<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR163003_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Doetinchem 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Doetinchems Vizier, 18 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wwb 2012 gemeente Doetinchem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2011 en de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Doetinchem 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doetinchem;</al><al>gezien het advies van de sociale raad;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 maart 2012;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1
                        onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente
                        Doetinchem 2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Doetinchem;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Doetinchem;</al></li><li nr="d."><al>de gezinsnorm: de norm voor een gezin waarvan alle
                                        meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn zoals
                                        bedoeld in artikel 21, lid 1 Wwb;</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                        zoals bedoeld in artikel 3, lid 6 Wwb;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al></li><li nr="g."><al>indien een huurwoning wordt bewoond: de per maand geldende
                                        huurprijs, als bedoeld in artikel 1 onderdeel d van de Wet
                                        op de huurtoeslag;</al></li><li nr="h."><al>indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering
                                        van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband
                                        met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                        zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te
                                        stellen bedrag voor onderhoud;</al></li><li nr="i."><al>opvangvoorziening: een voorziening gericht op het bieden van
                                        slaapgelegenheid aan dak- en thuislozen, met beperkte
                                        mogelijkheid tot het bieden van begeleiding en
                                        hulpverlening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van een gezin gelden de
                            bepalingen van deze verordening uitsluitend indien alle gezinsleden
                            jonger dan 65 jaar zijn en ten minste twee gezinsleden 21 jaar of
                            ouder.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslag alleenstaande en/of alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 Wwb, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm voor belanghebbende die met één
                                        of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>15 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ontbreken woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder die een woning
                                bewoont waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of
                                hypotheeklasten zijn verbonden, wordt geen toeslag verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt rekening
                                gehouden met het bedrag dat belanghebbende betaalt aan aantoonbare
                                onderhoudskosten voor de woning op maandbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het niet bewonen van een woning, verblijf in een
                                opvangvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder die geen woning
                                bewoont wordt geen toeslag verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1, wordt aan belanghebbende die geen woning
                                bewoont maar ingeschreven staat en verblijf houdt in een
                                opvangvoorziening, een toeslag verleend van 10% van de
                                gezinsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlagingen gezinsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 Wwb bedraagt 10 procent van
                                de gezinsnorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn
                                        verbonden, als bedoeld in artikel 7 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>drie of meer meerderjarige personen onder de gezinsnorm
                                        vallen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontbreken woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm voor een gezin dat een woning bewoont waaraan voor
                                belanghebbenden geen huur of hypotheeklasten zijn verbonden, wordt
                                met 20% verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt rekening gehouden met het bedrag dat
                                het gezin betaalt aan aantoonbare onderhoudskosten voor de woning op
                                maandbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Het niet bewonen van een woning, verblijf in een
                                opvangvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm voor het gezin dat geen woning bewoont, wordt verlaagd met
                                20%.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de norm voor belanghebbenden die geen
                                woning bewonen maar ingeschreven staan en verblijf houden in een
                                opvangvoorziening, met 10% verlaagd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wwb
                            2012 gemeente Doetinchem.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2011 en
                                    Toeslagenverordening Wet investeren in Jongeren 2011 gemeente
                                    Doetinchem worden gelijktijdig ingetrokken met dien verstande
                                    dat indien de inwerkingtreding van onderhavige verordening leidt
                                    tot een verlaging van de toeslag of bijstandsnorm, de hoogte van
                                    de bijstand tot uiterlijk 1 juli 2012 gehandhaafd blijft op het
                                    niveau zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze
                                    verordening. Tenzij zich een wijziging voordoet die leidt tot
                                    aanpassing van de bijstandsnorm inclusief eventuele toeslag of
                                    verlaging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van 4 april 2012,</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al><vet>Systematiek van de bijstandsverlening</vet></al><al>De Wwb kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 Wwb. Paragraaf 3 Wwb voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met 64 jaar die
                    niet in een inrichting verblijven.</al><al>De WwbB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gezinnen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag die wordt aangegeven in de
                    Toeslagen-verordening, bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en
                    moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden
                    vastgesteld.</al><al>De Wwb kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><lijst><li nr="-"><al>het kunnen delen van kosten met een ander door een gezin;</al></li><li nr="-"><al>de woonsituatie;</al></li><li nr="-"><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                            beroepsopleiding.</al></li></lijst><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstands-norm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Wwb, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: gezinsnorm</cursief></al><al>Voor het begrip ‘gezinsnor’ wordt verwezen naar de norm voor een gezin
                        waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals
                        bedoeld in artikel 21 lid 1 Wwb. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm
                        zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65
                        jaar zijn.</al><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: woning</cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de Wwb nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 Wwb dat in de Wwb en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                        moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwb dat
                        voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op
                        de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat onder ‘woning’
                        wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3,
                        lid 6 Wwb.</al><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging
                        woonsituatie).</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen gold in de Algemene
                        Bijstandswet en het Besluit landelijke normering (tot 1996). Volgens de CRvB
                        volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat het begrip
                        woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd conform
                        de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit
                        landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder
                        de Wwb nog van betekenis is. Bij ‘het in eigendom hebben van de woning te
                        betalen zakelijke lasten’ kan worden gedacht aan het rioolrecht, het
                        eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering, het
                        eigenaarsdeel, voor zover geheven door het waterschap en de
                        erfpachtcanon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is
                        ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van
                        18 tot 21 jaar.</al><al>In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze verordening uitsluitend
                        toe te passen indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en ten minste
                        twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn. Hier is aansluiting gezocht bij de
                        gezinsnormen zoals neergelegd in artikel 21 Wwb. Ten aanzien van een gezin
                        waarvan ten minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                        zijn, geldt immers de gezinsnorm zoals neergelegd in artikel 21, lid 1 Wwb.
