<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR162817_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Landsmeer 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kompas Regiokrant, 06-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Landsmeer 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Veegbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011-113</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Bouwverordening Landsmeer 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Landsmeer 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landsmeer;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 11 oktober 2011;</al><al/><al>gelet op de artikel 8 van de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en het
                        Veegbesluit;</al><al/><al>gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk
                        ECGR/U201101606 Lbr. 11/059, d.d. 20 september 2011;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Bouwver</vet><vet>or</vet><vet>dening Landsmeer 2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1 Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                                1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, het bevoegd
                                gezag;</al><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet;</al><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast zijn met het bouw- en
                                woningtoezicht;</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren;</al><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit;</al><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het
                                bevoegd gezag is vastgesteld;</al><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven norm;</al><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm;</al><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al> voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                                        weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al> voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al> het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur;</al></li><li nr="b."><al>vervallen;</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen woonwagens en standplaatsen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunning voor het bouwenverlening (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al> waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li><li nr="c."><al/><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al> waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                                gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen door gehandicapten (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al> langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li><li nr="b."><al> langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al> onderdelen van een omgevingsvergunning voor het bouwwerk,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                        die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                        worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in
                                        artikel 3, onder deel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al> andere onderdelen van een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                        onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al> ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al> stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij
                                                de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al> ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al> bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al> laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van
                                            de weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al> erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al> trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al> overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al> bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijkingen worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al> gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                        aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer,
                                        het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld
                                        in artikel 2, onderdeel 18, suba van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al> bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al> vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al> reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al> andere omgevingsvergunning voor het bouwwerken, voor het
                                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar
                                        hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al> de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin
                                            de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al> in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al> in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al> gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al> gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al> bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3,
                                            of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al> gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al> gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al> gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn
                                    en bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al> in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al> in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al> in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al> in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding
                                    van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden om
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                        zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de
                                        zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al> onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsvergunning geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al> onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al> andere onderdelen van een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                        onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II
                                        bij het Besluit omgevingsrecht:</al><lijst><li nr="1."><al> ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al> terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al> antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al> binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al> vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al> gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al> gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                        bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4,
                                        is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al> bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al> gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                        overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al> bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al> ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al> erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al> trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al> bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al> over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al> voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s
                                    buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de ongevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al> het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                            betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet
                                            tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al> het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al> een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="2."><al> het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li><li nr="3."><al> bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al> indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                    van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat
                                    tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige
                                    bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al> vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al> niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al> het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al> in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                    maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al> in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al> buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de –
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al> 45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al> 37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten –
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al> onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al> het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in
                                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al> topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al> plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al> gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al> gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al> agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al> het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al> de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al> bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al> bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al> topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al> plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al> dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al> draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al> vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al> bouwwerken op een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14
                                        en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden
                                        tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                        achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan
                                                of beheersverordening of projectbesluit van kracht
                                                is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in
                                                artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in
                                                voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                                                beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                                ruimtelijke ordening, en de motivering van het
                                                besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                                bevat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al> indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten zijn
                                            voor langsparkeren ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten
                                            hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al> indien de afmetingen van een gereserveerde
                                            parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die
                                            ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst
                                            – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al> voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 3 De melding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)</label></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning voor het bouwen bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen)</label></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 6 Brandveilig gebruik (vervallen)</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1 (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 8 Slopen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (vervallen)</label></kop><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 9 Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                                welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota en
                                in het reglement van orde genoemde werkwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat uit een voorzitter, een
                                architectsecretaris en ten minste één lid, waarvan ten minste twee
                                leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke
                                kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorzitter, architectsecretaris en leden worden
                                plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen
                                vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe
                                aanleiding geeft, kunnen het bevoegd gezag en de welstandscommissie
                                in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente
                                basis een adviseur aan de commissie toe te voegen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een door het bevoegd
                                gezag benoemde ambtelijk plantoelichter c.q. die fungeert als
                                dagelijks aanspreekpunt voor de commissie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De welstandscommissie wordt ondersteunt door een door de commissie
                                benoemde commissieassistent.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr=""><al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr=""><al> de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr=""><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr=""><al> de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr=""><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van eenproject of een gefaseerde
                                aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in hun verzoek om advies de welstandscommissie
                                een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit
                                artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                                langere termijn kan door het bevoegd gezag worden gegeven indien de
                                termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van
                                artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                                omgevngsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting (vervallen)</label></kop><al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van
                            de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                            welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege
                            uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op
                            een andere geschikte wijze. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op
                            verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare
                            behandeling, dan dienen het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op
                            grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag
                            te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                            beoordeling als de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                            bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                            heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                            gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                            behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan,
                            dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een
                            uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                            aanvraag wordt behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies,
                                in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
                                commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden.
