<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR161227_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Lopik (14e serie wijzigingen)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt, 3 april 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Lopik (14e serie wijzigingen)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005181/geldigheidsdatum_28-02-2013#HoofdstukII_Afdeling2_Artikel8">Artikel 8 woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 27 maart 2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bouwverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Toelichting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Lopik (14e serie
            wijzigingen)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1. Inleidende bepalingen</vet></al><al> Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                                1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                                bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet ;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                                Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit ;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw</al></li></lijst><al>Artikel 1.2 Termijnen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II . Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II .</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht , indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om</vet><vet>bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li><li nr="c."><al>dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.</vet>
                        Brandblusvoorzieningen </al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de</vet><vet>voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor.</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht , die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in ;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                        rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al></li></lijst></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt. </al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining</vet><vet>van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij behorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met overschrijding
                        van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al></li></lijst><al>A<vet>rtikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13 ;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. </al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet
                                toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen
                                waarvoor omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></li><li nr="2."><al>Bouwen op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                                wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - is in
                                delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening
                                behorende kaart, niet toegelaten tot een grotere hoogte dan 26 meter
                                en in de overige delen van de gemeente niet tot een grotere hoogte
                                dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, dan geldt de in het eerste lid
                                bedoelde hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht , en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>Alternatief 2</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                        voor verwarming</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al><vet>3. De melding</vet></al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>(vervallen)</al><al>4.Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                        staking van bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                        de bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>(vervallen)</al><al>5.Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                        het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                        zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>(vervallen)</al><al><vet>6. Brandveilig gebruik</vet></al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>(vervallen)</al><al><vet>7. Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al>(vervallen).</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Alternatief artikel:</al><al>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>(vervallen)</al><al><vet>8. Slopen</vet></al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het</vet><vet>slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet>(vervallen)</al><al><vet>9. Welstand</vet></al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                Welstand en Monumenten Midden Nederland, hierna te noemen: de
                                welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie
                                stemgerechtigde leden, waaronder de secretaris, waarvan ten minste
                                drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad mandateert het Algemeen Bestuur van de
                                Gemeenschappelijke Regeling Welstand en Monumenten Midden Nederland
                                om de voorzitter en deskundige leden van de rayoncommissies te
                                benoemen en te ontslaan.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en deskundige leden, zoals genoemd in artikel 9.3.1 en
                                hun plaatsvervangers worden door het algemeen bestuur van de
                                Gemeenschappelijke Regeling benoemd en ontslagen.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste
                                voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="4."><al>De burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></li><li nr="5."><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag
                                betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                                wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Daarin wordt ook gemeld dat de agenda van de
                                vergadering minimaal een dag van tevoren in te zien is op het
                                gemeentehuis. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>In het Reglement op de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze
                                verordening is vastgesteld, wordt het spreekrecht nader
                                geregeld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                                verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester
                                en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van
                                de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></li></lijst><al><vet>10. Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al><vet>11. Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.4</vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 1<sup>e</sup> dag na die
                                waarop zij is afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 20
                                        september 2010 en alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 19 juni 1993 en alle daarin aangebrachte
