgevers benaderen om een samenwerking te
                    stimuleren. Daarnaast is op initiatief van</al><al>het ROC een project gestart om een het leven lang leren én werken te stimuleren
                    en een Leerwerkloket vorm te geven.</al><al>Gaandeweg 2007 is geconcludeerd dat de leerwerkloketten en de samenwerking
                    binnen het REKO, elkaar kan versterken</al><al>en is het ontwikkelen van het leerwerkloket op het bordje van het REKO gelegd.
                    Leerwerkloket heet nu voortaan</al><al>sectorservicepunt: In 2008 starten we met 4 sectorservicepunten: zorg,
                    metalectro, detailhandel en transport &amp;</al><al>logistiek. We Deze dienstverlening geldt voor álle Tilburgers, dus werkenden én
                    werkzoekenden. Het sectorservicepunt</al><al>ontstaat uit behoefte van de desbetreffende branche en daarmee is het
                    committment vanuit de werkgevers</al><al>gegarandeerd. I&amp;S zal zich in 2008 verder blijven inzetten voor verdere
                    integratie van ketensamenwerking en zal dat</al><al>meer zichtbaar doen. Daar waar mogelijk en wenselijk gebruiken we de
                    deskundigheid van de partners voor de</al><al>dienstverlening van Sociale Zaken. Een voorbeeld is kijken naar de mogelijkheden
                    om het CWI in de diagnose een rol te</al><al>laten spelen of het ROC bij het kwalificeren van onze werkzoekenden binnen de
                    bedrijfshallen betrekken. Hierbij gaan</al><al>we uit van individueel maatwerk.</al><al>Nieuwe ontwikkelingen</al><al>Landelijk zien we een aantal ontwikkelingen, participatiebanen, leerwerkplicht,
                    stimuleringsregeling en pilot</al><al>ontschotting budgetten, op ons afkomen. Als I&amp;S volgen we deze
                    ontwikkelingen op de voet en waar nodig en mogelijk</al><al>wenden we onze invloed aan om deze te voorzien van onze gedachten. We zorgen
                    ervoor dat we voorbereid zijn op</al><al>nieuwe wetgeving en passen ons beleid en activiteiten aan. Dat kan voor 2008
                    maar zeker voor 2009 als veel van deze</al><al>nieuwe ontwikkelingen ingevoerd gaan worden.</al><al>TiIburgering</al><al>Op het terrein van inburgerring is in 2007 de Wet Inburgering (WI) ingevoerd.
                    Vanwege de complexiteit en de daarmee</al><al>samenhangen uitvoeringsproblemen heeft minister Vogelaar recent het Deltaplan
                    Inburgering uitgebracht om de</al><al>uitvoering van de inburgering beter te stroomlijnen en het effect ervan te
                    vergroten. Het Deltaplan Inburgering zal in</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 7 van 20</al><al>2008 in zijn volle omvang ingang moeten vinden in de gemeenten. De kern van het
                    Deltaplan is verbetering van de</al><al>kwaliteit van de inburgering en verruiming van de doelgroep, die we
                    inburgeringsvoorzieningen kunnen aanbieden. De</al><al>inburgeringsvoorzieningen bereiden inburgeraars voor op één van de twee
                    profielen van het inburgeringsexamen:</al><al>_ werk en burgerschap: inburgeringstraject in combinatie met een
                    re-integratietraject, gericht op duurzaam</al><al>functioneren in de samenleving en op het zo snel mogelijk verkrijgen en behouden
                    van werk (voor bemiddelbare</al><al>uitkeringsgerechtigde inburgeraars)</al><al>_ Opvoeding, Gezondheid, Onderwijs en Burgerschap, inburgeringstraject gericht
                    op blijvende participatie in de</al><al>samenleving (voor niet-uitkeringsgerechtigde en niet bemiddelbare
                    inburgeraars)</al><al>Het Deltaplan Inburgering komt overeen met de wijze waarop in 2007 vorm en
                    inhoud is gegeven aan het Tilburgse</al><al>inburgeringsbeleid. (Vogelaarproof!). In 2008 zetten we vooral in op versterking
                    van de verbinding tussen inburgering</al><al>en meedoen in de samenleving</al><al>Daarnaast ontwikkelt het ministerie van SZW momenteel het participatiefonds. Dit
                    wordt een fonds waarin geldstromen</al><al>voor volwasseneneducatie, inburgering en re-integratie worden samengevoegd,
                    waardoor bureaucratische schotten</al><al>worden geslecht. Zo worden gemeenten beter in staat doelstellingen zoals
                    arbeidsdeelname, inburgering, educatie en</al><al>maatschappelijke participatie te bevorderen. Gepland invoerjaar 2009/2010, 2008
                    geldt als oefenjaar. Dit houdt in dat</al><al>we de samenwerking met beleidsontwikkeling in de loop van 2008 strakker gaan
                    vormgeven. De rol van I&amp;S op het</al><al>gebied van inburgering bestaat uit het beheer van de 3 contracten die bestaan
                    uit een combinatie tussen werk en</al><al>inburgering. Daarnaast denken we mee in beleids- en productontwikkeling en de
                    gevolgen van het Deltaplan. BO blijft</al><al>eindverantwoordelijk voor inburgering.</al><al>Maatschappelijke deelname</al><al>Maatschappelijke deelname is het bovenste deel van onze piramide. Vanuit onze
                    visie dat het belangrijk is dat iedereen</al><al>deelneemt aan de samenleving, is matschappelijke deelname een belangrijk deel
                    van onze werkzaamheden.</al><al>Maatschappelijke deelname gaat verder van het WWB activeringsbestand. Wel kiezen
                    we ervoor om de doelgroep af te</al><al>perken. Dit doen we doordat we maatschappelijke deelname vooral vorm geven via
                    het project Doen. Daarnaast weten</al><al>we dat binnen de trajecten voor sociale activering een groot deel van de
                    uitstroom gericht is op maatschappelijke</al><al>deelname.</al><al>Project Doen!</al><al>In 2008 zal het project "Doen" verder gaan. De pilot richt zich op die cliënten
                    waarbij er de verwachting is dat uitstroom</al><al>naar regulier werk niet tot de mogelijkheden behoort en waarvan het ´duidelijk´
                    is dat ze binnen een periode van 2 jaar</al><al>te activeren zijn naar maatschappelijk nuttige activiteiten en of gesubsidieerd
                    werk. De pilot moet tevens leiden tot een</al><al>onderbouwd advies met betrekking tot haalbaarheid en aanpak van participatie van
                    cliënten van Sociale Zaken voor wie</al><al>regulier werk geen optie is.</al><al>De doelstelling van Doen! is tweeledig: allereerst participatie door
                    gesubsidieerd te gaan werken en ten tweede door</al><al>vrijwilligerswerk te gaan doen. Naast het behalen van deze resultaten willen we
                    met de uitvoering van Doen! kennis en</al><al>ervaring opdoen over de mogelijkheden en kansen voor deze doelgroep. De daarvoor
                    benodigde methode wordt</al><al>werkendeweg ontwikkeld. Resultaten en ervaringen worden gemonitord en
                    geëvalueerd om zo de beste aanpak te</al><al>ontwikkelen.</al><al>Vanuit onze afdeling wordt Doen! beleidsmatig ondersteuning. Daarnaast is de
                    projectleider Doen! op de afdeling</al><al>gepositioneerd en ondersteunen we de uitvoering bij de werving van werkgevers
                    voor gesubsidieerd en vrijwilligerswerk.</al><al>Landelijk zijn er plannen om te komen tot financiering van participatiebanen en
                    participatiefondsen. We verwachten dat</al><al>we de ervaringen van Doen! kunnen gebruiken om de mogelijkheden van deze nieuwe
                    regelingen maximaal uit te nutten.</al><al>De ontwikkelingen volgen we in ieder geval op de voet.</al><al>Doen! biedt met de projectgelden, die in het project zijn voorzien,
                    mogelijkheden tot wijkgerichte projecten. Met de</al><al>collega's van BO zijn afspraken gemaakt om in 2008 wijkgerichte pilots te
                    starten. De doelstelling en de doelgroep van</al><al>Doen! zal hier een plaats in gaan krijgen.</al><al>Sociale Activering</al><al>In de top van de piramide is ook ruimte voor maatschappelijke participatie. De
                    sociale activeringsinstrumenten zijn daar</al><al>in 2007 recentelijk op ingericht. Vooralsnog is er geen reden om in 2008 daar op
                    te veranderen, behoudens dan een</al><al>eventuele bijsturing naar aanleiding van een goede monitoring onderweg. Daarmee
                    beslaat activering dus de hele</al><al>piramide omdat het gericht is op participatie van persoon in welke vorm dan ook.
                    De focus staat ook in 2008 op</al><al>uitstroom van onze klanten naar betaald werk en daarmee uit de bijstand. Het is
                    echter niet de enige succesfactor van</al><al>activeringsactiviteiten. Participatie door klanten die in de bijstand blijven is
                    ook een deel van ons succes.</al><al>Vorig jaar hebben we de trajecten sociale activering aanbesteed. In 2008 gaan we
                    die trajecten volgens die aanbesteding</al><al>uitvoeren. Daarnaast bekijken we met de trajectuitvoerders in hoeverre zij
                    kunnen aansluiten bij ontwikkelingen als</al><al>wijkgericht werken, en ook aan samenloopprojecten tussen de Wet inburgering,
                    WSW, WWB en WMO. Hierbij werken we</al><al>nauw samen met de collega's van BO.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 8 van 20</al><al>Armoede</al><al>Sinds actieprogramma 'De cirkel doorbreken' staat het onderwerp armoede zowel
                    bij organisaties in de stad als binnen</al><al>onze eigen organisatie duidelijk op de agenda. We hebben in 2007 bijvoorbeeld
                    geïnvesteerd in workshops 'Ruimhartig</al><al>toekennen van bijzondere bijstand' en in intensievere samenwerking met
                    ketenpartners in de stad. Dat betekent dat bij</al><al>management- en beleidskeuzes, maar juist ook bij individuele beslissingen van
                    medewerkers de armoedecomponent</al><al>steeds meer meegenomen wordt. Het is zaak dit goed vast te blijven houden, zodat
                    ook op het moment dat armoede</al><al>niet meer vooraan op de politieke agenda staat, de aandacht voor armoede geborgd
                    is in ons reguliere handelen.</al><al>In 2008 maken we geen nieuw beleid. Het bestaande beleid voeren we goed uit,
                    evalueren we en waar nodig passen we</al><al>het aan. De rode draad in het armoedebeleid 2008 blijft het tegengaan van
                    niet-gebruik van inkomensondersteunende</al><al>regelingen en het uitvoering geven aan de acties uit het actieprogramma 'De
                    cirkel doorbreken'. Concrete doelstelling in</al><al>2008 is het gebruik van inkomensondersteunende regelingen toe laten nemen van
                    77% naar 84%. De uitkomsten van de</al><al>armoedemonitor 2006 - 2007 zijn van invloed op dit percentage en worden hierin
                    meegenomen. In 2008 verschuiven we</al><al>het accent van bestrijden naar vermijden en van los naar verband.</al><al>Van bestrijden naar vermijden</al><al>Hoe langer iemand in een armoede of schuldensituatie verkeerd, hoe meer deuken
                    iemand heeft opgelopen, hoe</al><al>moeilijker het is om uit deze situatie te komen. Het is dus heel belangrijk om
                    armoede te voorkomen of zo vroeg</al><al>mogelijk te signaleren.</al><al>1. Vindplaatsen uitbreiden</al><al>In 2008 breiden we de vindplaatsen uit voor signalering van armoede. In 2007 is
                    inkomensondersteuning als belangrijke</al><al>pijler meegenomen in de opzet van loket Z. We bereiken hierdoor al meer mensen,
                    maar nog steeds niet voldoende; in</al><al>2008 doen we nog meer. Aan de ene kant doen we dit door de publiciteitscampagne
                    ' Tilburg komt u tegemoet'.</al><al>Deze leus wordt letterlijk uitgevoerd, Sociale Zaken gaat met een T-paviljoen
                    bemenst door eigen medewerkers als</al><al>ambassadeurs, de mensen opzoeken. In 2008 bezoeken we diverse wijken in Tilburg
                    en sluiten we zoveel mogelijk aan</al><al>bij activiteiten in de wijk. Het T-paviljoen zal ook bij moskeeën, speeltuinen
                    en andere evenementen te vinden zijn.</al><al>Aan de andere kant doen we dit door goede informatievoorziening en samenwerking
                    met onze ketenpartners in de stad;</al><al>zodat signalering plaats vindt van klaslokaal tot woningbouwcoöperatie, van
                    consultatiebureau tot werkgevers en van</al><al>voedselbank tot re-integratiebedrijf.</al><al>2. Signalering aan de poort.</al><al>In 2007 is een pilot gestart om mensen vrijwillig een budgetteringscursus aan te
                    bieden op het moment van aanvraag</al><al>uitkering. In 2008 zal afhankelijk van de resultaten van de pilot dit
                    geïntegreerd worden in de reguliere dienstverlening.</al><al>Ook het al dan niet verplichtend karakter zal bezien worden.</al><al>Verder zullen we in 2008 aandacht hebben voor armoedesignalering bij mensen die
                    afgewezen worden aan de</al><al>poort.</al><al>3. Voorkomen financiële tegenslagen en vorderingen.</al><al>Met Essent, de zorgverzekeraars, woningbouwcoöperaties worden/zijn afspraken
                    gemaakt om dit tegen te gaan.</al><al>4. Nazorg pilot integreren dienstverlening.</al><al>De pilot nazorg loopt tot 1 oktober 2008. Indien uit deze pilot blijkt dat
                    financiële problemen voorkomen worden</al><al>doordat mensen nazorg krijgen, zal deze pilot geïntegreerd worden in de normale
                    reguliere dienstverlening.</al><al>Van los naar verband</al><al>Armoedebestrijding kunnen we niet alleen daar hebben wij andere instanties hard
                    voor nodig.</al><al>Een goede ketensamenwerking leidt tot een betere dienstverlening naar de
                    klant.</al><al>In 2007 zijn we gestart met de ketensamenwerking armoede, momenteel volgen
                    medewerkers van 28 organisaties in de</al><al>stad de workshop 'klantbenadering in de keten'. In maart 2008 worden de
                    uitkomsten van de workshops</al><al>teruggekoppeld aan de directies en vertaald in een stevige gezamenlijke
                    verklaring voor klantbenadering in de keten.</al><al>De pilot 'de doorbraak' is in 2007 gestart. De projectleiding ligt bij
                    beleidsontwikkeling, vanuit Sociale Zaken volgen we</al><al>deze pilot met belangstelling en de bevindingen van deze pilot nemen we mee in
                    het verdere ontwikkeling van de</al><al>ketensamenwerking.</al><al>In 2008 bouwen we de ketensamenwerking verder uit.</al><al>_ Organiseren van 2 managementbijeenkomsten per jaar</al><al>_ Maart: in het teken van klantbenadering</al><al>_ Najaar: nog nader invullen</al><al>_ Informatiemarkt armoede organiseren in maart 2008</al><al>_ Verbinding maken met ketens werk, participatie en zorg</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 9 van 20</al><al>Kracht van de stad</al><al>Het budget voor kracht van de stad is bedoeld voor organisaties, fondsen,maar
                    met name voor particulieren die een</al><al>grote bijdrage leveren aan armoedebestrijding, dit op een laagdrempelige manier.
                    Zij zijn hierdoor vaak goed in staat</al><al>om ook stille armoede te signaleren.</al><al>In 2008 gaan we actief op zoek naar kleinschalige projecten/ individuen in de
                    stad die wij kunnen ondersteunen in hun</al><al>strijd tegen armoede.</al><al>Working poor</al><al>We presenteren voor 1 april 2008 een plan van aanpak aan de raad waarin vermeld
                    staat hoe we werkende armen in</al><al>kaart brengen, hoe deze groep effectief bereikt kan worden en waarin voorstellen
                    vermeld staan hoe de 'working poor'</al><al>meegenomen kunnen worden in het armoedebeleid. 'Working poor' zijn mensen die
                    werken, maar netto met hun</al><al>inkomsten op of rond het sociaal minimum verkeren. Momenteel hebben we deze
                    groep niet in beeld. De beste manier</al><al>om deze groep in kaart te krijgen is een bestandskoppeling met de landelijke
                    belastingdienst; die koppeling is tot nu toe</al><al>helaas niet gelukt. In 2008 blijft dat onze inzet, we nemen hoogstwaarschijnlijk
                    deel aan een landelijke IPW pilot</al><al>bestandskoppeling belastingdienst'. Los van de koppeling gaan we zelf ook op
                    zoek naar vindplaatsen om de 'working</al><al>poor' te bereiken. We benaderen bedrijven via maatschappelijk werkgeverschap om
                    gezamenlijk dit thema op te pakken.</al><al>Monitoring en evaluatie</al><al>Het volgen van de resultaten van alle deelprojecten en de afname van het
                    niet-gebruik in zijn totaliteit is een belangrijke</al><al>opdracht in 2008. Om de effecten van het ingezette armoedebeleid goed te kunnen
                    meten is speciaal voor het</al><al>armoedebeleid in Tilburg een armoedemonitor ontwikkeld. We zullen in de verdere
                    doorontwikkeling van de monitoring</al><al>en evaluaties ook de raad betrekken.</al><al>Extra geld voor meedoen kinderen</al><al>Het kabinet heeft besloten in 2008 en 2009 extra geld (2x € 40 miljoen) vrij te
                    maken voor participatiebevordering voor</al><al>kinderen. Denk aan sport, ontspanning en andere vrijtijdsbesteding. Met onze
                    Meedoen-regeling, het Jeugdsportfonds</al><al>en stichting Leergeld hebben we hier al op voorgesorteerd. De Meedoen-regeling
                    zal in 2008 uitgebreid worden in</al><al>mogelijkheden en in doelgroep, zodat nog meer Tilburgers kunnen meedoen. Op
                    basis van de evaluatie uit van de</al><al>regeling 2007 neemt de raad hier een beslissing over.</al><al>Zorg</al><al>2007 is het jaar geweest waarop de wet WMO van kracht ging. Dit betekende dat
                    werkzaamheden bleven (WVG), maar er</al><al>ook nieuwe (Hulp bij het huishouden, loketvoorziening) bijkwamen. In 2007 is
                    geprobeerd zo goed mogelijk alles op de</al><al>rit te zetten. We hebben een start gemaakt! Een start die vervolgens vraagt om
                    zorgvuldig te kijken naar mogelijkheden</al><al>die de WMO geeft om vernieuwend beleid te maken. Hiervoor zullen we meer nog dan
                    in 2007, zorgvuldig samen werken</al><al>met de backoffices van PU en beleidsmedewerkers van Beleidsontwikkeling. Eind
                    2007 is een start gemaakt met een</al><al>periodiek gezamenlijk overleg binnen Sociale Zaken. De positionering van de WMO
                    dienstverlening binnen publiekszaken</al><al>zal opnieuw bekeken worden, en er zal gekeken moeten worden waar de
                    organisatorische inbedding van uitvoering en</al><al>uitvoeringsbeleid moet gaan plaatsvinden.</al><al>Richting in 2008</al><al>Wat we goed doen blijven we doen, wat we kunnen verbeteren, verbeteren we en
                    waar we kunnen vernieuwen,</al><al>vernieuwen we. Voor zorg zal de uitdaging binnen I&amp;S liggen in het steeds
                    zorgvuldig afwegen wat we op de oude voet</al><al>kunnen laten doorgaan en waar we nieuwe keuzes in moeten gaan maken. Innovatief
                    kunnen en mogen zijn. Daarvoor</al><al>zullen wij in gesprek moeten willen en durven zijn met organisaties en burgers.
