<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR163525_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Etten-Leur 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 15 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening WMO 2012 gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020031&amp;artikel=5">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Etten-Leur van 8 februari 2011;</al><al>Inhoudsopgave en inhoudsopgave toelichting vooralsnog niet opgenomen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wmo 2012 Gemeente Etten-Leur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur, </al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Etten-Leur d.d. 14
                        februari 2012 met overneming van de daarin vermelde motieven en gelet op
                        artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning ( Wmo ) </al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al/><al>vast te stellen de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Etten-Leur 2012”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>Lid 1. Wet </al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al> Lid 2. College</al><al>College van burgemeester en wethouders.</al><al> Lid 3. Compensatieplicht</al><al>Compensatieplicht: de plicht van het College aan personen met een
                            beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem
                            voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het
                            gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen
                            in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en
                            om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen
                            te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Daarbij
                            legt artikel 4 van de wet het College de plicht op om een resultaat te
                            bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele geval
                            maatwerk is. </al><al> Lid 4. Zelfredzaamheid</al><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                            financiële vermogen om voorzieningen te treffen die maatschappelijke
                            participatie mogelijk maken. Lid 5. Maatschappelijke participatie</al><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke
                            verkeer, te weten</al><lijst><li nr=""><al>het voeren van een huishouden; </al></li><li nr=""><al>het normale gebruik van de woning; </al></li><li nr=""><al>het zich in en om de woning verplaatsen; </al></li><li nr=""><al>het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                                    regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; </al></li><li nr=""><al>het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden
                                    van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het
                                    lokale maatschappelijke leven.</al></li></lijst><al> Lid 6. Aanmelding</al><al>Aanmelding: de mededeling van een belanghebbende aan het college dat hij
                            beperkingen ondervindt op grond waarvan hij verzoekt een afspraak te
                            maken voor een gesprek.</al><al> Lid 7. Gesprek</al><al>Gesprek: het eerste contact na een aanmelding waarin met degene die
                            maatschappelijke ondersteuning zoekt zijn gehele situatie wordt
                            geïnventariseerd ten aanzien van de beperkingen en de gevolgen daarvan,
                            de te bereiken resultaten, de te kiezen oplossingen via eigen
                            mogelijkheden of via mogelijkheden van het netwerk dan wel via algemene,
                            algemeen gebruikelijke collectieve, (wettelijk) voorliggende en
                            individuele voorzieningen. </al><al> Lid 8. Aanvraag</al><al>Aanvraag: het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking te komen
                            voor één of meerdere voorzieningen om een resultaat te bereiken in het
                            kader van deze verordening.</al><al> Lid 9. Belanghebbende</al><al>Belanghebbende: een persoon met een beperking, een chronisch psychisch
                            probleem of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan
                            compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor
                            zichzelf of, met behulp van een machtiging, door een ander een
                            aanmelding of een aanvraag doet of laat doen.</al><al> Lid 10. Psychosociaal probleem</al><al>Psychosociaal probleem: een situatie van verlies van zelfstandigheid en,
                            met name, een gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand
                            ondervindt in zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving. </al><al> Lid 11. Algemene voorziening</al><al>Algemene voorziening: een voorliggende voorziening die weliswaar niet
                            bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in
                            artikel 4 lid 1 van de wet, maar die anderzijds door iedereen waarvoor
                            de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te verkrijgen of te
                            gebruiken is.</al><al> Lid 12. Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal
                            bedoeld is voor mensen met een beperking, dus ook door anderen gebruikt
                            wordt, algemeen verkrijgbaar is en niet – aanzienlijk – duurder is dan
                            vergelijkbare producten.</al><al> Lid 13. Collectieve voorziening</al><al>Collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt verstrekt
                            maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt, bijvoorbeeld
                            het collectief vraagafhankelijk vervoer.</al><al> Lid 14. Voorliggende voorziening</al><al>Voorliggende voorziening: een voorziening die normaal in de maatschappij
                            aanwezig en beschikbaar is en bedoeld voor iedereen die daar behoefte
                            aan heeft.</al><al> Lid 15. Wettelijk voorliggende voorziening</al><al>Wettelijk voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een
                            wettelijke bepaling anders dan ingevolge de wet, waarmee het resultaat
                            geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden.</al><al> Lid 16. Individuele voorziening</al><al>Individuele voorziening: een voorziening die door het college ten
                            behoeve van één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt verstrekt.</al><al> Lid 17. Gebruikelijke zorg</al><al>Gebruikelijke zorg: de zorg die op het gebied van het voeren van het
                            huishouden voor alle meerderjarige leden van een leefeenheid als
                            algemeen aanvaardbaar wordt beschouwd. </al><al> Lid 18. Voorziening in natura</al><al>Voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het resultaat te
                            bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of als
                            persoonlijke dienstverlening.</al><al> Lid 19. Persoonsgebonden budget</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag om te gebruiken voor het te
                            bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in natura.</al><al> Lid 20. Financiële tegemoetkoming</al><al>Financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, al dan niet forfaitair of
                            gemaximeerd, bedoeld om een voorziening mee aan te schaffen voor het te
                            bereiken resultaat.</al><al> Lid 21. Mantelzorger</al><al>Mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1, lid 1
                            onder b van de wet biedt.</al><al> Lid 22. Hoofdverblijf</al><al>Hoofdverblijf: : de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                            bewoning, waar </al><al>de aanvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en
                            op welk adres de </al><al>aanvrager in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of
                            zal staan, dan </al><al>wel het feitelijke woonadres indien de aanvrager met een briefadres in
                            de </al><al>gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven staat of zal
                            staan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Resultaatgerichte compensatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen
                            te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                                    nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Scheiding aanmelding en aanvraag</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex artikel 1, lid 1
                            aanhef en onder g sub 6 van de wet gaat een aanmelding voor een gesprek
                            vooraf indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die nog niet
                                    eerder een aanvraag in het kader van de wet heeft gedaan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die al eerder
                                    een gesprek heeft gevoerd maar waarbij sprake is van gewijzigde
                                    omstandigheden of gewijzigde te bereiken resultaten;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende of het college daarom verzoeken.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><lijst><li nr="a."><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te willen
                                    dienen, vervalt het gestelde in het eerste lid.</al></li><li nr="b."><al>Indien het college geen noodzaak ziet voor een gesprek als
                                    bedoeld in artikel 1 en 5, vervalt het gestelde in het eerste
                                    lid en kan er direct een aanvraag worden ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Aanmelding voor een gesprek</titel></kop><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, elektronisch,
                            mondeling of telefonisch worden gedaan bij door het college aangewezen
                            personen of instelling(en) door of namens een persoon met een beperking,
                            een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem, die
                            behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn
                            deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig
                            functioneren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Bij het voeren van het gesprek zal de International Classification of
                            Functions, Disabilities and Health als basis voor het begrippenkader
                            worden gehanteerd.</al><al>Lid 2.</al><al>Als de belanghebbende een mantelzorger is wordt met de mantelzorger en
                            zo mogelijk met de verzorgde geïnventariseerd welke belemmeringen de
                            belanghebbende ondervindt bij de uitvoering van de mantelzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het verslag</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het gesprek wordt afgesloten met een verslag. Opmerkingen van
                            belanghebbende over dit verslag worden als bijlage aan het verslag
                            toegevoegd. Uitsluitend een door belanghebbende ondertekend verslag kan
                            dienen als aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van deze
                            verordening.</al><al>Lid 2.</al><al>Na het voeren van een gesprek kan een belanghebbende, gebruik makend van
                            het ondertekende verslag van het gesprek, dat in die situatie als
                            aanvraagformulier dient, een aanvraag indienen voor een individuele
                            voorziening ex artikel 1, lid 1 aanhef en onder g sub 6 van de wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag van een individuele voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>Lid 1. </al><al>De aanvraag voor een individuele voorziening moet schriftelijk of
                            elektronisch plaatsvinden. Voor de aanvraag stelt het college een
                            formulier beschikbaar.</al><al>Lid 2.</al><al>Indien een aanvraag mondeling (via de telefoon of op een andere manier)
                            plaatsvindt wordt dit per omgaande schriftelijk bevestigd. Bij deze
                            bevestiging wordt een aanvraagformulier meegezonden. </al><al>Lid 3.</al><al>Bij de aanvraag wordt, als er een ondertekend verslag van het gesprek
                            aanwezig is, dit ondertekende verslag als aanvraagformulier
                            beschouwd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Beoordeling van de te bereiken resultaten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Het leveren van maatwerk</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt
                                het college het verslag van het gesprek, indien aanwezig, als
                                uitgangspunt. Het college gaat uit van de behoeften en
                                persoonskenmerken van de belanghebbende. Daarbij zal onderzoek
                                gedaan worden naar de noodzaak en mogelijkheid tot leveren van
                                maatwerk ten aanzien van het te bereiken resultaat.</al><al>Lid 2.</al><al>De individuele omstandigheden en alle voorliggende, algemeen
                                gebruikelijke en collectieve voorzieningen die beschikbaar en
                                bruikbaar zijn, worden, als ze al niet tot een oplossing hebben
                                geleid in het gesprek, of als er geen gesprek heeft plaatsgevonden,
                                eerst beoordeeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Een schoon en leefbaar huis</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat schoon is.