                                        wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening
                                        eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening gemeente
                                Lopik'.</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Lopik, gehouden op 27 maart 2012.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mw. mr. G.M.G. Dolders Mw. mr. R.G. Westerlaken - Loos</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Bijlage 1</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 3 Funderingsplan</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 2</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 3</al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 4</al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 5</al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 6</al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 7</al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 8</al><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 9</al><al><vet>Reglement van orde van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>Benoemingsprocedure</vet></al><al><vet>Samenstelling welstandscommissie</vet></al><al><vet>Taakomschrijving</vet></al><al><vet>Taakomschrijving welstandscommissie</vet></al><al><vet>Wettelijke taken</vet></al><al><vet>Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al><vet>Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al><vet>Taken van de rayonarchitect</vet></al><al><vet>Taken van de voorzitter</vet></al><al><vet>Taken van externe deskundigen</vet></al><al><vet>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet></al><al><vet>Werkwijze van de welstandscommissie</vet></al><al>Vooroverleg over plannen</al><al><vet>Gemandateerde behandeling</vet></al><al><vet>Mandaat ‘kleine commissie’</vet></al><al><vet>Het mandaatadvies</vet></al><al><vet>Openbaarheid</vet></al><al><vet>Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al><vet>Spreekrecht</vet></al><al><vet>Openbare commissievergadering</vet></al><al><vet>Locatie vergadering</vet></al><al><vet>Publicatie agenda</vet></al><al><vet>Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al><vet>Spreekrecht</vet></al><al><vet>Het welstandsadvies</vet></al><al><vet>Afwijken van het welstandsadvies</vet></al><al><vet>Second opinion</vet></al><al><vet>Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet></al><al><vet>Jaarverslag B&amp;W</vet></al><al><vet>5.2</vet><vet> Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al><vet>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>1.1 Benoemingsprocedure</vet></al><al>De gemeente wijst op voordracht van het college van B&amp;W de Welstand en
                    Monumenten Midden Nederlandaan als de welstandscommissie. </al><al>De gemeenteraad mandateert het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke
                    Regeling om de voorzitter en deskundige leden van de rayoncommissies en hun
                    plaatsvervangers te benoemen en te ontslaan. De Welstand en Monumenten Midden
                    Nederland legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden alvorens
                    deze benoemd worden door het Algemeen Bestuur. Voorzitters worden voorgedragen
                    uit de kring van leden van het Algemeen Bestuur en hun plaatsvervangers. </al><al>Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen de Welstand en Monumenten Midden
                    Nederland en de gemeente.</al><al>Voor de benoeming van burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende
                    procedure. Burgerleden worden benoemd door de gemeenteraad. Alvorens dit te
                    doen, overleggen B&amp;W met de Welstand en Monumenten Midden Nederland over het
                    gewenste profiel van het burgerlid of de burgerleden. Er mogen maximaal twee
                    burgerleden in de welstandscommissie worden benoemd. Burgerleden ontvangen via
                    de gemeente een onkostenvergoeding. Alle leden van de welstandscommissie en hun
                    plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de
                    mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij afwezigheid van de
                    voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de
                    commissievergadering. De rayonarchitect kan zich door een collega rayonarchitect
                    of de directeur van de Welstand en Monumenten Midden Nederland laten vervangen.
                    De voorzitter, de rayonarchitect, de externe deskundigen, het burgerlid/de
                    burgerleden en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of
                    relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.
                    De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De
                    commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                    ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al><vet>1.2 Samenstelling van de commissie</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect
                    van de Welstand en Monumenten Midden Nederland, tenminste twee externe
                    deskundigen van buiten het bureau en maximaal twee door de gemeenteraad benoemde
                    burgers. De rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de
                    commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee commissieleden deskundig
                    op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De
                    welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra
                    deskundigen van het bureau van de Welstand en Monumenten Midden Nederland of
                    daarbuiten. Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en
                    landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden
                    beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen
                    stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd. </al><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie
                    leden aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en
                    waarvan tenminste twee leden deskundig zijn op het gebied van welstand. </al><al><vet>Taakomschrijving </vet></al><al><vet>2.1 Taakomschrijving welstandscommissie</vet></al><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                    wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de welstandscommissies van
                    de Welstand en Monumenten Midden Nederland worden uitgevoerd op grond van de
                    Woningwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                    welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al><vet>2.1.1</vet><vet> Wettelijke taken</vet></al><al>1.Toetsing van omgevingsvergunningen .</al><al>De commissie is bevoegd om B&amp;W te adviseren over de welstandsaspecten van
                    aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a,
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aanvragen om een
                    omgevignsvergunning worden in de regel binnen twee weken na behandeling van een
                    welstandsadvies voorzien.</al><al>2.Jaarverslag welstandscommissie.</al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                    de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria.