                    In 2007 zijn verschillende initiatieven</al><al>geweest om vooral de burger en organisaties te betrekken bij de nieuwe
                    beleidslijnen. Hier zal ook in 2008 zorgvuldig</al><al>gebruik van worden gemaakt.</al><al>We gaan met de volgende onderwerpen en aan de slag:</al><al>1. Hulp bij het huishouden</al><al>Voor april 2008 beslissen we of het product ‘hulp bij het huishouden’ opnieuw
                    aanbesteed wordt. Bepalend voor het</al><al>besluit is of het contract wat ruim een jaar geleden is afgesloten nog houdbaar
                    en werkbaar is in de gewijzigde</al><al>omstandigheden (verhouding Hv1/HV2, gewijzigde tarieven). Bovendien moet bekeken
                    worden in hoeverre we nieuwe</al><al>vormen van dienstverlening mee gaan nemen in de aanbesteding, zoals bijvoorbeeld
                    de diensten die momenteel door</al><al>WZSW worden uitgevoerd, de zogenaamde woonzorgservicediensten en de diensten die
                    bekend staan als</al><al>Ondersteunende begeleiding op somatische grondslag die vanaf 1-1-2008 uit de
                    AWBZ is gevallen. Als besloten wordt</al><al>tot aanbesteding zal hier op zijn laatst in juni 2008 mee gestart moeten
                    worden.</al><al>2. Indicatie van voorzieningen</al><al>Om toegang te krijgen tot de individuele voorzieningen van de WMO is veelal een
                    indicatie vereist. Beleidsarm invoeren</al><al>van de WMO in 2007, betekent dat het merendeel van de indicaties extern
                    uitgevoerd wordt.</al><al>Om zowel het proces van indiceren als de vraagverheldering op klantniveau te
                    verbeteren kiezen we ervoor om in 2008</al><al>toe te werken naar de situatie dat het merendeel van de indicaties door de
                    gemeente zelf uitgevoerd worden.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 10 van
                    20</al><al>Alleen waar sprake is van complexe indicaties dan wel bezwaarprocedures wordt
                    externe expertise ingehuurd. Dit is een</al><al>ingrijpende keuze, die zal leiden tot een (gedeeltelijke) reorganisatie. Hiertoe
                    wordt voor 1 november 2008 een plan van</al><al>aanpak geschreven.</al><al>Los van de ontwikkeling op het indicatievlak moet in 2008 iedere "oude" klant
                    van de WMO opnieuw geindiceerd worden.</al><al>In totaal betreft dit ongeveer 11.000 klanten. Alle voormalig WVG klanten hebben
                    een omzettingsbeschikking gehad.</al><al>Alle "oude" hulp bij het huishouden klanten worden in de loop van dit jaar
                    opnieuw bekeken. Tevens zal hiervoor naar</al><al>aanvullende contract partijen gezocht worden.</al><al>3. Loket Z</al><al>De jaren 2007 en 2008 zijn vooral geoormerkt als bouwperiode. Hier is hard aan
                    gewerkt maar er moet zeker nog een</al><al>verdiepingsslag worden gemaakt. Loket Z zal in 2009 zijn definitieve vorm
                    krijgen. In 2008 wordt antwoord gegeven op</al><al>de vraag hoe een gezamenlijk loket er uit kan zien, en wordt tevens onderzoek
                    gedaan naar de mogelijkheden voor een</al><al>mobiel kantoor in de vorm van een loket Z bus. De loketten hebben in
                    samenwerking met de stedelijke partners verder</al><al>vorm gekregen, zowel inhoudelijk als financieel. Een werkgroep van
                    vertegenwoordigers van organisaties Wonen, Zorg</al><al>en Welzijn en de gemeente maakt een voorstel (klaar derde kwartaal 2008)
                    betreffende de definitieve vorm en inhoud</al><al>van het loket, met als uitgangspunt een duidelijke samenwerking en gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid, met daarbij een</al><al>uitwerking van een structurele financiering. Het onderzoek naar het mobiele
                    kantoor vindt in het eerste kwartaal van</al><al>2008 plaats, hierbij wordt tevens de relatie tot de fysieke loketten meegenomen
                    en bekeken of een 6 daagse opening tot</al><al>de mogelijkheden behoort.</al><al>Om de dienstverlening naar klanten te optimaliseren moet er een aansluiting van
                    loket Z op SZW net plaatsvinden, dit</al><al>wordt gerealiseerd in het eerste kwartaal van 2008.</al><al>4. Ontwikkelen integraal beleid</al><al>Nieuw beleid in 2008 is het ontwikkelen van samenloop projecten tussen WMO,
                    WWB,WI en WSW. In 2008 zal onderzocht</al><al>worden waar samenloop meerwaarde heeft en waar andere wetten de WMO kunnen
                    versterken. Een goed voorbeeld is het</al><al>project Wonen, zorg en service in de wijk. TNO gaat in 2008 onderzoek doen naar
                    het maatschappelijk rendement van</al><al>projecten zoals WZSW, zodat de meerwaarde die deze projecten hebben op latere
                    instroom formele zorg en vergroten</al><al>sociale leefbaarheid in de wijken ook sociaal-economisch vertaald kunnen
                    worden.</al><al>5. Aanbestedingen</al><al>Er zullen een aantal aanbestedingen gaan plaatsvinden: Leerlingen vervoer,
                    Hulpmiddelen, Indicatiestelling en Hulp bij</al><al>het huishouden. Voor elke aanbesteding wordt specialistische kennis ingehuurd.
                    Daarnaast wordt de regio de</al><al>mogelijkheid geboden om bij de aanbestedingen aan te sluiten. Ook bij externe
                    inhuur kost aanbesteden veel personele</al><al>capaciteit.</al><al>6. Monitoring</al><al>In 2008 organiseren we samen met de afdeling MOGO betrouwbare management
                    informatie. De informatie die in het</al><al>systemen en contracten wordt vastgelegd moet voldoende zijn om:</al><al>Â• volwaardig deel te kunnen nemen aan benchmarks;</al><al>Â• klant tevredenheidsonderzoeken KTO’s te kunnen uitvoeren;</al><al>Â• Financiële (factuur) controles op lopende contracten te kunnen
                    uitvoeren;</al><al>Â• Een deugdelijk contractbeheer uit te voeren.</al><al>Uitkeringsbeleid</al><al>Als doel van Sociale Zaken voor de komende jaren hebben we geformuleerd:
                    maatschappelijke participatie van alle</al><al>Tilburgers bevorderen. Dat doen we in een tijd, waarin Sociale Zaken een steeds
                    bredere maatschappelijke</al><al>verantwoordelijkheid en regietaak krijgt in het bereiken van die brede
                    participatie. Het netwerk van ketensamenwerking</al><al>rondom Sociale Zaken wordt dan ook steeds groter. Deze ketensamenwerking
                    benaderen we vanuit verschillende deeldoelstellingen,</al><al>namelijk: participatie door werk, door zorg/WMO-verstrekkingen, door
                    armoedebestrijding en participatie</al><al>door inburgering.</al><al>Uitkeringsbeleid kiest hierin een rol als bemiddelaar. Historisch gezien werkt
                    uitkeringsbeleid aan het toelichten en</al><al>nader invullen van de bijstandswet en aanverwante wetgeving die we uitvoeren.
                    Nog steeds is het uitvoeren van wetten</al><al>dagelijkse kost van onze uitvoeringsorganisatie, die zo als het ware de
                    'linking-pin' is tussen de veelsoortige</al><al>participatieprojecten die we initiëren. Daarnaast zien we het als onze taak om
                    in zo helder en duidelijk mogelijke taal</al><al>onze wetgeving duidelijk te maken aan onze burgers.</al><al>Uitkeringsbeleid vernieuwt in 2008 de WWB-verordeningen, zodat de verschillende
                    deelgroepen Werk, Zorg/WMO en</al><al>Armoedebestrijding zich optimaal in onze uitvoeringspraktijk kunnen vinden.
                    Daarnaast verzorgt uitkeringsbeleid</al><al>heldere werkinstructies, gekoppeld aan toelichtingen op brede beleidsdoelen. In
                    2008 brengen we een nieuw Werkboek</al><al>SoZa in de lucht, dat Tilburgs, toegankelijk en actueel moet worden en dat op
                    termijn de verzamelplek van alle</al><al>uitvoeringsbeleid binnen SoZa moet worden. Daarnaast investeren we op het
                    contact met (midden)management en</al><al>uitvoerders, zodat ons beleid met beide benen op de werkvloer blijft staan.</al><al>2008 is ook voor uitkeringsbeleid het jaar van de basis op orde. Door de
                    wettelijke mogelijkheden optimaal in te zetten</al><al>in onze verordeningen en instructies, willen we de verbindende schakel zijn
                    tussen verschillende beleidsinitiatieven die</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 11 van
                    20</al><al>Sociale Zaken ontplooit en willen we de uitvoeringsorganisatie meenemen naar ons
                    hoofddoel: participatie voor alle</al><al>Tilburgers.</al><al>Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding (RCF)</al><al>Het RCF is onderdeel van het Regionaal Platform Fraudebestrijding (RPF). Binnen
                    dit platform wordt door gemeenten en</al><al>landelijke handhavingsorganisaties op het terrein van sociale - en fiscale
                    fraudebestrijding samengewerkt. Deze</al><al>samenwerking gebeurt op project- en convenantbasis waarbij het RCF de belangen
                    van de gemeenten in de regio</al><al>behartigt. De regio van het platform Zuidwest loopt grofweg van Tilburg tot en
                    met de provincie Zeeland met in totaal</al><al>39 gemeenten. Het RCF is ondergebracht bij de afdeling I&amp;S, maar voert haar
                    werkzaamheden in grote mate van</al><al>zelfstandigheid uit. Voorzitter van het platform is de wethouder Sociale Zaken
                    van de gemeente Tilburg.</al><al>Binnen de samenwerking worden projectideeën omgezet in multidisciplinaire
                    projecten waarbinnen een interventieteam</al><al>de controles uitvoert. De interventieteams zijn een belangrijk repressief
                    instrument waarmee fraude en illegale</al><al>tewerkstelling worden aangepakt. De interventieteams voeren gerichte controles
                    uit in bepaalde branches, op</al><al>doelgroepen, op fenomenen of in stedelijke gebieden.</al><al>De activiteiten van het RCF zijn in afstemming met de verplichtingen gesteld
                    door de Landelijke Stuurgroep</al><al>Interventieteams (LSI) en kent de navolgende 4 doelstellingen:</al><al>_ Ondersteunen van het RPF bij het indienen van projectvoorstellen vanuit het
                    gemeentelijke veld in de LSI</al><al>_ Fungeren als projectleider en projectbegeleider bij gemeentelijke
                    projecten</al><al>_ Vervullen van de linking pin-functie tussen het gemeentelijke veld en de
                    projectleiders van landelijke partners</al><al>werkzaam in de regio.</al><al>_ Uitbreiden en onderhouden van regionale contacten en expertise ter bevordering
                    van de integrale, multidisciplinaire</al><al>handhaving</al><al>Voor 2008 worden door het RCF meerdere projecten ontwikkeld of uitgevoerd. Naast
                    de lopende projecten 'De lange</al><al>Straat', 'Eigen Baas' en 'BIBOB Tilburg' moet voor de ontwikkeling worden
                    gedacht aan 'wijkgerichte projecten'. Dit zijn</al><al>projecten in gebieden of wijken met een probleem op het vlak van leefbaarheid.
                    Ook wordt onderzocht op welke wijze</al><al>een project met als aandachtsgebied de MOE-landers problematiek opgepakt kan
                    worden. MOE-landers zijn inwoners uit</al><al>Midden - en Oost Europese landen die in Nederland wonen en werken.</al><al>In 2007 is vanuit het Ministerie van SZW per RCF een subsidie toegekend om
                    uitvoering te geven aan het programma</al><al>'Verbindende Schakels'. Ten behoeve van dit programma is binnen het RCF een
                    accountfunctionaris actief. In 2007 heeft</al><al>deze functionaris een inventarisatie uitgevoerd bij gemeenten in de regio naar
                    de stand van zaken op het gebied van</al><al>'hoogwaardig handhaven'. In 2008 zullen gemeenten op basis van deze
                    inventarisatie ondersteund worden teneinde het</al><al>concept hoogwaardig handhaven verder invulling te geven. Hierbij zal de focus
                    liggen op de navolgende aspecten:</al><al>_ Doorontwikkeling analysegestuurde handhaving;</al><al>_ Optimalisering dienstverlening en communicatie naar/met de klant;</al><al>_ Ontwikkeling verdergaande samenwerking in de regio.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 12 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 3</al><al>Management van medewerkers</al><al>Het is van belang dat medewerkers met plezier werken en duidelijkheid hebben
                    over wat er van hen verwacht wordt. Dit</al><al>betekent dat er een prettige werksfeer moet zijn en de kaders waarbinnen gewerkt
                    wordt helder moeten zijn. Voor een</al><al>prettige werksfeer zijn we samen verantwoordelijk. Zorg en aandacht voor elkaar
                    is hierin belangrijk naast het</al><al>herkennen van problemen en het samen oplossen daarvan. Van ieder op de afdeling
                    wordt verwacht dat men zijn/haar</al><al>steentje bijdraagt.</al><al>De kaders waarbinnen gewerkt worden krijgen het komende jaar extra aandacht. We
                    zijn gestart met teams die zich</al><al>vooral op een onderwerp richten. Deze onderwerpen zijn werk, zorg, armoede en
                    uitkeringsbeleid. In deze teams wordt</al><al>samengewerkt en zij worden aangestuurd door een senior beleidsmaker, die de
                    inhoudelijke koers uitzet. Deze</al><al>werkverdeling gaan we het komende jaar uitbouwen. Hierbij is het belangrijk vast
                    te stellen dat medewerkers van onze</al><al>afdeling in principe inzetbaar zijn op meerdere onderwerpen. Het is dus mogelijk
                    om van onderwerp te wisselen of een</al><al>gedeelte van de werktijd voor het ene thema en dan weer voor het andere thema te
                    werken. Bij deze verdeling van</al><al>werkzaamheden wordt natuurlijk rekening gehouden met persoonlijk interesse of
                    kennis, maar in principe moet iedere</al><al>medewerker op meerdere onderwerpen inzetbaar zijn.</al><al>In de senioren-overleggen wordt, naast de verdeling van de dagelijkse
                    werkzaamheden, de inhoudelijk lijn besproken. In</al><al>afdelings-, werk-, zorg-, armoede-, uitkeringsbeleid en sociale
                    activerings-overleggen zetten we deze lijn verder uit.</al><al>Daarnaast gaan we door met de Meet&amp;Greet-bijeenkomsten, die vooral gericht
                    zijn om de deskundigheid van de</al><al>medewerkers te verbeteren.</al><al>De afdeling I&amp;S is geen "klassieke " beleidsafdeling. Door het werkveld en
                    de positionering onder Sociale Zaken bestaat</al><al>het grootste deel van onze werkzaamheden uit taken die ondersteunend en
                    facilitairend voor de uitvoeringsafdelingen</al><al>zijn. Taken als inkoop van producten, aanbestedingstrajecten, contractbeheer en
                    overleg met uitvoerders van diensten,</al><al>actualisering van het uitkeringsbeleid, verbeteren van het werkboek, afstemming
                    met de afdelingen activering en</al><al>producten en diensten, uitvoering van diverse projecten zijn voorbeelden die
                    hieronder vallen.</al><al>Daarnaast worden in de afdeling taken uitgevoerd die meer strategisch- en
                    tactisch beleidsmatig en visievormend zijn.</al><al>Deze zijn noodzakelijk om voor de anticiperen op komende ontwikkelingen en om
                    nieuwe beleid de initiëren en te</al><al>ontwikkelen. Van iedere medewerker wordt verwacht dat men zowel strategisch
                    beleid kan ontwikkelen en invulling kan</al><al>geven aan de meer tactisch operationele vertaling van deze beleidsdoelen ten
                    behoeve van de uitvoering.</al><al>Cultuur en gedragsregels</al><al>Dit jaar gaan we verder met het traject ziel en zakelijkheid. Daarin zal een
                    nadere invulling van onze cultuur en</al><al>gedragsregels worden gegeven. Tot dat deze vastgesteld zijn houden we ons aan de
                    gedragsregels zoals die reeds</al><al>gelden: 1. ik vertrouw</al><al>2. afspraak is afsprak</al><al>3. ik ken de ander, zoek hem op , benut diens kwaliteit</al><al>4. ik wil het verschil maken</al><al>5. ik praat allee met de anderen en niet over de ander</al><al>6. ik deel mijn successen en leer van mijn fouten.</al><al>In de functionering en beoordelingsgesprekken, die iedere medewerker minimaal
                    een per jaar krijgt, worden deze</al><al>gedragsregels besproken.</al><al>Investeren in medewerkers</al><al>In de jaarlijkse functionering- en beoordelingsgesprekken komt naast het
                    welbevinden van de medewerker, zijn inzet en</al><al>competenties ook de betrokkenheid van de medewerker aan de orde. We geloven erin
                    dat je dit werk alleen maar kunt</al><al>doen als je niet alleen met je hoofd maar ook met je hart verbonden bent aan
                    Sociale Zaken. We vragen van</al><al>medewerkers dan ook , wanneer dat nodig is, extra inzet en commitment. Soms
                    vertaald zich dat letterlijk naar meer</al><al>uren werken of een stapje harder lopen. Van de organisatie mag dan verwacht
                    worden dat deze inzet word gewaardeerd</al><al>en dat zij de balans goed in de gaten houd, zodat de belasting niet te groot
                    wordt. Door middel van persoonlijke</al><al>ontwikkelplannen wordt scholing ingezet. Per medewerker wordt bekeken of en waar
                    mensen behoefte aan hebben.</al><al>Soms kan dat kennis zijn, soms persoonlijke individuele coaching.</al><al>Hier kiezen we vooral voor maatwerk.</al><al>De volgende scholingsactiviteiten gelden voor iedereen op de afdeling:</al><al>Â• deelname aan de workshop 'Ziel &amp; Zakelijkheid'</al><al>Â• deskundigheidsbevordering via deelname aan de 'Meet&amp;Greet'</al><al>Â• deelname aan training diversiteit en integriteit voor alle medewerkers in
                    2008</al><al>Ziekteverzuim</al><al>We streven naar een ziekteverzuimpercentage van minder dan 5,55% en een
                    meldingsfrequentie dat kleiner is dan 1,6.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 13 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 4</al><al>Management van middelen</al><al>Financiën centraal</al><al>In 2007 constateerden we wederom dat het veld waarin we aan het werken zijn
                    sterk verandert. Financiën staan daarbij</al><al>centraal en vormen een basis voor de keuzes die bij I&amp;S gemaakt kunnen
                    worden om de doelen van de organisatie</al><al>beleidsmatig te faciliteren. Daar waar tot voor kort financiën vrijwel geen rol
                    speelden bij de totstandkoming van beleid,</al><al>er was immers genoeg W-deel en ook op het I-deel werd zeer ruim overgehouden, is
                    voor 2008 het adagium voortdurend</al><al>een goede afweging te maken tussen kosten en baten. Dat vraagt om een andere
                    kijk- en denkwijze naar ons</al><al>takenpakket en dat zal lastig zijn zeker nu we te maken hebben met lopende
                    verplichtingen uit voorgaande jaren. In</al><al>2008 zullen beide processen, nieuw en bestaand, een rol spelen binnen I&amp;S.
