<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16061_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 2009-11-24</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1, sub c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, lid 1, sub e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 35, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009-08-04, nummer 130</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 augustus 2009,
                        nummer 130;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel e, en 35, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren en
                        artikel 8 eerste lid 1 sub c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van inkomensvoorzieningen van jongeren van 18 jaar of ouder doch
                        jonger dan 27 jaar en het verstrekken van toeslagen en verlagen van
                        uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 27 jaar of ouder doch jonger dan
                        65 jaar bij verordening te regelen;</al><al/><al>b e s l u i t : </al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>“Toeslagenverordening”</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>College : het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>De gemeente : de gemeente Dalfsen;</al></li><li nr="c."><al>WWB : de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="d."><al>WIJ : Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="e."><al>WWB-gehuwdennorm : de norm als bedoeld in artikel 21 sub c van
                                    de WWB;</al></li><li nr="f."><al>WIJ-gehuwdennorm : de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de WIJ;</al></li><li nr="g."><al>Woning : een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet
                                    op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als
                                    bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van
                                21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar die een inkomensvoorziening
                                ontvangen op grond van de WIJ of voor personen tot 65 jaar die een
                                uitkering via de gemeente ontvangen op grond van de WWB. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een persoon op grond van de WWB een uitkering ontvangt en
                                gezamenlijk een woning bewoond met de hieronder genoemde mensen,
                                heeft dit geen invloed op de toeslag:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderen tot 21 jaar;</al></li><li nr="-"><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van
                                        de Wet studiefinanciering 2000 of;</al></li><li nr="-"><al>meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van
                                        de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>hulpbehoevenden die door klant worden verzorgd en
                                        omgekeerd.</al></li><li nr="-"><al>Huurders die op hetzelfde wonen maar een zelfstandige ruimte
                                        huren (inclusief sanitair- en keukenvoorzieningen) en
                                        hiervoor ook apart de lasten betalen, worden gezien als
                                        zelfstandige bewoners. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel 18
                                lid 1 van de WIJ en artikel 30 lid 4 WWB (mogelijkheid om te
                                individualiseren) onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag van een alleenstaande van 21 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ
                            bedraagt:</al><al>10% van de WIJ-gehuwdennorm voor een alleenstaande van 21 jaar. (Hierbij
                            wordt geen onderscheid gemaakt of de jongeren hier wel of niet met een
                            ander zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslag van een alleenstaande van 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>15% van de WIJ-gehuwdennorm voor een alleenstaande van 22 jaar
                                    voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft;</al></li><li nr="b."><al>10% van de WIJ-gehuwdennorm voor een alleenstaande van 22 jaar
                                    voor de jongere die met één of meerdere anderen zijn
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Toeslag van alleenstaande van 23 jaar of ouder maar jonger dan 65
                                jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ en artikel
                            25, lid 1, van de WWB bedraagtrespectievelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de WIJ-gehuwdennorm of 20% van de WWB-gehuwdennorm voor
                                    iemand in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10% van de WIJ-gehuwdennorm of 10% van de WWB-gehuwdennorm voor
                                    iemand die met één of meerdere anderen zijn hoofdverblijf in
                                    dezelfde woning heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Toeslag op de norm van alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder
                                maar jonger dan 65 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ en artikel
                            25, lid 1, van de WWB bedraagt respectievelijk: </al><lijst><li nr="a."><al>20% van de WIJ-gehuwdennorm of van de WWB-gehuwdennorm voor de
                                    alleenstaande ouder voor iemand in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10% van de WIJ-gehuwdennorm of van de WWB-gehuwdennorm voor de
                                    alleenstaande ouder die met één of meerdere anderen zijn
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging van de gehuwdennorm; beiden 21 jaar of ouder maar
                                jonger dan 65 jaar</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31, van de WIJ en artikel 26, van de
                            WWB bedraagt respectievelijk: </al><al>10% van de WIJ-gehuwdennorm of van de WWB-gehuwdennorm voor gehuwden die
                            met één of meerdere anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verlaging van de norm op basis van de woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de WIJ of artikel 27 van de
                            WWB (voor zover de belanghebbende(n) lagere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan heeft/hebben dan waarin de norm of de toeslag
                            voorziet als gevolg van zijn/hun woonsituatie) bedraagt: </al><al>20% van de WIJ-gehuwdennorm of van de WWB-gehuwdennorm indien een woning
                            wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of
                            hypotheeklasten zijn verbonden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling wordt aangehaald als Toeslagenverordening. </al></li><li nr="2."><al>Op grond van het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB
                                    voor jongeren die op 30 september 2009 algemene bijstand
                                    ontvingen de Toeslagenverordening van 1-1-2006 van toepassing
                                    totdat de algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot
                                    1-10-2010.</al></li><li nr="3."><al>De toeslagenverordening, inwerking getreden op 1-1-2006 op
                                    1-10-2009 intrekken voor alle doelgroepen met uitzondering voor
                                    de doelgroep benoemd in lid 2. Na 1-10-2010 komt de toeslagen
                                    verordening van 1-1-2006 definitief te vervallen.</al></li><li nr="4."><al>Deze regeling treedt na publicatie met terugwerkende kracht op
                                    1-10-2009 in werking. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 26 oktober 2009.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>L.V. Elfers H.C. Lankman</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Algemene TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. De verplichting tot het opstellen van een
                    gemeentelijke verordening is opgenomen in de artikelen 12 en 35 van de Wet
                    investeren in jongeren (WIJ) en de artikelen 8 en 30 Wet werk en bijstand (WWB).