                    Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een
                    evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en
                    de welstandscommissie. </al><al><vet>Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al>De welstandscommissie krijgt indien door de gemeente gewenst de opdracht om
                    naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te
                    voeren.</al><lijst><li nr="a."><al>Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                            gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van omgevingsplannen.</al></li><li nr="b."><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten
                            van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                            beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                            beleidsstukken.</al></li><li nr="c."><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                            ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente.</al></li><li nr="d."><al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident
                            zijn.</al></li><li nr="e."><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, B&amp;W
                            en burgers.</al></li></lijst><al><vet>Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al><vet>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</vet></al><al>De rayonarchitect van de Welstand en Monumenten Midden Nederland is
                    secretaris-deskundige van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van
                    de welstandscommissie de eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente,
                    planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante
                    informatie en bereidt de behandeling van plannen om een omgevingsvergunning in
                    de welstandscommissie voor. De plannen waarvoor de rayonarchitect een mandaat
                    heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (<cursief>Zie verder 4.2
                        Gemandateerde behandeling).</cursief>De rayonarchitect stelt de agenda voor
                    de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend ambtenaar van
                    Bouw- en Woningtoezicht. Tijdens de commissievergadering introduceert de
                    rayon-architect de plannen om een omgevingsvergunning en verstrekt gegevens over
                    het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. Onder de
                    verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de beraadslaging en conclusie
                    over een plan om een omgevingsvergunning uitgewerkt in een schriftelijk advies,
                    dat in beginsel binnen één week na de commissievergadering verzonden wordt.</al><al><vet>2.2.2 Taken voorzitter</vet></al><al>De voorzitter van de welstandscommissie wordt gekozen uit de kring van
                    gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                    commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie
                    adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de
                    openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle
                    aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie
                    van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het
                    vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte
                    samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. De
                    voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om hun
                    mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een
                    inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en
                    heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang
                    van de agenda. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en
                    met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter
                    organiseert met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de
                    werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks
                    verslag van de welstandscommissie.</al><al><vet>3. Taken externe deskundigen</vet></al><al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied van de
                    architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring en inzicht in
                    het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat
                    een extern commissielid op de een of andere wijze een zakelijke binding heeft
                    met een bepaald bouwplan laat hij/zij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van
                    de commissie verwacht wordt en waarbij de extern deskundige een zakelijke
                    binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk
                    terug. Ook kan op verzoek van de gemeente de advisering over een dergelijk plan
                    in overleg met de commissie plaatsvinden door een commissie uit een aangrenzend
                    rayon.</al><al><vet>3.1 Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet></al><al>De welstandsprocedure begint met een selectie van plannen om een
                    omgevingsvergunning bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht in reguliere en
                    uitgebreide aanvragen. Bouw- en Woningtoezicht toetst een plan eerst op de
                    vereisten in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de
                    welstandstoets beoordeelt de ambtenaar of het plan is voorzien van de benodigde
                    bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in
                    het Besluit omgevingsrecht en in de gemeentelijke bouwverordening. </al><al><vet>Werkwijze van de welstandscommissie</vet></al><al><vet>4.1 Vooroverleg over plannen om een omgevingsvergunning</vet></al><al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                    aangevraagd plan in een vooroverleg met de welstandscommissie toe te lichten en
                    te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van het vooroverleg.
                    Dit verslag wordt openbaar als het plan formeel aan de commissie wordt
                    voorgelegd. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats. Hiervan kan
                    worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de
                    welstandscommissie. </al><al><vet>4.2 Gemandateerde behandeling</vet></al><al>De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de plannen
                    om een omgevignsvergunning. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om
                    zelfstandig plannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is
                    dat de rayonarchitect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe
                    ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen,
                    de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel legt
                    de rayonarchitect het plan voor aan de welstandscommissie. De rayonarchitect
                    heeft voor plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. De
                    commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies. Tenminste één
                    keer per jaar vindt overleg plaats tussen de rayonarchitect en de
                    welstandscommissie over het mandaat.</al><al><vet>4.2.1 Mandaat ‘ kleine commissie’</vet></al><al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de welstandscommissie, de
                    gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een ander commissielid. Deze
                        ‘<cursief>kleine commissie’</cursief> beschikt over hetzelfde mandaat als de
                    rayonarchitect.</al><al><vet>4.2.2 Het mandaatadvies</vet></al><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag of 'het
                    uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf
                    als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is
                    strijd is met redelijke eisen van welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Woningwet
                    </cursief>). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in
                    de welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door
                    een stempel ‘het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand’ op het
                    adviesformulier en de bijbehorende plantekeningen te plaatsen. </al><al><vet>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</vet></al><al>De behandeling van plannen onder mandaat is openbaar. </al><al>Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                    tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda wordt op het
                    gemeentehuis ter inzage gelegd.</al><al><vet>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien
                    zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor
                    bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente
                    zorgt voor de uitnodigingen.</al><al><vet>4.2.5 Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                    geboden aan opdrachtgevers en ontwerpers.</al><al><vet>4.3 Openbare commissievergadering</vet></al><al>De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                    rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere plannen (zie
                    2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken rayonarchitect, voorzitter en externe deskundigen
                    tijdens de commissievergadering).</al><al><vet>4.3.1 Locatie vergadering</vet></al><al>De welstandscommissie vergadert op een vaste locatie in het rayon.</al><al>Bij de behandeling van belangrijke plannen om een omgevingsvergunning kan – op
                    verzoek van de gemeente - worden besloten om in de eigen gemeente te
                    vergaderen.</al><al><vet>4.3.2</vet><vet> Publicatie agenda</vet></al><al>De agenda voor de commissievergadering word op de volgende manier gepubliceerd.