                    In beginsel dus lastig, maar aan de andere</al><al>kant zal het in hoge mate bijdragen aan de ambitie de basis op orde te krijgen.
                    Daarnaast biedt het nu ook de kans</al><al>kritisch te kijken naar de verplichtingen, contracten, producten en andere
                    initiatieven van I&amp;S. Een herstructurering van</al><al>het aanbod zal in 2008 dan ook zeker aan de orde zijn. Bovendien verplicht de
                    situatie ons om creatiever, innoverend te</al><al>worden in het verwerven van andere inkomstenbronnen zoals ESF, Provinciale
                    fondsen, ed. Daarnaast vraagt de situatie</al><al>om een directe aansturing op de resultaatgerichtheid en efficiency van de
                    bestaande en nieuw af te sluiten contracten.</al><al>Formatie onder de loep</al><al>Invulling en bezetting van de afdeling nemen we onder de loep; voor 1 juli 2008
                    is door middel van een geplande</al><al>bedrijfsdoorlichting onderzocht worden welk takenpakket I&amp;S inmiddels te
                    behappen heeft. Dat takenpakket is in de</al><al>afgelopen jaren aanzienlijk in omvang en veelzijdigheid toegenomen. De
                    bedrijfsdoorlichting zal ook in kaart brengen</al><al>welke kwantitatieve (hoeveelheid mensen) en kwalitatieve (welke mensen) gevolgen
                    die verandering in takenpakket met</al><al>zich heeft gebracht. Op basis van de uitkomsten ondernemen we stappen om zowel
                    de structuur als de omvang de</al><al>afdeling aan te passen.</al><al>Managementinformatie essentieel</al><al>In 2008 willen we het technische contractbeheer zoals dat tussen I&amp;S en
                    Planning en Control is ontwikkeld verder</al><al>uitbouwen. Op deze manier worden de cijfers die door het systeem gegenereerd
                    worden betrouwbaar genoeg om keuzes</al><al>op af te stemmen en om met gerust hart met de buitenwereld te delen. Op die
                    manier zorgen we dan voor een betere pr</al><al>voor onze eigen successen.</al><al>Eind 2007 is hiertoe een multidisciplinaire projectgroep ingericht die hier aan
                    gaat werken in 2008. Deels zal dit bestaan</al><al>uit het verfijnen van de invoer en de resultaten van het technische
                    contractbeheer. Anderzijds zal dat ook een bewustzijn</al><al>moeten zijn om de systemen, met name Dirigent, binnen de organisatie op de
                    juiste wijze te voeden bij de introductie</al><al>van nieuwe producten waarbij registratie aan de orde is.</al><al>Weer veel aanbestedingsprocedures</al><al>Overheidsbestedingen moeten voldoen aan de aanbestedingsregels. In de afgelopen
                    periode is die regelgeving</al><al>verscherpt. Voor een aantal van onze dossiers bestaat de verwachting dat we in
                    2008 aanbestedingen moeten doen,</al><al>omdat het te besteden bedrag de aanbestedingsnorm overstijgt. Voor de dossiers:
                    kinderopvang, leerlingenvervoer, hulp</al><al>bij het huishouden, indicatiestelling en trapliften is dat al zeker.
                    Waarschijnlijk geldt dit ook voor 'diagnose aan de kop'</al><al>en 'betaalde werkomgevingen'. Aanbestedingsprocedures kosten veel tijd en
                    voorbereiding en leggen daarmee een</al><al>zwaar beslag op de beschikbare tijd en capaciteit binnen de afdeling. Inzet van
                    extra middelen is in geval van</al><al>aanbestedingen dan ook eerder regel dan uitzondering. In 2008 zullen we die
                    extra middelen dan ook zeker nodig</al><al>hebben.</al><al>Fysieke werkomgeving</al><al>De afdeling I&amp;S heeft nog steeds te kampen met slechte huisvesting. De
                    ruimtes zijn te vol, voldoen Arbo-technisch niet,</al><al>te veel mensen op te kleine plekken, te rumoerig, te veel ruis, en er is een
                    tekort aan vergaderruimtes. De realiteit is dat</al><al>je in ons werk lucht en ruimte nodig hebt om te kunnen denken en werken. Gezien
                    echter de beperkte ruimte binnen de</al><al>hele gemeente is gebleken dat in 2007 dit probleem niet kon worden opgelost.
                    Voor 2008 willen we het probleem wel</al><al>actief op de agenda houden en niet pas bijvoorbeeld naar aanleiding van een MTO.
                    Doel in 2008 is om tot een oplossing</al><al>te komen zodat we het onderwerp in het afdelingsplan 2009 kunnen laten
                    vervallen.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 14 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 5</al><al>Processen</al><al>Binnen de afdeling I&amp;S spelen verschillende processen. Processen gericht op
                    de interne afdeling, processen met</al><al>andere afdelingen binnen Sociale Zaken en binnen de gemeente, en processen die
                    voornamelijk extern gericht</al><al>zijn. Op de afdeling I&amp;S hebben we het meest te maken met het
                    beleidsproces.</al><al>Het beleidsproces bestaat uit de stappen in het schema hiernaast:</al><al>Impactanalyse</al><al>Ook voor de afdeling I&amp;S geldt 'de basis op orde'.</al><al>Alleen een stabiele afdeling is in staat om snel en</al><al>adequaat op veranderende omstandigheden in te</al><al>spelen. In 2008 onderwerpen we nieuwe initiatieven</al><al>en mogelijke projecten in een vroeg stadium</al><al>aan een impactanalyse, waarbij we ons steeds de</al><al>vraag stellen in hoeverre onze ambities te realiseren</al><al>zijn, rekeninghoudend met de draag- en spankracht</al><al>van de organisatie.</al><al>Per onderdeel van het beleidsproces gelden de</al><al>volgende aandachtspunten.</al><al>1. Voorbereiding van beleid:</al><al>Doelen 2008:</al><al>_ Onderzoeken welke behoefte de uitvoeringsorganisatie heeft aan
                    beleidsondersteuning.</al><al>_ Duidelijke werkafspraken met de afdelingen producten/diensten en de afdeling
                    activering maken die in de</al><al>afdelingsplannen 2009 worden vastgelegd.</al><al>_ Aan alle beleidsbeslissingen ligt een uitvoerige analyse ten grondslag.
                    Hiervoor wordt de door de sector ingevoerde</al><al>impactanalyse, die met name gericht is op de uitvoeringsorganisatie, aangevuld
                    met specifieke beleidsanalyse.</al><al>_ Deze format voor analyse-gestuurd werken wordt ingevoerd per 1 maart
                    2008.</al><al>2. Vaststelling van beleid:</al><al>Doelen 2008:</al><al>_ Impactanalyse van nieuwe beleidsvoorstellen vast laten stellen in MT.</al><al>_ Besluitvormingsproces zowel politiek als binnen Sociale Zaken transparanter
                    maken en beter communiceren.</al><al>_ We betrekken de gemeenteraad, klantenraad en participatieraad meer bij onze
                    besluitvorming.</al><al>3. Uitvoering van beleid:</al><al>Hierbij gaat het om de vertaling van het beleid naar 'werkende' producten,
                    processen en systemen. Deze</al><al>vertaalslag gaan wij als beleidsafdeling zo uniform en herkenbaar mogelijk
                    realiseren als concrete invulling van</al><al>'de basis op orde'.</al><al>Doelen 2008:</al><al>_ Projectmatig werken borgen in organisatie. Bij Sociale Zaken en I&amp;S wordt
                    bij de uitvoering van beleid veel met</al><al>projectleiders gewerkt, denk aan Doen!, en aan verschillende projecten uit het
                    actieprogramma 'De cirkel</al><al>doorbreken'. Voor de projectleiders in de organisatie is het vaak onduidelijk
                    wie leidend is in aansturing en</al><al>bijstelling projecten, de reguliere 'lijn' of I&amp;S. In 2008 worden heldere
                    afspraken met de uitvoeringsorganisatie</al><al>gemaakt over aansturing, verantwoordelijkheden en taken van projectleiders.</al><al>_ Deskundigheidsbevordering op het gebied van inkoop en aanbesteding
                    vergroten,bijvoorbeeld een checklist</al><al>inkoop/aanbesteding</al><al>_ Structureren en uniformeren van onze communicatiestructuur. Samen met afdeling
                    communicatie hebben wij</al><al>geconstateerd dat vooral onze interne communicatie meer gestructureerd moet
                    worden. Er is sprake van een</al><al>voorbereiding van beleid</al><al>beëindiging herziening voortzetting</al><al>vaststelling van beleid</al><al>uitvoering van beleid</al><al>monitoring en evaluatie van beleid</al><al>het beleidsproces</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 15 van
                    20</al><al>'wildgroei' aan gebruikte communicatiemiddelen, hetgeen de herkenbaarheid (en
                    ´terugvindbaarheid´) voor onze</al><al>medewerkers in de uitvoering bemoeilijkt. In 2008 zoeken we samen met de andere
                    afdelingen van SOZA naar goede</al><al>vormen om de communicatie te verbeteren, zowel overlegvormen als andere vormen
                    van communicatie.</al><al>_ Externe communicatie kan beter, er is buiten nog veel te winnen door onze
                    ketenpartners structureel te voorzien van</al><al>allerlei relevante informatie, bijvoorbeeld informatie over
                    inkomensondersteunende regelingen. Deze communicatie</al><al>kan vorm krijgen door een nieuwsbrief, een digitale mailinglist of een apart
                    onderdeel van een site. Voor 1 maart</al><al>2008 wordt besloten op welke wijze wij onze ketenpartners structureel van
                    relevante informatie voorzien.</al><al>_ Het sectorplan van Sociale Zaken schrijft de volgende uitgangspunten bij de
                    relatie met contractpartners: In het</al><al>sluiten en naleven van contracten zullen we zakelijker op gaan treden; de
                    contractafspraken zullen geborgd worden</al><al>via technisch en inhoudelijk contractbeheer en contractuele relaties moeten
                    naast Sociale Zaken ook andere</al><al>opdrachtgevers hebben. I&amp;S zal deze uitgangspunten vertalen in haar relatie
                    met contractpartners.</al><al>4. Monitoring en evaluatie van beleid</al><al>Resultaten, prestaties en middelen in beeld brengen, beleidsprocessen volgen,
                    analyse en evaluatie, m.a.w. het</al><al>monitoren van ons beleid, nemen we in 2008 stevig ter hand. Ook hiervoor geldt
                    dat de basis op orde moet zijn.</al><al>De basis zijn de registratiesystemen die we binnen Sociale Zaken gebruiken. Deze
                    registratiesystemen moeten goed</al><al>gevuld zijn, op elkaar afgestemd zijn, geen overlappingen en er moeten
                    eenduidige definities worden gehanteerd.</al><al>Geconstateerd is dat hieraan in de praktijk nog wel het een en ander schort. Een
                    werkgroep van Managementondersteuning,</al><al>Planning en Control en I&amp;S pakt dit in 2008 op met als doel de
                    registratiesystemen sluitend op elkaar af</al><al>te stemmen.</al><al>Als we beschikken over goede, op elkaar afgestemde, registraties, zijn we beter
                    in staat onze beleidsprocessen te</al><al>volgen, na te gaan of we de resultaten die we willen bereiken ook daadwerkelijk
                    bereiken. Dat betekent meten van de</al><al>effecten van ons beleid. Het rapport van het SEO Economisch Onderzoek geeft vier
                    vormen van effectiviteitsmeting aan:</al><al>1. het meten van de bruto effectiviteit:</al><al>bijv: we spreken af dat er een x aantal mensen op werk geplaatst worden of
                    succesvol een traject afronden. Het</al><al>aandeel dat daadwerkelijk succesvol is, zien we dan als resultaat en daar
                    koppelen we de financiering aan vast;</al><al>2. het meten van de netto effectiviteit:</al><al>bijv: hoeveel hoger is de kans op uitstroom naar werk als je een traject inzet
                    dan zonder de inzet van een traject</al><al>3. het meten van kosten en baten:</al><al>bijv: wat zijn de kosten van de ingekochte re-integratietrajecten en wat zijn de
                    besparingen op uitkeringslasten?;</al><al>4. het meten van maatschappelijk rendement:</al><al>bijv: wat levert de inzet van re-integratietrajecten, de uitstoom naar werk op
                    aan bijv. minder uitgaven voor</al><al>gezondheidszorg, minder uitgaven voor criminaliteit?</al><al>Om gedegen verantwoording af te leggen voor het gevoerde beleid investeren we
                    veel meer op rendements- en</al><al>effectiviteitsmeting. Daarbij houden we steeds goed oog voor de krappere
                    financiële middelen. Je kunt een euro maar</al><al>één keer uitgeven. Dit vraagt om weloverwogen beslissingen. Een SoZa-brede
                    werkgroep gaat de lijn uitzetten voor die</al><al>verbeterde effectiviteitsmeting. Gelet op de recente gang van zaken rondom het
                    rapport van de rekenkamercommissie</al><al>zullen we de gemeenteraad uitdrukkelijk betrekken en meenemen in de manieren van
                    onze effectiviteits- en</al><al>rendementsmeting.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 16 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 6</al><al>Klanten, keten en contractpartners</al><al>Het begrip 'klant' is voor Sociale Zaken een breed begrip. Wij hebben te maken
                    met individuele burgers, met</al><al>ketenpartners, met regiogemeenten, met werkgevers en met andere afdelingen
                    binnen de gemeente Tilburg. Daarnaast</al><al>hebben we nog interne klanten binnen de sector: de ene medewerkers is voor zijn
                    werk vaak in belangrijke mate</al><al>afhankelijk van andere medewerkers binnen onze sector. In de afgelopen jaren
                    hebben we onze aandacht van de eigen</al><al>organisatie verlegd naar onze omgeving. Integraal werken is daarin een
                    belangrijk begrip: zo veel als mogelijk de klant</al><al>integraal bedienen op de kernthema´s werk, participatie en armoede is waar we
                    voor staan. Goede dienstverlening kan</al><al>alleen tot stand komen als er goed samengewerkt wordt in de keten, zowel intern
                    als extern.</al><al>Onze klant</al><al>De term 'klant' interpreteren we in de ruimste zins des woords: van
                    bijstandsgerechtigde tot niet-uitkeringsgerechtigde</al><al>(nugger), van jongere tot inburgeraar tot werkende. Dit zijn onze klanten waar
                    we onze dienstverlening op af stemmen,</al><al>hier doen we het voor. Zéker de laatste, de werkende Tilburger is een aanvulling
                    en zie je terug in de gezamenlijk</al><al>dienstverlening binnen de Keten Werk en Inkomen. Daarnaast is de werkende
                    Tilburger onder de armoedegrens, de</al><al>working poor een doelgroep waar we ook in 2008 binnen het armoedebeleid gericht
                    diensten voor verlenen.</al><al>Onze klant verandert, met name vanwege de huidige arbeidsmark zien we dat de
                    afstand van onze klant tot de</al><al>arbeidsmarkt groter wordt. Dit vraagt steeds meer maatwerk. In hoofdstuk 2 is al
                    uitgebreid beschreven dat we deze</al><al>veranderende klantgroep beter en vroegtijdig in beeld willen krijgen door een
                    integrale vraaganalyse én door deze</al><al>doelgroep in een werkomgeving te observeren. Dit moet maken dat we op maat onze
                    dienstverlening in kunnen zetten.</al><al>De werkgevers</al><al>Om werkgevers op een goede manier te kunnen bedienen en te kunnen voorzien in de
                    vervulling van hun vacatures,</al><al>merken we dat we zelfs als gemeente Tilburg een maatje te klein worden.
                    Daarnaast merkten we dat alle instanties uit</al><al>de keten Werk en Inkomen dezelfde werkgevers met dezelfde vraag benaderen. Om
                    deze redenen is voor de sectoren</al><al>Zorg, Detailhandel, Transport&amp;logistiek en Metaal de samenwerking gezocht
                    met de regiogemeenten, het CWI, het ROC</al><al>en het UWV om samen werkgevers te gaan benaderen voor vacatures of stageplaatsen
                    en vanuit ons gezamenlijke</al><al>aanbod aan arbeidskrachten invulling te geven aan de ons aangeboden vacatures.
                    In het Jongerenloket is deze</al><al>samenwerking al van start gegaan, evenals in het project leren en werken.</al><al>Vanuit het project leren en werken willen we werkgevers ook ondersteuning gaan
                    bieden bij het hoger kwalificeren van</al><al>personeel dat nu nog laaggeschoold is. Door daaraan mee te werken komen er op
                    termijn nieuwe plekken vrij aan de</al><al>onderkant van de arbeidsmarkt die dan weer vervuld kunnen worden door klanten
                    uit onze bestanden.</al><al>De samenwerking met de werkgevers is ook gericht op het signaleren van working
                    poor om vervolgens de werkgever én</al><al>de werknemer te ondersteunen bij maatregelen.</al><al>De ketenpartners</al><al>Hierboven hebben er al een belangrijke keten namelijk de Keten Werk en Inkomen
                    beschreven. Ook contractpartners</al><al>zien we als ketenpartners, zij leveren in de keten ook een bijdrage in onze
                    dienstverlening. Op meerdere vlakken</al><al>bestaan er ketens om de samenwerking binnen verschillende thema's te bevorderen.
