<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16266_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wormerland 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.wormerland.nl/over_wormerland/gemeentenieuws/2008">Zaankanter, 30-01-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukVIII/1/Artikel108/geldigheidsdatum_04-03-2010">Gemeentwet, art. 108, lid 2. </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/geldigheidsdatum_04-03-2010">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>werk en bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wormerland 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Wormerland, </al><al>Gelezen het voorstel nummer 2007/ van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        september 2007;</al><al>Gelet op art. 108 lid 2 van de Gemeentewet. art. 8 lid 1 sub b van de Wet
                        werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al>Vast te stellen de volgende regeling:</al><al/><al><vet>AFSTEMMINGSVERORDENING WORMERLAND 2007</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1: Begripsomschrijving</titel></kop><al/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>de wet:</al></entry><entry><al> de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375) en de Wet
                                                structuur;</al><al>uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI);</al></entry></row><row><entry><al>bijstand:</al></entry><entry><al> algemene en bijzondere bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>algemene bijstand:</al></entry><entry><al> de bijstand ter voorziening in de algemeen
                                                noodzakelijke kosten</al><al>van het bestaan;</al></entry></row><row><entry><al>bijstandsnorm:</al></entry><entry><al> de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf
                                                3.2 en 3.3 van de Wet</al><al>werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>bijzondere bijstand:</al></entry><entry><al> de bijstand bedoeld in artikel 35, eerste lid, van
                                                de Wet werk en</al><al>bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>langdurigheidstoeslag:</al></entry><entry><al>de toeslag bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en
                                                bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>maatregel:</al></entry><entry><al> de verlaging van de bijstand wegens het niet
                                                nakomen of nietvoldoende nakomen van de
                                                verplichtingen verbonden aan de</al><al>bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>belanghebbende:</al></entry><entry><al> degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                                                betrokken;</al></entry></row><row><entry><al>inlichtingenplicht: </al></entry><entry><al>de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                                                van de Wet werk</al><al>en bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>zelfstandige:</al></entry><entry><al> de belanghebbende bedoeld in artikel 1, sub b, van
                                                het Besluit</al><al>bijstandsverlening zelfstandigen 2004;</al></entry></row><row><entry><al>college:</al></entry><entry><al> het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente.</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al/><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                            besef vanverantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan
                            dan wel de uit de wet of de artikelen28, tweede lid, of artikel 29,
                            eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                            inkomen</al><al>voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder
                            begrepen het zich jegens hetcollege zeer ernstig misdragen, wordt
                            overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbendede gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op
                            de bijzondere bijstand indienaan belanghebbende bijzondere bijstand
                            wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van demaatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedragwaarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, dereden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór constatering van
                            die gedraging door het college heeftplaatsgevonden, tenzij de gedraging
                            een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolgvan die
                            gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens
                            schending van de</al><al>inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van <cursief>vijf
                                jaren </cursief>nadat de betreffende gedraging
                            heeftplaatsgevonden.</al><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                            daarvoor dringende redenenaanwezig acht.</al><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                            van dringende redenen, wordtde belanghebbende daarvan schriftelijk
                            mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                            kalendermaand volgend op de datumwaarop het besluit tot het opleggen van
                            de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.</al><al>Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voorzover de bijstand nog niet is
                            uitbetaald.</al><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor
                            een periode van meer dandrie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na
                            drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegdheroverwogen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Samenloop van gedragingen en recidive.</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die hetniet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het</al><al>bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging waarop de zwaarstemaatregel is gesteld.</al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                            binnen twaalfmaanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                            gedraging:</al><al>opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
                            hogere categorie (artikel4);</al><al>opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                            gedraging (artikel 5).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De gedragingen met betrekking tot het geen of onvoldoende
                                        medewerking verlenen aan hetverkrijgen of behouden van werk
                                        worden onderscheiden in vier categorieën.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën omvatten de volgende gedragingen:.</al><al>1. eerste categorie:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij
                                                het Centrum voor Werk enInkomen, dan wel de
                                                inschrijving niet of niet tijdig doen
                                                verlengen;</al><al/><al>2. tweede categorie:</al><al/></li><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen of
                                                teaanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep
                                                om, in verband met dearbeidsinschakeling, op een
                                                aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan
                                                een onderzoek naar demogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="d."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester
                                                en wethouders verstrekken vanhet trajectplan;</al><al/><al>3. derde categorie:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                  belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan
                                                  een aangeboden voorziening,waaronder begrepen
                                                  sociale activering, gericht op
                                                  arbeidsinschakeling;</al><al/><al>4. vierde categorie:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                  arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van
                                                  algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel behorend bij
                                de in artikel 3 vermeldecategorieën wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerstecategorie;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweedecategorie;</al></li><li nr="c."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derdecategorie;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierdecategorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij zeer ernstige verwijtbaarheid kan de duur van de maatregel als
                                bedoeld in het eerste lidonder d verlengd worden van 1 maand naar 2
                                maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Te laat verstrekken van inlichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>te laat verstrekken van inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende informatie die van belang is voor de verlening
                                van bijstand of devoortzetting daarvan niet binnen de door
                                burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijnheeft verstrekt,
                                wordt onder toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel
                                opgelegd terhoogte van 5 procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien enworden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing ter zake het niet binnen dedaartoe
                                gestelde termijn verstrekken van informatie, tenzij het te laat
                                verstrekken vaninlichtingen, plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waaropeerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt niet opgelegd
                                indien het een aanvraaglangdurigheidstoeslag of bijzondere bijstand
                                betreft.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zijn inlichtingenplicht zoals bedoeld in
                                artikel 17, eerste lid, van de wetniet of niet behoorlijk is
                                nagekomen door onjuiste of onvolledige mededelingen te doen en
                                ditheeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag aan bijstand,
                                wordt de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet dient als
                                ‘onverwijld’ te worden verstaan: bijde eerste periodieke
                                verklaring.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien belanghebbende is ontheven van de verplichting van het
                                inleveren van de periodiekeverklaring, dient bij toepassing van
                                artikel 17, eerste lid, van de wet als ‘onverwijld”te
                                wordenverstaan: voor het einde van de lopende kalendermaand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het schenden van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een
                                ten onrechte verstrekt bedragaan bijstand, bedraagt de maatregel
                                bedoeld in artikel 6, eerste lid, 10 procent van debijstandsnorm
                                gedurende de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien enworden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of nietbehoorlijk
                                nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van deverplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waaropeerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Uitzondering bij het opleggen van de maatregel wegens schending
                                van de inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in artikel 7, tweede lid niet of niet
                                volledig kan worden opgelegdover de periode dat de gedraging heeft
                                plaatsgevonden, wordt deze maatregel opgelegd overhet toekomstige
                                recht op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid niet binnen een
                                termijn van vijf jaar nadat hetbesluit tot het opleggen van de
                                maatregel is ingehouden, komt de maatregel te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd zolang degedraging wordt onderzocht door het openbaar
                                ministerie en blijft definitief achterwege indienter zake een
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeftgenomen dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboekvan Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop vanvijf jaren nadat de desbetreffende gedraging
                                heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De terugvordering voortvloeiend uit het opleggen van een maatregel
                                bedoeld in artikel 7, eerstelid, kan bij gebreke van tijdige
                                betaling verhoogd worden met de wettelijke rente en de op
                                deinvordering betrekking hebbende kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening inhet bestaan heeft getoond, wordt de bijstand
                                verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10 procent van
                                de bijstandsnorm. De duurvan de maatregel is afhankelijk van de
                                termijn dat men hierdoor langer bijstandsafhankelijk is:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>korter dan 3 maanden - duur verlaging 1 maand;</al></li><li nr="-"><al>van 3 maanden tot 6 maanden - duur verlaging 3 maanden;</al></li><li nr="-"><al>van 6 maanden en langer - duur verlaging 6 maanden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens burgemeester en
                            wethouders of hunambtenaren en anderen aan wie zij taken gedelegeerd
                            en/of gemandateerd hebben op grond van dewet, wordt een maatregel
                            opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
                            De</al><al>hoogte van de maatregel is:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het vertonen van hinderlijk gedrag, 10 % van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="2."><al>voor verbaal geweld, 20 % van de bijstandsnorm gedurende een
                                    maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>voor ernstige bedreigingen en intimidatie, 50 % van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="4."><al>voor fysiek geweld, 100 % van de bijstandsnorm gedurende een
                                    maand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7:</nr><titel>Verplichtingen zelfstandigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening</titel></kop><al>Indien de zelfstandige niet voldoet aan de verplichtingen zoals bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van hetBesluit bijstandsverlening
                            zelfstandigen 2004, wordt een maatregel opgelegd van 10 procent van
                            debijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Het niet naar behoren voeren van een administratie</titel></kop><al>Indien de zelfstandige de administratie niet binnen de gestelde termijn
                            zoals bedoeld in artikel 38,tweede lid, van het Besluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen 2004 overlegt, wordt een
                            maatregelopgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm gedurende een
                            maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Het niet nakomen van de arbeidsverplichting</titel></kop><al>Indien aan de zelfstandige onder toepassing van artikel 38, derde lid,