                                Dit geldt uitsluitend ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken,
                                keuken en sanitaire ruimten.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                huishoudelijke werk.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende één of meer huisgenoten heeft, die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt dit
                                eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld. </al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Wonen in een geschikt huis</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de
                                woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging, tuin
                                of balkon. </al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele
                                voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning
                                of een gemakkelijker geschikt te maken woning, welke verhuizing kan
                                leiden tot het te bereiken resultaat, zal deze mogelijkheid eerst
                                beoordeeld worden. Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de
                                aanpassing van de woning het bedrag zoals opgenomen in het Besluit
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Etten-Leur te
                                boven gaat.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en
                                bruikbaar is, wordt ten aanzien van dat onderdeel geen individuele
                                voorzieningen verstrekt. </al><al>Een verhuiskostenvergoeding kan dan wel verstrekt worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde
                                hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets
                                genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en schoonmaakartikelen. Ook
                                de noodzakelijke bereiding van maaltijden kan hieronder vallen.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft
                                levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede het
                                bereiden en aanreiken van maaltijden.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende één of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, of voor
                                zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat, wordt deze mogelijkheid eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid 3 genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen
                                staat en zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien
                                van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de was.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende één of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt dit
                                eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit de dagelijkse en noodzakelijke zorg voor in
                                het huishouden aanwezige kinderen.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter overbrugging van een
                                periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve maatregelen
                                – vervangen van de ouder die in principe voor de kinderen
                                zorgt.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere
                                opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat , worden
                                deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en
                                om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, het
                                slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de
                                berging, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig
                                te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                individuele voorziening worden getroffen bestaande uit een rolstoel
                                voor dagelijks zittend gebruik.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt deze
                                mogelijkheid eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en
                                bruikbaar is, worden ten aanzien van dat onderdeel geen individuele
                                voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie, kennissen
                                en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon-
                                en leefomgeving.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan
                                een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het
                                verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen
                                over de langere afstand binnen de directe woon en leefomgeving.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare scootermobielpool of van collectief vraagafhankelijk
                                vervoer van deur tot deur, die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat, worden deze
                                mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve,
                                maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat uit het zo
                                mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan
                                gewenste activiteiten.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen
                                en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                activiteiten kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het vervoer naar de gewenste bestemmingen.</al><al>Lid 3. </al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                individuele situatie van belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële
                            tegemoetkoming. Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Verstrekking van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Mogelijke vormen van verstrekkingen</titel></kop><al>De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als
                                persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden
                                verstrekt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke voorziening wordt getroffen;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening in natura verstrekt wordt en</al></li><li nr="d."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Verstrekking als persoonsgebonden budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Overwegende bezwaren</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Etten-Leur vast in welke situaties sprake is
                                van overwegende bezwaren die zich richten tegen het verstrekken van
                                een persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden budget
                                        gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma
                                        van eisen waaraan bij de besteding hiervan voldaan moet
                                        worden;</al></li><li nr="b."><al>wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze
                                        omvang tot stand is gekomen;</al></li><li nr="c."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het
                                        persoonsgebonden budget bedoeld is; </al></li><li nr="d."><al>welke regels gelden ten aanzien van de verantwoording van
                                        het persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Verstrekking als financiële tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat de financiële tegemoetkoming
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld en</al></li><li nr="d."><al>wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is;</al></li><li nr="e."><al>welke regels gelden ten aanzien van de verantwoording en
                                        terugbetaling van de</al><al> financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al><al>Lid 3</al><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Etten-Leur vast, welke regels er gelden ten aanzien van lid
                                1 onder d en e van dit artikel<vet>.</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het verstrekken van een voorziening kan sprake zijn van een
                                eigen bijdrage of een eigen aandeel ten aanzien van de volgende
                                resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                        behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in, om en nabij de woning voor zover het
                                        geen rolstoel betreft;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en
                                        deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                        religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Etten-Leur de omvang van de eigen bijdrage, respectievelijk
                                het eigen aandeel vast. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming,
                            intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen wordt bedraagt maximaal 8
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de beslistermijn voor een
                                voorziening waarvoor offertes opgevraagd moeten worden maximaal 13
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is, tenzij
                                    kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te bereiken
                                    resultaat.</al></li><li nr="b."><al>de te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende
                                    voorziening aan te merken is.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de voorziening algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>Indien het hoofdverblijf van de belanghebbende niet in de
                                    gemeente Etten-Leur is;</al></li><li nr="c."><al>Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het
                                    moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan
                                    of deze voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst
                                    compenserend aan te merken valt;</al></li><li nr="d."><al>Voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of
                                    regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de
                                    voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of
                                    verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                    omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen,
                                    of tenzij belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in
                                    de veroorzaakte kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
                            beoordeling van het recht op de aangevraagde voorziening, degene door
                            wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke zorg diens relevante
                            huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.</al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag van een persoon die niet eerder een
                                    voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als
                                    bedoeld in artikel 3 is gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het handelt om een aanvraag van een persoon die wel eerder een
                                    voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel
                                    3 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig
                                    zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van
                                    een voorziening of de soort van voorziening kunnen
                                    beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een aanvrager is verplicht medewerking te verlenen aan het college of de
                            door haar aangewezen adviesinstantie en gegevens te verschaffen of te
                            doen verschaffen, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                            aanvraag. Indien de aanvrager zijn medewerkingverplichting niet nakomt,
                            dan kan het college, mits onvoldoende informatie voor handen is voor een
                            zorgvuldig besluit, besluiten de aanvraag af te wijzen, omdat het recht
                            op een voorziening niet vast te stellen is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Wijziging situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college
                            mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                            geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld
                                    bij of krachtens deze verordening.</al></li><li nr="b."><al>Beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening
                            heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Indien het recht op een voorziening is ingetrokken, kan op basis daarvan
                            een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                            budget worden teruggevorderd.</al><al>Lid 2.</al><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                            voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.</al><al>Lid 3.</al><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald indien de
                            voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijk besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Etten-Leur geldende bedragen
                            verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006, 450) of conform de OVA voor
                            wat betreft de personele kosten en het prijsindexcijfer zoals vermeld in
                            het Centraal Economisch Plan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie onder
                                gelijktijdige </al><al> intrekking van de verordening voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning </al><al> gemeente Etten-Leur d.d. 8 februari 2011;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op besluiten die
                                worden </al><al> genomen op aanvragen en bezwaarschriften die ontvangen zijn na de
                                datum </al><al> van publicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Etten-Leur 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van 2 april 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten MBA Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Achtergrond</vet></al><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 van kracht
                    geworden. De uitvoering van deze nieuwe wet is aanvankelijk wat betreft de
                    individuele voorzieningen van prestatieveld 6 “beleidsarm” ingezet. Dat wil
                    zeggen dat de bestaande regelgeving van de aan de Wmo voorafgaande Wet
                    voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de functie Huishoudelijke Verzorging (HV)
                    uit de AWBZ zo veel mogelijk ongewijzigd in de nieuwe verordening werden
                    opgenomen. </al><al>Deze beleidsarme invoering heeft nadien reacties opgeroepen. Allereerst van de