                    Waar we binnen I&amp;S ook een</al><al>belangrijke rol in hebben is de ketensamenwerking op het gebied van
                    armoedebestrijding. Met 28 organisaties wordt er</al><al>samengewerkt om de dienstverlening naar de klant te verbeteren. Die groep
                    bestaat uit o.a.: woningcorporaties,</al><al>welzijnsinstellingen, maatschappelijke instellingen en zorginstellingen.</al><al>Het initiatief voor de ketensamenwerking binnen zorg ligt bij de
                    programmamanager Zorg die onder Beleidsontwikkeling</al><al>valt. Sociale Zaken sluit hier uiteraard nauw bij aan maar heeft geen
                    initiërende rol.</al><al>In 2008 gaan we tussen de bovengenoemde ketens verbinding maken en elkaar, en
                    dus de dienstverlening aan de klant,</al><al>versterken. Denk aan de informatiemarkt Armoede waarbij ook alle
                    contractpartners werk worden uitgenodigd. Maar ook</al><al>door in de bestaande contacten met werkgevers acties te ondernemen om de
                    'working poor' op te sporen.</al><al>De contractpartners</al><al>Binnen de ketens werken we intensief samen met organisaties die veelal een
                    contractuele relatie hebben met Sociale</al><al>Zaken. In 2008 verduidelijken wij het verschil tussen deze contractuele relaties
                    en ketenpartners. De volgende</al><al>uitgangspunten zijn daarbij belangrijk:</al><al>_ In het sluiten en naleven van contracten treden we zakelijker op door
                    resultaten scherp te benoemen en deze met</al><al>regelmaat te beoordelen.</al><al>_ De contractafspraken worden geborgd via technisch en inhoudelijk
                    contractbeheer.</al><al>_ Nieuwe contractuele relaties moeten naast Sociale Zaken van Gemeente Tilburg
                    ook andere opdrachtgevers hebben.</al><al>We zijn ons ervan bewust dat er partners bestaan waarmee vanuit de gemeente
                    zowel een subsidiecontract als een</al><al>inkoopcontract is aangegaan. Dit zijn losstaande samenwerkingsafspraken en
                    Sociale Zaken kiest ervoor om voor de</al><al>inkoopcontracten meer zakelijk op te treden. De dienstverlening van deze
                    organisaties moet namelijk aansluiten op het</al><al>geformuleerde beleid. Dit staatlos van de subsidieafspraken die onze collega´s
                    van beleidsontwikkeling maken.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 17 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 7</al><al>Medewerkers</al><al>In het afgelopen jaar zijn er een aantal medewerkers bij de afdeling I&amp;S
                    vertrokken en deze vacatures zijn ingevuld door</al><al>nieuwe collega´s. Daarmee is er een frisse kijk en nieuw elan binnen de afdeling
                    gekomen. De nieuwe medewerkers</al><al>worden in het eerste jaar ingewerkt. Dit doen we door de hen de leerpool te
                    laten volgen maar ook door hen persoonlijk</al><al>te begeleiden. Omdat er zoveel nieuwe medewerkers zijn ingestroomd, is het
                    duidelijk geworden dat we behoefte</al><al>hebben een eigen 'standaard' I&amp;S-inwerkprogramma. We gaar dit
                    inwerkprogramma in 2008 samenstellen. Ook krijgt</al><al>iedere nieuwe medewerker een mentor, een maatje, waar hij/zij terecht kan met al
                    zijn vragen.</al><al>In de P.O.'s met de leidinggevende van de afdeling, die zeker in het eerste
                    inwerkjaar, regelmatig plaatsvinden, wordt de</al><al>vinger goed aan de pols gehouden. In de beoordelingsverslagen wordt vastgelegd
                    wat goed gaat en waar nog groei op</al><al>moet plaatsvinden. Zo denken we nieuwe medewerkers een goede basis te kunnen
                    geven voor een carrière op onze</al><al>afdeling.</al><al>Voor de medewerkers die hier al wat langer werken, geldt dat zij in staat zijn
                    een breed pakket aan taken te verrichten.</al><al>Zelfstandigheid, politieke en omgevingssensitiviteit, flexibiliteit, passie en
                    verantwoordelijkheid zijn elementen die in</al><al>het functioneren van onze medewerker in houding en gedrag naar voren moet
                    komen.</al><al>In 2008 gaan we kritisch kijken naar de omvang van de werkzaamheden van de
                    afdeling in relatie tot de personele</al><al>bezetting. Hiervoor gaan we als afdeling tijdschrijven om inzicht te krijgen in
                    de feitelijke besteding van uren door alle</al><al>medewerkers aan de verschillende taken. Daarnaast voeren we een onderzoek uit om
                    vast te stellen hoe de omvang van</al><al>onze personeelsbezetting op de afdeling zich verhoud met de personeelsbezetting
                    bij vergelijkbare gemeentes.</al><al>Overleg</al><al>Om op de hoogte te blijven van alle ontwikkelingen en met elkaar de
                    werkzaamheden goed af te stemmen hebben we</al><al>een aantal soorten van afdelingoverleg:</al><al>_ Afdelingsoverleg: iedereen 10 maal per jaar twee uur waarvan 2 maal per jaar
                    een hele dag</al><al>_ Seniorenoverleg: senioren + afd. manager elke week 1 uur</al><al>_ Teamoverleg: afhankelijk per team meestal 1 maal per maand</al><al>_ PO's met diverse medewerkers</al><al>_ Senioren en programmanagers nemen deel aan het Hour of Power</al><al>_ Meet en Greet, gemiddeld 6 keer per jaar, op thema.</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 18 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 8</al><al>Maatschappij</al><al>Een wereld in beweging</al><al>In het visiedocument van Sociale Zaken staat geschreven dat onze organisatie
                    zich bevindt in een bijzondere fase. Er is</al><al>sprake van een hoge mate van turbulentie, veel gelijk optredende verschijnselen
                    die niet allemaal in dezelfde richting</al><al>wijzen. Integendeel, we worden steeds vaker geconfronteerd met tegenstrijdige
                    bewegingen, die uiteenlopende en op</al><al>het oog tegenstrijdige antwoorden van ons vragen. De omgeving van sociale zaken
                    is veelkleurig en veeleisend. Het is</al><al>geen organisatie die alleen staat. We maken deel uit van een complex geheel,
                    waarmee we zowel formele als informele</al><al>verbindingen onderhouden. Die verbindingen verplichten; in ons beleid en in ons
                    handelen houden we rekening met</al><al>verwachtingen van en afspraken met anderen. Dat geldt dus dubbel en dwars voor
                    I&amp;S. Kijk waar ons beleid allemaal aan</al><al>raakt.</al><al>Verbijzondering naar I&amp;S:</al><al>Werk</al><al>Iedereen die kan werken gaat werken, dat is het adagium van Sociale zaken maar
                    ook de opdracht die de maatschappij</al><al>Sociale Zaken geeft. Werk moet daarnaast ook bijdragen bijdraagt aan het
                    functioneren van de maatschappij als geheel.</al><al>Armoede</al><al>Op het gebied van armoede verwacht de maatschappij van ons dat we mensen
                    aanspreken op hun eigen</al><al>verantwoordelijkheid, dat we er voor zorgen dat er een stabiele basis is en dat
                    we goed zorgen voor burgers die geen</al><al>perspectief meer hebben op verbetering. De maatschappij verlangt van instituten
                    die zicht bezig houden met</al><al>armoedebestrijding dat zij op een grensdoorbrekende manier met elkaar
                    samenwerken.</al><al>Participatie</al><al>Participatie richt zich op maatschappelijk nuttige activiteiten. Klanten van
                    sociale zaken zullen zoveel mogelijk ingezet</al><al>en gestimuleerd worden om maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten en
                    op deze manier toe te voegen aan de</al><al>samenleving.</al><al>Zorg/WMO</al><al>Klanten met een zorgvraag worden op een efficiënte en integrale manier geholpen.
                    Uitgangspunt hierbij is dat de klant</al><al>recht heeft op een voorziening of op hulp, waarmee zijn beperking gecompenseerd
                    wordt. Doel hierbij is dat de burger</al><al>zolang mogelijk zelfstandig kan blijven functioneren</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 19 van
                    20</al><al>Hoofdstuk 9</al><al>Resultaten</al><al>1. Resultaten Leiderschap:</al><al>_ Afdelingsmanager benoemt uiterlijk in het 2de kwartaal van 2008.</al><al>_ Programmamanager arbeidsmarktbeleid structureel ingevuld.</al><al>_ Werkwijze senioren ingevuld en taken en bevoegdheden van beleidsmedewerkers
                    beschreven.</al><al>_ Samenwerkingsafspraken met hoofden BO en GO.</al><al>2. Beleid en strategie</al><al>_ Verbinding: Onderzoek samenloop WWB, WMO,WI, WSW : 3e kwartaal 2008</al><al>_ Verbinding: Ketensamenwerking Werk Armoede Zorg intensiveren</al><al>_ Verbinding: intern SoZa met teams en afdelingen; heel 2008</al><al>_ Wijkgericht: Deelnemen aan kernwerkgroep Wijkimpuls</al><al>Werk</al><al>_ onderzoek naar en inbedding snelle diagnose aan de kop, 4e kwartaal 2008</al><al>_ ontwikkelen branchegerichte werkomgevingen, 3e kwartaal 2008</al><al>_ gezamenlijke arbeidsmarktbenadering in de keten CWI, Gemeente, UWV en ROC,
                    heel 2008</al><al>_ organiseren ondersteunden instrumenten, 2e kwartaal 2008</al><al>_ start 4 sectorservicepunten; zorg, metalectro, detailhandel en logistiek, 2e
                    kwartaal 2008</al><al>_ vernieuwing WSW inbedden, vanaf 1 januari 2008, vóór 1 juli 2008 klaar</al><al>_ doorontwikkeling van gesubsidieerd werk en maatschappelijke deelname, heel
                    2008</al><al>Inburgering</al><al>_ minimaal 70% van alle trajectdeelnemers slaagt voor het inburgeringsexamen/
                    staatsexamen NT2</al><al>_ alle trajectdeelnemers zijn geplaats op algemeen geaccepteerd werk, heeft zelf
                    werk gevonden, is gestart met een</al><al>korte praktijkgerichte opleiding, neemt deel aan een vervolgtraject werk of
                    neemt actief deel aan de samenleving.</al><al>Maatschappelijke deelname:</al><al>_ Doen! wordt uitgevoerd conform het bijgestelde projectplan.</al><al>_ Trajecten Sociale activering worden verder doorontwikkeld</al><al>Armoede:</al><al>_ Vindplaatsen signaleren armoede uitbreiden</al><al>_ Pilots nazorg en budgetteringscursus evalueren en bij positief resultaat
                    integreren reguliere dienstverlening.</al><al>_ Ketensamenwerking armoede vormgeven: 2 managementbijeenkomsten organiseren en
                    informatiemarkt 'armoede',</al><al>maart 2008 organiseren.</al><al>_ Voor 1 april 2008 een plan van aanpak 'working poor' aan raad
                    presenteren.</al><al>Zorg</al><al>_ Voor april 2008 beslissen of het product 'hulp bij het huishouden' opnieuw
                    aanbesteed wordt.</al><al>_ Voor 1 november 2008 plan van aanpak indicatie gereed.</al><al>_ In 3e kwartaal 2008 voorstel opgesteld voor de definitieve vorm en inhoud van
                    loket Z voor 2009 en verder.</al><al>_ In 1e kwartaal 2008 onderzoek afgerond naar mogelijkheid mobiel kantoor (loket
                    Z bus).</al><al>_ Aansluiting loket Z op SZW-net klaar in eerste kwartaal 2008.</al><al>_ Aanbesteding leerlingenvervoer afgerond in juni 2008.</al><al>_ Aanbesteding hulpmiddelen afgerond hebben voor 1 oktober 2008.</al><al>_ Aanbesteding traplift starten in 2008 zodat het in maart 2009 afgerond
                    is.</al><al>_ Aanbesteding indicatie moet afgerond zijn in juli 2008.</al><al>RCF</al><al>_ Alle lopende projecten zijn eind 2008 afgerond</al><al>_ Tenminste 1 wijkgerichte aanpak gerealiseerd</al><al>_ Binnen 5 gemeenten beleid Hoogwaardig Handhaven vertaald in concrete
                    doelstellingen</al><al>3. Management van medewerkers</al><al>_ Werken in teams binnen I&amp;S verder uitgebouwd: heel 2008</al><al>_ Elke medewerker is in principe inzetbaar op diverse beleidsterreinen</al><al>_ Met elke medewerker wordt minimale één beoordelings- en functioneringsgesprek
                    gevoerd</al><al>_ Elke medewerker neemt deel aan de workshop Ziel en zakelijkheid</al><al>_ Elke medewerker neemt deel aan de Meet&amp;Greet</al><al>_ Elke medewerker neemt deel aan de training diversiteit en integriteit</al><al>_ Het ziekteverzuimpercentage is lager dan 5,5%</al><al>Concept Afdelingsplan I&amp;S 2008 2008 I&amp;S AP vs 2.doc Pagina 20 van
                    20</al><al>4. Management van middelen</al><al>_ Beleidsvoornemens in balans met financiële mogelijkheden; heel 2008</al><al>_ Samen met P&amp;D aanvullende financieringsbronnen aanboren</al><al>_ Takenpakket en formatie I&amp;S doorlichten voor 1 juli 2008</al><al>_ Menskracht en middelen beschikbaar voor aanbestedingen</al><al>_ Resultaten in beeld; heel 2008</al><al>_ Werkomgeving ingericht naar tevredenheid medewerkers; voor 2009</al><al>5. Processen</al><al>_ Onderzoeken welke behoefte de uitvoeringsorganisatie heeft aan
                    beleidsondersteuning en werkafspraken hierover</al><al>vastleggen in de verschillende afdelingsplannen van 2009.</al><al>_ Sectorale impactanalyse wordt aangevuld met beleidsanalyse en in een format
                    gegoten voor 1 maart 2008.</al><al>_ In 2008 zoeken we samen met de andere afdelingen van SOZA naar goede vormen om
                    de communicatie te</al><al>verbeteren, zowel overlegvormen als andere vormen van communicatie.</al><al>_ Voor 1 maart 2008 wordt besloten op welke wijze wij onze ketenpartners
                    structureel van relevante informatie</al><al>voorzien.</al><al>_ Onze contracten en afspraken met contractpartners zijn zodanig ingericht dat
                    samen met P&amp;C een goede</al><al>effectiviteitsmeting uit te zetten is.</al><al>6. Klant keten en contractpartners</al><al>_ Gezamenlijke werkgeversbenadering vanuit de keten Werk en Inkomen</al><al>_ Verbinding tussen ketens Werk, Inkomen, Participatie, Armoede en Zorg</al><al>_ Verzakelijken van de afspraken met contractpartners; heel 2008</al><al>7. Medewerkers</al><al>_ Standaard I&amp;S- inwerkprogramma voor nieuwe collega's bij I&amp;S in
                    2008</al><al>_ Onderzoek naar de omvang van de personele bezetting in relatie tot de taken op
                    de afdeling voor juni 2008</al><al>8. Maatschappij</al><al>_ De kracht van de stad op blijven zoeken</al><al>_ Permanente lobby richting landelijke overheid op gebied van werk, armoede en
                    participatie</al><al>regulier werk</al><al>gesubsidieerd werk</al><al>maatschappelijke deelname</al><al>a. een (brede, solide) basislaag voor regulier werk, zelfstandig
                    ondernemerschap, onbeloonde</al><al>arbeid gericht op inschakeling in de arbeid en tijdelijk gesubsidieerd
                    werk.</al><al>b. een middenlaag voor structureel gesubsidieerd werk.</al><al>c. een toplaag voor maatschappelijk zinvolle activiteiten als betaald werk niet
                    in beeld is.</al><al>De basislaag drukt de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan uit. Het op eigen benen kunnen staan, los van de overheid, door het
                    verrichten van betaald regulier werk, werk als zelfstandig ondernemer, door
                    tijdelijk gesubsidieerde arbeid of door sociale activering gericht op
                    inschakeling in onbeloonde (additionele) arbeid. Bij het invullen van de
                    onbeloonde arbeid wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van het
                    wetsvoorstel over de participatiebanen. De basislaag is bestemd voor mensen met
                    een arbeids- en/of re-integratieverplichting gericht op het verkrijgen van
                    uiteindelijk regulier betaald werk.</al><al>De middenlaag heeft betrekking op participatie door en naar structureel
                    gesubsidieerde arbeid. Deze voorziening is bestemd voor mensen met structurele
                    functiebeperkingen die daardoor belemmerd worden in het uitvoeren of verkrijgen
                    van regulier betaald werk of daarop gerichte opleidingen. De middenlaag is voor
                    mensen met een arbeids- en/of re-integratieverplichting gericht op het
                    verkrijgen van structureel gesubsidieerd werk. De activiteit op deze middenlaag
                    heeft raakvlak met de per 2008 gemoderniseerde Wsw.</al><al>De toplaag is bestemd voor personen met zodanige belemmeringen richting betaalde
                    of gesubsidieerde arbeid of daarop gerichte onbeloonde werkvormen waarvoor het
                    perspectief op die arbeid vooralsnog ontbreekt. Als regel zijn deze personen
                    ontheven van de arbeids- en re-integratieverplichting. Ook zij moeten kunnen
                    participeren in de samenleving op een manier die past bij hun capaciteiten,
                    vaardigheden en mogelijkheden. Zij zijn, als tussendoel, aangewezen op sociale
                    activering in de vorm van zelfstandige maatschappelijk participatie (dus op
                    participatie zonder externe begeleiding). Deze participatie verloopt via
                    onbeloonde arbeid in de vorm van vrijwilligerswerk (voor een sportvereniging of
                    voor de leefbaarheid van de buurt), mantelzorg of het op eigen kracht deelnemen
                    aan activiteiten in de wijk of buurt. Het verhogen van de laatstgenoemde vorm
                    van participatie staat mede in nauwe verbinding met het armoedebeleid en het
                    WMO-beleid. Het verhogen van de zelfstandige maatschappelijke participatie
                    levert een waardevolle bijdrage aan de samenleving.</al><al>Flankerende voorzieningen: schuldhulpverlening en kinderopvang zijn aan te
                    duiden als flankerende voorzieningen. Dit omdat ze zijn in te zetten voor de
                    gehele piramide (alle drie de lagen). Deze voorzieningen zijn veelal gericht op
                    het voorkomen of wegnemen van belemmeringen tot participatie (het door iedereen
                    meedoen naar vermogen). De opsomming van de flankerende voorzieningen is niet
                    beperkend bedoeld.</al><al>Mantelzorg: de omschrijving sluit aan op de definitie uit de Wet op de
                    maatschappelijke ondersteuning. Het moet gaan om het bieden van zorg bij
                    hulpbehoevendheid van fysieke, psychische en/of sociale aard. Van mantelzorg is
                    zonder meer sprake bij ontvangst van het zogeheten mantelzorgcompliment, bij
                    zorgvragers met een meervoudige handicap, dementie of ernstige psychische
                    problemen. Deze opsomming is niet beperkend. Van langdurige mantelzorg is sprake
                    als meer dan drie maanden zorg wordt verleend. Of werkelijk mantelzorg wordt
                    verleend, is mede vast te stellen uit de indicatie voor AWBZ-zorg --ook buiten
                    een AWBZ-instelling-- van het Centrum Indicatiestelling Zorg, het Bureau
                    Jeugdzorg voor jeugdigen met psychiatrische problematiek, de Wmo-beschikking of
                    een advies van bijvoorbeeld de Stichting Mantelzorg Midden Brabant.</al><al>De werk-voorop-benadering: dit is de opvolger van de sluitende aanpak. Binnen
                    deze benadering worden belanghebbenden zo snel mogelijk na het inschrijven als
                    werkzoekende aan het werk gezet voor bepaalde tijd in voorzieningen met betaald
                    werken dan wel werken met behoud van uitkering. In de werk-voorop-benadering zit
                    begeleiding op de werkplek en ruimte voor solliciteren inbegrepen. De
                    werk-voorop-benadering heeft ook een diagnostische functie. Immers vanuit de
                    werksituatie is goed te onderzoeken welke mogelijkheden en beperkingen iemand
                    heeft. Verder heeft de werk-voorop-benadering een poortwachtersfunctie.</al><al>Ervaring wijst uit dat de werk-voorop-benadering voor een deel van de
                    bijstandsaanvragers reden is om de aanvraag zelf in te trekken of dat de
                    aanvraag buiten behandeling moet worden gelaten omdat ze niet komen opdagen bij
                    afspraken of helemaal niet reageren op de oproep voor de
                    werk-voorop-benadering.</al><al>Het werken met behoud van uitkering wordt ingevuld naar de ministeriële
                    richtlijn over aard en duur van die banen (Verzamelbrief SZW van 10-12-2003).