                            van het Besluitbijstandsverlening zelfstandigen 2004 de verplichting tot
                            arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9van de wet niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd onder toepassing van
                            artikel 3en 4 van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8:</nr><titel>Overige verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Het niet verlenen van de gevraagde medewerking</titel></kop><al>Indien belanghebbende niet de gevraagde medewerking heeft verleend die
                            nodig is voor de uitvoeringzoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van
                            de wet, wordt na toepassing van artikel 54 van de wet eenmaatregel
                            opgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Het niet tonen van een identiteitsbewijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende op verzoek niet een identiteitsbewijs kan
                                tonen zoals bedoeld in artikel17, derde en vierde lid, van de wet
                                wordt de bijstand onder toepassing van artikel 54 van de
                                wetgeweigerd dan wel beëindigd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende het identiteitsbewijs toont binnen de gestelde
                                termijn wordt er geenmaatregel opgelegd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in artikel 55 van de wet zijnopgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van 10procent van de
                            bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De afstemmingsverordening treedt in werking op 1 november 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            2007.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING BIJ DE REGELING</label></kop><al/><al/><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>In tegenstelling tot de oude bijstandswet waarin het sanctiebeleid (maatregelen
                    en boeten) wettelijkwas geregeld, verplicht de wet Wet werk en bijstand (WWB) de
                    gemeente om zelf beleid vast testellen ten aanzien van de rechten en de plichten
                    van de cliënt. De raad dient mede met het oog op derechtszekerheid van de cliënt
                    het eigen beleid in een verordening vast te leggen.</al><al/><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vastte leggen.</al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraanverbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van debelanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt
                    dat het vaststellen van de hoogte van de uitkeringen de daaraan verbonden
                    verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij rechtwordt
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    vanuitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten enverplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plichtzich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. </al><al>Dit betekent dat de vaststelling vande hoogte van de uitkering niet alleen
                    afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                    wordennagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                    bijstandsgerechtigde zijnverplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                    wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprakevan een bevoegdheid, maar van
                    een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheidontbreekt, ziet
                    het college af van zo'n verlaging. Verlaging van de uitkering moet
                    plaatsvindenovereenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening.
                    Dit is deafstemmingsverordeningverordening.</al><al/><al>In de afstemmingsverordening (artikel 8, lid 1, onder b, WWB) legt de gemeente
                    haar beleid vast opwelke wijze de bijstand wordt verlaagd indien de
                    belanghebbende een tekortschietend besef vanverantwoordelijkheid betoont voor de
                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiendeverplichtingen
                    niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer ernstig
                    misdragenjegens burgemeester en wethouders of hun ambtenaren.</al><al/><al>De afstemmingsverordening komt voor WWB-uitkeringsgerechtigden in de plaats van
                    de tweealgemene maatregelen van bestuur, het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en
                    Ioaz en het Boetebesluitsocialezekerheidswetten welke wél worden gehandhaafd
                    voor de IOAW en de IOAZ.</al><al/><al>Een aparte doelgroep zijn de (startende) zelfstandigen. Het Rijk is voornemens
                    de bijstandsverleningaan zelfstandigen neer te leggen in een aparte wet.
                    Vooruitlopend op deze zelfstandigenwet waar hetstreven van is dat het per 1
                    januari 2006 in werking treedt, zijn de bepalingen die in de Abw warenopgenomen
                    voor deze doelgroep niet meer vastgelegd in de WWB maar in het nieuwe
                    Besluitbijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Voor zover er in het
                    Bbz 2004 niet wordtafgeweken van de WWB, is de WWB van toepassing op
                    zelfstandigen. In het Bbz 2004 zijn geen</al><al>bepalingen opgenomen ten aanzien van verlagingen, waardoor deze
                    afstemmingsverordening ookvan toepassing op deze doelgroep. De maatregelen als
                    gevolg van specifieke verplichtingen vanzelfstandigen zijn vastgelegd in
                    Hoofdstuk 7 van deze verordening. Dit hoofdstuk zal na invoering vande
                    zelfstandigenwet komen te vervallen.</al><al/><al>In deze afstemmingsverordening wordt bestaand beleid vooralsnog, daar waar
                    mogelijk,gehandhaafd. Toch zijn er als gevolg van het wegvallen van de
                    Boetebesluit en de mogelijkheid omde uitkering te verlagen bij agressie ook
                    nieuwe bepalingen opgenomen. Ook is de terminologie tenaanzien van de
                    verplichtingen tot arbeidsinschakeling, welke eerst waren vastgelegd in
                    hetMaatregelenbesluit, aangepast aan de Wet werk en bijstand.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1: Algemeen</vet></al><al/><al><vet>Artikel1:Begripsomschrijving</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als deomschrijving in de WWB.</al><al/><al><vet>Bijstandsnorm</vet></al><al>Onder bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm inclusief gemeentelijke
                    toeslag of verlaging eninclusief vakantietoeslag.</al><al/><al><vet>Belanghebbende</vet></al><al>In de verordening wordt het begrip 'belanghebbende' gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van deAlgemene wet bestuursrecht omschreven als 'degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit isbetrokken'. In het geval van gehuwden zijn
                    beide echtgenoten belanghebbende; beiden hebben een</al><al>rechtstreeks belang bij een besluit van burgemeester en wethouders inzake de
                    verlening van bijstand.</al><al/><al><vet>Artikel2:Het opleggen van een maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan(artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden;</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt
                                    inspecifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie
                                    en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    re-integratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan hetcollege op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten
                            enomstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijnarbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden omdesgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering vande wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    demedewerkingsplicht inhoudt: 'het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen'. De Wet SUWI legtook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden.