                        Voor gezinnen die bestaan uit twee meerderjarige personen waarvan één of
                        beide 18, 19 of 20 jaar zijn en gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige
                        personen, waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen
                        zoals opgenomen in artikel 21, lid 2 Wwb. Ten aanzien van deze gezinnen is
                        deze verordening niet van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslag alleenstaande en / of alleenstaande ouder</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 25 Wwb kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt
                        overigens het spiegelbeeld van artikel 6 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30, lid 2 Wwb verplicht te bepalen
                        dat de toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de alleenstaande
                        of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                        (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                        gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                        verordening.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                        noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen
                        sprake is van een gezinslid of van een gezamenlijke huishouding moet ervan
                        worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag
                        blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm (zie
                        artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening).</al><al>Uit artikel 25, lid 1 Wwb en artikel 26 Wwb volgt dat een belanghebbende de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                        thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan
                        is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten
                        hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. Hier
                        geldt de wettelijke bepaling en is daarom niet nader in de verordening
                        geregeld.</al><al>Ook ten aanzien van een zorgbehoevende die niet tot het gezin behoort zoals
                        bedoeld in artikel 4, lid 5 Wwb (en waarmee ook kosten kunnen worden
                        gedeeld), is in de verordening geen nadere uitzondering geformuleerd. </al><al><cursief>Lid 2 en lid 3</cursief></al><al>Op grond van artikel 29, lid 1 Wwb kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3, lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid is de toeslag
                        geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde lid is de toeslag
                        vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Geen woonkosten</titel></kop><al>In artikel 4 lid 1 is bepaald dat geen toeslag wordt verleend indien een
                        woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                        verbonden. Het begrip woonkosten is in artikel 1 omschreven. </al><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake
                        zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="-"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten betaalt van de woning.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                        aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 Wwb (zie ook TK 2002-2003, 28
                        870, nr. 3, p. 54-55).</al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 Wwb noch
                        in het kader van artikel 33, lid 1 Wwb rekening wordt gehouden met de
                        situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de
                        bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18, lid 1 Wwb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Het niet bewonen van een woning, opvangvoorziening</titel></kop><al>In lid 1 is bepaald dat aan de alleenstaande (ouder) geen toeslag wordt
                        verleend, indien geen woning wordt bewoond. Deze bepaling ziet op de
                        mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen omdat deze
                        lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een woning bewonen. </al><al>Als belanghebbende ingeschreven staat en verblijf houdt in een
                        opvangvoorziening (voor dak- en thuislozen), wordt een toeslag verleend van
                        10% (lid 2).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Verlagingen gezinsnorm</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 Wwb kan het college de gezinsnorm verlagen indien
                        belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. Artikel 6 vormt het spiegelbeeld van
                        artikel 3. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        gezinsnorm (lid 1).</al><al>Wij verwijzen naar toelichting bij artikel 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Geen woonkosten</titel></kop><al>In lid 1 is bepaald dat de gezinsnorm met 20% wordt verlaagd indien een
                        woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbenden geen woonkosten zijn
                        verbonden. Het begrip woonkosten is in artikel 1 omschreven. </al><al>Artikel 7 vormt het spiegelbeeld van artikel 4. Wij verwijzen naar
                        toelichting bij artikel 4.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Het niet bewonen van een woning, opvangvoorziening</titel></kop><al>In lid 1 is bepaald dat de gezinsnorm met 20% wordt verlaagd, indien geen
                        woning wordt bewoond. Als belanghebbende ingeschreven staat en verblijf
                        houdt in een opvangvoorziening (voor dak- en thuislozen), wordt een toeslag
                        verleend van 10% (lid 2).</al><al>Artikel 8 vormt het spiegelbeeld van artikel 5. Wij verwijzen naar
                        toelichting bij artikel 5.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><al>De wetgever acht een overgangsrecht van 6 maanden redelijk en billijk voor
                        betrokkenen om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie, onderlinge
                        afspraken te maken en aanpassingen te plegen in het uitgavenpatroon.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>