                    Die richtlijn schrijft voor dat er bij "werken met behoud uitkering" geen
                    situatie mag ontstaan die vergelijkbaar is met een reguliere
                    arbeidsovereenkomst. Dit door te zorgen voor een component scholing/training of
                    het formuleren van leerdoelen aangevuld met afspraken over arbeidstijden en/of
                    bemiddelingsactiviteiten.</al><al>Nazorg: ook als een klant eenmaal actief is, stopt de ondersteuning en
                    begeleiding niet. Nazorg is een onderdeel van de polis en is er op gericht om
                    een uitstromer duurzaam actief te houden (terugval in de bijstand
                    voorkomen/beperken). Nazorg omvat zo nodig ook het aanscherpen van de
                    beroepsvaardigheden en (korte) beroepsopleidingen waarvoor geen aanspraak kan
                    worden gemaakt op een tegemoetkoming van de werkgever (sector of branche) of een
                    voorliggende voorziening anderszins (tegemoetkoming studiekosten). Het
                    ondersteunen van een eenmaal actieve klant is ook gericht op het voorkomen van
                    (een) armoede(val). Hier ligt een verbinding met het te voeren lokaal
                    armoedebeleid.</al><al>Duurzaam in relatie tot uitstroom is niet beperkt tot uitstroom door het
                    aanvaarden van betaald werk. Het ziet ook op uitstroom door het gaan volgen van
                    een opleiding met studiefinanciering (basisbeurs levensonderhoud). Een zodanige
                    uitstroom draagt immers bij aan het beheersen van het volume in de bijstand (het
                    realiseren van langdurige/duurzame uitstroom). Duurzame uitstroom is afhankelijk
                    van zowel economische factoren (vraag en aanbod) als in de persoon gelegen
                    factoren. Duurzame uitstroom kan ook betrekking hebben op het als een keten aan
                    elkaar voegen van opvolgende tijdelijke dienstverbanden of uitzendarbeid. Het
                    streven naar duurzame uitstroom moet herhaalde instroom in de bijstand van
                    zogeheten draaideurklanten beperken.</al><al>Het verband tussen de werk-voorop-benadering, algemeen geaccepteerde arbeid
                    (inclusief uitzendarbeid) en duurzame uitstroom is als volgt. De
                    werk-voorop-benadering is de opvolger van de sluitende aanpak. Binnen de
                    werk-voorop-benadering wordt, in tegenstelling tot de sluitende aanpak, niet
                    gewacht met het aanbieden van een voorziening tot voor jongeren een half jaar en
                    voor ouderen één jaar als werkzoekende is verstreken. De werk-voorop-benadering
                    is een voorziening in de vorm van tijdelijk betaald gesubsidieerd werk of
                    onbeloonde arbeid die zo spoedig mogelijk na het indienen van een aanvraag voor
                    bijstand wordt aangeboden. Deze voorziening is gericht op het bevorderen van
                    versnelde en duurzame uitstroom uit de bijstand. Het opdoen van werkervaring
                    vergroot immers de kans op het verkrijgen van betaald regulier werk. Dus op
                    arbeid waarbij géén ondersteuning of voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    meer nodig is. Hiermee is aangegeven dat het tijdelijk gesubsidieerd werk als
                    voorziening binnen de werk-voorop-benadering geen einddoel kan zijn. Uit de
                    toelichting op de omschrijving van het begrip werk-voorop-benadering blijkt
                    voorts, dat deze voorziening nadrukkelijk ook een diagnostische functie en een
                    poortwachtersfunctie heeft.</al><al>Tijdelijk gesubsidieerd werk binnen de werk-voorop-benadering en regulier
                    betaald werk moeten betrekking hebben op algemeen geaccepteerde arbeid. Hiermee
                    wordt bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Hiermee zijn
                    uitgesloten werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, die ingaan tegen
                    de integriteit van de persoon of die gewetensbezwaren oproepen. De arbeid die
                    wordt aangeboden hoeft niet beperkt te blijven tot de arbeid die gangbaar is
                    voor de betrokken persoon, omdat bijvoorbeeld die arbeid in het verleden is
                    verricht en daarmee wellicht meer affiniteit bestaat dan met de aangeboden
                    arbeid. Er is nadrukkelijk afscheid genomen van het oude begrip "passende
                    arbeid". Uitgangspunt van de WWB is dat de weg naar werk zo kort mogelijk dient
                    te zijn. Gelet op het vangnetkarakter van de WWB dient elke vorm van arbeid
                    geaccepteerd te worden. Volgens de memorie van toelichting op de WWB kunnen door
                    de gemeente of door de klant geen eisen gesteld worden aan de aansluiting van de
                    arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en
                    beloningsniveau. Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt eveneens verstaan
                    alle vormen van gesubsidieerde arbeid, maar niet de dienstbetrekkingen in het
                    kader van de Wet sociale werkvoorziening. Hiervoor gelden de voorwaarden van die
                    wet.</al><al>De ondersteuning en het aanbieden van een voorziening zijn gericht op het
                    verkrijgen van duurzaam regulier werk. Duurzaam wil zeggen dat de ondersteuning
                    en voorziening bij voorkeur moeten bijdragen aan het voorkomen van terugval in
                    de uitkering binnen een half jaar na uitstroom of het aanvaarden van regulier
                    werk.</al><al>In de toelichting op de WWB staat dat ook arbeid van tijdelijke aard
                    geaccepteerd dient te worden. Hiermee vallen tijdelijk gesubsidieerd werk en
                    regulier betaald werk in de vorm van uitzendarbeid of seizoenarbeid binnen de
                    reikwijdte van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Door het verbinden van
                    elkaar opvolgende, tijdelijke arbeid is duurzame arbeid en daarmee duurzame
                    uitstroom uit de bijstand te realiseren. Vanuit deze optiek draagt ook de
                    werk-voorop-benadering bij aan het duurzaam aan het werk helpen van
                    belanghebbenden en aan het duurzame uitstromen uit de bijstand. Deze zienswijze
                    past binnen de toenemende flexibilisering van de arbeid.</al><al>Hoofdstuk 2 Re-integratie</al><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                    werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld in
                    artikel 7 van de WWB. Hierbij de opmerking dat de Wet structuur
                    uitvoeringsorganisaties werk en inkomen de verantwoordelijkheid voor de
                    bemiddeling naar werk van Nug-ers en ANW-ers bij het CWI legt. Het CWI
                    beoordeelt hun kans op werk, hun administratieve indeling en adviseert over hun
                    inschakeling in het arbeidsproces.</al><al>Voor het invullen van het re-integratiebeleid zijn richtinggevend: de sluitende
                    aanpak; duurzame uitstroom; het vergroten van de participatie van langdurig
                    uitkeringsgerechtigden en de prestatie-afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord
                    “Samen aan de Slag”. Het gaat voornamelijk over het verhogen van de participatie
                    van uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Centraal
                    staat: de participatie (het meedoen) van burgers door werk.</al><al>Artikel 4 Opdracht van het college</al><al>Het is aan het college om te zorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. De WWB en de verordening gaan uit van door het
                    college noodzakelijk geachte voorzieningen. Door deze omschrijving is het
                    aanbieden van een voorziening afhankelijk te stellen van sociaal-economische
                    factoren en de middelen uit het werkdeel WWB. De ondersteuning is dan ook geen
                    afdwingbaar recht zoals een belanghebbende dat het liefst zou zien. Het aanbod
                    van voorzieningen wordt voorts afgestemd op in de toekomst te ontwikkelen
                    (regionaal) arbeidsmarktbeleid. Uitgangspunt zal niet zozeer beleid voor
                    specifieke doelgroepen zijn, maar het beginsel "iedereen doet mee (participeert)
                    naar vermogen".</al><al>Artikel 5 Taak van het college</al><al>Het aanbod van de noodzakelijk geachte voorzieningen steunt op de jaarlijks vast
                    te stellen programmabegroting. De zorg voor een sluitende aanpak verloopt via de
                    werk-voorop-benadering (snelwerk). Al bij of kort na het aanvragen van bijstand
                    wordt een tijdelijk (betaalde) werkervaringsplaats aangeboden. Bij participatie
                    door en naar sociale activering zijn werkvormen met behoud van uitkering in te
                    zetten. Specifiek voor jongeren zonder startkwalificatie geldt het werkend leren
                    of lerend werken als hoogste doel.</al><al>Bij flankerend beleid voor het wegnemen van belemmeringen voor
                    arbeidsinschakeling valt te denken aan voorzieningen als indicatiestelling,
                    nazorg, schuldhulpverlening, e.d. (zie artikel 8 van de verordening). Hierbij de
                    opmerking dat in Alphen-Chaam het aanbod voor noodzakelijke en gepaste
                    kinderopvang geheel verloopt via de Wet kinderopvang. Ook voor kinderopvang die
                    nodig is op grond van een medische of psychische indicatie. De noodzakelijk
                    geachte voorzieningen worden als regel ingekocht bij een
                    re-integratiebedrijf.</al><al>Deze inkoop verloopt zo nodig met in acht name van de lokale richtlijnen voor
                    in-, aan en uitbesteden.</al><al>Artikel 6 Rechten en plichten belanghebbenden</al><al>De in deze verordening vastgelegde rechten en plichten passen binnen het goed en
                    juist uitvoeren van de WWB en spreken voor zich. De rechten en plichten zijn
                    mede gericht op het kunnen vaststellen van een noodzakelijk geachte indicatie,
                    een Wsw-indicatie inbegrepen. Dit om de noodzaak en het aanbod van een
                    voorziening correct en adequaat te kunnen afstemmen op de situatie, feiten en
                    omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. In het geval van een
                    Wsw-indicatie staat het de belanghebbende vrij om na de indicatie al dan niet
                    een Wsw-dienstbetrekking te aanvaarden. Dit voor zolang een Wsw-dienstbetrekking
                    voor het toepassen van de WWB niet wordt aangemerkt als algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</al><al>Het in relatie tot de uitkering en de ondersteuning werken met in beginsel een
                    vaste contactpersoon is mede gericht op het voorkomen van dubbeling in
                    overdracht van informatie op het terrein van werk en inkomen. De integrale
                    dienstverlening van UWV, CWI en gemeenten is volop in ontwikkeling. Zo streeft
                    het kabinet op dit punt naar het op lokaal niveau samenbrengen van
                    arbeidsmarktbeleid en re-integratie in één loket. De dienstverlening aan
                    werkzoekenden en werkgevers in de keten vindt dan niet meer volgtijdelijk plaats
                    maar geïntegreerd in één loket: Lokatie Werk en Inkomen. Dit LWI-loket moet
                    voorzien in een geïntegreerde en efficiënte dienstverlening voor werkzoekenden
                    en het werken met één vaste contactpersoon namens alle instanties (CWI, UVW en
                    gemeente). Alphen-Chaam oriënteert zich momenteel op de wijze waarop deze nieuwe
                    "toonkamer"-aanpak vormgegeven kan worden voor onze specifieke situatie.
                    Alphen-Chaam heeft immers te maken met 2 CWI-lokaties (lees: 2
                    LWI-loketten).</al><al>De verplichting tot het melden van belangrijke zaken rond de aanspraak op
                    ondersteuning of voorziening houdt verband met een effectieve inzet van de
                    beperkte (re-integratie)middelen. In het kader van re-integratieverplichting
                    werkt de gemeente Alphen-Chaam met een polismodel. Daarbij wordt de klant
                    verzocht de in overleg met hem opgestelde polis voor gezien te ondertekenen.
                    Deze actie moet voorkomen dat er achteraf misverstand ontstaat over inhoud en
                    reikwijdte van de polis. Dit verzoek wordt ondersteund met het recht op een
                    heroverweging (second opinion). Hiertoe kan een beroep worden gedaan op de
                    onafhankelijke arbeidsadviseur, die in het CWI-kantoor een werkplek heeft. Het
                    niet voldoen aan het verzoek tot het voor gezien ondertekenen van de polis heeft
                    geen gevolgen voor de uitkering. De polis maakt integraal onderdeel uit van de
                    beschikking tot het toekennen of voortzetten van de bijstand. In het feitelijk
                    niet nakomen van de afspraken uit de polis (onderdeel van de beschikking)
                    voorziet het sanctiebeleid.</al><al>Artikel 7 Criteria ontheffen arbeids- en/of re-integratieplicht</al><al>De WWB kent een arbeids- en een re-integratieverplichting. Een ontheffing kan
                    betrekking hebben op één of beide verplichtingen en wordt steeds tijdelijk
                    verleend. Het onderscheid in verplichtingen vergroot de mogelijkheid tot
                    participatie naar het uitgangspunt "iedereen doet mee naar vermogen". Bij het
                    optimaal benutten van de mogelijkheden en talenten van een werkzoekende kan een
                    re-integratievoorziening tot het volgen van een opleiding aangewezen zijn. Het
                    voor de duur van een noodzakelijk geachte opleiding verlenen van een ontheffing
                    van de arbeidsverplichting maakt de weg vrij voor het kunnen realiseren van de
                    studie-opdracht binnen de te handhaven re-integratieverplichting.</al><al>Bij het verlenen van een ontheffing wordt het bepaalde in artikel 9, lid 2 en 4,
                    van de WWB in acht genomen. Daaruit blijkt dat in het geval van een ontheffing
                    voor een alleenstaande ouder in het bijzonder een afweging moet worden gemaakt
                    tussen het belang van de arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst
                    te geven aan de zorgplicht. Voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar
                    geldt de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts
                    nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van
                    passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid
                    van de betrokkenen. De toepassing van voldoende scholing is er op gericht dat er
                    met een deeltijdbaan onafhankelijkheid van de bijstand kan worden
                    verworven.</al><al>De zorgtaak voor en de opvoeding van jonge kinderen kan reden zijn voor het
                    verlenen van een tijdelijke ontheffing, als met die taak geen rekening kan
                    worden gehouden door middel van het aanbieden van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling. Hierbij geldt kinderopvang uit de Wet kinderopvang,
                    tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang inbegrepen, als een toereikende
                    voorziening. Het is lokaal zo geregeld dat via de Wet kinderopvang in de
                    benodigde kinderopvang is te voorzien. Bij belastbaarheid valt te denken aan de
                    zorg voor een probleemkind, een gehandicapt kind of een groot gezin. De
                    combinatie van betaald werk en opvoeding van kinderen heeft de voorkeur, omdat
                    daarmee wordt voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te
                    lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Hier is het leveren van maatwerk een
                    vereiste.</al><al>Bij mantelzorg is ontheffing aangewezen als wordt voldaan aan de
                    begripsomschrijving, de daarbij gegeven toelichting inbegrepen, en ondersteunde
                    zorg ontbreekt. Meer in het algemeen mag de wens van een werkzoekende om
                    mantelzorg te verlenen de kortste weg door of naar betaald regulier werk in
                    redelijkheid niet belemmeren. Bij het afwegen van belangen is ook de
                    geschiktheid van de mantelzorger voor de zorgtaak te betrekken. Hierin kan de
                    Stichting Mantelzorg Midden Brabant bemiddelen.</al><al>De arbeids- en/of re-integratieverplichting zijn niet van toepassing op een
                    belanghebbende die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
                    tot de doelgroep behoort van de Wet sociale werkvoorziening. Beschikt een
                    arbeidsgehandicapte in de zin van de Wsw niet over zo'n (her-)indicatie, dan
                    zijn de arbeids- en/of re-integratieverplichting gewoon van toepassing. Hiervan
                    is op individuele grond tijdelijk vrijstelling te verlenen. Dit geldt ook voor
                    de persoon die op grond van objectiveerbare medische (psychische of fysieke)
                    omstandig-heden niet in staat is om deel te nemen aan een re-integratietraject
                    of voor wie arbeidsinschakeling geen realistisch perspectief is. Bij het
                    (her-)beoordelen van een ontheffing worden de te benutten mogelijkheden en
                    talenten om te participeren betrokken.</al><al>Artikel 8 Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling</al><al>De onder het motto "iedereen doet mee" gevraagde inspanningsverplichting tot
                    participatie door en naar werk is te zien als te leveren tegenprestatie voor de
                    uitkering. Voor mensen met een beperking is dit inbegrepen de
                    (indicatiestelling) sociale werkvoorziening. Zij kunnen immers via de Wet op de
                    sociale werkvoorziening (Wsw) aangepast werk krijgen. Deze wet wordt nog in de
                    loop van 2008 gemoderniseerd met als belangrijkste doel om meer mensen met
                    beperkingen aan het werk te krijgen bij reguliere werkgevers in plaats van in de
                    beschutte werkplaats. De verantwoordelijkheid voor de regie op de nieuwe Wsw
                    ligt bij de gemeente.</al><al>Een voorziening is in beginsel gericht op het realiseren van de kortste weg naar
                    duurzaam betaalde arbeid. Een voorziening wordt in het algemeen pas aangeboden
                    als het een belanghebbende niet zelf lukt om die arbeid te verkrijgen (in de
                    zoektijd tussen melding CWI en intake aanvraag WWB-uitkering). Voor nieuwe
                    instromers in de bijstand wordt een werk-voorop-benadering toegepast. Deze
                    voorziening verloopt vooralsnog via het project "werk in zicht" en is ook in te
                    zetten voor WWB-ers uit het actieve uitkeringenbestand. De
                    werk-voorop-benadering staat niet in de weg aan het voortzetten van het beleid
                    voor jongeren zonder startkwalificatie en het beleid voor startende (allochtone)
                    ondernemers.</al><al>Om op de arbeidsmarkt een volwaardige positie te kunnen innemen zouden alle
                    jongeren tot 23 jaar een afgeronde startkwalificatie moeten hebben. Een
                    afgeronde vmbo (theoretische leerweg), havo, vwo of mbo-opleiding t/m niveau 2
                    geldt als een minimaal vereiste startkwalificatie tot betaald werk. In het
                    algemeen zijn deze opleidingen binnen de leerplichtige leeftijd (18 jaar) af te
                    ronden. Voor jongeren tot 23 jaar, die zonder diploma het voortgezet onderwijs
                    verlaten en die bijstand aanvragen, geldt het alsnog behalen van een
                    startkwalificatie als hoogste doel. Voor jongeren voor wie deze
                    startkwalificatie moeizaam of niet reëel haalbaar is binnen een termijn van twee
                    jaar gaat hun (ongeschoolde) startpositie voor startkwalificatie. Voor hen is de
                    behoefte aan scholing mogelijk minder groot dan de behoefte om door ongeschoold
                    werk in het bestaan te voorzien.</al><al>Hun startpositie op de arbeidsmarkt wordt afgestemd op de vraag van werkgevers
                    naar ongeschoolde werkkrachten. Voor hen geldt onverminderd de
                    werk-voorop-benadering.</al><al>Jongeren die aan de slag kunnen zonder startkwalificatie, zijn en blijven
                    kwetsbaar op de arbeidsmarkt. Wel blijft het van groot belang, dat ook deze
                    groep in staat wordt gesteld om alsnog een startkwalificatie te behalen. Tot de
                    groep jongeren behoren ook jongeren die geen werk willen, die zich niet melden
                    voor een uitkering en die niet ingeschreven staan bij het CWI. Van deze groep is
                    globaal bekend waarom ze geen werk willen:</al><al>- een deel heeft zorgtaken die ze van het werk houden.</al><al>- een deel volgt een deeltijdse opleiding en hebben het druk genoeg; willen een
                    gestaakte</al><al>studie weer oppakken; willen na uitval wegens een verkeerde studiekeuze een
                    andere studierichting gaan volgen; willen na een afgeronde opleiding verder
                    studeren.</al><al>- een deel vindt zich te ziek om te gaan werken.</al><al>- van een deel is niet bekend waarom ze niet willen werken.</al><al>Deze onzichtbare jongeren worden steeds meer betrokken bij het
                    re-integratiebeleid. Hulpmiddelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn het
                    koppelen van gegevens van GBA, Belastingdienst, Informatiebeheergroep en CWI.