                    Het betreft de verplichting om alle gevraagde</al><al>gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te
                    verstrekken die nodig zijnvoor de beslissing door het college (artikel 28,
                    tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoekof onverwijld uit eigen
                    beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale</al><al>organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                    zij van invloed kunnenzijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
                    recht bijstand of de hoogte of de duur van debijstand.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichtingbetekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging vande bijstandsnorm. In het tweede lid is de
                    hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggenmaatregel af te stemmen
                    op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van</al><al>verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op
                    te leggen maatregel zalmoeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                    van de betrokken uitkeringsgerechtigdeafwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijkingvan de standaardmaatregel
                    kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet opgelegd,
                    en zo jawelke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: Stap 1:
                    vaststellen van de ernst van degedraging. Stap 2: vaststellen van de
                    verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden vande
                    uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstandwordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar detoelichting bij artikel 6.</al><al/><al><vet>Artikel3:De berekeningsgrondslag</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm.Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag ofverlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Indien</al><al>de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                    rechtsongelijkheid tenopzichte van de 21-jarigen.</al><al/><al><vet>Artikel4:Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van eenbesluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering wordt
                    opgelegd, wordt een besluit totvaststelling van de algemene bijstand op grond
                    van artikel 45 WWB genomen. Wordt een maatregel</al><al>met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de
                    bijstand wordengenomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide besluiten kan door
                    de belanghebbende bezwaar enberoep worden aangetekend. In dit artikel wordt
                    aangegeven wat in het besluit in ieder geval moetworden vermeld. Deze eisen
                    vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) endan met het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                    besluitkenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel5:Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel 'indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid' ontbreekt, isgeregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.</al><al/><al>Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de
                    gedraging, bijvoorbeeldafhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang van
                    de gevolgen of zoveelste recidive wilafwijken van de standaardverlaging.</al><al>De mate van verwijtbaarheid dient altijd in de beoordeling meegenomen te worden.
                    Hierbij dient devraag gesteld te worden in hoeverre belanghebbende op de hoogte
                    was/kon zijn van zijnverplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van
                    belanghebbende. Bij het ontbreken van iedereverwijtbaarheid wordt er geen
                    verlaging opgelegd.</al><al>Bij de omstandigheden van belanghebbende dient overwogen te worden of de
                    individuele financiëleomstandigheden van belanghebbende aanleiding zijn om af te
                    wijken van de standaardmaatregel.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te langgeleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit ('lik op stuk') is het nodig dat eenmaatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt</al><al>onder b. geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die
                    langer dan éénjaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een
                    schending van de informatieplichtinhouden en als gevolg waarvan ten onrechte
                    bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstandis verleend, geldt in de
                    verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn
                    wordtaangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e van de Algemene
                    bijstandswet in verband met hetopleggen van een boete wegens niet-nakoming van
                    de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligtvoor de hand gelet op de
                    ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaaktijd
                    nodig zal hebben om de omvang van</al><al>de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien hetdaarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van deconcrete situatie en kan dus niet op voorhand
                    worden vastgelegd.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregelwegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel6:Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een maatregel wordt in principe naar de toekomst opgelegd. Dit wil zeggen dat de
                    verlaging naconstatering direct geëffectueerd wordt zonder herziening van het
                    recht. Uitzondering is de verlagingwegens schending van de inlichtingenplicht
                    (Hoofdstuk 4 van deze verordening), welke met</al><al>terugwerkende kracht wordt opgelegd.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan hetpraktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen
                    met het bedrag dat nog moet worden</al><al>uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                    teruggevorderd.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor eenbepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordtgeconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel isgetroffen opnieuw een maatregel
                    opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordteen maatregel
                    voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de
                    maatregelaan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel
                    18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnendrie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo'n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit teworden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht wordengehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat deopgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandighedenwaarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijnverplichtingen voldoet.</al><al/><al><vet>Artikel7:Samenloop van gedragingen</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen vaneen bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet vooreen bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Indiensprake is
                    van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor
                    hettoepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de
                    zwaarste maatregel</al><al>van toepassing is.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    herhaald verwijtbaargedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van deduur van de maatregel.</al><al>Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                    aanleiding is geweest toteen maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende
                    redenen niet is geëffectueerd.</al><al/><al>Bij toepassing van recidive is niet altijd duidelijk van welk tijdstip moet
                    worden uitgegaan, het tijdstipvan de feitelijke gedraging of van het opleggen
                    van de maatregel. Met “als verwijtbaar aangemerktegedraging” wordt aangegeven
                    dat een gedraging eerst beoordeeld dient te worden alvorens deze alsverwijtbaar
                    aangemerkt kan worden. Met andere woorden, bepalend is het tijdstip van het
                    opleggenvan de maatregel cq de verzenddatum van de beslissing.</al><al/><al>Recidive kan slechts een keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een
                    tweede verwijtbaregedraging wederom herhaald verwijtbaar gedrag vertoont, dient
                    de verlaging in plaats van eenverdubbeling van de duur bij recidive, vastgesteld
                    te worden op basis van de ernst van het feit en de</al><al>gedraging en de mate van de verwijtbaarheid individueel vastgesteld te worden in
                    plaats van eenverdubbeling van de duur bij recidive.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk2:Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van werk</vet></al><al/><al><vet>Artikel8:Categorieën</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De Wet werk en bijstand stelt werk boven inkomen. Alle inspanningen van de
                    cliënt en de gemeentedienen gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Onder
                    arbeidsinschakeling wordt verstaan het verrichtenvan algemeen geaccepteerde
                    arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daaropgerichte
                    voorziening die door de gemeente wordt aangeboden.</al><al/><al>In beginsel is iedereen verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                    te verkrijgen ente aanvaarden. Er worden geen beperkende voorwaarden gesteld aan
                    de aard en de omvang van het</al><al>werk en de aansluiting op opleiding en ervaring, maar alle arbeid die
                    maatschappelijk aanvaard isdient geaccepteerd te worden. Deze algemene
                    omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling isvastgelegd in artikel 9 van
                    de wet.</al><al/><al>Er worden vier categorieën onderscheiden. Bij de indeling ervan is uitgegaan dat
                    de ernst van het feittoeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                    voor het niet verkrijgen of behouden van</al><al>betaalde arbeid.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in teschrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigenverantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld
                    voldoende te solliciteren en te voldoenaan een oproep.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep opbijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van nietverantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die dekansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatievegedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ooksociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede dooreigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag betaalde arbeid
                    niet behouden dan wel tijdens debijstand deeltijd arbeid niet behouden.</al><al/><al><vet>Artikel 9:De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het gaat om individuele gevallen waar zeer ernstige verwijtbaarheid is door het
                    onvoldoendemedewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid.</al><al>Een voorbeeld van een zeer ernstige verwijtbaarheid is als een cliënt een dag
                    voor het verstrijken vanzijn 6 maanden contract zelf ontslag neemt en daardoor
                    werkloos wordt en geen recht meer heeft opeen voorliggende voorziening. Bij 1
                    dag langer werken (en beëindiging contract werkgever) heeftcliënt tenminste
                    recht op 6 maanden WW. Er zal wel altijd onderzoek gedaan moeten worden naar
                    dereden achter zeer ernstige verwijtbaarheid.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk3:Te laat verstrekken van inlichtingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel10:Te laat verstrekken van inlichtingen</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de cliënt de informatie niet verstrekt binnen de gestelde juridische
                    termijn, wordt hij op grondvan artikel 54 lid 2 van de wet verzocht het verzuim
                    binnen een gestelde termijn te herstellen (dezogenaamde hersteltermijn) en wordt
                    hij in kennis gesteld dat er een maatregel wordt toegepast indienhij hier niet
                    aan voldoet. Indien de informatie niet binnen de gestelde termijn wordt
                    verstrekt, is er opbasis van deze verordening een maatregel van de uitkering aan
                    de orde.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien inlichtingen te laat zijn aangeleverd of te laat een uitkering is
                    aangevraagd, en de overtredingniet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                    te hoog verleend bedrag van uitkering, kan er afgezienworden van het opleggen
                    van een maatregel en in plaats daarvan een schriftelijke waarschuwingworden
                    geven. Indien belanghebbende binnen een periode van 2 jaar wederom zijn
                    inlichtingenplichtte laat nakomt, dient er wel een maatregel te worden
                    toegepast.</al><al/><al>Het geven van een schriftelijke waarschuwing is een bevoegdheid. Indien
                    belanghebbende willens enwetens zijn inlichtingenplicht niet correct is
                    nagekomen met als doel geldelijk gewin, kan er direct eenmaatregel worden
                    opgelegd rekeninghoudend met de ernst van het feit en de gedraging.</al><al/><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                    herhaling in principe eenmaatregel wordt opgelegd zonder toepassing van
                    recidive.</al><al/><al>Bij samenloop van maatregel oplegging wordt de zwaarste maatregel ten uitvoer
                    gebracht en blijft deminder zware maatregel achterwege.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij de langdurigheidstoeslag, bijzondere bijstand of hulpfonds dient
                    belanghebbende eerst eenverzoek tot een aanvraag in, waarna hij de
                    inlichtingenstaat krijgt toegezonden welke binnen eengestelde termijn volledig
                    ingevuld, ondertekend en voorzien dient te worden van alle
                    gevraagdebewijsstukken. Indien het formulier niet wordt geretourneerd binnen de
                    gestelde termijn, wordt er eenrappelbrief verzonden met de mededeling dat het
                    verzoek buiten behandeling wordt gelaten. Er is in</al><al>dit geval nog geen sprake van een aanvraag.</al><al>Indien de aanvraag middels retournering van de inlichtingenstaat wel is
                    ingediend, maar niet allebewijsstukken overlegd zijn, wordt er een
                    hersteltermijn geboden. Indien belanghebbende in dezetermijn de gegevens niet
                    overlegt, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.</al><al/><al>De genoemde drie onderdelen kunnen zowel door uitkeringsgerechtigden als door
                    nietuitkeringsgerechtigdenaangevraagd worden. Het opleggen van een maatregel zou
                    rechtsongelijkheidscheppen tussen beide groepen. Immers een maatregel wordt
                    opgelegd over de bijstandsnorm, terwijldeze werkwijze niet is toe te passen bij
                    niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk4: Het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel11:Inlichtingplicht</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In artikel 17 lid 1 WWB is de algemene inlichtingenplicht vastgelegd inzake de
                    verlening van debijstand, maar heeft ook betrekking op de arbeidsinschakeling.