                    gebruikers. Hun koepels, de CG-Raad en de gezamenlijke Ouderenbonden, hebben
                    direct gereageerd, maar hadden ook begrip voor de onmogelijkheid om in zeer
                    korte tijd een geheel nieuw beleid te ontwikkelen. Ook Kamerleden reageerden
                    teleurgesteld, maar toonden ook weer begrip. Toen de Wmo eenmaal ingevoerd was
                    reageerden ook de rechters. Zij reageerden zonder terughoudendheid, omdat zij de
                    regelgeving als uitgangspunt namen. Daardoor ontstond een steeds grotere
                    discrepantie tussen de tekst van de modelverordening en de daarop gebaseerde
                    verordeningen van gemeenten en het door gemeenten te hanteren beleid.</al><al/><al>In samenwerking tussen VNG enerzijds en CG-Raad en gezamenlijke Ouderenbonden
                    anderzijds is daarop “De Kanteling” ontstaan: een proces om de Wmo te doen
                    kantelen naar een wijze van uitvoeren die recht doet aan de bedoeling van de
                    wetgever, met name ten aanzien van het nieuwe begrip “compensatieplicht”.</al><al/><al>Deze verordening is de weerslag van twee zaken. Allereerst hebben de resultaten
                    van het project “De Kanteling” aan de basis gelegen van de in deze verordening
                    opgenomen tekst. Vervolgens is ook rekening gehouden met de jurisprudentie, met
                    name die van de Centrale Raad van Beroep. </al><al/><al>In deze verordening ligt het zwaartepunt op de te behalen resultaten in plaats
                    van op voorzieningen en op het zogenaamde “gesprek”, een open gesprek waarin
                    samen met de persoon die compensatie behoeft een zo volledig mogelijke
                    inventarisatie gemaakt wordt van zijn<extref doc="Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat kan ook de vrouwelijke vorm worden gelezen."><sup>[1]</sup></extref>situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden,
                    zijn wensen en individuele specifieke kenmerken en de problemen die om een
                    oplossing vragen. Leidend hierbij is het te bereiken resultaat. Op basis hiervan
                    kan bekeken worden welke mogelijkheden er zijn om dit resultaat te bereiken met
                    oplossingen die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden, (wettelijk)
                    voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen of collectieve voorzieningen. Daarna wordt duidelijk op welke
                    punten nog individuele voorzieningen nodig zijn. Na het gesprek volgt eventueel
                    een aanvraag voor individuele voorzieningen. Door deze wijze van werken wordt
                    het proces om te komen tot oplossingen in twee delen gesplitst: een
                    inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en een fase van
                    aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen. </al><al/><al>Na de begripsomschrijvingen licht de focus op de te bereiken resultaten. Daarin
                    zal per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de wet (een
                    huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                    aangaan) uitgewerkt worden wat daarbij als resultaat bereikt moet worden. Daarna
                    wordt ingegaan op het Gesprek en vervolgens op de procedure na dat gesprek als
                    het komt tot een individuele aanvraag. Pas daarna zal besloten worden met een
                    aantal algemene soms procedurele regels. </al><al><vet>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>Lid 1. Wet</vet></al><al>Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Lid 2. College</vet></al><al>Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.</al><al><vet>Lid 3. Compensatieplicht</vet></al><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze
                    uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de Wmo.
                    Het letterlijke citaat luidt:</al><al><cursief>“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het College aan de in dat
                        artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun
                        beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich
                        te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                        vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                        verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de
                        maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de
                        compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de
                        artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op
                        artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze
                        invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                        compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het
                        College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de
                        rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te
                        treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied
                        van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo
                        legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken
                        dat als compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de
                        wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende
                        beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit.
                        Wel heeft hij daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een
                        dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder
                        omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de
                        gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6
                        van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen
                        worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                        compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in de parlementaire
                        geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het wetgevingsoverleg
                        (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de brief van de
                        staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30 131, nr.
                        122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C, p. 7,
                        9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30
                        131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p.
                        34-1645).” </cursief></al><al>Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de volgende
                    begripsomschrijving:</al><al>“<cursief>Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en
                        wethouders aan personen met een beperking, een chronisch psychisch of een
                        psychosociaal probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van hun
                        beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich
                        te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                        vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                        verbanden aan te gaan (met als doeleinden de zelfredzaamheid en de
                        maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij legt artikel 4 van
                        de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                        compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk
                        is”</cursief></al><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet
                    het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de
                    maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een
                    huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                    sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><al><vet>Lid 4. Zelfredzaamheid</vet></al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op het amendement-Miltenburg
                    c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al><vet>Lid 5. Maatschappelijke participatie</vet></al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op het amendement-Miltenburg
                    c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al><vet>Lid 6. Aanmelding</vet></al><al>In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een
                    aanmelding. Dit geeft verschillende aspecten van het gesprek aan. Allereerst dat
                    het gesprek niet het onderzoek is naar een te verstrekken voorziening, maar het
                    onderzoek naar de situatie van betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken
                    resultaten enz. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten
                    bereikt kunnen worden met algemene voorzieningen die voor iedereen beschikbaar
                    zijn. Dit traject kan uiteindelijk ook nog leiden tot een aanvraag voor een
                    individuele voorziening. Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het
                    gesprek is mede de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele
                    voorziening. Van het gesprek worden aantekeningen gemaakt die uitgewerkt worden
                    tot een verslag, dat bij de aanvraag gevoegd <cursief>kan</cursief> worden om te
                    voorkomen dat zaken dubbel gedaan moeten worden.</al><al><vet>Lid 7. Het gesprek</vet></al><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    college, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervindt, wat
                    betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van
                    betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen er in de
                    maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat
                    een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die
                    oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die
                    resultaten niet in die gesprekken al te behalen zijn, zal een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het
                    gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. Het verslag van het gesprek zal dan
                    ook bij de aanvraag worden gevoegd. Wie direct een aanvraag wil doen zonder
                    gesprek verplaatst in feite het gesprek naar na de aanvraag. Zonder gesprek, of
                    beter gezegd zonder het onderzoek dat tijdens het gesprek plaatsvindt, zal het
                    lastig kunnen zijn maatwerk te leveren.</al><al>Het gesprek wordt in hoofdstuk 2 uitgewerkt.</al><al><vet>Lid 8. Aanvraag</vet></al><al>De aanvraag in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. Het moge
                    duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie van
                    betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente.
                    Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het
                    bereiken van de afschrijvingstermijn, of als een goed bekende aanvrager een
                    nieuwe aanvraag doet.</al><al>De aanvraag kan schriftelijk of elektronisch gedaan worden. </al><al><vet>Lid 9. Belanghebbende</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 10. Psychosociaal probleem</vet></al><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009.
                    LJN: BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname
                    aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><al><vet>Lid 11. Algemene voorzieningen</vet></al><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                    product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle
                    inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op
                    eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te
                    gebruiken . Voorbeelden zijn:</al><al>&#x9f; De dagrecreatie voor ouderen </al><al>&#x9f; De sociale alarmering </al><al>&#x9f; De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschaphulp</al><al>&#x9f; De maaltijdservice en het eetcafé</al><al>&#x9f; Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                    buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al><al>&#x9f; De (ramen)wasservice </al><al>&#x9f; De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties</al><al>&#x9f; De kort durende huishoudelijke hulp</al><al>&#x9f; Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen </al><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. </al><al><vet>Lid 12. Algemeen gebruikelijke voorziening</vet></al><al>Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening,
                    met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die
                    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook
                    op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een
                    normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of
                    soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan
                    vergelijkbare. De Centrale Raad van Beroep heeft aangegeven dat als het gaat om
                    vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om
                    een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de
                    handicap onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe
                    gemaakt moet worden.</al><al><vet>Lid 13. Collectieve voorzieningen</vet></al><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door
                    meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief
                    (vraagafhankelijk) vervoer (cvv) het meest duidelijke voorbeeld.</al><al>Cvv is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er
                    een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. </al><al><vet>Lid 14. Voorliggende voorziening</vet></al><al>Voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen ,
                    algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Bij deze voorzieningen is
                    de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen. </al><al><vet>Lid 15. Wettelijk voorliggende voorziening</vet></al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en
                    in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de
                    Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene
                    Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende
                    arbeidsongeschiktheidswetten. </al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo, zo is in
                    artikel 2 Wmo bepaald.</al><al><vet>Lid 16. Individuele voorziening</vet></al><al>In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor
                    iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de
                    wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze
                    voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar
                    en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die
                    rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al><vet>Lid 17. Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen hebben zij
                    gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten.