                    Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                    tijdstip en plaats van de commissievergadering. De agenda wordt op het
                    gemeentehuis ter inzage gelegd.</al><al>De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over plannen, de beoordeling daarvan
                    en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet
                    openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid
                    van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen
                    de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><al><vet>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de
                    behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al><vet>4.3.4 Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden
                    aan opdrachtgevers en ontwerpers.</al><al><vet>4.4 Het welstandsadvies</vet></al><al>De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                    B&amp;W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een
                    standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van
                    welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww</cursief>). Dit wordt beoordeeld aan de
                    hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een welstandsadvies
                    kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al>Akkoord:</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                    Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al>Akkoord mits:</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan
                    de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij wordt voldaan aan de
                    voorwaarden zoals de welstandscommissie die – verwijzend naar de
                    welstandscriteria - heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan welke
                    onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens
                    de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor zover de gemeente van oordeel is
                    dat dit nog binnen de resterende vergunningtermijn kan worden gerealiseerd.
                    B&amp;W kan ook besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen
                    in de bouwvergunning.</al><al>Niet akkoord:</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan niet voldoet aan redelijke eisen van
                    welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een plan ingrijpend moet
                    worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige
                    schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende
                    plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een
                    samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</al><al>Aanhouden:</al><al>De welstandscommissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en Woningtoezicht
                    aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningtermijn -
                    wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. </al><al><vet>4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</vet></al><al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan welstandsgronden,
                    af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor afwijking moeten bij de
                    bekendmaking van het besluit worden vermeld. B&amp;W kunnen, eventueel op advies
                    van de welstandscommissie, gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de
                    welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde
                    criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat
                    geval naar de algemene criteria in de welstandsnota.</al><al><vet>4.5.1Second opinion</vet></al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                    welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte
                    advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de
                    welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voorgelegd aan de beroepscommissie van de Welstand en
                    Monumenten Midden Nederland dan wel aan een commissie buiten de Welstand en
                    Monumenten Midden Nederland. Hierover neemt de gemeente contact op met de
                    Federatie Welstand.</al><al><vet>5. Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet></al><al><vet>5.1 Jaarverslag B&amp;W</vet></al><al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor
                    waarin zij uiteenzetten:</al><lijst><li nr="-"><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                            welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen:</al></li></lijst><al>* zij tot aanschrijving op grond van <cursief>art. </cursief>13
                    Woningwetzijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen
                    ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of
                    de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn, en</al><al>* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 13 Woningwet zijn
                    overgegaan tot toepassing van bestuursdwang<cursief>.</cursief></al><al><vet>5.2 Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                    de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria.
                    Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een
                    evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en
                    de welstandscommissie (Zie ook onder punt 2.1.1).</al><al>Bijlagen 10</al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Beginsel inzake
                    brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 11</al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                    ontruimingsinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 12</al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtroute
                    aanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Toelichting op de Model-bouwverordening</al><al>(incl. 14e wijziging op het model 1992)</al><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen
                    burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden.