                    Deze maatregel heeft met namebetrekking op inlichtingenfraude, maar kan ook
                    toegepast worden bij bijvoorbeeld het niet melden vanvrijwilligerswerk.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In artikel 17 lid 1 is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit
                    eigen bewegingmededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn datzij van invloed kunnen zijn op zijn
                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Om ongestructureerdemeldingen te
                    voorkomen, wordt onder ‘onverwijld’ de eerste periodieke verklaring
                    verstaan.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een kleine groep uitkeringsgerechtigden is ontheven van de verplichting van het
                    inleveren van deperiodieke verklaring. Om ongestructureerde meldingen te
                    voorkomen, wordt onder ‘onverwijld’verstaan: voor het einde van de lopende
                    maand.</al><al/><al><vet>Artikel12:De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij de vaststelling van de verlaging wegens inlichtingenfraude komt de ernst van
                    de gedraging totuitdrukking in de duur. Indien belanghebbende gedurende X
                    maanden inkomsten heeft verzwegen,wordt de maatregel van 10% gedurende X maanden
                    opgelegd over de periode dat de gedraging</al><al>feitelijk heeft plaatsgevonden. Dit houdt in dat de maatregel met terugwerkende
                    kracht wordt opgelegdmiddels een herziening van het recht op bijstand over de
                    maanden waarop de gedraging betrekkingheeft. Voor deze mogelijkheid is hier
                    gekozen ter voorkoming dat de maatregel bij beëindiging aan hetrecht niet
                    geëffectueerd kan worden.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van deinlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot het
                    geven van een waarschuwing bij het te laatverstrekken van informatie. Zie
                    hiervoor de toelichting artikel 5, lid 2.</al><al/><al><vet>Artikel13:Uitzondering bij het opleggen van de maatregel wegens schending
                        van de inlichtingenplicht</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de verstrekte uitkering lager is dan 10 % van de bijstandsnorm, kan de
                    maatregel niet of nietvolledig geëffectueerd worden. Er kan namelijk niet meer
                    teruggevorderd worden dan er aan uitkeringis verstrekt. In deze gevallen kan de
                    maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Dit geldtook wanneer er
                    voor het volledige uitkeringsbedrag is gefraudeerd en de uitkering wordt
                    beëindigd.Indien belanghebbende op een later tijdstip wederom een uitkering
                    aanvraagt, kan de maatregelalsnog worden uitgevoerd.</al><al>Bijvoorbeeld: belanghebbende ontvangt sedert 1 juli 2006 een uitkering. In juni
                    2007 wordtgeconstateerd dat belanghebbende sedert 1 februari 2007 inkomsten
                    heeft boven de norm waardoorde uitkering per 1 februari 2007 wordt beëindigd.