                    Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een
                    verplichtend karakter.</al><al><vet>Lid 18. Voorziening in natura</vet></al><al>Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is.</al><al><vet>Lid 19. Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld om het
                    te bereiken resultaat te bereiken.</al><al><vet>Lid 20. Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt
                    gesproken over een forfaitair bedrag, een bedrag waarbij geen rekening is
                    gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten.</al><al><vet>Lid 21. Mantelzorger</vet></al><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><al><vet>Lid 22. Hoofdverblijf</vet></al><al>Krachtens de Wmo heeft het college een plicht tot het treffen van voorzieningen
                    op het gebied van maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van
                    beperkingen, de zogenaamde compensatieplicht. Deze plicht bestaat krachtens
                    artikel 11 Wmo jegens ingezetenen. In artikel 1 Wmo wordt het begrip
                    hoofdverblijf gebruikt in de omschrijving van het begrip gezamenlijke
                    huishouding.</al><al>De gemeentelijke basisadministratie biedt uitsluitsel over het hoofdverblijf van
                    de aanvrager. Voor bepaalde AWBZ instellingen geldt dat bewoners een briefadres
                    elders kunnen aanhouden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. De te bereiken resultatenAlgemeen.</vet></al><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid: </al><al>a. een schoon en leefbaar huis;</al><al>b. wonen in een geschikt huis;</al><al>c. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al><al>d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al><al>e. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al><al>f. zich verplaatsen in en om de woning;</al><al>g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en </al><al>h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan
                    recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. </al><al>Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. Ook de Centrale Raad spreekt over resultaatverplichting,
                    bijvoorbeeld in de eerdergenoemde uitspraak van 10 december 2008, zie
                    begripsomschrijving onder lid 3. </al><al><vet>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken resultatenArtikel 3. Scheiding
                        aanmelding en aanvraag</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat er een scheiding wordt aangebracht tussen een aanmelding
                    en een aanvraag. In een drietal situaties, namelijk wanneer iemand zich voor het
                    eerst meldt voor een individuele voorziening, wanneer iemand zich niet voor het
                    eerst meldt, maar wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een
                    nieuw gesprek rechtvaardigen, of indien ofwel belanghebbende ofwel de gemeente
                    dat gewenst vindt, dient een aanvraag voorafgegaan te worden door het gesprek.
                    Dit uitgangspunt wordt terzijde gezet als betrokkene aangeeft direct een
                    aanvraag te willen doen. Dan zal het gesprek tijdens de aanvraagprocedure plaats
                    kunnen vinden in de vorm van het noodzakelijke gemeentelijke onderzoek. </al><al>Het college kan ook van mening zijn dat het gesprek niet nodig is, bijvoorbeeld
                    omdat bijvoorbeeld de situatie van belanghebbende volledig bekend is of in een
                    situatie dat meteen actie ondernomen moet worden, zoals tijdelijke hulp bij het
                    huishouden na ontslag uit het ziekenhuis. Er kan dan direct een aanvraag worden
                    ingediend. </al><al/><al>Globaal kan gesteld worden dat een aanvraag pas gedaan kan worden als op basis
                    van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en alle
                    mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat betekent dat
                    het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere oplossingen zijn dan
                    een individuele oplossing en dat de te bereiken resultaten en de manier waarop
                    die resultaten bereikt kunnen worden, vastgelegd zijn en beoordeeld als vallend
                    onder de Wmo.</al><al><vet>Artikel 4. Aanmelding voor een gesprek</vet></al><al>Artikel 4 bepaalt dat een gesprek aangevraagd wordt middels een aanmelding. Het
                    gesprek leidt niet tot een beschikking, dus er is geen sprake van een aanvraag
                    die de regels van de Algemene wet bestuursrecht dient te volgen. Daarom kan een
                    aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere manier) worden gedaan,
                    hetgeen in principe niet automatisch voor een formele aanvraag, zoals in
                    Hoofdstuk 4 genoemd, geldt.</al><al>Als een aanmelding is gedaan dient binnen een bepaald aantal werkdagen een
                    afspraak voor het gesprek gemaakt te worden. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Het gesprek</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een gewijzigde
                    situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend gesprek te
                    houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><al>&#x9f; de beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal probleem
                    dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al><al>&#x9f; de mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al><al>&#x9f; de onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                    ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al><al>&#x9f; de resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in deze
                    verordening weergegeven terreinen.</al><al>&#x9f; hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande belemmeringen
                    op te lossen.</al><al>&#x9f; de mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                    oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen of via collectieve voorzieningen te bereiken.</al><al>&#x9f; de mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een
                    individuele voorziening op te lossen.</al><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, lid 1 onder g sub 6
                    Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte invulling
                    van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de doelstelling van de
                    Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een claimgerichte aanvraag komt
                    en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien, kan dit betekenen dat een
                    gemeente moeilijk maatwerk kan leveren. </al><al>Doordat het gesprek geheel vanuit de belanghebbende gevoerd moet worden, kan een
                    gemeente ervoor kiezen het gesprek niet zelf te voeren, maar uit te besteden aan
                    een professional, of professionele vrijwilliger, die na het gesprek niet ook de
                    eventuele besluitvorming rond een individuele voorziening moet behandelen. Als
                    beide onderdelen door één persoon worden ingevuld zou het idee kunnen ontstaan
                    dat bij het gesprek de te verlenen individuele voorziening al een rol speelt,
                    terwijl dat absoluut niet de bedoeling is.</al><al>Indien het gesprek door een ander gevoerd wordt dan de persoon die uiteindelijk
                    de eventuele beslissing over een individuele voorziening neemt is de overdracht
                    van alle informatie vanuit het gesprek naar de aanvraagprocedure van groot
                    belang. Omdat het op zich al van belang is dat het gesprek uitmondt in
                    volstrekte duidelijkheid over datgene wat in het gesprek is aangegeven, is er
                    voor gekozen in bepaalde situaties dit gesprek uit te laten monden in een
                    verslag, dat voor akkoord wordt getekend, zodat het verslag indien gewenst als
                    aanvraag gebruikt kan worden indien individuele voorzieningen noodzakelijk
                    blijken.</al><al>Bij het gesprek zal het begrippenkader van de ICF, de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Health, uitgangsput zijn. Ook bij
                    de formulering van de te bereiken resultaten is het ICF basis geweest. Het is de
                    wens van de wetgever geweest dat dit plaats zou vinden<extref doc="Toelichting amendement van het lid van Miltenburg c.s. TK 2005-2006, 30131 nr. 65: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”"><sup>[2]</sup></extref>.</al><al>Het gesprek zal alleen gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke
                    uitstekend bekend is: kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan
                    algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen
                    is onmisbaar voor het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een
                    gemeente er immers van uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door
                    belanghebbende zelfstandig aan te spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan
                    niet de bedoeling zijn dat dit na een aanvraag alsnog beoordeeld moet
                    worden.</al><al>Mocht de gemeente nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke
                    kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd. Er is een
                    aantal argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het is de
                    vertrouwde omgeving van betrokkene, een professional kan zich gemakkelijker
                    aanpassen aan wisselende plaatsen dan een niet-professional, het kan relevant
                    zijn de leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek
                    beter te begrijpen, enz. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene die als
                    professional aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld in de
                    thuissituatie door allerlei omstandigheden (kleine kinderen?) een gesprek niet
                    mogelijk of uiterst ingewikkeld is.</al><al>Verder is het mogelijk dat de belanghebbende aangeeft het gesprek liever elders
                    te voeren. Dat zou kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast
                    familielid.</al><al/><al>Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een lijst van te bespreken punten die
                    tegelijk met de bevestiging van de afspraak voor het gesprek aan belanghebbende
                    wordt toegezonden. Een dergelijke lijst maakt het voor belanghebbende, indien
                    hij dit wil, mogelijk zich voor te bereiden op het gesprek. Daardoor komen
                    belanghebbende en de professional meer in een gelijke positie te verkeren dan
                    zonder informatie vooraf. De lijst mag niet leiden tot een starre benadering van
                    het gesprek door de lijst strikt te volgen. De lijst is bedoeld als
                    ondersteuning.</al><al/><al>Lid 1 geeft aan dat het ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek.