                                Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen
                                waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend
                                mag worden verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken (vervallen)</label></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 11 Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</label></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop de Bouwverordening Landsmeer
                            2012 van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is
                            beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing,
                            zoals die luidden vóór de Bouwverordening Landsmeer 2012, tenzij de
                            aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast.</al><al/><lijst><li nr="1."><al> De bouwverordening Landsmeer 2012 treedt inwerking op het
                                    tijdstip waarop het Bouwbesluit 2012 in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al> Deze verordening wordt twee jaar na inwerkingtreding
                                    geëvalueerd.</al></li><li nr="3."><al>3 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt: de
                                    bouwverordening Landsmeer 2010, vastgesteld bij raadsbesluit
                                    d.d. 28 juni 2011.</al></li><li nr="4."><al> Deze verordening kan worden aangehaald als ‘bouwverordening
                                    Landsmeer 2012’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>6</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>7</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>8</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel>reglement van orde van de welstandscommissie </titel></kop><al>In dit reglement van orde van de welstandscommissie van Landsmeer wordt de
                    werkwijze van de commissie omschreven. Dit reglement stoelt op de artikelen 9.1
                    t/m 9.9 van de bouwverordening 2003. </al><al/><al><vet>I. Hoofdstukken</vet></al><al>1. de welstandscommissie artikelen 1 t/m 9 </al><al>2. de werkwijze van de welstandscommissie artikelen 10 t/m 18 </al><al>3. het bevoegd gezag artikelen 19 t/m 23 </al><al>4. ondersteuning van de welstandscommissie artikelen 24 t/m 26 </al><al>5. vergaderorde artikelen 27 t/m 31</al><al/><al>Hoofdstuk 1. de welstandscommissie</al><al/><al><vet>Artikel 1 Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde
                            onafhankelijke commissie die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt ten
                            aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk
                            of standplaats, waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                        </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie voert haar taken uit in onafhankelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                            welstandsbeleid en baseert haar advies op de in de welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2 Taakomschrijving</vet></al><al>De welstandscommissie is belast met wettelijk verplichte en niet-wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet en de bouwverordening Landsmeer.</al><al/><al>Wettelijk verplichte taken: </al><lijst><li nr="1."><al> De welstandscommissie adviseert het bevoegd gezag over de
                            welstandsaspecten van aanvragen voor omgevingsvergunning voor het
                            bouwen.</al></li><li nr="2."><al> De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag
                            voor van de door haar verrichte werkzaamheden. </al></li></lijst><al>Niet-wettelijk verplichte taken: </al><lijst><li nr="3."><al>De welstandscommissie brengt op verzoek van het bevoegd gezag advies uit
                            over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                            bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken.</al></li><li nr="4."><al> De welstandscommissie overlegt met de betrokken ambtelijke afdelingen,
                            het bevoegd gezag en de gemeenteraad over het opstellen van
                            welstandscriteria en welstandsbeleid. </al></li><li nr="5."><al> De welstandscommissie levert op verzoek van het bevoegd gezag een
                            bijdrage aan het bevorderen van de openbaarheid van het
                            welstandstoezicht, het maatschappelijk draagvlak voor welstandstoezicht
                            en het stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente. </al></li><li nr="6."><al>De welstandscommissie draagt zorg voor regelmatig overleg met het
                            bevoegd gezag en signaleert daarbij gevraagd en ongevraagd
                            stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn
                            voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3 Profielschets van alle commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De leden van de welstandscommissie, waaronder begrepen de
                            architectsecretaris en de plaatsvervangende leden, moeten geïnteresseerd
                            zijn in Landsmeer en de gemeente kennen of willen leren kennen. </al></li><li nr="2."><al> De leden van de welstandscommissie zijn bereid zich te verdiepen in het
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in brede zin van de gemeente en baseren zich
                            bij de beoordeling van bouwplannen uitsluitend op de welstandscriteria
                            zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota. </al></li><li nr="3."><al> Tenminste twee leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn
                            bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en kennis hebben van de
                            (geschiedenis van de) bouwkunst. </al></li><li nr="4."><al>De leden van de welstandscommissie zijn onpartijdig, dat betekent dat
                            zij geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door het bevoegd gezag
                            te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid
                            mogen vervullen.</al></li><li nr="5."><al> De leden van de welstandscommissie mogen geen professionele opdrachten
                            aanvaarden en uitvoeren binnen de gemeente.</al></li><li nr="6."><al> De leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn hun oordeel
                            begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering
                            een rol spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve
                            vaardigheden.</al></li><li nr="7."><al>De leden van de welstandscommissie hebben een geheimhoudingsplicht
                            inzake de aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4 Profielschets van de (plaatsvervangend) voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                            welstandscommissie en bewaakt de deugdelijkheid van de
                            welstandsadvisering in brede zin. </al></li><li nr="2."><al> De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de
                            discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het
                            uit te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking. </al></li><li nr="3."><al> De voorzitter treedt op als gastheer of –vrouw voor de planindieners,
                            ontwerpers en andere bezoekers. </al></li><li nr="4."><al> De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                            evaluatie van de werkzaamheden en heeft hiertoe tenminste eenmaal per
                            jaar een evaluerend overleg met de portefeuillehouder. De uitkomsten van
                            het evaluatiegesprek wordt opgenomen in het jaarverslag van de
                            welstandscommissie. </al></li><li nr="5."><al> De voorzitter onderhoudt de contacten met de pers en andere
                            belangstellenden. Bij een persgesprek is altijd een bij het
                            welstandstoezicht betrokken derde aanwezig. </al><al/></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 5 Benoemingsprocedure</vet></al><al>De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, leden en plaatsvervangende leden en
                    de architectsecretaris en diens plaatsvervanger van de welstandscommissie worden
                    benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al/><al><vet> Artikel 6 Zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid
                            tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de
                            continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van de
                            welstandscommissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend
                            systeem. </al></li><li nr="2."><al>De leden en voorzitter die op 1 januari 2003 ten minste twee jaar
                            zitting hebben in de welstandscommissie kunnen nog ten hoogste drie jaar
                            na die datum benoemd blijven in de commissie. 3. Door de voorzitter
                            wordt een rooster van aftreden bijgehouden. De gemeenteraad maakt zes