                    Deze aanpak komt tegemoet aan de inkomenswaarborg van de WWB. Deze waarborg
                    verzekert hen van een inkomen, waarmee onder meer de zorgverzekering betaalbaar
                    wordt. Het voorkomen van financiële uitsluiting bestrijdt gericht mogelijke
                    armoede.</al><al>Het aan hoger opgeleide vluchtelingen toestaan om onder nader te stellen regels
                    een (aanvullende) opleiding te volgen met behoud van bijstandsuitkering, komt
                    tegemoet aan de afspraken die het ministerie van SZW hierover met de VNG heeft
                    gemaakt. Het op peil houden van hun kennis vergemakkelijkt de rentree op de
                    arbeidsmarkt. Het op deze wijze investeren in hoger opgeleide vluchtelingen
                    verdient de voorkeur boven het aanbieden van laagbetaalde of ongeschoolde
                    (participatie) banen.</al><al>Artikel 9 Afweging belangen</al><al>Naast de WWB-vereisten als zorgplicht alleenstaande ouder, beschikbaarheid
                    passende kinderopvang, voldoende scholing en belastbaarheid, houdt het college
                    bij het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van daarop
                    gerichte voorzieningen tevens rekening met:</al><al>- de intrinsieke motivatie van een belanghebbende,</al><al>- de aanwezigheid van een voorliggende voorziening;</al><al>- de situatie op de arbeidsmarkt;</al><al>- de eerder aangeboden voorzieningen (mate van investering) en</al><al>- het (perspectief op) inkomen uit arbeid van de belanghebbende.</al><al>Deze aanpak onderstreept het belang van het afstemmen van een voorziening op de
                    talenten, capaciteiten en ambities van een belanghebbende. Dit voor zover dat de
                    kortste weg naar duurzame uitstroom in redelijkheid niet belemmert. Het op dit
                    punt te leveren maatwerk is gewaarborgd met het recht op een second opinion.
                    Maatwerk biedt tevens ruimte voor het voortzetten van het beleid voor startende
                    (allochtone en oudere) ondernemers en kleine deeltijd zelfstandigen (in
                    combinatie met een reguliere deeltijdbaan) en het beleid voor jongeren zonder
                    startkwalificatie. Verder is er ruimte voor het stimuleren van (duurzame)
                    uitstroom via studies met recht op een basisbeurs voor levensonderhoud. Studie
                    verbetert de kansen op betaald werk. Voor de duur van de studie is de bijstand
                    te beëindigen in verband met het recht op studiefinanciering (rendementsdenken).
                    Voor het overige gaat het bij het aanbieden van een voorziening niet alleen om
                    het besparen van uitkeringen, maar ook om mensen met een grote afstand tot
                    betaald werk te stimuleren tot het verrichten van maatschappelijk zinvolle
                    activiteiten.</al><al>Artikel 10 Stimuleren en handhaven participatie</al><al>Het stimuleren van participatie verloopt via het lokaal premiebeleid (nader
                    uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze verordening). Tegenhanger van het
                    premiebeleid is het sanctiebeleid. Met het sanctiebeleid is het spontaan naleven
                    van de WWB-verplichtingen kracht bij te zetten. Het sanctiebeleid is nader
                    uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze verordening. Voor ANW-ers en Nuggers is de
                    aanspraak op ondersteuning of een voorziening bij wijze van sanctie uit te
                    stellen of te beëindigen.</al><al>Artikel 11 Beëindigen ondersteuning of voorziening</al><al>Het ondersteunen of aanbieden van een voorziening wordt afgestemd op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Voor het
                    beëindigen van de ondersteuning of een voorziening is verwijtbaarheid niet een
                    vereiste. Onder het beëindigen van de ondersteuning of een voorziening is mede
                    begrepen het opzeggen van een gesubsidieerde dienstbetrekking of het beëindigen
                    van de subsidie voor die dienstbetrekking.</al><al>Hoofdstuk 3 Stimuleren participatie</al><al>Algemeen</al><al>Een van de hoofdtaken van de WWB is het activeren en stimuleren van mensen met
                    een uitkering richting participatie, bij voorkeur door en naar betaald regulier
                    werk. In dit hoofdstuk zijn flankerende voorzieningen vastgelegd die zijn in te
                    zetten om belanghebbenden deze beweging te laten maken. Een van de voorzieningen
                    is een premie. Een premie om klanten aan te moedigen zich bijzonder in te
                    spannen richting betaald werk of maatschappelijke participatie. In de
                    re-integratieverordening uit 2004 bestond ook al de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een premie. Heel bewust zijn daar destijds geen regels voor
                    vastgesteld. Het idee was dat het aantal klanten te gering was om daarop beleid
                    vast te leggen. Dit zou het principe van maatwerk kunnen frustreren. In de
                    praktijk is gebleken dat de afdeling wel behoefte heeft aan richtlijnen. Het
                    premiebeleid zoals opgenomen in deze verzamelverordening is geheel vernieuwd en
                    opgebouwd rond premie op participatie. Het premiebeleid is in samenhang gebracht
                    met overige voorzieningen voor het stimuleren van participatie als
                    doorstroompremie gesubsidieerde arbeid, tegemoetkoming arbeidsplaats,
                    onkostenvergoeding en vrijlating inkomsten. Hoofdstuk 3 voorziet dus in een
                    belangrijke behoefte.</al><al>Van de algemene toelichting op het stimuleren van participatie wordt gebruik
                    gemaakt door te verwijzen naar de verbinding met het beleid voor bijzondere
                    bijstand en het lokaal armoedebeleid. Het beleid voor bijzondere bijstand steunt
                    op het polismodel, dat is opgebouwd rond het principe "voor wat, hoort wat". Ook
                    langs deze weg is vorm te geven aan de ambitie tot het verhogen van de
                    participatie van mensen met een minimuminkomen.</al><al>Artikel 12 Premie op participatie</al><al>De WWB biedt een inkomensgarantie op minimumniveau. De WWB vult het eigen
                    inkomen, ook dat uit arbeid, slechts aan tot het sociaal minimum: de
                    bijstandsnorm. De WWB staat eenmalig over een aaneengesloten termijn van
                    maximaal zes maanden een vrijlating van inkomen uit arbeid toe. Na afloop van
                    deze termijn moet het inkomen uit arbeid volledig (100%) op de uitkering in
                    mindering wordt gebracht. Werken in deeltijd loont dan niet meer. Dit wordt door
                    kwetsbare groepen met weinig tot geen perspectief op volledige uitstroom ervaren
                    als niet redelijk/billijk. Juist zij zijn vaak langer dan zes maanden (de
                    maximum duur van de inkomstenvrijlating) op arbeid in deeltijd aangewezen. Beter
                    in deeltijd werken dan voltijds stilzitten. Om werken lonend te maken is
                    ondersteuning met een lokaal premiebeleid gewenst.</al><al>De premie op participatie beoogt de bijzondere inspanningen van een
                    belanghebbende gericht op diens participatie te belonen. Hierbij valt te denken
                    aan onder meer het aanvaarden van betaalde (gesubsidieerde) arbeid in voltijd of
                    deeltijd; het volgen van een scholing of stage; het verlenen van mantelzorg; het
                    verrichten van vrijwilligerswerk; het gebruik maken van nazorg in de vorm van
                    jobcoaching of begeleiding op de werkplek; vrijwillige deelname aan inburgering;
                    starten van een zelfstandig bedrijf/beroep. De premie wordt toegekend als de
                    belanghebbende naar het oordeel van het college een bijzondere inspanning heeft
                    verricht. Dit artikel beoogt dus niet zozeer het toekennen van het recht op een
                    specifieke voorziening, maar het recht om bijzondere inspanningen van klanten te
                    ondersteunen. Een zodanige aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid
                    van de klanten.</al><al>De zinsnede "naar het oordeel van het college" houdt in, dat een toetsing
                    plaatsvindt aan de feiten en omstandigheden in het individuele geval. De klant
                    heeft weliswaar het recht om de premie aan te vragen, maar het uitvoerend orgaan
                    toetst/beoordeelt. Mede bepalend zijn niveau van opleiding; duur werkloosheid;
                    zorg of sociaal-psychische problematiek; eerder aanbod van voorzieningen (mate
                    van investering in een klant); aanspraak op inkomsten-vrijlating of ontvangst
                    vergoeding uit stage/vrijwilligerswerk etc.</al><al>De hoogte van de premie op participatie is variabel gemaakt en gesteld op
                    minimaal € 250,- en een maximum van € 500,--. De bandbreedte voor de hoogte van
                    een toe te kennen premie schept ruimte voor het leveren van maatwerk. Het
                    variabel maken van de premies biedt een waarborg om, afhankelijk van de
                    ontwikkelingen in het premievolume, binnen het beschikbare jaarbudget voor het
                    premiebeleid te blijven werken.</al><al>Door het college de hoogte van de premie te laten vaststellen is flexibel in te
                    springen op ontwikkelingen in onder meer premievolume of wetgeving.</al><al>Aanspraak op de maximumpremie is gewaarborgd bij betaald werken in deeltijd
                    "naar vermogen" voor de duur van tenminste drie maanden per kalenderjaar. De
                    toevoeging "naar vermogen" brengt de maximumpremie binnen het bereik van klanten
                    die wegens beperkingen of belastbaarheid langdurig zijn aangewezen op arbeid in
                    kleine deeltijd. Ook voor arbeidsongeschikten, alleenstaande ouders of
                    mantelzorgers moet het werken in deeltijd lonen. De in de verordening
                    vastgelegde aanspraak op een maximumpremie laat onverlet het in individuele
                    gevallen en afhankelijk van de geleverde prestatie tot participatie toekennen
                    van een maximumpremie. Dit is verbonden aan het te leveren maatwerk. De premie
                    voor het met goed gevolg doorlopen van een traject tot nazorg beoogt naast het
                    voorkomen van terugval in de uitkering ook een armoedeval te voorkomen. Het
                    participeren/meedoen naar vermogen is te sturen via het afstemmen van de
                    bijstand (zie hoofdstuk 4).</al><al>Voor het premiebeleid wordt niet als participatie aangemerkt het door
                    uitkeringsgerechtigden nakomen van een verplichting tot inburgering op grond van
                    de Wet inburgering. Voor deze doelgroep voorziet de Verordening Wet Inburgering
                    gemeente Alphen-Chaam in een stimuleringsbonus van € 270,-- (norm 2007) bij het
                    tijdig afleggen van het inburgeringsexamen. De verzamelverordening regelt een
                    premie tot eenzelfde bedrag voor de uitkeringsgerechtigde die
                    inburgeringsbehoeftig is en die vrijwillig het inburgeringsprogramma aflegt
                    onder dezelfde voorwaarden die gelden voor inburgeringsplichtigen. De
                    voorwaarden betreffen het tijdig en met goed gevolg afleggen van het betreffende
                    examen.</al><al>De premie is fiscaal onbelast. Dit wil zeggen dat de premie niet als inkomen
                    wordt aangemerkt voor inkomensafhankelijke regelingen als huur-, zorgtoeslag en
                    dergelijke. Voor fiscale onbelastbaarheid is vereist dat de premie maar eenmaal
                    per jaar wordt toegekend en in één bedrag wordt uitgekeerd. De premie mag dus
                    niet in termijnen worden verstrekt. Het is mogelijk om met behoud van de
                    onbelastbaarheid de premie bij meerdere gelegenheden toe te zeggen, mits de
                    toezeggingen gezamenlijk in één bedrag worden uitbetaald. Het kunnen toekennen
                    van meerdere (kleine) premies bij een eenmalige uitbetaling per kalenderjaar en
                    tot bij elkaar opgeteld ten hoogste het vastgestelde maximum premiebedrag, komt
                    tegemoet aan de wens van de uitvoering tot het kunnen stimuleren van op elkaar
                    aansluitende vervolgstappen uit een polis.</al><al>Artikel 13 Vergoeding onbeloonde arbeid</al><al>Voor de sociale activering van WWB-ers kan o.a. het project WZSW worden
                    gebruikt. Dat project biedt re-integratietrajecten (opleiding tot
                    Woonzorgserviceverlener) en Activiteiten (maatschappelijk zinvolle activiteiten)
                    aan. Het deelnemen aan WZSW (verrichten van onbeloonde arbeid) is te stimuleren
                    met een premie op participatie.</al><al>Voor het stimuleren van de WZSW-Activiteiten is om pragmatische redenen een
                    aparte werkvergoeding onbeloonde arbeid ingevoerd. Het is een onkostenvergoeding
                    die naar hoogte en karakter gelijk is gesteld met de
                    vrijwilligerswerkvergoeding. De hoogte van deze vergoeding (max € 764,-- op
                    jaarbasis) is gekoppeld aan de duur van de onbeloonde arbeid. In vergelijk met
                    de premie op participatie is de vergoeding onbeloonde arbeid maandelijks fiscaal
                    onbelast uit te betalen. Het maandelijks kunnen betalen van de vergoeding is
                    naar verwachting een verbeterde stimulans tot deelname aan de WZSW-Activiteiten
                    vanuit het project WZSW.</al><al>Artikel 14 Doorstroompremie werknemer voormalige WIW-/ID-baan</al><al>De huidige premie voor de werknemer die doorstroomt vanuit een voormalige WIW-
                    of ID-baan is gebaseerd op overgangsrecht uit ingetrokken wetgeving. De
                    Invoeringswet WWB stelt, dat deze dienstbetrekkingen per 01-01-2004 gelden als
                    een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB. Uit
                    oogpunt van rechtszekerheid en continuïteit is de premie ongewijzigd opgenomen
                    in de verzamelverordening.</al><al>Artikel 15 Premie op maat werkgever voormalige WIW-/ID-baan</al><al>Deze premie is eveneens gebaseerd op oud overgangsrecht. De premie is om
                    dezelfde redenen als in het vorige artikel genoemd, opgenomen in de
                    verzamelverordening. De hoogte van de premie wordt op maat vastgesteld door het
                    college.</al><al>Artikel 16 Tegemoetkoming kosten arbeidsplaats</al><al>De tegemoetkoming heeft tot doel om uitkeringsgerechtigden die een zeer
                    kwetsbare positie innemen op de arbeidsmarkt op duurzaam regulier betaald werk
                    geplaatst te krijgen. Het gaat hier om het opnemen van een reeds bestaande
                    voorziening in de verzamelverordening. De inzet van deze voorziening vindt
                    plaats in overeenstemming met de nadere regels die in het kader van het
                    Backoffice-contract voor dit doel zijn opgesteld. De tegemoetkoming wordt alleen
                    verstrekt voor duurzame reguliere arbeidsplaatsen voor leden van de doelgroep
                    (dus met een indicatie van het college). Overigens worden werkgevers al
                    gestimuleerd tot het in dienst nemen van werkzoekenden met een ziekte of
                    handicap of van een oudere werkzoekenden. Dit via een vrijstelling of korting
                    van de in te houden premies voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.</al><al>Een tegemoetkoming in de kosten van arbeidsplaatsen, het financieren van
                    detacheringbanen en loonkostensubsidies in het kader van re-integratie kunnen
                    worden aangemerkt als een aanmeldingsplichtige steunmaatregel. De richtlijn van
                    de Europese Unie verplicht dan tot het ter goedkeuring opsturen van een
                    samenvatting van de lokale regels waarin deze vorm van voorziening is vastgelegd
                    en een jaarlijks verslag naar de Europese Commissie (via het Coördinatiepunt
                    staatssteun). Niet als staatssteun wordt aangemerkt:</al><al>- een stimuleringspremie die rechtstreeks aan de werkzoekende worden toegekend
                    voor het</al><al>aanvaarden van betaalde arbeid.</al><al>- een subsidie die generiek is (die voor alle ondernemingen, in alle sectoren
                    gelden).</al><al>- een subsidie waarvan de ontvanger geen economische activiteit uitvoert.</al><al>De tegemoetkoming in de kosten van een arbeidsplaats valt onder deze
                    uitzonderingen en is daarmee niet aan te merken als staatssteun. Om deze reden
                    zijn de administratieve EU-verplichtingen niet van toepassing. De
                    administratieve EU-verplichting is voorts niet van toepassing als de regeling
                    voldoet aan de beleidsaanbeveling van SZW. Het opnemen van en verwijzen naar de
                    beleidsaanbeveling garandeert het voorkomen van de administratieve last uit de
                    EU-regels.</al><al>Artikel 17 (Onkosten-)vergoeding</al><al>Het opnemen van een vergoeding voor de onkosten die direct verband houden met de
                    participatie vergroot de rechtswaarborg voor de klant. Het inzetten van de
                    vergoeding als een flankerende (re-integratie-)voorziening maakt financiering
                    uit het werkdeel WWB mogelijk. Onder noodzakelijke kosten wordt verstaan de
                    noodzaak als bedoeld in de WWB: goedkoopste adequate voorziening. Het vergoeden
                    van onkosten blijft buiten toepassing als de belanghebbende voor de in dit
                    artikel benoemde specifieke kosten aanspraak kan maken of een beroep kan doen op
                    een buiten de WWB of deze verordening gelegen voorziening.</al><al>Hierbij valt te denken aan de kosten voor kinderopvang waarin de Wet op de
                    kinderopvang voorziet of de kosten voor zorg- of hulpverlening waarin AWBZ, WMO
                    of Zorgverzekeringswet voorzien. De fiscale norm voor de aftrek van
                    woon-werkverkeer bedraagt € 0,19 per kilometer (norm 2007).</al><al>Artikel 18 Inkomstenvrijlating</al><al>Gedurende ten hoogste 6 aaneengesloten maanden mag de klant 25% van de inkomsten
                    uit arbeid zelf houden (hoeft niet op de uitkering gekort te worden). Dit met
                    een maximum van € 181,-- per maand (norm 01-01-2008) en voor zover dit naar het
                    oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. Het invullen van
                    dit oordeel maakt een eenduidige toepassing van de inkomstenvrijlating
                    mogelijk.</al><al>De naar aard (eenmalig) en duur (6 aaneengesloten maanden) beperkte
                    inkomstenvrijlating vereisen goed overleg met de klant over het mogelijk
                    ongewenst opsouperen van het recht op vrijlating. Bij onzekerheid vooraf over de
                    duur van de inkomsten is de vrijlating ook achteraf toe te kennen. Deze
                    invulling past binnen het verbinden met het minimabeleid (ruimhartig invullen
                    regels). Omdat fraude niet mag lonen, is het vrijlaten van inkomsten uitgesloten
                    in situaties waarin de gemeente financieel is benadeeld door het niet correct
                    nakomen van de inlichtingenverplichting en er ten onrechte of tot een te hoog
                    bedrag bijstand is geclaimd.</al><al>De mogelijkheid tot kunnen toekennen van een premie aansluitend op een
                    inkomstenvrijlating verduidelijkt de reikwijdte van het verbod op samenloop van
                    premie met inkomstenvrijlating. Deze samenloop is beperkt tot het tijdvak van
                    maximaal zes maanden waarin de inkomsten uit arbeid zijn vrij te laten.</al><al>Artikel 19 Aanvullende bepalingen</al><al>De voorzieningen in dit hoofdstuk worden bij voorkeur toegekend zonder dat de
                    belanghebbende daarvoor een aanvraag hoeft in te dienen. De voorziening in de
                    vorm van een premie wordt zodanig toegekend dat deze voor de ontvanger fiscaal
                    vrij is. Een premie is fiscaal vrij als deze in één bedrag wordt uitgekeerd.