                    Dit wil niet zeggen dat het ICF op tafel moet komen of dat belanghebbende bekend
                    moet zijn met het ICF. Het ICF zal aan de basis liggen van de lijst met te
                    bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel betekent dit dat de
                    professional het ICF dient te kennen. </al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat als de aanmelding gedaan is door een mantelzorger, het gesprek
                    met de mantelzorger en zo mogelijk ook met degene die door de mantelzorger
                    verzorgd wordt, gevoerd zal worden.</al><al><vet>Artikel 6. Het verslag.</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt in lid 1 dat het gesprek met een verslag wordt afgesloten. Dit
                    verslag zal meestal niet ter plekke gemaakt worden. In veel gevallen zal het
                    ongewenst zijn het gesprek met een laptop ter plekke vast te leggen: deze manier
                    van werken zal het gesprek wellicht negatief beïnvloeden, omdat het maken van
                    het verslag een te grote rol in het proces van het gesprek zal gaan spelen. De
                    professional zal volledig aan het gesprek moeten kunnen deelnemen. Het lijkt een
                    betere oplossing om per onderdeel van het gesprek en uiteindelijk aan het eind
                    van het gesprek de belangrijkste punten kort samen te vatten en die op papier te
                    zetten. Belanghebbende zal deze aantekeningen ten allen tijde desgevraagd kunnen
                    ontvangen. Met deze punten kan door de professional uiteindelijk een uitgebreid
                    gespreksverslag worden gemaakt. Het verslag kan het beste zo snel mogelijk, denk
                    aan 2 tot 4 werkdagen beschikbaar worden gesteld. Hoe sneller het verslag
                    beschikbaar is, hoe beter de deelnemers aan het gesprek zich dat gesprek kunnen
                    herinneren!</al><al>Belanghebbende heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen
                    aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag,
                    maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd.</al><al>Als de belanghebbende het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van
                    zijn naam, adres en een dagtekening kan het verslag functioneren als
                    aanvraagformulier voor een individuele aanvraag, als dat (mede) de uitkomst is
                    van het gesprek. De belanghebbende krijgt een kopie van het verslag. </al><al/><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Van het verslag kan
                    dan ook niet verwacht worden dat het een objectieve weergave van de situatie van
                    betrokkene weergeeft: het zal duidelijk subjectieve aspecten bevatten. Deze
                    subjectieve aspecten zullen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er
                    uiteindelijk behoefte aan een objectieve onderbouwing, dan zal dat na de
                    aanvraag plaats moeten hebben.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat het mogelijk is, indien daar aanleiding toe bestaat, met het
                    verslag van het gesprek een formele aanvraag bij de gemeente in te dienen. Met
                    die aanvraag wordt een formele procedure ingezet die gebonden is aan de regels
                    van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het een ander traject is met een ander
                    regime en een andere sfeer is de aanvraag in een nieuw hoofdstuk opgenomen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een individuele voorzieningArtikel 7. De
                        aanvraag</vet></al><al/><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een individuele voorziening altijd
                    schriftelijk moet worden gedaan, waarbij elektronisch een vorm van schriftelijk
                    is. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald,
                    een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden
                    ingediend. Gemeente Etten-Leur heeft de elektronische weg ( nog ) niet
                    opengesteld voor het aanvragen van voorzieningen Wmo. </al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere
                    manier)</al><al>wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet bevestigen onder
                    gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze aanvraag formeel te
                    maken. </al><al>Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het
                    aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen
                    waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is
                    binnengekomen. Het spreekt voor zich dat deze belangrijke informatie in de
                    begeleidende brief bij het aanvraagformulier verstrekt dient te worden.</al><al/><al>Lid 3 bepaalt dat, als er een gesprek is gevoerd waarvan een verslag is gemaakt
                    dat is ondertekend, dit ondertekende verslag van het gesprek als
                    aanvraagformulier beschouwd kan worden. </al><al><vet>Hoofdstuk 5. Beoordeling van de te bereiken resultaten</vet></al><al>Hoofdstuk 5 van de verordening heeft een speciale opbouw. In paragraaf 1 worden
                    de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten gelden, opgesomd. Het
                    betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom deze maatregel, deze
                    voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken voorziening niet
                    (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot belang: het gaat
                    immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan aan moeten kunnen
                    geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In paragraaf 2 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                    kaders zijn.</al><al>Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk
                    zijn. Allereerst laat de wet deze mogelijkheid toe. Vervolgens is het principe
                    van het gesprek en de daaropvolgende aanvraag zodanig dat niet van meet af aan
                    een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet staan maar het te
                    bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een bepaalde voorziening
                    kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde voorziening wordt
                    toegekend.</al><al><vet> Artikel 8. Het leveren van maatwerk</vet></al><al>In lid 1 van artikel 8 is vastgelegd dat het college het verslag van het gesprek
                    tot uitgangspunt van de beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen
                    gaan worden, dient te nemen. Daarbij gaat het college uit van de
                    persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo
                    voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken en
                    behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het
                    onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk
                    ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij
                    ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken,
                    bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat de individuele omstandigheden en alle (wettelijk)
                    voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen die voor
                    betrokkene beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst
                    beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen dat allereerst bekeken moet worden
                    of via deze, in de maatschappij logischerwijs voorhanden voorzieningen, de te
                    bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Dat kan nodig zijn
                    omdat men niet weet welke voorzieningen er normaal voorhanden zijn. Als deze
                    voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken resultaat zal naar andere
                    oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter
                    beoordeling in perspectief.</al><al>Als er geen gesprek heeft plaatsgevonden zal dit na de aanvraag gebeuren. Dus
                    met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst beoordeeld welke
                    voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen een oplossing
                    zouden kunnen bieden om het te bereiken resultaat daadwerkelijk te
                    bereiken.</al><al><vet>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</vet></al><al><vet>Artikel 9. Een schoon en leefbaar huis.</vet></al><al>In lid 1 van artikel 9 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten
                    aanzien van een schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat iedereen
                    moet kunnen wonen in een huis dat schoon is volgens de normen zoals die tot nu
                    toe zijn gehanteerd. Wat betreft de vraag wat onder schoon verstaan moet worden
                    zijn normen geformuleerd in de beleidsregels. Die normen zijn ontleend aan
                    gangbare ideeën die bestaan in de maatschappij. Er zijn ook beperkingen ten
                    aanzien van de omvang van de woning, zoals het aantal kamers, de oppervlakte van
                    de kamers, waarbij uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de
                    sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden
                    bij te stellen naar boven of naar beneden (maatwerk). Ramen lappen aan de
                    buitenkant valt van oudsher buiten de gemeentelijke plicht. Een aanvrager kan
                    met een (sterk) afwijkende vraag ten aanzien van het onderdeel omvang sociale
                    woningbouw geen compensatie afdwingen voor de luxe boven het niveau sociale
                    woningbouw. Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een
                    woonkamer, de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire
                    ruimten. </al><al/><al>In lid 2 van artikel 9 wordt geschetst welke individuele voorzieningen
                    beschikbaar gesteld kunnen worden om het schone en leefbare huis te bereiken,
                    dat gaat allereerst via licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z. om het droog
                    en nat schoon en stofvrij maken en houden van de woning. Daarbij valt
                    bijvoorbeeld het reinigen van de ramen aan de buitenkant niet onder de
                    compensatieplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke voorziening
                    bestaat: de glazenwasser. </al><al/><al>Lid 3 van artikel 9 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. </al><al>Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in
                    staat kan worden geacht het huishoudelijk werk ( gedeeltelijk ) over te nemen. </al><al>Wat onder gebruikelijke zorg en huisgenoot wordt verstaan, wordt verwezen naar
                    de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is
                    om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in
                    principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om
                    maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden.
                    Hetzelfde geldt de in artikel 7 lid 2 gestelde uitzondering voor voorliggende en
                    andere voorzieningen die gewoon in de maatschappij beschikbaar zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Een geschikte woning</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                    woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij
                    dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat
                    een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid
                    van de aanvrager. De gemeente kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het zoeken
                    naar een (geschikte) woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt
                    naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard
                    passend bij het bestedingspatroon.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele
                    problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan
                    veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten
                    zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. Er
                    kan afgeweken worden, maar omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen
                    niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van
                    compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het
                    mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een
                    woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging
                    moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij zijn de
                    behoeften van de aanvrager. Maar aan de andere kant is er ook de noodzaak tot
                    een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk
                    aanvragers gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Door hier
                    gericht beleid op te maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De
                    verschillende regels die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de
                    beleidsregels opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van
                    een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over
                    afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later
                    hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt aanpassingen die
                    bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als vastgelegd kan worden dat
                    deze aanpassing tijdens de gehele looptijd beschikbaar kan blijven voor een
                    gehandicapte. In andere situaties zal indien mogelijk gekozen worden voor het
                    plaatsen van een losse woonunit.</al><al/><al>Lid 3</al><al>Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                    woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning.