                            maanden voor het verstrijken van een benoemingstermijn zijn voornemens
                            voor de nieuwe benoemingstermijn kenbaar aan het desbetreffende lid en
                            aan de welstandscommissie.</al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 7 Voortijdige beëindiging van de benoeming van
                        commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten allen tijde kenbaar maken
                            hun benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk en
                            drie maanden van te voren kennis aan de gemeenteraad. </al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen, de benoeming van een
                            voorzitter, een lid, een architectsecretaris of van alle leden van de
                            welstandscommissie voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende
                            commissielid of de betreffende commissieleden naar zijn oordeel niet
                            naar behoren functioneert of functioneren. </al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 8 Mandaat namens de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De welstandscommissie kan één of meer van haar leden schriftelijk
                            mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De gemandateerde voert de
                            taak uit onder verantwoordelijkheid en namens de commissie, wat moet
                            blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening.</al></li><li nr="2."><al>Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer van haar
                            leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het
                            welstandsadvies voor bouwplannen waar de mening van de
                            welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde
                            heeft hierbij een beperkt mandaat, dat wil zeggen dat alleen positieve
                            adviezen kunnen worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde
                            commissielid niet akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire
                            commissie behandeld. </al></li><li nr="3."><al>Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer van haar
                            leden kunnen worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg met de
                            planindieners en/of ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel
                            door deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg
                            moet altijd minstens eenmaal een welstandsbeoordeling door de plenaire
                            commissie plaatsvinden. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er
                            tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten.
                            De commissie geeft daarna, binnen dit kader haar oordeel. </al></li><li nr="4."><al>Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde
                            reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de plenaire
                            commissie.</al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 9 Jaarverslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3
                            Woningwet juncto artikel 9 lid 4 van de bouwverordening jaarlijks voor
                            de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het
                            ‘jaarverslag’. </al></li><li nr="2."><al>In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de
                            welstandscommissie toepassing heeft gegeven aan de in artikel 9 lid 4
                            genoemde aspecten:</al><lijst><li nr="a."><al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de in de gemeentelijke
                                    welstandsnota opgenomen welstandscriteria; </al></li><li nr="b."><al> de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="c."><al> op welke wijze uitwerking gegeven is aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr="d."><al>de bijzondere projecten </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het jaarverslag signaleert waar de welstandsnota als beleidskader
                            voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                            welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke gevallen is
                            afgeweken van het vastgestelde beleid.</al></li><li nr="4."><al>De welstandscommissie kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien
                            van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het
                            welstandsbeleid in het bijzonder. </al></li><li nr="5."><al>Het verslagjaar loopt van juni tot juni. Het jaarverslag wordt jaarlijks
                            in juli aangeboden aan het college van het bevoegd gezag die de raad zal
                            verzoeken dit verslag te agenderen omstreeks de maanden augustus of
                            september.</al></li><li nr="6."><al> Bespreking van het jaarverslag in de commissie grondgebiedzaken c.q. de
                            gemeenteraad wordt gecombineerd met de jaarlijks op te stellen
                            rapportage over de uitvoering van het welstandstoezicht door het bevoegd
                            gezag. </al></li></lijst><al/><al> Hoofdstuk 2 werkwijze van de commissie.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Bekendmaking van de agenda</vet></al><al>De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden ter
                    kennis gesteld van de lokale pers en gepubliceerd in de voorlichtingsrubriek van
                    de gemeente. </al><al/><al><vet> Artikel 11 Inhoud van het advies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een
                            bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in relatie tot zijn
                            omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd
                            is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de
                            hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr="2."><al>Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben
                            op het welstandstoezicht. </al></li><li nr="3."><al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid
                            of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen
                            zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                            duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf. </al></li><li nr="4."><al>Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der
                            betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan
                            voelen. </al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 12 Conclusie van het advies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al></li><li nr="2."><al>Akkoord: Het plan voldoet naar mening van de welstandscommissie volgens
                            de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen van
                            welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan
                            op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend
                            en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.
                        </al></li><li nr="3."><al>Niet akkoord tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: Het plan voldoet
                            naar mening van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op
                            ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig
                            genotuleerd of op de tekening aangegeven. De ambtelijk plantoelichter
                            nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke
                            afhandelingtermijn een aangepast plan in te dienen dat vervolgens door
                            een gemandateerde ambtenaar (in geval van een lichte omgevingsvergunning
                            voor het bouwen) dan wel een gemandateerd lid van de welstandscommissie
                            (in geval van een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen) wordt
                            beoordeeld. </al></li><li nr="4."><al>Niet akkoord: Het plan voldoet naar mening van de welstandscommissie
                            volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke
                            eisen van welstand. Dit betekent dat ingrijpende wijzigingen in het
                            planconcept of de uitwerking van het ontwerp noodzakelijk zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 13 Schriftelijke motivering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
                        </al></li><li nr="2."><al>Bij positieve advisering kan een expliciete motivering in eerste
                            instantie achterwege blijven, tenzij het bevoegd gezag daarom verzoeken
                            of er een bezwaar tegen het bouwplan wordt ingediend. </al></li><li nr="3."><al>Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake
                            is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan, in
                            afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q.