                    Fiscaal vrij wil zeggen, dat de premies niet meetellen als inkomen bij het
                    gebruik van inkomensafhankelijke voorzieningen als huur-, zorg- of
                    kindertoeslag, kwijtschelding, eigen bijdrage thuiszorg etc. Bij het uitbetalen
                    van de premie in termijnen wordt deze als een periodieke en dus fiscaal te
                    belasten uitkering aangemerkt. Het werken met een fiscaal vrije premie heeft
                    verre de voorkeur. Een zodanige invulling past binnen het afstemmen op het te
                    voeren minimabeleid (ruimhartig invullen regels).</al><al>Hoofdstuk 4 Sanctiebeleid (afstemmen/verlagen van de bijstand)</al><al>Algemeen</al><al>In dit hoofdstuk is nader uitgewerkt de verplichting van de gemeente als bedoeld
                    in artikel 18 van de WWB om zelf vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid
                    (vaststellen afstemmingsverordening). De WWB kent maar één soort sanctie: het
                    verlagen van de uitkering. Het verlagen van de uitkering is verplicht
                    voorgeschreven als de belanghebbende naar het oordeel van het college:</al><al>a. tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in
                    het bestaan</al><al>b. de uit de WWB of de artikelen 28, 2<sup>e</sup> lid of 29, 1<sup>e</sup> lid,
                    van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt.</al><al>Hieronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.</al><al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt tegen de visie, dat een uitkering als een
                    tijdelijke overbrugging wordt gezien tot participatie door en naar betaald
                    (gesubsidieerd) werk. Participatie in de vorm van sociale activering berust op
                    de ontwikkelingen in het re-integratiebeleid tot het mede vergroten van de
                    participatie van mensen die al langer aan de kant staan. Het motto "iedereen
                    doet mee naar vermogen" ligt ten grondslag aan deze verzamelverordening en wordt
                    meegenomen bij te ontwikkelen arbeidsmarktbeleid. Het vervangen van de
                    werkgelegenheidsladder door een participatiepiramide benadrukt de aanpak van de
                    problematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt.</al><al>Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden wettelijk
                    verplicht al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te
                    voorzien. Zij worden hierin ondersteund en aangemoedigd via het beleid voor het
                    stimuleren van participatie. De tegenhanger is het sanctiebeleid. Als een
                    noodzakelijk traject tot het verhogen van de participatie wordt gefrustreerd,
                    wordt dit metterdaad en streng benaderd (lik op stuk beleid). Zeker waar het
                    betreft agressie/geweld tegen de dienstverleners die de WWB uitvoeren.</al><al>Uit een oogpunt van deregulering is de nodige administratieve druk beperkt. Zo
                    wordt de uitkering niet verlaagd bij tekortkomingen van administratieve aard
                    zonder financiële benadeling van de gemeente. Verder is het sanctiebeleid in
                    samenhang gebracht met het armoedebeleid. Het volledig (100%) verlagen van
                    uitkering is omgezet in een verlaging van 50% voor de duur van 2 maanden. Dit
                    uitgezonderd het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid. Met deze keuze is
                    naar verwachting het spanningsveld met het beleid voor handhaving redelijk
                    ondervangen.</al><al>Het verlagen van de uitkering naar de ernst van de gedraging is gekoppeld aan de
                    soort verplichting: rechtmatigheid, doelmatigheid, inburgering en de aard van
                    het gedrag: betoond ongenoegzaam besef, ernstig misdragen. Bij tekortkomingen op
                    het vlak van de doelmatigheid zijn de bandbreedtes gehandhaafd van als regel 25%
                    voor het minimaal of maximaal verlagen van de uitkering. Dit overeenkomstig het
                    verzoek van de uitvoering voor het kunnen leveren van maatwerk: het afstemmen
                    van de verlaging op de mate van verwijtbaarheid.</al><al>Artikel 20 Maatwerk</al><al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de WWB en de Algemene wet
                    bestuursrecht. Deze bepaling komt tegemoet aan de beginselen van zorgvuldigheid,
                    rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie. De gestelde
                    waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie tot de WWB
                    inkomensgarantie op minimumniveau.</al><al>Artikel 21 Inlichtingenverplichting (rechtmatigheid)</al><al>Bij het niet nakomen van deze verplichting wordt, met opschorting van het recht
                    op uitkering,</al><al>een hersteltermijn geboden. Het gaat hier veelal om de plicht tot het
                    verstrekken of aanvullen van informatie (aanvraagformulier, inkomstenverklaring
                    en nader onderzoek rechtmatigheid).</al><al>Als een aanvraag of lopende uitkering formeel correct is af te doen via het
                    buiten behandeling laten van de aanvraag of het tijdig stopzetten van een
                    lopende uitkering en er géén sprake is van financiële benadeling wordt geen
                    sanctie toegepast. Dit onderdeel van het sanctiebeleid steunt mede op het
                    kosten-/batenprincipe. Is wel ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand
                    verleend, dan wordt het nadeelbedrag in beginsel volledig teruggevorderd. Dit
                    onder handhaving van het recht tot:</al><al>a. het verlagen van de uitkering met 10% van het bruto nadeelbedrag bij het
                    voorzetten van de bijstand en</al><al>b. het eenmalig verhogen van het bruto nadeelbedrag met 10% voor
                    administratiekosten uit debiteurenbeheer bij een te beëindigen of al beëindigde
                    uitkering.</al><al>De sanctie/maatregel van 10% wordt verdubbeld als sprake is van listige opzet of
                    bedrog, vermogensfraude dan wel criminele activiteiten.</al><al>Artikel 22 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (rechtmatigheid)</al><al>De varianten waarin deze tekortkoming zich voordoen, zijn onderscheiden naar de
                    ernst van de verwijtbaarheid met daarop afgestemde sancties. Bij het
                    onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van vermogen is de
                    hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast voor de gemeente.
                    Onderscheid wordt gemaakt naar de looptijd van het nadeel voor de gemeente: tot
                    één jaar nadeel of langer dan één jaar. Het gaat hierbij niet om kalenderjaren
                    maar om tijdvakken van 12 maanden. Onderbedeling bij echtscheiding wordt naar
                    inhoud aangemerkt als een schenking (schenking in materiële zin).</al><al>De benadeling naar duur kent een grote verscheidenheid. Om maatwerk te kunnen
                    leveren is een bandbreedte in het sanctiepercentage ingevoerd. Het
                    maximumpercentage van de sanctie is te koppelen aan de duur van de benadeling:
                    hoe dichter de benadeling de duur van 12 maanden nadert of hoe langer de
                    benadeling meer dan 12 maanden duurt.</al><al>Het berekenen van de duur van de benadeling is in overeenstemming met de over
                    dit onderwerp gepubliceerde rechterlijke uitspraken. Bij overige gevallen van
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid valt bijvoorbeeld te denken aan
                    het (tot zes maanden) voorafgaand aan de aanvraag om bijstand onvoldoende
                    meewerken aan het verkrijgen van betaald werk. In deze gevallen wordt volstaan
                    met het verlagen van de bijstandsnorm met 10%. In verhouding tot het besteedbaar
                    inkomen ontstaat hierdoor een gelijke sanctie voor gelijke situaties.</al><al>Artikel 23 Voorliggende voorziening (rechtmatigheid)</al><al>Deze bepaling beoogt de schadelast voor de gemeente te beperken. De bepaling
                    richt zich op middelen die voor levensonderhoud dienen en waarover
                    redelijkerwijs kan worden beschikt of waarvoor algemeen gebruikelijk een
                    verzekering wordt afgesloten.</al><al>Artikel 24 Ernstig misdragen (rechtmatigheid/doelmatigheid)</al><al>De landelijke ontwikkelingen laten een toenemende dreiging van agressie, geweld
                    en intimidatie tegen hulp- en dienstverleners zien. Het sanctiebeleid is
                    gekoppeld aan het al eerder vastgestelde agressieprotocol. Dat protocol voorziet
                    in onder meer in een afkoelperiode, een ordegesprek, het doen van justitiële
                    aangifte (altijd bij fysiek geweld), een gebouwverbod (ontzeggen toegang tot het
                    gebouw waarin Sociale Zaken en/of CWI is gehuisvest) en dergelijke.</al><al>Bij agressie, niet zijnde hinderlijk gedrag waarvoor het agressieprotocol een
                    waarschuwing voorschrijft, in verband met:</al><al>-- een aanvraagprocedure om bijstand wordt de aanvraag buiten behandeling
                    gelaten en</al><al>-- een recht- en/of doelmatigheidsonderzoek wordt de uitkering beëindigd per de
                    datum van</al><al>misdraging.</al><al>Dit omdat het recht op bijstand niet of niet langer is vastgesteld kunnen
                    worden.</al><al>Bij de te geven hersteltermijn wordt vermeld, dat een vervolggesprek pas aan de
                    orde kan zijn na het doorlopen van de procedure uit het agressieprotocol. Bij
                    het doen van een herhaalde aanvraag wordt de belanghebbende er op gewezen dat
                    van gewijzigde omstandigheden geen sprake kan zijn zolang de procedure uit het
                    agressieprotocol niet is gevolgd. Als de belanghebbende weigert de procedure uit
                    het agressieprotocol te doorlopen, dan wordt de herhaalde aanvraag afgewezen op
                    grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (aanvraag afwijzen onder
                    verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking). Moet na een ernstige
                    misdraging de uitkering van rechtswege worden toegekend of hersteld per de datum
                    van de misdraging, dan wordt de bijstandsnorm verlaagd met 50% voor de duur van
                    2 maanden. Van deze verlaging is af te zien, als na een ernstige misdraging de
                    uitkering ingaat per de datum waarop de procedure over afkoelperiode en
                    ordegesprek uit het agressieprotocol met goed gevolg is doorlopen. De duur van
                    de onderbreking, waarover de bijstand feitelijk is geweigerd, is als hoogste
                    vorm van sanctie aan te merken.</al><al>Dit strenge beleid is ingegeven uit een oogpunt van het voorkomen en bestrijden
                    van agressie en het verhogen van de veiligheid, gezondheid en welbevinden van
                    onze dienstverleners. Tegen de achtergrond van de maatschappelijke
                    ontwikkelingen op dit vlak zijn de grenzen van de wet opgezocht naar maatstaven
                    van redelijkheid en billijkheid. Hierbij de opmerking dat tot heden in onze
                    gemeente de agressie tegen dienstverleners van Sociale Zaken beperkt van omvang
                    is. Het inbedden van het agressieprotocol in de verordening is gericht op het
                    daadkrachtig verankeren van deze situatie.</al><al>Artikel 25 Arbeids- en/of re-integratieverplichting (doelmatigheid)</al><al>-- Weigeren algemeen geaccepteerde arbeid</al><al>Het verwijtbaar weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangemerkt als
                    zeer zware tekortkoming. Dit gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het
                    eigen bestaan te voorzien. Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt mede
                    begrepen het ondersteunen of aanbieden van een voorziening die garantie biedt op
                    die arbeid dan wel een verhoogd perspectief geeft op uitstroom naar die
                    arbeid.</al><al>Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het centrale uitgangspunt van
                    de WWB tot participatie naar vermogen, dat standaard een verlaging van de
                    uitkering wordt toegepast van 100% voor de duur van één maand. Deze maatregel
                    wordt redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door het wijzigen van
                    diens opstelling, houding of gedrag zelf in het bestaan kan voorzien.</al><al>-- Niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid</al><al>Bij het verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt de
                    uitkering verlaagd met 50% voor 2 maanden. Het naar duur uitsmeren van de (oude)
                    100% sanctie voor 1 maand in een 50% sanctie voor 2 maanden houdt verband met
                    het feit, dat het gemis aan inkomen uit het niet behouden van betaald werk als
                    regel niet meer is terug te draaien (voldongen feit). Om deze reden past een
                    verlaging met 50% voor 2 maanden beter binnen de inkomenswaarborg van de WWB en
                    het te voeren armoedebeleid.</al><al>Let op: de persoon die weigert terug in dienst te treden bij de werkgever die
                    het ontslag heeft verleend of waarbij ontslag is genomen, wordt voor het
                    toepassen van het sanctiebeleid aangemerkt als een persoon die algemeen
                    geaccepteerde arbeid weigert. Pas als vaststaat dat terugkeer bij dezelfde
                    werkgever niet mogelijk is, is het niet behouden van die arbeid de rechtsgrond
                    voor een mogelijke sanctie.</al><al>-- participatiepiramide (belemmeren participatie anderszins)</al><al>De overige sancties die betrekking hebben op de arbeids- en/of
                    re-integratieverplichting zijn gekoppeld aan de participatiepiramide. Deze
                    piramide is opgebouwd uit de lagen regulier werk, gesubsidieerd werk en
                    maatschappelijk nuttige activiteiten. Belanghebbenden zijn binnen deze piramide
                    te plaatsen naar het principe iedereen doet mee naar vermogen. Dus ook de
                    persoon van wie redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij/zij zelfs na
                    intensieve begeleiding en scholing regulier betaald werk kan vinden. Het
                    re-integratiebeleid richt zich mede op het verhogen van hun participatiegraad.
                    Hierbij speelt voor personen met een arbeidshandicap het afbakenen met de per
                    2008 gemoderniseerde Wsw een rol. Om deze reden is voorzien in een
                    medewerkingverplichting tot het kunnen vaststellen van een Wsw-indicatie.</al><al>Voor het indelen van een belanghebbende naar de gelaagdheid van de piramide zijn
                    bepalend de inspanningsverplichting om zelf in het bestaan te voorzien en de
                    belastbaarheid. Dit verloopt langs de weg van het opleggen dan wel ontheffen van
                    de arbeids- en/of reintegratieverplichting. Hiermee is de positie van
                    belanghebbende op de participatiepiramide tevens redelijkerwijs bepalend voor de
                    hoogte van een sanctie. De veelheid aan mogelijkheden tot participatie naar en
                    door werk vereisen een sanctiebeleid dat daarop makkelijk inspeelt. Hierbij
                    geldt, dat geen sanctie is op te leggen bij het ontbreken van verwijtbaarheid.
                    Het kunnen leveren van maatwerk is gerealiseerd via het werken met bandbreedtes
                    waarbinnen een sanctie zich kan bewegen.</al><al>Evenredigheid tussen verwijtbaar feit en toe te passen sanctie vereist, dat
                    binnen de gegeven bandbreedte het minimumpercentage als uitgangspunt telt.
                    Hiervan is gemotiveerd af te wijken. Zo komt het maximum van de verlaging binnen
                    de gegeven bandbreedte meer in zicht naar de mate waarin een noodzakelijke
                    ondersteuning of voorziening wordt geweigerd. Van belanghebbenden wordt verlangd
                    dat zij zich constructief opstellen ten aanzien van hun participatie en dat zij
                    extra zorgvuldig omspringen met de hun in dat verband geboden kansen. Hierbij de
                    opmerking dat bij het aanbieden van een voorzienig rekening wordt gehouden met
                    hun wensen en mogelijkheden, voor zover dit de kortste weg naar werk niet
                    onredelijk belemmert. Deze aanpak moet voorkomen dat bij het aanbieden en
                    uitvoeren van een voorziening klanten wegblijven die daartoe mogelijk
                    onvoldoende in staat zijn. Voorkomen moet worden dat de uitkering wordt verlaten
                    zonder te werken of te studeren. Het verhoogde risico op een zwervend bestaan
                    vereist een scherp oog voor kwetsbare klanten.</al><al>Het verlagen van de uitkering bij het verwijtbaar niet, niet tijdig of in
                    onvoldoende mate meewerken aan participatie omvat mede de presentatie, houding
                    en/of het gedrag bij het nakomen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling.
                    Het om deze redenen niet werkwillig zijn of verwijtbaar werkloos blijven, valt
                    binnen de reikwijdte van het sanctiebeleid.</al><al>Hiermee blijft onverkort het uitgangspunt van de WWB in stand, dat verwijtbare
                    werkloosheid gevolgen heeft voor de uitkering.</al><al>Het verlagen van de uitkering is gekoppeld aan de plaats van de klant op de
                    participatiepiramide en de afspraken vastgelegd in de polis. Voor het niet
                    nakomen van activiteiten op de basis- en middenlaag van de piramide (regulier
                    dan wel gesubsidieerd werk) gelden hogere sancties dan die voor activiteiten op
                    de toplaag (maatschappelijk zinvolle activiteiten).</al><al>De sancties op de basislaag voor participatie door onbeloonde arbeid zijn
                    afgestemd op het perspectief op doorstroom naar regulier betaald werk. Het
                    vaststellen van dat perspectief is te herleiden uit de aangeboden voorziening.
