<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR162602_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot-Hellevoet, 1 oktober 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Invoeging van een nieuw artikel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>20120524</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 22-03-12/11</al><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis;</al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 februari 2012,
                        nummer: 22-03-12/11;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit:</al><al>Vast te stellen de navolgende <vet>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ
                            2012 gemeente Hellevoetsluis.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van Hellevoetsluis.</al></li><li nr="b."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van
                                        Hellevoetsluis.</al></li><li nr="c."><al><cursief>uitkering</cursief>: algemene bijstand op grond van
                                        de WWB, alsmede een uitkering op grond van de IOAW en de
                                        IOAZ.</al></li><li nr="d."><al><cursief>bijstandsnorm</cursief>: de toepasselijke
                                        bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB of,
                                        voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de
                                        grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW
                                        respectievelijk artikel 5 IOAZ.</al></li><li nr="e."><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief>:</al></li><li nr="I."><al>de uitkering die teveel of ten onrechte is verstrekt als
                                        gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht; en</al></li><li nr="II."><al>de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag
                                        een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het bedrag
                            waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de
                            reden om af te wijken van de standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte of teveel
                                        uitkering is verleend. Een verlaging wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de dag volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het toepassen van de verlaging aan een
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                uitkering over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 WWB verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37
                            IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ niet of
                            onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel
                                            9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB
                                            respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid
                                            1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel
                                            37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit <cursief>niet
                                            </cursief>heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                            tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in
                                            artikel 44a WWB, indien van toepassing.</al></li><li nr="e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ
                                            niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid
                                            1 WWB respectievelijk 38 lid 1 IOAW en artikel 38 lid 1
                                            IOAZ.</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voor
                                            zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                                            artikel 43 lid 4 en 5 WWB.</al></li><li nr="g."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c WWB, artikel 37
                                            lid 1 onderdeel f IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f
                                            IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk
                                            artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                            IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het
                                            geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                                            die voorziening;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 6, wordt
                            vastgesteld</al><al>op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht zoals bedoeld in
                                artikel 17 WWB respectievelijk artikel 13 IOAW of artikel 13 IOAZ
                                niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, maar wel
                                binnen de hersteltermijn zoals bedoeld in artikel 54 lid 2 WWB
                                respectievelijk artikel 17 lid 2 IOAW en artikel 17 lid 2 IOAZ,
                                wordt een verlaging opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een verlaging zoals bedoeld in het eerste lid
                                kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 WWB respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, bedraagt de verlaging vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een verlaging bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 WWB respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot en met € 1000,--;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 1000,--</al><al>tot en met € 2000,--;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000,--</al><al>tot en met € 4000,--;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag groter dan € 4000,--.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18 lid 2
                                WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 6 lid 3 onderdeel b van deze verordening,
                                wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot en met € 1000,--;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 1000,--</al><al>tot en met € 2000,--;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000,--</al><al>tot en met € 4000,--;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag groter dan € 4000,--.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt een
                            verlaging opgelegd van minimaal vijftig procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende
                                nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt toegepast
                                op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het
                                doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>veertig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                bijstand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                nakomen van verplichtingen die strekken tot beeindiging van de
                                bijstand;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen,
                                wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd.
                                Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 2 of 3, artikel 10 lid 1 of
                                artikel 11 lid 1 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan
                                een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen,
                                wordt de duur van de verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 1, artikel 8 lid 1, artikel 9
                                lid 1 of artikel 12 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan
                                een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen,
                                wordt de hoogte van de verlaging verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of
                            artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                            een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In
                            gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Afstemmings- &amp; fraudeverordening Wet werk en bijstand 2006,
                                vastgesteld door de raad op 29 juni 2006, wordt gelijktijdig
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB, IOAW
                            en IOAZ 2012 gemeente Hellevoetsluis.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 22 maart 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.J. van der Wel. C.A. Kleijwegt.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
                        gemeente Hellevoetsluis</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW,
                        IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden
                        gewijzigd.</al><al/><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening
                        verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is
                        de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met
                        verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een
                        uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan
                        de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5
                        IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste.