                    Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat
                    er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk
                    rekening gehouden worden met de behoeften van de aanvrager. Dat wil zeggen dat
                    in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de
                    belangen (met name financiële) van de gemeente.</al><al/><al>Lid 4.</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn die
                    goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog leidt
                    tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou kunnen
                    worden.</al><al><vet> Artikel 11. Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</vet></al><al>Lid 1 van artikel 11 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over
                    goederen voor primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel
                    voor maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt, beschikbaar moet
                    zijn. Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze
                    dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie
                    houdt niet per definitie in dat de aanvrager zelf de boodschappen moet kunnen
                    doen. Er zal in redelijkheid gezocht worden naar een oplossing waarmee het
                    resultaat bereikt wordt. </al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                    Compensatie betekent dat de aanvrager beschikt over de verschillende maaltijden
                    door de dag heen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met medische
                    geïndiceerde diëten en kan rekening worden gehouden met de wensen van de
                    aanvrager. Het te bereiken doel kan behaald worden via een maaltijdservice, via
                    het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of via het – met behulp van een
                    vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van maaltijden. Ook kan het bereiden
                    van maaltijden worden overgenomen.</al><al/><al>Lid 2 van artikel 11 stelt welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit
                    resultaat te bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan
                    worden. Er kan gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals
                    boodschappenservice. Bij afwezigheid van dergelijke diensten, of indien de
                    kosten van de dienst, zowel wat betreft producten als wat betreft extra
                    bezorgkosten, dat rechtvaardigen, kan gekozen worden voor het inzetten van hulp
                    om de boodschappen te doen. Daarbij zal goedkoopst-compenserend leidraad zijn,
                    zodat het doen van boodschappen niet perse door de aanvrager zelf met hulp hoeft
                    te worden gedaan. Ook hier is het te bereiken resultaat van belang en is de
                    manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al/><al>Lid 3 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                    maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is op
                    eventueel individuele voorzieningen. </al><al>Om te bepalen of een boodschappenservice of maaltijdvoorziening bruikbaar is,
                    zal gekeken moeten worden naar de gezinssamenstelling, de kosten en concrete
                    beschikbaarheid. </al><al>Als een voorliggende voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen
                    gebruik van worden gemaakt.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het
                    resultaat bereikt kan worden, er geen ruimte bestaat voor een individuele
                    voorziening.</al><al><vet>Artikel 12. Beschikken over schone draagbare en doelmatige
                    kleding</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Gemeenten dienen aanvragers in staat te stellen te beschikken over schone,
                    draagbare en doelmatige kleiding. Dit onderdeel is beperkt tot het verzorgen van
                    kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van kleding
                    valt niet onder afdwingbare compensatie, maar als daar behoefte aan bestaat, kan
                    de gemeente wel bemiddelen bij het regelen dat er geschikte en passende kleding
                    wordt gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van vrijwilligers. De wijze waarop
                    deze ondersteuning wordt geboden, is afhankelijk van de gezamenlijk door
                    aanvrager en gemeente te kiezen oplossing. Als mobiliteit het probleem is, kan
                    gedacht worden aan een vervoersvoorziening om dat probleem op te lossen. Wat
                    doelmatige kleding precies is zal per situatie verschillen. Het moge duidelijk
                    zijn dat het gaat om dagelijkse kleding en niet om exceptionele kleding zoals
                    bijvoorbeeld speciale gelegenheidskleding.</al><al>Lid 2 </al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken moet
                    kunnen worden, alles voor zover de aanvrager daartoe niet in staat is. Het
                    wassen zal veelal gebeuren met de algemeen gebruikelijke wasmachine. Ook het
                    drogen van de was vindt indien mogelijk plaats op moderne wijzen van drogen: de
                    wasdroger. Voor zover het noodzakelijk is kleding te strijken kan dit ook onder
                    te compenseren problemen vallen. Daarbij is weer uitgangspunt wat in de
                    maatschappij algemeen gangbaar is.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal geen
                    ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard gekeken
                    of er wel sprake is van maatwerk.</al><al><vet>Artikel 13. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                        behoren</vet></al><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren.
                    Dit kan onder de compensatieplicht behoren als een ouder met beperkingen dat
                    zelf niet kan. Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning. Het zal nooit gaan
                    om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen gezocht moeten
                    worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen
                    zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet op de
                    jeugdzorg en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke
                    zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al/><al>Lid 2 biedt de mogelijke oplossingen. Het thuis verzorgen van kinderen die tot
                    het gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. De compensatie van het niet
                    zelf verzorgen (en opvoeden) van tot het gezin behorende kinderen zal bij een
                    langere duur opgelost kunnen worden via algemeen gebruikelijke, voorliggende en
                    algemene voorzieningen. Soms zal tijdelijke compensatie van belang zijn om de
                    ouder(s) de gelegenheid te geven een definitieve oplossing te zoeken.
                    Voorliggende voorzieningen spelen dan een grote rol. Te denken valt aan
                    kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz. </al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere opvangmogelijkheden
                    die in de individuele situatie van de aanvrager kunnen leiden tot het te
                    bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een individuele voorziening
                    onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld moeten worden of er sprake is
                    van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al><al><vet>Artikel 14. Zich verplaatsen in en om de woning</vet></al><al>Lid 1. Het te bereiken resultaat betekent dat de aanvrager zich in, om en nabij
                    zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het
                    verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het bereiken van een balkon of het bereiken van de tuin.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al/><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt
                    daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het
                    toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen
                    worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt. In principe zullen
                    zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld
                    een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht vallen. Het doel hierbij is dat
                    men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich daardoor zodanig kan
                    redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit resultaat te bereiken wordt
                    compensatie geboden in de vorm van hulpmiddelen. Een voorbeeld is een rolstoel
                    voor verplaatsingen door de ruimte. Ook een tillift zou gezien kunnen worden als
                    een dergelijk middel. Doordat een belangrijk deel van de tilliften vanwege aard-
                    en nagelvaste verbinding met het plafond gerekend worden tot de voorzieningen
                    waardoor in een geschikte woning gewoond kan worden, wordt de tillift verder
                    beschouwd als een voorziening die daar onder valt. De hulpmiddelen die het te
                    bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het is niet
                    zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een nieuwe voorziening moet
                    ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met de verstrekking het te
                    bereiken resultaat moet kunnen bereiken. Het kunnen verplaatsen in de woning zou
                    kunnen betekenen dat er twee voorzieningen verstrekt worden. Wanneer iemand een
                    transfer kan maken, maar overigens aangewezen is op een rolstoel, zou gekozen
                    kunnen worden voor een stoeltjeslift in combinatie met een rolstoel beneden en
                    een rolstoel boven, waardoor iemand in staat zal zijn om zich in de gehele
                    woning te verplaatsen. In deze situatie kunnen naast een traplift ook andere
                    voorzieningen nodig zijn om de woning rolstoeldoorgankelijk te maken.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis (onder
                    de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men een
                    dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Aan een
                    dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin gebruik wordt gemaakt
                    van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de Zorgverzekeringswet of
                    AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde rolstoel voor incidenteel gebruik valt
                    hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in,
                    om en nabij de woning, maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet
                    verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje.