                    Hoog perspectief op uitstroom bieden onder meer:</al><al>- de activiteiten van de matchings-unit,</al><al>- voorzieningen die een garantiebaan in het vooruitzicht stellen en</al><al>- re-integratietrajecten met een hoge uitstroompercentage naar regulier betaald
                    werk (onder meer het project Trom en het project Wonen Zorg Service in de
                    Wijk).</al><al>Laag perspectief op uitstroom is te herleiden uit de aard en het doel van de
                    verwijzing. Is er sprake (geweest) van een ontheffing van de
                    re-integratieverplichting. Is ook gesubsidieerd werk aangeboden. Betaald
                    gesubsidieerd werk zit meer tegen het maximum van de bandbreedte dan sociale
                    activering. Meer in het algemeen is de onderverdeling in "sociale activering"
                    een indicator: is sprake van maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsparticipatie of op maatschappelijke participatie. Voorzieningen tot
                    maatschappelijke participatie hebben vooralsnog geen perspectief op regulier
                    betaald werken. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor mensen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt van wie niet kan worden verwacht dat zij op (korte)
                    termijn doorstromen naar reguliere arbeid. Het streven naar het verhogen van hun
                    participatie rechtvaardigt evenwel een niet te vrijblijvende ondersteuning of
                    aan te bieden voorziening. De sancties voor deze doelgroep zijn gematigd. Deze
                    doelgroep mist als regel de mogelijkheid om een sanctie ongedaan te maken door
                    daar een inkomen uit werk tegenover te stellen. Het college is overigens steeds
                    bevoegd om een sanctie in te trekken als de belanghebbende zijn gedrag in de
                    door de gemeente gewenste zin aanpast.</al><al>Bepalend voor de hoogte van de sanctie is ook de plaats/positie van de
                    belanghebbende in een traject. Bij aanvang van een traject geldt meestal eerder
                    het minimum van de bandbreedte dan bij activiteiten aan het eind ervan. Dan is
                    het perspectief op doorstroom naar een vervolgtraject of uitstroom uit de
                    bijstand mede bepalend voor de hoogte van de sanctie binnen de gestelde
                    bandbreedte. Hoe verder op weg naar uitstroom: hoe zwaarder de sanctie. Het naar
                    boven afwijken van het minimumpercentage binnen een gegeven bandbreedte moet
                    voldoende worden gemotiveerd.</al><al>Artikel 26 Inburgering (doelmatigheid)</al><al>Onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal of onvoldoende kennis van de
                    samenleving zijn een belemmering om optimaal te kunnen participeren in de
                    samenleving (bij voorkeur door regulier betaald werk). Voorzieningen gericht op
                    integratie bevorderen de participatie en verkleinen de afstand tot de
                    samenleving. De Wet Inburgering voorziet hierin. Voor WWB-ers die hun
                    verplichting tot inburgering niet nakomen, is het sanctiebeleid afgestemd op de
                    uitvoering van de Wet Inburgering. Voor hen is het sanctiebeleid in
                    overeenstemming gebracht met de boetebepaling van artikel 9 van de Verordening
                    Wet inburgering gemeente Alphen-Chaam. Dat artikel bevat de onderstaande
                    toelichting.</al><al>Artikel 35 van de Wet Inburgering (WI) draagt gemeenten op bij verordening de
                    hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen. In artikel 34 van de WI zijn
                    de maximumbedragen van de bestuurlijke boetes vastgelegd. In de Verordening Wet
                    inburgering gemeente Alphen-Chaam zijn de boetebedragen weergeven als
                    percentages van de bijstandsnorm. De gemeente Alphen-Chaam kiest er voor om de
                    hoogte van de boete zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de maximale
                    bedragen in artikel 34 van de WI. De kans dat een inburgeringsplichtige zijn
                    plicht ‘afkoopt’ middels het betalen van bestuurlijke boetes wordt op deze wijze
                    zo veel mogelijk ingeperkt.</al><al>De boetes die in de Verordening Wet inburgering zijn opgenomen, zijn geen
                    gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete
                    moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig
                    rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 38, tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college
                    bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige afwijking van de hoogte
                    van de voorgeschreven boete geboden is. De afwijking kan een verhoging of een
                    verlaging betekenen, waarbij de verhoging het maximumbedrag van artikel 34 WI
                    niet te boven mag gaan.</al><al>Hoofdstuk 5 Bestrijden oneigenlijk gebruik en misbruik</al><al>Algemeen</al><al>In dit hoofdstuk is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8a van de
                    WWB: in het kader van goed financieel beheer regels opstellen voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de WWB. Deze regels moeten waarborgen dat aan de eisen
                    van rechtmatigheid wordt voldaan. Gelet op de volledige financiële
                    verantwoordelijkheid van de gemeente voor de WWB is naast controle van de
                    rechtmatigheid van de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand
                    belangrijk. Het handhaven van ook de doelmatigheid is een belangrijk middel tot
                    het beheersen van het risico uit de 100% verantwoordelijkheid voor het uitvoeren
                    van de WWB. Een effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op
                    het inkomensdeel van de WWB.</al><al>In de bedrijfsvoering van Sociale Zaken is het beleid voor handhaving reeds lang
                    ingericht naar het model voor programmatisch handhaven. Dit model voor integraal
                    en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier visievelden, waarvan twee
                    preventief en twee repressief van aard zijn. Deze visievelden betreffen:</al><al>1. goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al><al>2. het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane
                    naleving WWB);</al><al>3. het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik
                    en</al><al>4. het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al><al>Programmatisch handhaven betreft het geregeld evalueren, verantwoorden en
                    bijstellen van het gevoerde beleid voor handhaving van de WWB. Hierin wordt
                    voorzien door het toetsen en afstemmen van het beleid op het fraudebeleidskader
                    van het ministerie van SZW (Handhavingsprogramma 2007-2010). In dit verband
                    wordt nauw samengewerkt met de gemeente Tilburg waar zowel handhaving als
                    fraudebestrijding via het Backoffice-contract integraal zijn geregeld.</al><al>De in dit hoofdstuk vastgestelde regels zijn verbeterd in het verband geplaatst
                    van de vier visie-elementen. De relatie handhaven &lt;--&gt; re-integratie is
                    verbeterd vastgelegd. Het instrument huisbezoek is geplaatst in het kader van de
                    geïnformeerde toestemming uit het EVRM. Verder is het gevolg voor de uitkering
                    bij het weigeren van een huisbezoek verduidelijkt.</al><al>Artikel 27 Hoogwaardig handhaven</al><al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk gebruik en misbruik van de bijstand wordt gewaarborgd door te werken
                    naar de uitgangspunten van het landelijke model voor hoogwaardig handhaven. De
                    vier visievelden van dat model worden in samenhang uitgevoerd. De nadruk ligt op
                    preventie en gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is
                    beter dan genezen.</al><al>Van de diensten van het Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding: een
                    kennisnet voor handhaven in de sociale zekerheid en fiscaliteit, wordt gebruik
                    gemaakt. Het RCF wisselt ervaringen uit en ondersteunt gemeenten bij het borgen
                    van hoogwaardig en programmatisch handhaven. Het RCF ondersteunt ook bij het
                    uitvoeren van themacontroles. Het RFC werkt hierbij met interventieprojecten met
                    per project wisselende partners uit de keten handhaving.</al><al>Artikel 28 Voorlichting en communicatie</al><al>De voorlichting over plichten en rechten verloopt via het uitreiken van de
                    klantenmap “Regel en recht” aan iedere nieuw instromende klant. Verder ontvangen
                    uitkeringsgerechtigden regelmatig een nieuwsbrief met onderwerpen over recht- en
                    doelmatigheid en handhaving.</al><al>De klantenmap is een persoonlijke adviesmap voor het kunnen omgaan met de regels
                    en rechten in Alphen-Chaam. In overleg met het klantenpanel wordt momenteel
                    nagedacht over een nieuwe inhoud van deze map die meer aansluit bij de behoefte
                    van de uitkeringsgerechtigden. De map wordt uitgereikt tijdens het
                    dienstverleningsgesprek dat plaatsvindt bij een eerste aanvraag om bijstand. In
                    dat gesprek is er aandacht voor de inkomensondersteunende regelingen; de
                    werk-voorop-benadering (tijdelijkheid verblijf in de WWB) en het aankondigen van
                    een doelmatigheidsonderzoek (gericht op stappen voor uitstroom/re-integratie).
                    Dit onderzoeksgesprek vindt plaats binnen 3 maanden na het toekennen van de
                    uitkering. Het gesprek staat in het teken van verdere kennismaking met de klant,
                    het verkrijgen van inzicht in diens persoonlijke situatie en het toetsen van de
                    onderlinge verstandhouding. Indien nodig wordt hiervoor een huisbezoek gepleegd.
                    Dit huisbezoek wordt altijd aangekondigd. De klant mag dit huisbezoek weigeren.
                    In voorkomende gevallen wordt gemotiveerd gevraagd of het bezoek toch doorgang
                    mag vinden. Blijft de klant weigeren, dan wordt dit gerespecteerd en volgt geen
                    huisbezoek. De weigering als zodanig is geen reden voor het instellen van een
                    onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand.</al><al>Artikel 29 Optimaliseren dienstverlening/ administratieve
                    lastenvermindering</al><al>In dit visieveld staat centraal het terugdringen van regels en onnodige
                    procedurele belemmeringen voor de klant. Het digitaal klantdossier, de integrale
                    dienstverlening in de keten CWI, UWV, gemeente en het uitwisselen van bestanden
                    met de Stichting Inlichtingen-bureau (SIB) worden hiertoe benut. De SIB beheert
                    een automatiseringssysteem voor het controleren van de rechtmatigheid van door
                    de gemeente verstekte bijstand met gegevens van Belastingdienst, UWV, Sociale
                    Verzekeringsbank en Informatiebeheergroep. Het digitaal klantdossier moet het
                    dubbel uitvragen van gegevens voorkomen. Dit door aan te sluiten bij feiten en
                    omstandigheden uit administraties van CWI en UWV. In de ketensamenwerking zal
                    onderzoek gaan plaatsvinden hoe de één-loket benadering naar het
                    toonkamer-principe er voor Alphen-Chaam het beste uit kan gaan zien.
                    Uitgangspunt is het werken met één contactpersoon.</al><al>Het optimaliseren van de dienstverlening verloopt via het leveren van maatwerk
                    door het casemanagement, het gesprek bij de eerste aanvraag voor algemene
                    bijstand en de cliëntenparticipatie (het onafhankelijke Klantenpanel Werk &amp;
                    Bijstand). Door het koppelen van bestanden is tevens het niet gebruik van
                    voorzieningen terug te dringen.</al><al>Uit oogpunt van dienstverlening wordt de service met de maandelijkse
                    inkomstenverklaring gehandhaafd. Onverschuldigd uit te betalen bijstand is
                    hiermee te beperken. Het terugvorderen van bijstand is voor de klant een erg
                    bezwarende procedure. Verder is vastgelegd, dat het uitbetalen van de uitkering
                    op een aanvraag voor bijstand wordt afgestemd op de laatste loon- of
                    inkomensuitbetaling van de belanghebbende en uiterlijk na 4 weken na de datum
                    van aanvraag. Een en ander zo nodig bij wijze van voorschot. Dit voorkomt
                    geldgebrek tijdens de aanvraagprocedure.</al><al>Het klantenpanel heeft herhaalde malen aangegeven dat de toezending van de
                    maandelijkse inkomstenverklaringen en uitkeringsspecificaties vaak fout gaat. Er
                    zijn klanten die voortaan standaard blanco inkomstenverklaringen thuis hebben
                    liggen voor het geval dat deze niet wordt ontvangen. Het niet of te laat
                    inleveren heeft nu nog tot gevolg dat de uitkering niet of later wordt betaald.
                    Hiermee ontstaan er vaak acute problemen. De praktijk wijst uit dat er slechts
                    een paar uitkeringsgerechtigden zijn met wisselende inkomsten. De overigen
                    hebben geen inkomsten. Administratieve lastenverlichting is alleen mogelijk met
                    vertrouwen als basis. Vandaar dat dit artikel spreekt over ‘bij wijze van
                    dienstverlening’. Een nader onderzoek zal gedaan worden naar de mogelijkheid om
                    te gaan werken met een wijzigingsformulier waarbij de maandelijkse
                    inkomstenverklaring achterwege kan worden gelaten. Het college zal hierover
                    regels vaststellen.</al><al>Artikel 30 Vroegtijdig vaststellen en afhandelen misbruik/oneigenlijk
                    gebruik</al><al>Handhaven in relatie tot re-integratie (controle doelmatigheid) ligt voor een
                    groot deel bij het casemanagement. Het CWI (Breda en Tilburg) geeft uitvoering
                    aan de poortwachtersfunctie: het bewaken van de toegang tot de WWB "werk boven
                    inkomen". Het resultaat hiervan is inzichtelijk via de zogeheten preventiequote.
                    Deze quote betreft het aantal werkzoekenden dat na de zoektermijn tussen melding
                    en aanvraag geen beroep doet op de WWB. De streefwaarde voor deze quote ligt op
                    45%. De besparing op de uitkeringslasten WWB spreken voor zich. Verder voorziet
                    de werk-voorop-benadering in het tijdig en sluitend bevorderen van uitstroom. De
                    controle op de doelmatigheid van openstaande re-integratievoorzieningen verloopt
                    door trajectbewaking. De inspanningen van de klant op het vlak van re-integratie
                    worden ondersteund met het op onderdelen nieuw vastgestelde premiebeleid. Het
                    onderzoek naar de effectiviteit van de re-integratietrajecten verloopt via
                    geregelde controle van de te realiseren prestaties vastgelegd in de contracten
                    tot het in-/aan/-uitbesteden ervan.</al><al>Het handhaven van de rechtmatigheid verloopt volgens het zogeheten
                    stoplichtmodel. Dit model gaat uit van het principe hoe groter het risico op
                    oneigenlijk gebruik of misbruik, hoe groter de controle. Deze werkwijze wordt
                    ondersteund met:</al><al>- het fraudekompas, een checklist voor verhoogd fraudealert werken,</al><al>- het structureel uitwisselen van de bestanden met de Stichting
                    Inlichtingenbureau,</al><al>- het gebruik van overige gegevensbestanden (o.a. rijksdienst wegverkeer,
                    detentie),</al><al>- het gebruik van risicoprofielen,</al><al>- het gebruik van het instrument huisbezoek en</al><al>- de inzet van fraudepreventiemedewerkers en sociaal rechercheurs.</al><al>Voor handhaving met inzet van fraudepreventiemedewerkers en sociaal rechercheurs
                    wordt jaarlijks een taakstelling vastgesteld naar type en aantallen in te
                    stellen onderzoeken. De onderzoeken betreffen witte fraude (uitwisseling
                    gegevens met Stichting Inlichtingenbureau), vermogensfraude, zwarte fraude,
                    woonfraude (samenwonen/postadres) en fraudepreventie-onderzoeken. Deze
                    activiteiten worden jaarlijks getoetst en bijgesteld aan het fraudebeleids-
                    kader van het ministerie van SZW.</al><al>Aangekondigd huisbezoek: als onderdeel van de dienstverlening, voor het
                    controleren en verifiëren van de rechtmatigheid van de bijstand en voor het
                    bestrijden van uitkeringsfraude is huisbezoek een toegestaan middel. Een
                    huisbezoek heeft naast rechtmatigheid nadrukkelijk ook een sociaal aspect: open
                    oog voor het bestrijden van armoede. Om deze reden is een aangekondigd
                    huisbezoek onderdeel van het afhandelen van een eerste aanvraag om bijstand voor
                    levensonderhoud. Ook bij aanvragen voor bijzondere bijstand kan een huisbezoek
                    noodzakelijk zijn. Hier valt te denken aan het vaststellen van de noodzaak voor
                    het aanschaffen of vervangen van duurzame gebruiksgoederen (het beoordelen van
                    de mate van slijtage en/of van reparatie).</al><al>Onaangekondigd of onmiddellijk af te leggen huisbezoek: bij een gereed vermoeden
                    van fraude, bijvoorbeeld bij twijfel aan de juistheid van het opgegeven
                    woonadres; bij vrees tot het kunnen verwijderen van belastende zaken e.d. is een
                    onaangekondigd of onmiddellijk af te leggen huisbezoek soms noodzakelijk en
                    proportioneel. Dit als op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden
                    redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de
                    door belanghebbende verstrekte inlichtingen. Dit voor zover die gegevens
                    onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang) van het recht
                    op bijstand en die gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze
                    kunnen worden geverifieerd. Het behoren tot een risicoprofiel als zodanig is
                    onvoldoende grond voor een onaangekondigd of onmiddellijk af te leggen
                    huisbezoek.</al><al>Vereisten huisbezoek: en huisbezoek moet voldoen aan de geïnformeerde
                    toestemming (informed consent) uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de
                    Mens, te weten:</al><al>a. de vrijwillige en onbeïnvloed gegeven, toestemming van de klant voor het
                    huisbezoek.</al><al>b. toestemming na legitimatie door de medewerker gebaseerd op volledige en
                    juiste informatie over reden, doel, werkwijze, voordelen en risico’s van het
                    huisbezoek.</al><al>c. het recht op het intrekken van de toestemming op elk moment van het
                    bezoek.</al><al>d. de rechten en plichten van het huisbezoek moeten de klant duidelijk zijn,
                    vooral de gevolgen voor het recht op uitkering bij het weigeren van het
                    huisbezoek.</al><al>e. de bewijslast of er sprake is van "geïnformeerde toestemming" ligt bij de
                    gemeente.</al><al>Gevolgen niet meewerken huisbezoek</al><al>-- onaangekondigd of onmiddellijk af te leggen huisbezoek: alleen bij het niet
                    meewerken aan een onaangekondigd of onmiddellijk af te leggen, gerechtvaardigd
                    en noodzakelijk huisbezoek in verband met een gereed vermoeden van fraude wordt
                    de bijstand geweigerd, beëindigd of herzien. Het weigeren ervan omdat de
                    belanghebbende behoort tot een risicoprofiel, is op zich onvoldoende grond voor
                    het ingrijpen in de uitkering. In dit geval zal de ingreep in de uitkering
                    moeten steunen op daartoe toereikende andere feiten en/of omstandigheden die de
                    rechtmatigheid betreffen.</al><al>-- aangekondigd huisbezoek: het niet meewerken aan een aangekondigd (niet
                    onmiddellijk af te leggen) huisbezoek is op zich geen reden voor het weigeren
                    van de bijstand.</al><al>Als door het weigeren ervan de noodzaak tot het verlenen of het voortzetten van
                    de (bijzondere) bijstand niet is vast te stellen, dan is dat genoegzame grond
                    voor het afwijzen van een aanvraag. Hier wordt wel steeds een redelijke termijn
                    verleend voor het herstel van het verzuim tot voldoende medewerking.</al><al>Artikel 31 Sanctioneren vastgestelde fraude / aangifte justitie</al><al>Het sanctiebeleid zoals uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze verordening voorziet
                    in het metterdaad sanctioneren van het niet nakomen van de arbeids- en/of
                    re-integratieverplichting (doelmatigheid).</al><al>In geval van het niet nakomen van de informatieverplichting (rechtmatigheid)
                    waarbij tevens sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende
                    bijstand, wordt deze bijstand in beginsel volledig teruggevorderd. Bij bedragen
                    van € 6.000,-- of meer wordt in goed overleg met het Openbaar Ministerie bezien
                    of justitiële aangifte een optie is. Binnen het O.M. is het optrekken van de
                    aangiftegrens tot € 10.000,-- in onderzoek. Bij het optrekken van die grens
                    wordt de bestuurlijke afdoening vergroot.</al><al>Artikel 32 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</al><al>Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto bijstand door oneigenlijk
                    gebruik of misbruik van de bijstand wordt in beginsel volledig teruggevorderd
                    volgens de binnen het Backoffice-contract vastgestelde nadere regels. Die regels
                    voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van
                    bijstand, de termijn waarover naar draagkracht moet worden terugbetaald en het
                    matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van
                    bijstand.</al><al>Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 33 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</al><al>De hardheidsclausule houdt in, dat hieraan in concrete gevallen daadwerkelijk
                    getoetst wordt.</al><al>Artikel 34 Overgangs- en slotbepalingen</al><al>De verordening kent naar overgangsrecht eerbiedigende werking. Aan
                    gebeurtenissen, handelingen, toestanden of tijdvakken van vóór het
                    inwerkingtreden ervan blijven de rechtsgevolgen verbonden uit de voormalige vier
                    aparte WWB-verordeningen. Dit uit een oogpunt van rechtszekerheid,
                    uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en kosten. Om deze reden is afgezien van het
                    verlenen van werking met terugwerkende kracht aan de nieuwe
                    verzamelverordening.</al><al>De participatiepiramide is opgebouwd uit:</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>