                        Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                        van een deugdelijke motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al><onderstreept>Afzien van verlagen (lid 1)</onderstreept></al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 WWB
                        (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ). Aangenomen
                        moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                        verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is
                        aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan
                        het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                        verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet</al><al>mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen
                        (zie</al><al>artikel 14 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van
                        artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden
                        gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                        recidive.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel
                        3 lid 1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen
                        oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                        niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente
                        overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar.</al><al/><al><onderstreept>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen (lid 2 en
                            3)</onderstreept></al><al>In artikel 3 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien
                        van het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het
                        opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk
                        zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden
                        optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er
                        kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                        aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen
                        voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat
                        ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een
                        verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een
                        uitkering. </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive (artikel 3 lid 3 van deze verordening). Het opleggen
                        van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 14 van deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al><al/></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                        herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde
                        bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt
                        opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de
                        kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van
                        de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand
                        geldende bijstandsnorm.</al><al/><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast
                        (zie lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een
                        bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk
                        tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                        afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid
                        1 onderdeel a WWB, respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW en IOAZ, worden
                        teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming met
                        terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als alle uitkering over de
                        betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer
                        om af te stemmen. Als de gedraging schending van de inlichtingenplicht
                        betreft kan aangifte worden gedaan bij het OM , ook als de vordering minder
                        bedraagt dan de aangiftegrens van € 10.000 (uitzondering 5 in de Aanwijzing
                        Sociale Zekerheidsfraude).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><onderstreept>Bijstandsnorm (lid 1)</onderstreept></al><al>In artikel 5 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat
                        een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm
                        wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                        verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                        IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                        IOAW/IOAZ.</al><al/><al><onderstreept>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</onderstreept></al><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                        verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                        belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
                        12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                        die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                        uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde
                        lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat
                        uit de bijstandsnorm + de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel
                        12 WWB.</al><al/><al>Artikel 5 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                        college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                        bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                        uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 6 en 7 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang
                        worden gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 6,
                        zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 7
                        een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                        categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                        ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het
                        niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al><al/><al><onderstreept>Lid 2 onderdeel f: Inspanningen jongeren in eerste vier weken
                            na de melding</onderstreept></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9
                        lid 1 WWB). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden
                        beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                        (artikel 43 lid 4 en 5 WWB). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat
                        op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel d WWB geen recht op bijstand. Zijn
                        er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                        onvoldoende, dan kan het college de uitkering verlagen. Deze verlaging kan
                        in principe reeds worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd
                        in artikel 6 lid 2 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt
                        genomen niet noodzakelijk. Deze gedraging vanwege de herkenbaarheid toch
                        expliciet omschreven in de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 6.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Indien de belanghebbende de voor de verlening van uitkering van belang
                        zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door het college
                        gestelde termijn heeft verstrekt, kan het college het recht op uitkering
                        opschorten (zie artikel 54 lid 2 WWB, artikel 17 lid 2 IOAW en artikel 17
                        lid 2 IOAZ). Het college geeft vervolgens een hersteltermijn waarbinnen de
                        belanghebbende het verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of
                        bewijsstukken te verstrekken. Indien de belanghebbende de gegevens of
                        bewijsstukken binnen deze termijn verstrekt, wordt een verlaging opgelegd op
                        grond van artikel 8 van deze verordening. Op grond van artikel 8 lid 2 kan
                        dan eerst een waarschuwing worden gegeven. Als de gegevens of bewijsstukken
                        buiten de hersteltermijn worden verstrekt, zal de uitkering worden
                        ingetrokken (zie artikel 54 lid 4 WWB).</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Artikel 8 lid 2 van deze verordening geeft de mogelijkheid in plaats van een
                        verlaging een waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk
                        afgegeven en is vatbaar voor bezwaar en beroep. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>In dit artikel wordt “nulfraude” geregeld. Dit is het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder dat dit heeft geleid tot het ten
                        onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Een voorbeeld van
                        nulfraude is het niet opgeven van een vermogensbestanddeel waarbij de waarde
                        van het bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor belanghebbende
                        geldende vermogensgrens wordt overschreden.</al><al/><al>Artikel 9 lid 2 van deze verordening geeft de mogelijkheid om in plaats van
                        een verlaging een waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk
                        afgegeven en is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                            gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>Op grond van artikel 10 van deze verordening kan een verlaging worden
                        opgelegd voor een schending van de inlichtingenplicht die heeft geleid tot
                        het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. De ernst
                        van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                        uitkering. Als de verlagenswaardige gedraging ook een strafbaar feit
                        oplevert, dient het college hiervan proces verbaal op te maken en aangifte
                        te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) indien het bedrag waarvoor is
                        gefraudeerd boven de aangiftegrens komt. In de Aanwijzing Sociale
                        Zekerheidsfraude wordt als aangiftegrens een benadelingsbedrag van €
