<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16212_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Twents Volksblad, 01-06-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel150">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-05-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-07-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>03.8486</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening)
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Hellendoorn;</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 4 mei
                        2004;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>b e s l u i t:</al>
          <al/>
          <al> vast te stellen de</al>
          <al/>
          <al>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij
                        devoorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
          </kop>
          <al>De verordening verstaat onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li>
            <li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li>
            <li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Geen inspraak wordt verleend:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li>
              <li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet;</al></li>
              <li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li>
              <li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
          </kop>
          <al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan kan voor één of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li>
              <li nr="b."><al>een weergave van de reacties die tijdens de inspraak mondeling
                                    of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li>
              <li nr="c."><al>een reactie op deze inspraakreacties, waarbij met redenen
                                    omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot
                                    aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De Inspraakverordening (rb. van 18 oktober 1994, nr. 94.6304, gewijzigd
                            bij rb. van 30-5-2000, nr. 00.4280) wordt ingetrokken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Op inspraakprocedures, die op het moment van het in werking treden van
                            deze verordening aanhangig zijn, blijft de in het eerste lid bedoelde
                            verordening van toepassing.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. </al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>De raad van Hellendoorn,</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          de griffier, de voorzitter,
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Toelichting Inspraakverordening</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 150 van de Gemeentewet</cursief>
        </al>
        <al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De huidige
                    Inspraakverordening moet worden aangepast aan diverse wetswijzigingen op
                    nationaal niveau, zoals het klachtrecht, dat in hoofdstuk 9 van de Algemene wet
                    bestuursrecht is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet
                    dualisering gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende
                    bijzondere wetten. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</cursief>
        </al>
        <al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet
                    wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. Wij verwachten dat de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb omstreeks 1 juli 2004 in werking zal treden, tegelijk met de Aanpassingswet
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</cursief>
        </al>
        <al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. </al>
        <al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe lid van artikel 150 van de Gemeentewet
                    blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan. In de memorie van
                    toelichting op de wet is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                    bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp
                    ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren
                    dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met
                    andere termijnen, aldus de memorie van toelichting.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Inspraakprocedure/deregulering</cursief>
        </al>
        <al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vorm gegeven. In de
                    Inspraakverordening is gekozen voor een sobere regeling. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling is de verordening verder gedereguleerd. Nu resteert een
                    bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen. Bovendien maakt
                    een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van
                    insprekers en gemeentebestuur, mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte
                    van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een gedetailleerde en
                    daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen van
                    insprekers.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Alternatieven voor inspraak</cursief>
        </al>
        <al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere
                    mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken
                    valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen. Andere
                    mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het
                    bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz.
                    Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de
                    uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en
                    beroep.</al>
        <al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen, waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet>
        </tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in
                            dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van
                            artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de
                            voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een
                            tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de
                            Gemeentewet 'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                            gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Het verdient
                            echter aanbeveling om het tweezijdige element van gedachtewisseling wel
                            onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan
                            worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                            beleidsvoornemens.</al></li>
          <li nr="b."><al>Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                            regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                            de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de
                            verordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4, tweede
                            lid, van de verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere
                            procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor
                            uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak.</al></li>
          <li nr="c."><al>Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                            voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van
                            beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                            vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming
                            van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet>
        </tussenkop>
        <al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder is opgesomd welke wettelijke
                    verplichtingen gelden. Er is van afgezien om dit in de tekst van artikel 2 op te
                    nemen, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting direct
                    de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats het een dermate
                    uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk wordt.</al>
        <al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                            bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);</al></li>
          <li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li>
        </lijst>
        <lijst>
          <li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li>
          <li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer);</al></li>
          <li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 Wet milieubeheer
                            (artikel 10.26, tweede lid, Wet milieubeheer);</al></li>
          <li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li>
          <li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet werk en bijstand
                            (artikel 47), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42) en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers (artikel 42);</al></li>
          <li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li>
        </lijst>
        <al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet>
        </tussenkop>
        <al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet>
        </tussenkop>
        <al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme voorbereidingsprocedure Awb: artikel 3:11
                    tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en
                    bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken
                    (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun inspraakreactie naar voren
                    brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak.
                    Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden
                    aangepast. Wij kunnen ons voorstellen dat bijvoorbeeld de genoemde zes
                    wekentermijn door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze termijn zou in
                    de verordening kunnen worden aangepast of bij besluit van het bestuursorgaan op
                    grond van het tweede lid.</al>
        <al>In dit kader wordt voor drie punten aandacht gevraagd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zou dit in een
                            afzonderlijke verordening moeten worden vormgegeven.</al></li>
          <li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die, wanneer nodig, kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                            weken.</al></li>
          <li nr="3."><al>Ter voorkoming van verwarring met de ruimtelijke ordeningprocedures,
                            waarop de inspraakverordening van toepassing kan zijn en waarin vaak
                            wordt gesproken over zienswijzen, wordt hier de term inspraakreactie
                            gebruikt.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 5 Eindverslag</vet>
        </tussenkop>
        <al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht. </al>
        <al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al>
        <al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al>
        <al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de inspraakreacties wordt gedaan. </al>
        <al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Het ligt voor de hand om degenen, die hebben
                    ingesproken, een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het
                    eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke
                    website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het
                    volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de
                    inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.</al>
        <al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 6 Intrekking oude verordening</vet>
        </tussenkop>
        <al>Met deze bepaling wordt de oude inspraakverordening ingetrokken. De datum waarop
                    de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt.</al>
        <al>In het tweede lid is voorzien in overgangsrecht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet>
        </tussenkop>
        <al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking. Tot 1
                    januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. De wet maakt referenda
                    mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en intrekking van
                    verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die hier niet van
                    belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    inspraakverordening is één van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden. Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden
                    gehouden, treden in afwijking van artikel 142 van de Gemeentewet niet eerder in
                    werking dan zes weken na de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De
                    termijn van zes weken hangt ermee samen dat na bekendmaking van de verordening
                    en de mededeling dat over deze verordening een referendum gehouden kan worden,
                    een verzoek tot het houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan
                    gekozen worden voor een later tijdstip van inwerkingtreding.</al>
        <al/>
        <al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de inspraakverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5 Trw), opnieuw in de
                    inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat leidt
                    tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het referendum de
                    beslissing tot vaststelling of wijziging van de inspraakverordening
                    heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog besluit tot
                    inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de inspraakverordening, zal de
                    raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding moeten voorzien.</al>
        <al/>
        <al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt aangekondigd op dezelfde wijze als de verordening
                    zelf.</al>
        <al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    inspraakverordening kan worden ingediend. Op grond van de Trw is de gemeente
                    verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien voldoende
                    kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum indienen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 8 Citeertitel</vet>
        </tussenkop>
        <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. In de citeertitel
                    wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de
                    verordening slechts voor een jaar geldt.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>