                    Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als
                    “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d.</al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen.</al><al>Zie hiervoor:
                    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                    over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR: (Lbr.07/17,
                    CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al><vet>Alternatief 1 (</vet><vet><cursief>in Lopik
                        gekozen</cursief></vet><vet>)</vet></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al>Alternatief 3</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel
                    een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld
                    van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie.</al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een
                    gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat
                    op het voornemen inspraak is verleend en het advies van de welstandscommissie is
                    ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                    voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al><al>Alternatief 4</al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                    binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een
                    gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van
                    welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware
                    industrie (zie ook de toelichting bij alternatief 3).</al><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Algemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht</al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten
                    aanvraag bouwvergunning.</al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                    (Bor).</al><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet
                    Bibob).</al><al>Algemene wet bestuursrecht</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al>Wet ruimtelijke ordening</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning
                    en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1
                    Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                    gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                    het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                    ingediend.</al><al><vet>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt
                    in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog
                    niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden
                    gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                    bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en
                    actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij
                    de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag
                    zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht.</al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.</al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe
                    zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn.</al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al><vet>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                    opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al>Wet ruimtelijke ordening</al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit
                    artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd: </al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al>- 1. uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen</al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al>Besluit externe veiligheid buisleidingen</al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling
                    externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking
                    getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden
                    aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in
                    lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan
                    voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit.</al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Alternatief 1 (<cursief>gekozen door Lopik</cursief>)</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al>Alternatief 2</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                    kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                    delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Alternatief 1 (<cursief>gekozen door Lopik</cursief>)</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    achtergevelrooilijn</al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al>Alternatief 1 (<cursief>gekozen door Lopik</cursief>)</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al>Alternatief 1 (<cursief>gekozen door Lopik</cursief>)</al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Alternatief 2</al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II
                    van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde
                    kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt
                    verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige
                    verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de
                    gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan
                    tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op
                    ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te
                    geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van
                    een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de
                    toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per
                    omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt weer af van
                    onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                    verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                    aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop
                    de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                    parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                    vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                    vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op
                    CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving
                    en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting
                    CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een
                    verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het
                    bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                    leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                    parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers
                    gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen
                    voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type
                    vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking
                    getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'.
                    Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                    bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                    maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende
                    maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en
                    stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al>Ad a</al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis
                    in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen
                    terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat
                    in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De
                    mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis in
                    het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein
                    (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. In
                    dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden vergunning worden
                    verleend.</al><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan een
                    daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder
                    meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30
                    MBV.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen en
                    eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de omgevingsvergunning. De op
                    grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft
                    kort samengevat:</al><al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                    parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                    1998</al><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de
                    parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden verbonden.
                    Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden aangenomen
                    dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel
                    van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot
                    betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze
                    mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de
                    voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de
                    wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de
                    verlening van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het
                    heffen van een geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit
                    hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                    tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar
                    de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële
                    voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art.
                    2.5.30 MBV.</al><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                    toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling
                    van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                    geldbedrag;</al><al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit
                    blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare
                    mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</al><al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren
                    van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de
                    parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de
                    omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al><al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                    www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                    parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                    voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                    [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                    desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting
                    van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld
                    een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast
                    dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden
                    aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing
                    betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m
                    acceptabel is voor het parkeren van bezoekers, kan niet afdoen aan haar oordeel
                    dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de
                    financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan.
                    De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer
                    terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid,
                    aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.</al><al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                    bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan
                    aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts
                    mogelijk is indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt
                    voorzien.</al><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de vijf
                    parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal
                    worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare
                    ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd
                    op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige
                    parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee
                    parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die
                    door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als
                    bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te
                    voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In
                    zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde
                    vereiste.</al><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                    inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                    betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al>Ad b</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik van de
                    afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt b,
                    is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van
                    raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken,
                    indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op
                    een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare
                    parkeergarage.</al><al><vet>Alternatief 2 (</vet><vet><cursief>door Lopik
                        gekozen</cursief></vet><vet>)</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de
                    eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken.