                            objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren</al></li><li nr="4."><al>Elk welstandsadvies bestaat uit: </al><lijst><li nr="-"><al>Een beknopte karakteristiek van het bouwplan en zijn omgeving
                                </al></li><li nr="-"><al>Indien van toepassing: kort chronologisch overzicht van eerdere
                                    planbeoordelingen </al></li><li nr="-"><al>Indien van toepassing: een beknopt verslag van een
                                    plantoelichting door de planindieners en/of de ontwerper </al></li><li nr="-"><al>Een verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste
                                    welstandscriteria </al></li><li nr="-"><al>Het welstandsadvies </al></li><li nr="-"><al>Bij een negatief advies de motivering daarvan </al></li><li nr="-"><al>Indien van toepassing: aanbevelingen of suggesties van de
                                    welstandscommissie.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 14 Vooroverleg over principeaanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen, door middel van het indienen
                            van een principeaanvraag vooroverleg te plegen met de welstandscommissie
                            dan wel een namens haar gemandateerd lid, over de interpretatie van de
                            welstandscriteria in het concrete geval van het bouwplan. </al></li><li nr="2."><al>Dit vooroverleg kan in principe pas starten nadat duidelijkheid bestaat
                            over de planologische aanvaardbaarheid van het plan. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerd lid draagt
                            uiterste zorg voor consistente beoordelingen in de verschillende
                            planfasen. </al></li><li nr="4."><al>Het vooroverleg vindt in principe niet plaats in het openbaar, tenzij de
                            planindieners, het bevoegd gezag en de welstandscommissie van mening
                            zijn dat openbare behandeling geen belangen schaadt en de transparantie
                            van het welstandstoezicht ten goede komt.</al></li><li nr="5."><al> Van het vooroverleg wordt altijd verslag gemaakt, dat met de besproken
                            bescheiden wordt opgenomen in het dossier. De welstandscommissie dan wel
                            het namens haar gemandateerde lid geeft aan in welke fase het plan werd
                            beoordeeld.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 15 Advisering over plannen betreffende een beschermd monument
                    </vet></al><al>Indien voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ook een activiteit
                    monumenten benodigd is, vindt advisering op grond van artikel 11 van de
                    Monumentenwet plaats geïntegreerd met de advisering op grond van artikel 12 van
                    de Woningwet. De gemeente heeft de welstandscommissie en de monumentencommissie
                    juridisch geïntegreerd zodat deze commissie de bevoegdheid heeft te adviseren op
                    grond van de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal
                    advies uit, waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het
                    welstandsadvies en het advies ten aanzien van de monumentenvergunning. </al><al/><al><vet>Artikel 16 Advisering bij plannen onder supervisie</vet></al><al>De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor
                    aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en planindieners
                    en ontwerpers in de vroege fasen van de planvorming reeds te informeren en te
                    begeleiden. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Advisering bij plannen na een ontwerpwedstrijd</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie worden de
                            inzendingen beoordeeld door een speciaal aangewezen jury of
                            beoordelingscommissie. Dit kan nooit de welstandscommissie als zodanig
                            zijn. Een lid van de welstandscommissie kan wel op persoonlijke titel
                            worden aangewezen als lid van een jury of beoordelingscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De inzendingen van een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie
                            kunnen als principeaanvraag voor advies worden voorgelegd aan de
                            welstandscommissie. Hierbij geldt de werkwijze zoals beschreven in dit
                            reglement van orde. </al></li><li nr="3."><al>De gemeente zal stimuleren dat in het wedstrijdprogramma in samenhang
                            met de stedenbouwkundige randvoorwaarden ook expliciete
                            welstandscriteria worden opgenomen, meestal als uitwerking van de
                            welstandscriteria uit de welstandsnota. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 18 Advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota’s </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt op verzoek van het bevoegd gezag advies uit
                            over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                            bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken.</al></li><li nr="2."><al>In haar advies beperkt de welstandscommissie zich tot de raakvlakken van
                            het betreffende plan of de nota met het welstandstoezicht. De
                            welstandscommissie onderzoekt de consequenties van het plan of de nota
                            voor het welstandstoezicht, signaleert eventuele tegenstrijdigheden of
                            hiaten in relatie tot het welstandsbeleid.</al></li></lijst><al/><al>Hoofdstuk 3. het bevoegd gezag </al><al/><al><vet>Artikel 19 Welstandsoordeel van het bevoegd gezag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen ligt bij het bevoegd gezag. Zij
                            hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot
                            stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen
                            welstandscriteria.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag vragen bij elke omgevingsvergunning voor het bouwen
                            advies aan de welstandscommissie, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen reeds op een andere grond moet
                            worden geweigerd. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag vergewissen zich er van dat het welstandsadvies waarop
                            zij hun welstandsoordeel baseren, naar inhoud en wijze van
                            totstandkoming deugdelijk is. </al></li></lijst><al/><al><vet> Artikel 20 Afwijken op inhoudelijke grond</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het
                            welstandsadvies indien zij tot het oordeel komen dat de
                            welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                            geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste
                            criteria heeft toegepast.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel
                            komen dan de welstandscommissie, dan kunnen zij voordat het besluit op
                            de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor geldige
                            afhandelingtermijn, een second opinion vragen aan de speciaal daarvoor
                            bestaande welstandscommissie van de Stichting Welstandszorg
                            Noord-Holland. </al></li><li nr="3."><al>Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond afwijken van het
                            welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie
                            wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 21 Afwijken van de welstandscriteria</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kunnen, op basis van artikel 4:48 van de Algemene wet