                    Per 15 september 2008 vraagt belanghebbendewederom een uitkering aan. De
                    maatregel met terugwerkende kracht kan niet worden geëffectueerd,er is geen
                    recht gedurende de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden. Bij het nieuwe
                    recht ingaande 15 september 2008 kan er een maatregel worden opgelegd van 10 %
                    gedurende 4maanden. Belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van
                    de uitkering en/of deterugvordering van de ten onrechte genoten uitkering op de
                    hoogtemaatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op
                    bijstand.</al><al>Net als bij alle overige maatregelen kan er afgeweken worden van de
                    standaardmaatregel.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een maatregel over een toekomstig recht is het van belang dat er een termijn
                    wordt vastgesteld.</al><al>Bepalend is het tijdstip van het genomen besluit. Bijvoorbeeld inkomstenfraude
                    boven de norm overde periode 01-02-2004 t/m 31-05-2004 wordt geconstateerd in
                    maart 2007. In mei 2007 wordt het</al><al>besluit tot terugvordering en opleggen van de maatregel over een toekomstig
                    recht genomen. Dezemaatregel kan vervolgens geëffectueerd worden tot mei
                    2012.</al><al/><al><vet>Artikel14:Overige bepalingen inlichtingenplicht</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In principe dient er bij fraude vanaf € 6.000,- (brutobedrag inclusief de af te
                    dragen of afgedragenloonheffing en premies) aangifte gedaan te worden bij het
                    Openbaar Ministerie (OM) en dient er eenproces-verbaal opgemaakt te worden. Als
                    het OM een zaak in termen van strafrechtelijkebewijsbaarheid niet accepteert,
                    bijvoorbeeld omdat er vormfouten zijn gemaakt, of dit nadeel becijfertop minder
                    dan € 6.000,00, wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een maatregel
                    opgelegddienen te worden.</al><al>Indien er ter zake van hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld, wordt
                    het opleggen van demaatregel opgeschort zolang het OM de gedraging onderzoekt.
                    Indien er strafvervolging is ingestelddie zover is gevorderd dat het onderzoek
                    ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel er</al><al>een schikking heeft plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, blijft de maatregel
                    definitief achterwege.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt uit het oogpunt
                    van rechtszekerheidniet opgelegd indien de overtreding 5 jaar of langer geleden
                    heeft plaatsgevonden.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit lid is een uitwerking van artikel 58 lid 4 van de wet. Ook bij niet tijdige
                    betaling van de extraterugvordering voortvloeiend uit het opleggen van de
                    maatregel wegens inlichtingenfraude kunnen dekosten die voortvloeien uit
                    additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen,</al><al>voor rekening van de belanghebbende worden gebracht.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk5:Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel15:Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan wordtverstaan: dusdanige gedragingen die tot (meer)
                    bijstandsbehoeftigheid geleid hebben, anders dan deoverige expliciet genoemde
                    gedragingen in deze afstemmingsverordening. Hieronder valt onder meerhet op
                    onverantwoorde wijze interen van vermogen, onderbedeling bij echtscheiding, niet
                    verzekerdzijn tegen brandschade of wettelijke aansprakelijkheid jegens derden.
                    Deze gedragingen kunnen qua</al><al>ernst dermate verschillen dat het niet mogelijk is om hier een
                    standaardmaatregel voor toe te passen.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Er is hier overeenkomstig een bestaande praktijk voor gekozen om voor de hoogte
                    van de maatregeleen standaardpercentage toe te passen en de ernst van de
                    gedraging uit te drukken in de duur van demaatregel.</al><al/><al>Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe
                    lang betrokkeneonafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij/zij wel
                    voldoende besef vanverantwoordelijkheid had getoond. Hier worden richtlijnen
                    gegeven ten aanzien van de duur. Dit laatonverlet de mogelijkheid om af te
                    wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate vanverwijtbaarheid en de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk6:Ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel16:Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zijhet dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in</al><al>alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een
                    maatregelopleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en
                    (mogelijke) belemmeringenvoor de gemeente bij het vaststellen van het recht op
                    een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordtbepaald dat de zeer ernstige
                    misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandighedendie rechtstreeks
                    verband houden met de uitvoering van WWB.</al><al>In artikel 18, tweede lid, van de wet wordt gesproken over 'het zich jegens het
                    college zeer ernstigmisdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hunambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden</al><al>opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker
                    van een andereorganisatie die belast is met de uitvoering van de WWB
                    (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Het isdat geval wellicht wel mogelijk
                    om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende</al><al>gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9,
                    derde lid, van dezeverordening).</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeftmisdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid</al><al>en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen
                    van de ernst vande gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in