                    In Lopik is geen afwijkend aantal personen bepaald.</al><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al>Alternatief 1 (gekozen door Lopik)</al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                    diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                    hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                    vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te
                    worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen
                    voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De
                    welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al>Alternatief 2 (gekozen door Lopik)</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                    burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                    provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar
                    minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners
                    deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstandscommissie.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement van orde dat als bijlage
                    9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en toegesneden is op de
                    lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk reglement van orde
                    lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te regelen om in geval
                    van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven welstandsadviezen
                    zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen tonen.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                            tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                            welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit
                            tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning.</al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine
                    bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen
                    door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per
                    bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden
                    voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV vast.
                    Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in artikel
                    1.3 MBV.</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al>Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt,
                    waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van
                    ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al><vet>1.Inleidende bepalingen</vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.2 Termijnen </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </al><al/><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen </al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                    bouwvergunning </al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                    woonwagens en standplaatsen </al><al/><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning </al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening </al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening </al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning </al><al/><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </al><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al/><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen </al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                    van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken </al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen. </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen </al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen </al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al/><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties </al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten </al><al/><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </al><al>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening
                    voor verwarming </al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen </al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen </al><al/><al><vet>3.De melding</vet></al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden </al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria </al><al/><al><vet>4.Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</vet></al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                    staking van bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw </al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen </al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein </al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein </al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder </al><al>Artikel 4.11 Bouwafval </al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen </al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </al><al/><al><vet>5.Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                        het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen </al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen </al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al/><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen </al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen </al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van
                    bijzondere aard </al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven
                    en logiesgebouwen </al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen </al><al/><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen </al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen </al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al><al>Artikel 5.4.1 Preventie </al><al/><al><vet>6.Brandveilig gebruik</vet></al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk </al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen </al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing </al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning </al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar </al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken </al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen </al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand </al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen </al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen </al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid </al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid </al><al/><al><vet>7.Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking </al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid </al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                    hygiëne </al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen </al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al><al>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf </al><al>Artikel 7.3.2 Hinder </al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al><al>Artikel 7.4.1 Preventie </al><al>Paragraaf 5 Watergebruik </al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water </al><al>Paragraaf 6 Installaties </al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties </al><al/><al><vet>8.Slopen</vet></al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning </al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen </al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing </al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen </al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het
                    slopen </al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                    voor het slopen </al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden </al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt </al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest </al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen </al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen </al><al/><al><vet>9.Welstand</vet></al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie </al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie </al><al>Artikel 9.3 Zittingsduur </al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering </al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid </al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken </al><al/><al><vet>10.Overige administratieve bepalingen</vet></al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning </al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen </al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen </al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                    alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften </al><al/><al><vet>11.Handhaving</vet></al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen </al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </al><al/><al><vet>12.Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten </al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                    terreinen </al><al>Artikel 12.4 </al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding </al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling </al><al/><al>Bijlage 1 </al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning </al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening </al><al>Artikel 3 Funderingsplan </al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens </al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan </al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen </al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen </al><al/><al>Bijlage 2 </al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning </al><al/><al>Bijlage 3 </al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken </al><al/><al>Bijlage 4 </al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties </al><al/><al>Bijlage 5 </al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 </al><al/><al>Bijlage 6 </al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al/><al>Bijlage 7 </al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen </al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 </al><al/><al>Bijlage 8 </al><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest </al><al/><al>Bijlage 9 </al><al>Reglement van orde van de welstandscommissie </al><al/><al>Bijlagen 10 </al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </al><al/><al>Bijlage 11 </al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties </al><al/><al>Bijlage 12 </al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtroute aanduidingen </al><al/><al/><al><vet>Toelichting op de Modelbouwverordening</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen </vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen </vet></al><al>Algemeen </al><al>Regeling omgevingsrecht </al><al>Wet bibob </al><al>Algemene wet bestuursrecht </al><al>Wet ruimtelijke ordening </al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </al><al>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden </al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond </al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </al><al>Algemeen </al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </al><al>Wet ruimtelijke ordening </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken </al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen </al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen </al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen </vet></al><al>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al><al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht </vet></al><al>Algemeen </al><al>Welstandscriteria en welstandsnota </al><al>Relatie bestemmingsplan en welstand </al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie </al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering </al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid </al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken </al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen </al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving </vet></al><al>Algemeen </al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Algemeen </al></bijlage></regeling></body></cvdr>