                            bestuursrecht afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota
                            opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria. Dit kan
                            gebeuren bij plannen die niet voldoen aan deze welstandscriteria maar
                            wél aan redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van
                            de algemene welstandscriteria. </al></li><li nr="2."><al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 22 Afwijken om andere redenen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kunnen, de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van
                            welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn,
                            bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. </al></li><li nr="2."><al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie
                            wordt hiervan op de hoogte gesteld</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van
                            deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt
                            wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 23 Jaarlijkse rapportage door het bevoegd gezag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag stellen, ter uitvoering van artikel 12c van de
                            Woningwet jaarlijks een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze
                            waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het
                            welstandstoezicht zijn omgegaan. </al></li><li nr="2."><al> In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde:
                            de wijze waarop het bevoegd gezag zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag
                            voor een lichte omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de
                            welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
                            gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria; in
                            welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van
                            ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand‘ (op grond van
                            artikel 19 van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij na die
                            aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang. </al></li><li nr="3."><al>Het verslagjaar loopt van juni tot juni. De rapportage wordt jaarlijks
                            voorafgaande aan de begrotingsbehandeling aangeboden aan de
                            gemeenteraad.</al></li><li nr="4."><al> Bespreking van de rapportage in de gemeenteraad wordt gecombineerd met
                            het jaarverslag van de welstandscommissie. </al></li></lijst><al/><al> Hoofdstuk 4 ondersteuning van de welstandscommissie</al><al/><al><vet>Artikel 24 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag wijzen een ambtelijk plantoelichter aan. </al></li><li nr="2."><al>De ambtelijk plantoelichter legt over de inhoud van het werk uitsluitend
                            verantwoording af aan (de voorzitter van) de welstandscommissie. </al></li><li nr="3."><al>De ambtelijk plantoelichter legt wat betreft de organisatorische en
                            budgettaire aspecten verantwoording af aan het college van het bevoegd
                            gezag</al></li><li nr="4."><al>De ambtelijk plantoelichter ondersteunt de welstandscommissie op zodanig
                            wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar
                            taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. </al></li><li nr="5."><al>De ambtelijk plantoelichter is aanwezig bij alle vergaderingen van de
                            welstandscommissie en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de
                            commissie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtelijk plantoelichter onderhoudt de contacten met de ambtelijke
                            diensten, neemt de adviesaanvragen voor bouwplannen in en bereidt de
                            behandeling van de bouwplannen in de welstandscommissie voor.</al></li><li nr="7."><al>De ambtelijk plantoelichter draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen
                            waarvan de planologische aanvaardbaarheid in principe vaststaat en die
                            niet om andere redenen moeten worden geweigerd, voor advies aan de
                            welstandscommissie worden voorgelegd. </al></li><li nr="8."><al>De ambtelijk plantoelichter verzorgt (in overleg met de voorzitter) de
                            agendering en draagt er zorg voor dat de welstandscommissie kan
                            adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn. </al></li><li nr="9."><al>Tijdens de vergadering introduceert de ambtelijk plantoelichter de
                            bouwplannen. Hij of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar
                            informeert de commissie over alle relevante aspecten van het bouwplan.
                        </al></li><li nr="10."><al>De ambtelijk plantoelichter maakt de afspraken tussen planindieners
                            en/of ontwerpers en de welstandscommissie. </al></li><li nr="11."><al>De ambtelijk plantoelichter geeft planindieners en/of ontwerpers de
                            eerste mondelinge toelichting op het welstandsadvies. </al></li><li nr="12."><al>De ambtelijk plantoelichter verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de
                            rapportage van het bevoegd gezag en neemt deel aan het evaluatieoverleg
                            tussen het gemeentebestuur en de welstandscommissie. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 25 Ondersteuning vanuit de welstandsorganisatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De Stichting Welstandszorg Noord-Holland wijst een commissieassistent
                            aan. </al></li><li nr="2."><al>De commissieassistent legt over de inhoud van het werk uitsluitend
                            verantwoording af aan (de voorzitter van) de welstandscommissie en (de
                            directeur van) de Stichting Welstandszorg Noord-Holland. </al></li><li nr="3."><al>De commissieassistent legt wat betreft de organisatorische en
                            budgettaire aspecten verantwoording af aan (de directeur van) de
                            Stichting Welstandszorg Noord-Holland. </al></li><li nr="4."><al>De commissieassistent ondersteunt de welstandscommissie op zodanig wijze
                            dat deze optimaal kan functioneren bij uitoefening van haar taken als
                            onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. </al></li><li nr="5."><al>De commissieassistent is aanwezig bij alle vergaderingen van de
                            welstandscommissie en organiseert het verloop van de vergadering.</al></li><li nr="6."><al>De commissieassistent stelt de vergadernotulen op en zorgt voor de
                            administratieve verwerking van de welstandsadviezen. </al></li><li nr="7."><al>De commissieassistent stelt het vergaderrooster op. </al></li><li nr="8."><al>De commissieassistent zorgt bij incidentele afwezigheid van de
                            voorzitter of één van de architectleden voor een gekwalificeerde
                            vervanger conform artikel *43 van dit reglement van orde. </al></li><li nr="9."><al>De commissieassistent verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het
                            jaarverslag van de welstandscommissie en neemt deel aan het
                            evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de welstandscommissie.