                        10.000,-- gehanteerd. Bij fraudebedragen beneden de aangiftegrens zal het OM
                        in de regel geen strafvervolging inzetten. In een aantal gevallen kan echter
                        bij wijze van uitzondering ook strafvervolging plaatsvinden bij
                        fraudebedragen beneden de € 10.000,--. Op grond van de Aanwijzing Sociale
                        Zekerheidsfraude geldt de grens van € 10.000,-- voor strafrechtelijke
                        afdoening niet voor zaken tegen verdachten die geen uitkering (meer)
                        genieten. Het college kan dus ook bij een benadelingsbedrag beneden de
                        aangiftegrens aangifte doen bij het OM, indien er geen verlaging kan worden
                        toegepast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of
                        voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van
                        een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen
                        (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                        bedrag is aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                voorziening.</al><al/></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is
                        een gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan. Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor
                        gekozen deze gedraging onder te brengen in artikel 6 van deze verordening
                        (zie artikel 6 lid 3 onderdeel b).</al><al/><al>Op grond van artikel 11 van deze verordening kan een verlaging worden
                        opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                        gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                        is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot
                        een hoger bedrag een beroep wordt gedaan; zie ook de begripsomschrijving in
                        artikel 1 lid 2 onderdeel e van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen een
                        verlaging opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op
                        een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                        afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                        recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                        ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van
                        een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie bijvoorbeeld CRvB
                        06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat in artikel 12 van deze
                        verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB, IOAW of IOAZ. Indien een belanghebbende zich zeer
                        ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                        verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan
                        is binnen de WWB (respectievelijk IOAW en IOAZ) tegen deze gedraging geen
                        sanctie mogelijk.</al><al/><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom
                        kan geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens
                        (medewerkers van) het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging van de
                        bijstand op grond van de afstemmingsverordening. Het zich zeer ernstig
                        misdragen jegens het college in de zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens
                        het zich misdragen jegens een medewerker van het re-integratiebureau, omdat
                        deze personen werken in opdracht van het college en de misdraging van
                        negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende
                        verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008,
                        nr. 07/1478, LJN BC9884).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13.</label><titel>Niet nakomen overige verplichtingen</titel></kop><al>Bij het opstellen van de Afstemmingsverordening begin 2012 is per abuis
                        verzuimd om het niet nakomen van nadere verplichtingen (artikel 55 WWB) op
                        te nemen in de verordening. Dit artikel is daarom alsnog opgenomen in de
                        verordening. Dit betekent concreet dat artikel 13: Niet nakomen overige
                        verplichtingen is ingevoegd, onder vernummering van de daaropvolgende
                        artikelen.</al><al/><al>De WWB geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden verplichtingen op
                        te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 WWB biedt
                        daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal categorieën, te
                        weten: </al><al/><al>- verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al><al>- verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                        vorm van bijstand, of;</al><al>- verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de
                        bijstand. </al><al/><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                        vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55
                        WWB kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voor komen
                        dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de
                        individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het is dan ook van belang
                        dat het college altijd rekening houdt met de individualiseringsbepaling van
                        artikel 18 lid 1 WWB. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                        stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                        belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in
                        dit artikel vastgestelde verlaging. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds de
                        situatie dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                        verplichtingen oplevert; in dat geval dient uit te worden gegaan van de
                        verplichting waarop de hoogste verlaging van toepassing is (lid 1).
                        Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                        gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 2). In het laatste geval moet voor
                        iedere afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit
                        niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                        omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                        uitgesmeerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte
                        of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%.
                        Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden,
                        gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de
                        hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege
                        de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging,
                        dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee
                        te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is
                        opgelegd is verzonden.</al><al/><al>Op basis van artikel 14 van deze verordening kan een recidiveverlaging
                        slechts één keer worden toegepast. Indien een belanghebbende na een tweede
                        verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en
                        de duur van de verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij
                        gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk artikel 20 IOAZ
                        bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                        belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar
                        dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                        of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                        college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                        uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                        concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                        verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 15 van deze verordening
                        is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het mogelijk
                        in het voordeel van de belanghebbende af te wijken van hetgeen in de
                        verordening is vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2012. Hierbij is
                        aansluiting gezocht met de datum van inwerkingtreding van een aantal voor de
                        WWB van belang zijnde wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel “Wijziging van
                        de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
                        jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
                        vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (32
                        815).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
                        gemeente Hellevoetsluis</titel></kop><al/><al><vet>Rechten en plichten in de WWB</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van <vet>een verplichting</vet>.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af
                    van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van
                    de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de
                    individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een
                    verlaging afzien indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig
                    acht.</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al/><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al/><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als
                    een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden.
                    Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de
                    verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van
                    hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld inlichtingenfraude). Het beginsel van ‘ne bis
                    in idem’ staat daaraan in de weg.</al><al/><al><vet>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ).</al><al/><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te
                    leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>