                    Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor
                    beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming
                    beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke. De rolstoel
                    voor incidenteel gebruik wordt alleen dan verstrekt, indien de gemeente geen
                    regeling heeft voor het lenen van dit soort rolstoelen. Ook is het wellicht in
                    incidentele situaties noodzakelijk om andere redenen een dergelijke rolstoel
                    voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het zal hierbij gaan om uitzonderingen:
                    uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt indien die noodzakelijk
                    is voor het verplaatsen in, om en nabij de woning.</al><al/><al>lid 3 en 4.</al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het probleem
                    van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Een rolstoelpoolis
                    een gemeenschappelijk depot met ( handbewogen) rolstoelen, van waaruit een
                    rolstoel voor incidenteel of tijdelijk gebruik snel beschikbaar is. Daarom zal
                    een rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben
                    aan een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de
                    woning plaatsvindt. Als daar sprake van kan zijn zal geen individuele
                    voorziening worden verstrekt.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te bereiken
                    resultaat dat de aanvrager zich met een of ander vervoermiddel binnen zijn eigen
                    woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan verplaatsen. Die
                    verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat zijn
                    alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met verplaatsingen in
                    het kader van een betaalde baan. Heeft men voor verplaatsingen in het kader van
                    een betaalde baan, een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale
                    voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan zal
                    deze voorziening niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed dienen te
                    worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia. Maar het
                    enkele feit dat je met de voorziening die je nodig hebt in het kader van het
                    leven van alledag, ook naar je werk kunt, ontslaat de gemeente niet van de
                    compensatieplicht. Ook niet- gehandicapten gebruiken hun auto vaak voor het
                    reguliere woon-werkverkeer of voor het vervoer in het kader van werk (waarvoor
                    zij dan een vergoeding ontvangen van de werkgever). </al><al/><al>Lid 2.</al><al>De individuele voorzieningen die verstrekt gaan worden om als resultaat te
                    bereiken dat je je met een of ander vervoermiddel in de woonplaats en directe
                    omgeving kan verplaatsen betreffen een breed scala van verplaatsingen.
                    Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een speciaal middel gemaakt moeten
                    worden in verband met betaalde arbeid. Verder zijn ook vakanties en ander
                    verblijf buiten het gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving
                    uitgesloten. </al><al>Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is
                    aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Valys
                    regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder
                    reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het
                    vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het
                    woonadres van de pashouder. De gemeente is verantwoordelijk voor de
                    vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres
                    of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones
                    vanaf het woonadres van de pashouder. </al><al/><al>Wel gaat het om verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen ( zodat ook
                    op deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste
                    levensbehoeften wordt bereikt). Ook het vervoer om in de natuur te zijn, al dan
                    niet met familie of vrienden, of het vervoer om een kerk, een sporthal, of een
                    museum te bezoeken valt onder de compensatieplicht. De omvang van de te bieden
                    compensatie zal over het algemeen liggen tussen 1500 en 2000 kilometer per jaar.
                    Het kan voorkomen dat er een grotere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is
                    allereerst vast te stellen of dat een realistische vervoersbehoefte is, gezien
                    de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de aanvrager. Immers,
                    met een laag inkomen kan men wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken,
                    maar omdat voor iedere Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft zal dat
                    ook voor mensen met een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te
                    stellen of de vervoersbehoefte hiermee spoort.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootermobielpool een oplossing bieden
                    voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde
                    geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. </al><al>Een scootmobielpool is een gemeenschappelijk depot met scootmobielen, van
                    waaruit een scootmobiel voor incidenteel of tijdelijk gebruik snel beschikbaar
                    is.</al><al>Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de aanvrager
                    uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om het te
                    bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen individuele
                    voorzieningen voorkomen.</al><al><vet> Artikel 16. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                        te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten.</vet></al><al/><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben
                    met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                    deelnemen aan gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan
                    familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van
                    kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van
                    cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.
                    Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het zich kunnen verplaatsen naar deze
                    bestemmingen. Daarvoor zal artikel 15 over het algemeen een voldoende oplossing
                    kunnen bieden.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>Als vervoer voldoende in staat stelt aan activiteiten deel te nemen kan via
                    artikel 15 het vervoersprobleem opgelost worden.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als sprake is van voorliggende voorzieningen, die het probleem op kunnen lossen,
                    zal er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen. </al><al><vet>Hoofdstuk 6. Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                        financiële tegemoetkoming</vet></al><al><vet>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 17. Mogelijke verstrekkingwijzen</vet></al><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. De financiële
                    tegemoetkomingen kunnen niet ontbreken (hoewel er in feite geen verschil bestaat
                    tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming) omdat
                    artikel 7 lid 2 Wmo spreekt over een “financiële tegemoetkoming voor een
                    bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte”.</al><al><vet>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</vet></al><al><vet>Artikel 18. Inhoud beschikking</vet></al><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 welke aspecten bij het verstrekken van een
                    voorziening in natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij allereerst om welke voorziening(en) aan de orde zijn. Dit
                    uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten. Vervolgens wordt aangegeven
                    wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend of hoe
                    lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het
                    resultaat te bereiken. Vervolgens is van belang te vermelden op welke wijze de
                    voorziening in natura verstrekt wordt. Als er sprake is van een overeenkomst
                    wordt deze overeenkomst vermeld. Ook andere aspecten, speciaal aspecten die voor
                    deze ene verstrekking gelden, dienen in de beschikking opgenomen te worden.</al><al/><al>Lid 2 geeft aan dat als een eigen bijdrage gevraagd wordt, dit in de beschikking
                    komt te staan. Dit betreft alleen het gegeven dat een eigen bijdrage gevraagd
                    wordt. Hoe hoog de eigen bijdrage is zal door het CAK bepaald worden en door het
                    CAK bij afzonderlijke beschikking worden opgelegd.</al><al><vet>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</vet></al><al><vet>Artikel 19. Overwegende bezwaren</vet></al><al>Artikel 19 bepaalt dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                    verstrekt wordt, ook al is dat aangevraagd, omdat zij vallen onder de
                    formulering van artikel 6 Wmo: “ overwegende bezwaren” door het college
                    opgenomen moeten worden in het Gemeentelijk besluit voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning. Dit omdat het aantal situaties nog zeer beperkt
                    is maar in de loop der jaren meer situaties zullen ontstaan waarin tegen het
                    verstrekken van een pgb overwegende bezwaren bestaan. Dit kan zijn als vast
                    staat dat belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. Ook kan dit een
                    situatie zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij het huishouden en het
                    verstrekken van een persoonsgebonden budget niet praktisch uitvoerbaar is. Een
                    argument kan zijn om geen keuzevrijheid te beiden, als het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer als systeem in gevaar zou komen als de vrijheid tot
                    keuze van een persoonsgebonden budget zou leiden tot leegloop. Dit moet
                    onderbouwd kunnen worden en uitzonderingen moeten mogelijk zijn. Zie ook CRvB
                    12012010 BL4037.</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 20. Inhoud beschikking </vet></al><al>Lid 1 van artikel 20 bepaalt wat er bij het verstrekken van een persoonsgebonden
                    budget vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat daarbij allereerst om
                    de formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor het
                    persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. Dat kan beperkt zijn, zoals het
                    bezoeken van familie, vrienden en kennissen en het doen van boodschappen met een
                    scootermobiel, maar ook een meer algemeen geformuleerd resultaat, zoals het
                    maken van alle noodzakelijke verplaatsingen in de naaste woon- en leefomgeving.
                    Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor bedoeld,
                    aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking vastgelegd
                    onder bijvoeging van het programma van eisen. Vervolgens wordt in de beschikking
                    vastgelegd wat de omvang van het persoonsgebonden budget is, welk bedrag men
                    ontvangt, met vermelding hoe dat bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor
                    wat betreft de verantwoording ook in de beschikking worden vastgelegd wat van
                    degene, tot wie de beschikking is gericht, in dit opzicht wordt verwacht. Lid 2
                    van dit artikel bepaalt dat bij het heffen van een eigen bijdrage dit in de
                    beschikking vermeld moet worden, waarbij meegenomen kan worden dat het CAK de
                    hoogte van de eigen bijdrage vaststelt en per beschikking op zal leggen.</al><al><vet>Paragraaf 4. Verstrekking van een financiële tegemoetkoming</vet></al><al><vet>Artikel 21. Inhoud beschikking</vet></al><al>Lid 1 bepaalt ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de beschikking
                    vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het te bereiken
                    resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient te worden.