                        </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 26 Adviseur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe
                            aanleiding geeft kunnen het bevoegd gezag en de welstandscommissie in
                            overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis
                            adviseurs van de commissie te raadplegen. </al></li><li nr="2."><al> De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de
                            beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan
                            te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen
                            stem in de eindbeoordeling. </al></li><li nr="3."><al>De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de
                            vergadernotulen.</al></li><li nr="4."><al>Supervisors kunnen adviseur zijn.</al></li></lijst><al/><al> Hoofdstuk 5. vergaderorde en behandeling van plannen</al><al/><al><vet>Artikel 27 Vergadering</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De welstandscommissie vergadert tenminste twee maal per maand volgens
                            een jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook de
                            vergaderlocatie wordt vastgelegd. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn, waarvan tenminste twee
                            leden als bedoeld in artikel 9.2 lid 1 van de bouwverordening. </al></li><li nr="3."><al>De vergadering van de welstandscommissie verloopt volgens een vast
                            protocol: </al><lijst><li nr="-"><al>Opening door de voorzitter, verwelkoming en uitleg aan bezoekers
                                    op de publieke tribune </al></li><li nr="-"><al>Inventarisatie van bezoekers die gebruik wensen te maken van
                                    spreekrecht en vaststelling van de spreektijd </al></li><li nr="-"><al>Verslag van de gemandateerde werkzaamheden die onder de
                                    openbaarheid vallen </al></li><li nr="-"><al>Behandeling van bouwaanvragen, toelichtende fase conform het
                                    bepaalde in het navolgende artikel van dit reglement </al></li><li nr="-"><al>Behandeling van bouwaanvragen, beraadslagingen conform het
                                    bepaalde in het navolgende artikel van dit reglement </al></li><li nr="-"><al>Sluiting</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voorafgaand of na afloop van de vergadering vinden besloten besprekingen
                            plaats met de volgende agendapunten: </al><lijst><li nr="-"><al>Verslag van gemandateerde werkzaamheden die niet onder de
                                    openbaarheid vallen </al></li><li nr="-"><al>Behandeling van principeaanvragen </al></li><li nr="-"><al>Behandeling van ruimtelijke plannen en andere beleidsnota’s
                                </al></li><li nr="-"><al>Overige taken en activiteiten van de welstandscommissie </al></li><li nr="-"><al>Evaluatie van de vergadering en punten voor het jaarverslag
                                </al></li><li nr="-"><al>Vaststelling van de notulen</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 28 Behandeling van een bouwplan </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van een bouwplan verloopt volgens een vast protocol: </al><lijst><li nr="-"><al>Indien aanwezig: ontvangst van planindiener en/of ontwerper en
                                    uitleg van de gang van zaken door de voorzitter </al></li><li nr="-"><al>Introductie van het plan door de ambtelijk plantoelichter </al></li><li nr="-"><al>Gelegenheid voor een korte toelichting op de planfilosofie en de
                                    gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door
                                    planindiener en/of ontwerper </al></li><li nr="-"><al>Gelegenheid voor korte toelichting door eventuele adviseurs van
                                    de welstandscommissie </al></li><li nr="-"><al>Gelegenheid voor vragen door de commissieleden </al></li><li nr="-"><al>Start van de beraadslaging, waarbij de voorzitter vaststelt
                                    welke welstandscriteria van toepassing zijn en op welke manier
                                    deze worden behandeld</al></li><li nr="-"><al>Beraadslaging door de commissieleden, waarbij de voorzitter elk
                                    commissielid in de gelegenheid stelt zijn of haar mening
                                    voldoende te uiten </al></li><li nr="-"><al>Conclusies, eventueel formele stemming </al></li><li nr="-"><al>Samenvatting van het uit te brengen advies door de voorzitter,
                                    als basis voor de schriftelijke uitwerking door de
                                    commissieassistent . </al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 29 Stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Alle aanwezige commissieleden dan wel hun plaatsvervangers, brengen één
                            stem uit omtrent het uit te brengen advies. </al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid
                            van stemmen. </al></li><li nr="3."><al>Bij staking van de stemmen wordt de zienswijze van de voor- en
                            tegenstanders schriftelijk aan het bevoegd gezag medegedeeld. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Artikel 30 Onderzoek ter plaatse</vet></al><al>De welstandscommissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij de
                    beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs
                    voor de vervulling van haar taak nodig is.</al><al/><al><vet>Artikel 31 Notulen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissieassistent maakt de notulen van de vergadering van de
                            plenaire commissie. In deze notulen worden opgenomen de besluiten van
                            het gemandateerde commissielid ter zake van de goedgekeurde bouwplannen.