                    een oplopende reeks (steedsernstiger) worden onderscheiden:</al><al/><al>Onder zeer ernstige bedreigingen wordt verstaan:</al><lijst><li nr="°"><al>Hinderlijk gedrag: gedrag dat als hinderlijk wordt ervaren;</al></li><li nr="°"><al>Verbaal geweld: schelden, discrimineren, grof taalgebruik, buitengewoon
                            hinderlijk gedrag;</al></li><li nr="°"><al>Ernstige bedreigingen en intimidatie: openlijke of subtiele bedreiging
                            in een gesprek,schriftelijk of telefonisch;</al></li><li nr="°"><al>Fysiek geweld: agressie gericht op persoon, goederen of het gebouw;</al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar deomstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant eenonderscheid te maken tussen <cursief>instrumenteel geweld
                    </cursief>en <cursief>frustratiegeweld. </cursief>Van instrumenteel geweld</al><al>issprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel
                    te bereiken(bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die
                    ontstaat door onmacht, ontevredenheid,onduidelijkheid en dergelijke kan worden
                    aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat demate van
                    verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                    frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het collegelegt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bijde politie.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk7:Verplichtingen zelfstandigen</vet></al><al/><al><vet>Artikel17:Doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening</vet></al><al/><al>Aan een zelfstandige kunnen op grond van artikel 38 lid 1 Bbz 2004 specifieke
                    verplichtingen gerichtop een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening worden
                    opgelegd. Het stellen van dezeverplichtingen is aan de orde wanneer er sprake is
                    van gebreken in de bedrijfsvoering en wanneer,zonder aanpassing hiervan, de
                    voortzetting van het bedrijf of beroep in gevaar komt. Aangezien het
                    uiteindelijke doel van de Bbz 2004 is dat de zelfstandige middels zijn bedrijf
                    of beroep zelf in dekosten van verdere exploitatie en zijn levensonderhoud kan
                    voorzien, is de hoogte van de maatregelvastgesteld conform een gedraging van de
                    vierde categorie.</al><al/><al><vet>Artikel18:Het niet naar behoren voeren van een administratie</vet></al><al/><al>Op grond van artikel 38 lid 2 van de Bbz 2004 is de zelfstandige verplicht om
                    binnen 6 maanden naafloop van het boekjaar uit eigen beweging of op verzoek van
                    het college zijn administratie teoverleggen. Indien hij hier na het geven van
                    een hersteltermijn niet aan voldoet, kan er een maatregel</al><al>worden toegepast. De maatregel is gelijk aan de algemene verplichting tijdig
                    overleggen vangegevens.</al><al/><al/><al><vet><cursief>Artikel19:Het niet nakomen van de
                        arbeidsverplichting</cursief></vet></al><al><cursief> Indien een beroep of bedrijf tijdelijk (d.w.z. gedurende ten minste
                        een halfjaar) niet kan worden uitgeoefend, dient de zelfstandige te proberen
                        in het bestaan te voorzien door naar arbeid indienstbetrekking uit te zien.
                        In die situatie worden middels een beschikking de verplichting
                        totarbeidsinschakeling opgelegd. Bij het niet of niet voldoende meewerken
                        aan deze verplichting, wordtde maatregel afhankelijk van de feitelijke
                        gedraging vastgesteld conform artikel 3 en 4 van de verordening.
                            <vet>Hoofdstuk 8: Overige verplichtingen</vet></cursief></al><al><cursief>Artikel 20: Het niet verlenen van de gevraagde medewerking</cursief></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al><cursief>Onder het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor
                        de uitvoering is een algemene medewerkingsverplichting verstaan die zowel
                        geldt ten aanzien van de arbeidsinschakeling als de verlening van de
                        bijstand. Een algemene medewerkingsverplichting is onder andere het toestaan
                        van een aangekondigd huisbezoek, voor zover relevant voor de bepaling van
                        het recht cq de hoogte van de bijstand. </cursief></al><al><cursief>Bij het niet verlenen van de gevraagde medewerking wordt de cliënt in
                        de gelegenheid gesteld alsnog binnen de hersteltermijn (artikel 54 WWB) zijn
                        medewerking te verlenen. Indien de cliënt desondanks geen medewerking
                        verleent, wordt de uitkering geweigerd dan wel beëindigd. </cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 21: Niet tonen van een identiteitsbewijs</cursief></al><al><cursief>Indien een belanghebbende ook na het geven van een hersteltermijn
                        weigert een identiteitsbewijs te tonen, terwijl dit wel relevant is, dan
                        wordt de bijstand geweigerd dan wel beëindigd. Indien de belanghebbende
                        tijdens de aanvraagprocedure geen (geldig) identiteitsbewijs heeft, wordt er
                        een redelijke juridische termijn gegeven. Wanneer er in deze termijn geen
                        bewijs wordt overlegd, wordt de aanvraag buiten verdere behandeling gelaten.
                        Indien hij wel een bewijs overlegt, wordt er geen maatregel toegepast.
                    </cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 22: Noodzakelijke betalingen. Wanneer er gegronde redenen zijn
                        om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een
                        verantwoorde besteding van zijn uitkering, kan hem de verplichting opgelegd
                        worden om mee te werken aan derdenbetalingen, budgetbeheer e.d. Indien
                        belanghebbende als gevolg van een onverantwoorde besteding bijzondere
                        bijstand aanvraagt voor schulden, zal deze aanvraag afgewezen dienen worden.
                    </cursief></al><al/><al><cursief>Hoofdstuk 9: Slotbepalingen </cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 23: Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1
                        november 2007. Vanaf deze dag is de Afstemmingsverordening Wormerland,
                        ingegaan op 1 september 2004, niet meer van toepassing.</cursief></al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>