                    Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode de financiële
                    tegemoetkoming verstrekt wordt of er een overeenkomst van toepassing is op deze
                    verstrekking en de hoogte van de financiële tegemoetkoming. Lid 2. Bij het
                    verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de mogelijkheid een eigen
                    aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient dit in de beschikking
                    vermeld te worden. De berekening van het eigen aandeel kan, in tegenstelling tot
                    de eigen bijdrage, door het college plaatsvinden. In de wet is alleen voor de
                    eigen bijdrage geregeld dat dit verplicht door het CAK dient te gebeuren. Als
                    een college zelf het eigen aandeel berekent, dient er zorg voor te worden
                    gedragen dat de regels rond de cumulatie van eigen bijdragen in acht worden
                    genomen. Met name als al een eigen bijdrage AWBZ wordt betaald zal herberekening
                    (en wel wat de eigen bijdrage AWBZ betreft door het CAK) plaats moeten vinden,
                    aangezien een eigen aandeel op basis van de Wmo voor gaat op een eigen bijdrage
                    in het kader van de AWBZ. Lid 3: Tenslotte kunnen er ook nadere regels gelden
                    ten aanzien van de verantwoording en terugbetaling. In het besluit voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning worden de nadere regels uiteengezet. </al><al/><al><vet>Paragraaf 5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</vet></al><al><vet>Artikel 22. Eigen bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning wordt
                    vastgelegd. Het college heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van
                    Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur
                    stelt de verschillende bedragen vast te stellen. Deze bedragen worden in het
                    Besluit</al><al>voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Etten-Leur opgenomen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                        besluitvorming, intrekking en terugvorderingArtikel 23.
                    Beslistermijn.</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet
                    anders is bepaald, een besluit genomen dient te worden binnen een redelijke
                    termijn. Die redelijke termijn is 8 weken. De Wmo bepaalt niets over
                    beslistermijnen. Het college heeft de mogelijkheid om afwijkende termijnen vast
                    te stellen. Hoewel het van belang is zo min mogelijk afwijkende termijnen te
                    hanteren, immers, de doorzichtigheid van de termijnen komt daardoor wellicht in
                    het geding, is het logisch voor enkele onderdelen wel een langere termijn vast
                    te stellen. Dit geldt met name voor bouwkundige woonvoorzieningen. Zeker als
                    daar een offerte voor moet worden aangevraagd, zal daarmee de nodige tijd
                    gemoeid zijn, zodat de termijn van acht weken niet haalbaar is. Om dat helder te
                    hebben is het wenselijk deze termijn in de verordening op te nemen. Dit is
                    gebeurd ten aanzien van de verschillende te bereiken resultaten.</al><al><vet>Artikel 24. Beperkingen</vet></al><al>Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen.</al><al/><al>Lid 1 onder a bepaalt dat het noodzakelijk is dat een voorziening langdurig
                    noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij het
                    huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname. Als deze kortdurende hulp bij het
                    huishouden binnen een gemeente niet geleverd kan worden als algemene
                    voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal deze
                    hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden. Deze uitzondering
                    dient dan in de verordening te worden opgenomen.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te
                    bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient gerekend te
                    worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemand gehele
                    verdere leven noodzakelijk zijn.</al><al/><al>Lid 1 onder b bepaalt dat de voorziening als de goedkoopst-compenserende
                    voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij in de eerste plaats
                    om een voorziening die compenserend is voor de ondervonden problemen, zodat het
                    te bereiken doel daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer dan meerdere
                    voorzieningen compenserend blijken te zijn, mag volstaan worden met de
                    goedkoopste voorziening.</al><al/><al>Lid 2 onder a bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening
                    als algemeen gebruikelijk beschouwd dient te worden voor een persoon als de
                    aanvrager.</al><al/><al>Lid 2 onder b bepaalt dat vanwege het ontbreken van een specifieke bepaling in
                    de Wmo waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente
                    woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit
                    artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij
                    gemeenten waar de aanvrager zijn hoofdverblijf niet heeft.</al><al/><al>Lid 2 onder c bepaalt dat geen voorziening toegekend wordt als niet meer is na
                    te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een
                    goedkoopst compenserende voorziening. Is de voorziening te duur geweest dan kan
                    de gemeente volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de
                    goedkoopst-compenserende voorziening.</al><al/><al>Lid 2 onder d bepaalt dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een
                    vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de
                    aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door
                    roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de aanvrager geen
                    schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient
                    bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor
                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien
                    in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is
                    aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit
                    risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden door belanghebbende. </al><al>Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan
                    kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al><vet>Artikel 25. Advisering</vet></al><al>Lid 1.</al><al/><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening een
                    beroep te doen op een (medisch) adviseur. Geregeld is dat het college twee
                    mogelijkheden heeft: het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde
                    plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn
                    om tot een zorgvuldig besluit te komen.</al><al>De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot
                    onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Bij de advisering zal de ICF terminologie
                    gebruikt worden met het oog op de consistentie van verslag, onderzoek en
                    beoordeling.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan
                    worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek
                    een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is.</al><al>In principe mag van de aanvrager verwacht worden mee te werken. Is de aanvrager
                    niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder
                    deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet mogelijk dan
                    zal het college de aanvraag afwijzen. Is wel een zorgvuldig besluit mogelijk dan
                    zal dat besluit genomen moeten worden.</al><al/><al>Lid 2 geeft de situaties weer waarin een adviesinstantie (over het algemeen een
                    medisch adviseur) om advies gevraagd zal worden.</al><al>Dat zal in ieder geval van belang zijn als het gaat om een aanvraag van een
                    persoon die nog niet bij de gemeente bekend is. In die situatie is het van groot
                    belang te weten wat de aard van de problemen is en welke prognose er bestaat.
                    Dit kan van belang zijn bij de bepaling van de voorzieningen om de gewenste
                    resultaten te bereiken.</al><al>Is de aanvrager bekend, maar is er sprake van gewijzigde omstandigheden, dan kan
                    er ook aanleiding zijn een advies op te vragen. Dat zal zeker het geval zijn als
                    die gewijzigde omstandigheden een andere kijk op de te bereiken resultaten
                    rechtvaardigen.</al><al>Uiteraard zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op medische
                    gronden. </al><al>En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins behoefte bestaat aan een
                    medisch advies. Dan biedt het laatste lid van dit artikel daartoe de
                    mogelijkheid.</al><al><vet>Artikel 26. Wijziging situatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie de plicht bestaat het
                    college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed
                    kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening
                    stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden.
                    Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis hebben van
                    deze gewijzigde omstandigheid.</al><al>Maar andere omstandigheden zijn minder gemakkelijk kenbaar door de gemeente. In
                    die situatie kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen worden
                    doorgegeven. Het kan overigens geen kwaad deze bepaling in de beschikking te
                    herhalen, hetgeen de kans dat er kennis van genomen wordt aanzienlijk
                    vergroot.</al><al><vet> Artikel 27. Intrekking</vet></al><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op enig
                    moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                    mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent. Dat
                    is in artikel 26 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                    mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook in
                    deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Een beslissing wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening mee
                    treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van de beslissing de voorziening nog
                    niet is getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing geheel of ten dele
                    in te trekken.</al><al><vet>Artikel 28. Terugvordering</vet></al><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                    eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op
                    de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb kan worden teruggevorderd. Hierbij geldt een
                    privaatrechtelijke procedure.</al><al/><al>Terugvordering van een voorziening die bestaat uit een natura-verstrekking kan
                    ook als later blijkt dat de verstrekking onterecht is geweest doordat er
                    onjuiste gegevens zijn verstrekt.</al><al><vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 29. Hardheidsclausule</vet></al><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. </al><al>Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet
                    billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager
                    ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich
                    afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><al><vet>Artikel 30. Indexering</vet></al><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage , het eigen aandeel en de tarieven van de hulp bij het huishouden. </al><al>Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de maximale eigen
                    bijdrage/aandeel jaarlijks aanpassen. Het college is op basis van dit artikel
                    ook bevoegd eigen bedragen aan te passen. Om deze reden is het voor de hand
                    liggend dat andere bedragen in het gemeentelijke Besluit voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de bedragen snel en
                    gemakkelijk aan te passen zijn. Een uitzondering hierop geldt voor de tarieven
                    zorg in natura en persoonsgebonden budget van de hulp bij het huishouden. Deze
                    bedragen worden geïndexeerd conform de OVA voor wat betreft de personele kosten
                    en het prijsindexcijfer zoals vermeld in het Centraal Economisch Plan.</al><al/><al><vet>Artikel 31. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en het intrekken van
                    de ‘oude’ verordening.</al><al><vet>Artikel 32. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd kan worden. </al><al/><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=163525&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=163525#_ftnref1"><sup>[1]</sup></extref> Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat
                    kan ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=163525&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=163525#_ftnref2"><sup>[2]</sup></extref>Toelichting amendement van het lid van Miltenburg
                    c.s. TK 2005-2006, 30131 nr. 65: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                    biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                    (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om
                    de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>