                        </al></li><li nr="2."><al>De notulen bevatten de samengevatte welstandsadviezen over aan de
                            commissie voorgelegde bouwplannen (zowel de bouwaanvragen als de
                            principeaanvragen). </al></li><li nr="3."><al>De notulen bevatten tevens een verslag van alle andere
                            gespreksonderwerpen van de welstandscommissie. </al></li><li nr="4."><al> De notulen worden gesplitst in het gedeelte betreffende de behandeling
                            van bouwaanvragen en het gedeelte betreffende de overige behandelingen
                            en gespreksonderwerpen. </al></li></lijst><al>5. De commissieassistent zendt de goedgekeurde notulen binnen 5 werkdagen na de
                    vergadering ter kennisname aan het bevoegd gezag. ​</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>10</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>11</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>12</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting op de Bouwverordening Landsmeer
                        2012</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><vet>Regeling omgevingsrecht (Mor)</vet></al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning</al><al/><al><vet>Besluit omgevingsrecht (Bor)</vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                    (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel.
                    De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.</al><al/><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze
                    door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het
                    kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de
                    aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan
                    niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door
                    naar burgemeester en wethouders.</al><al/><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d.</al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar. </al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen.</al><al>Zie hiervoor: <extref doc="http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingambtenaar">http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingambtenaar</extref>.
                    Zie over dit onderwerp ook de <onderstreept>VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2
                        CAR:</onderstreept> (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al/><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De Woningwet
                    maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde
                    een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.</al><al/><al><vet>Deskundig bedrijf</vet></al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al/><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor
                    www.ascert.nl</al><al/><al><vet>Omgevingsvergunning</vet></al><al>In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                    ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving
                    genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen
                    twee</al><al/><al><vet>Vergunningvrij bouwen</vet></al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                    staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al/><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen:</al><al>- De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals
                    het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ;</al><al>- De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                    waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een
                    categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                    beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing is
                    (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch
                    regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo
                    opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;</al><al>- Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een
                    nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;</al><al>- Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij
                    woningen en woongebouwen);</al><al>- Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of
                    uitbouw;</al><al>- Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><vet>Regeling omgevingsrecht</vet>.</al><al>De indieningsvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. De indiening van de in artikel 7.2
                    Mor en andere voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens kan het
                    bevoegd gezag verlangen op grond van artikel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) juncto artikel 4.4 Besluit omgevingsrecht (Bor).</al><al/><al><vet>Wet BIBOB</vet></al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het
                    bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                    van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op.</al><al/><al><vet>Awb</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al/><al><vet>Wro</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele</al><al>stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat
                    de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan.
                    De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                    probleem is opgelost.</al><al/><al><vet>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al/><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                    hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV
                    aangeduid als <cursief>omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo)
                    </cursief>en <cursief>omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1,
                        onder a. Wabo)</cursief>. De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en
                    ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen
                    zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en
                    de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al/><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al/><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al/><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                    ingediend.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al/><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht.</al><al/><al>De structuur is als volgt:</al><al>- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al><al>- Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit
                    geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo
                    nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring
                    worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995.</al><al>Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de
                    volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de
                    aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het
                    bevoegd gezag zijn.</al><al>- Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de
                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>- Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                    gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht.</al><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo</al><al/><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997- 1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al/><al><cursief>Bouwwerken die de grond niet raken</cursief></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al/><al><cursief>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet
                    onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al/><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                    www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming; Besluit
                    aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                    bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al><al/><al><cursief>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</cursief></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk.</al><al>Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen
                    formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen
                    van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                    hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al/><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al/><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht;</al><al>- de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                    afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al><al>- de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden.</al><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al/><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft
                    het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor
                    voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een
                    even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan
                    worden gerealiseerd.</al><al>Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog
                    niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige
                    voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De
                    artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                    probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al/><al><vet>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</vet></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan nietvergelijkbare voorschriften
                    van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele
                    goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan
                    of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen
                    of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de
                    MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2
                    (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het
                    primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg
                    van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt
                    duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van
                    onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is
                    een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen
                    (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan
                    aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><al>a<cursief>. </cursief>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot
                    een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het
                    antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al><al>b<cursief>. </cursief>het bestemmingsplan aanvullende werking van de
                    bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                    gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag
                    ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al><al>c<cursief>. </cursief>de voorschriften van de bouwverordening niet
                    overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                    aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de</al><al>gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel
                    teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de
                    bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te
                    worden afgewezen.</al><al/><al><vet>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</vet></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid
                    bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A ( Bereikbaarheid van
                    gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van
                    de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit
                    de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de
                    MBV bestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al/><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>- bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van
                    de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al>- bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt,
                    de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>- bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                    as van de weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al/><al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al/><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van </vet><vet>straathoeken</vet></al><al/><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar</al><al>behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al/><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al/><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al/><al><cursief>Lid 1, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen. </al><al/><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de</vet><vet> achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen.</al><al/><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al/><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al/><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit. </al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en</al><al>terreinafscheidingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. </al><al/><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al/><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding.</al><al/><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al/><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande uit
                    twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en
                    vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al/><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al/><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al/><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al/><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al/><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</al><al/><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al/><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al/><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder <cursief>niet
                    </cursief>de situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een
                    ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld
                    voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom <cursief>geen
                    </cursief>basis vormen.</al><al/><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al/><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al/><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al/><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al/><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al/><al><cursief>Lid 4, ad a</cursief></al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de
                    eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al/><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al/><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al/><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota</cursief></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al/><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al/><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al/><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119).</al><al/><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering.</al><al>Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de
                    Wet op de ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede
                    weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al/><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al/><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al/><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al/><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><cursief>Onafhankelijkheid</cursief></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen.</al><al>Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of van het
                    bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de
                    gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband
                    uitgesloten.</al><al/><al><cursief>Deskundigen en burgers</cursief></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al/><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen.</al><al/><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement van orde dat als bijlage
                    9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en toegesneden is op de
                    lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk reglement van orde
                    lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te regelen om in geval
                    van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven welstandsadviezen
                    zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen tonen.</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief></al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al/><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al/><al><cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>- op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al><al>- in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond
                    van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                    artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                    overgegaan.</al><al/><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al/><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al/><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning.</al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al/><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al/><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al/><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al/><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al/><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende</al><al>omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken zal er geringe
                    belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen door de gemandateerde bij
                    te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf
                    minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen
                    ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV vast.
                    Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in artikel
                    1.3 MBV.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al/><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb
                    de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                    vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al/><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al/><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde lid Awb. Het
                    direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is
                    er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                    toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                    worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003,
                    893).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al><al/><al><vet>Bijlagen</vet></al><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al/><al><cursief>Toelichting verordening</cursief></al><al/><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i5e876d83-bfb0-473f-976b-4f74217cb36a" naam="i92846i5e876d83-bfb0-473f-976b-4f74217cb36a.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.2cm"/></plaatje>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                    2.5.8) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i6e11f0c1-4277-40f8-a931-ae00d051d19a" naam="i92847i6e11f0c1-4277-40f8-a931-ae00d051d19a.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.4cm"/></plaatje></al><al> Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="if5b1f10e-4b43-42e3-a097-e8bf7d274f0e" naam="i92848if5b1f10e-4b43-42e3-a097-e8bf7d274f0e.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.4cm"/></plaatje></al><al> Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i60dd5e2d-a86a-4ff9-a993-0047d6e30d7d" naam="i92849i60dd5e2d-a86a-4ff9-a993-0047d6e30d7d.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.5cm"/></plaatje></al><al> Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i139166a6-826d-4c7c-993b-c6494d732b87" naam="i92850i139166a6-826d-4c7c-993b-c6494d732b87.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.9cm"/></plaatje></al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i8400cb0d-b67a-438e-b5c6-7fd3d52288d4" naam="i92851i8400cb0d-b67a-438e-b5c6-7fd3d52288d4.jpg" type="foto" breedte="7.1cm" hoogte="4.8cm"/></plaatje></al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i4ccd024f-73dc-4520-930e-f293bba3971f" naam="i92852i4ccd024f-73dc-4520-930e-f293bba3971f.jpg" type="foto" breedte="7.1cm" hoogte="4.8cm"/></plaatje></al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i97e7c637-9704-4f9d-8bc9-57a2d6ff2df9" naam="i92853i97e7c637-9704-4f9d-8bc9-57a2d6ff2df9.jpg" type="foto" breedte="7.1cm" hoogte="4.8cm"/></plaatje></al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="ie5f6599f-e1f8-4285-9d1a-0fe96d6429c6" naam="i92854ie5f6599f-e1f8-4285-9d1a-0fe96d6429c6.jpg" type="foto" breedte="7.1cm" hoogte="4.8cm"/></plaatje></al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i196e9777-6fd9-44be-b83f-04e90995ad65" naam="i92855i196e9777-6fd9-44be-b83f-04e90995ad65.jpg" type="foto" breedte="7.1cm" hoogte="4.9cm"/></plaatje></al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i39b7d4e4-85fa-44fd-88fc-6a4f9ddc17be" naam="i92856i39b7d4e4-85fa-44fd-88fc-6a4f9ddc17be.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.5cm"/></plaatje></al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek metelkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i7e7ff916-d055-4bc8-bbe2-97f27baddf18" naam="i92857i7e7ff916-d055-4bc8-bbe2-97f27baddf18.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.7cm"/></plaatje></al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde kom </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i29322c52-ff6c-41cd-ac88-f327085e1115" naam="i92858i29322c52-ff6c-41cd-ac88-f327085e1115.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.2cm"/></plaatje></al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde kom </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i92a4ac6c-596c-49e6-944b-41fa920755fc" naam="i92859i92a4ac6c-596c-49e6-944b-41fa920755fc.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.5cm"/></plaatje></al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20,2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen
                    grootstedelijke delen van de bebouwde kom </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i040fc475-2c69-4b5f-b8c5-34b8f5baf418" naam="i92860i040fc475-2c69-4b5f-b8c5-34b8f5baf418.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.0cm"/></plaatje></al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="ia38f3373-5908-4d72-a2b7-74c57f67d668" naam="i92861ia38f3373-5908-4d72-a2b7-74c57f67d668.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.2cm"/></plaatje></al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="if5474287-b976-4163-b2b5-e1f2ca266d07" naam="i92862if5474287-b976-4163-b2b5-e1f2ca266d07.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.1cm"/></plaatje></al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i71826175-96aa-40ec-a61b-caf24893cd9c" naam="i92863i71826175-96aa-40ec-a61b-caf24893cd9c.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="5.1cm"/></plaatje></al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea) </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i14e06183-fd88-44a4-8171-0e3d44c0123a" naam="i92864i14e06183-fd88-44a4-8171-0e3d44c0123a.jpg" type="foto" breedte="7cm" hoogte="4.9cm"/></plaatje></al><al> Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22) </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>