                    Hierin is aangegeven dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor
                    welke categorieën de inkomensvoorziening of bijstandsnorm wordt verhoogd of
                    verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging
                    wordt bepaald. Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening van de WIJ uit
                    een rijksgeregeld deel (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of
                    verlaagd kan worden op grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). </al><al>De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het normensysteem: </al><al>-Vereenvoudiging van normering zodanig, dat ongewenste en frauduleuze
                    gedragseffecten tot een</al><al> minimum beperkt worden ( handhaafbaarheid).</al><al>-Het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor belanghebbende om in de
                    noodzakelijke kosten</al><al> van het bestaan te voorzien.</al><al>-Een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel van
                    bijstand als vangnet</al><al> blijft bestaan. De verordening kan er dus niet toe leiden dat aanvullend aan
                    andere voorzieningen,</al><al> waarvoor het Rijk reeds normen heeft vastgesteld, bijstand wordt verleend.</al><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30
                    september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de
                    algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1 oktober 2010. Bij het
                    inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening uitdrukkelijk
                    ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB, op onderdelen
                    als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand en
                    terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter. Bij het afbakenen van
                    categorieën is steeds getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren
                    criteria. Daarom is er gekozen voor een forfaitaire benadering. </al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd
                    én verplicht om de inkomensvoorziening / bijstand bij wijze van
                    individualisering afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ of
                    artikel 18 lid 1 WWB).</al><tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening. </al><al>Verhogingen of verlagingen van de in de WWB vermelde bijstandsnormen en in de
                    WIJ vermelde inkomensvoorzieningen wordt in deze gemeentelijke verordening
                    vastgelegd. In de WIJ en WWB zijn de centrumgemeentes (waaronder de gemeente
                    Zwolle) aangewezen om de eventuele toeslagen/verlagingen vast te stellen voor de
                    doelgroep dak- en thuislozen.</al><tussenkop>Normen </tussenkop><al>Voor personen van 21-65 jaar bestaan er een drietal basisnormen, (artikelen 26
                    t/m 29 WIJ en artikel 21 WWB) te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>Gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (is de gehuwdennorm);</al></li><li nr="2."><al>Alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="3."><al>Alleenstaanden 50% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><tussenkop>Toeslagen </tussenkop><al>Het meest eenvoudige, handhaafbare en duidelijke voor de belanghebbende is een
                    onderscheid te maken tussen degene die geheel zelfstandig woont en de persoon
                    die niet zelfstandig woont. Een toeslag kan worden verstrekt aan een
                    alleenstaande of alleenstaande ouder indien de algemeen noodzakelijke
                    bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De toeslag bedraagt
                    ten hoogste 20% van de WIJ-gehuwdennorm of WWB-gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt: </al><al>• Alleenstaande ouders: 90% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm; </al><al>• Alleenstaanden: 70% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm.</al><tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende partner </tussenkop><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een partner ouder dan 27 jaar, geldt dat de
                    norm gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    geldt (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ).
                    Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een
                    inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. </al><al>De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als de andere
                        <onderstreept>partner</onderstreept> om andere redenen (bijv. in geval van
                    detentie) <onderstreept>geen recht heeft op een
                        inkomensvoorziening</onderstreept> (artikel 28, derde lid, WIJ). De
                    mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een
                    toeslag is in de WIJ evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk
                    </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid,
                    in verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ).</al><al>Naar de letter bestaat dus voor de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen
                    recht op toeslag. Niettemin mag, gegeven de wens van de wetgever om een en ander
                    zoveel mogelijk conform de WWB te regelen en met een beroep op de jurisprudentie
                    die gevormd is onder de WWB en Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren
                    die voor de normering worden gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder
                    omstandigheden recht kunnen hebben op een toeslag, mede gelet op het
                    individualiseringsbeginsel, dat binnen de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt
                    op het punt van normen, toeslagen en verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ;
                    zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). Heeft
                    de niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen sprake
                    van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in beginsel
                    zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN: AF6326). </al><al>Als de <onderstreept>niet-rechthebbende partner (op grond van de WIJ) een
                        WWB-uitkering</onderstreept> ontvangt, is er geen aanleiding om een toeslag
                    te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de bijstandsgerechtigde partner. Beiden
                    kunnen immers nimmer een uitkering ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100%
                    van de bijstandsnorm voor gehuwden. Omdat beide partners dan aanspraak hebben op
                    de norm die voor een alleenstaande geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een
                    verlaging in verband met medebewoning formeel gezien niet mogelijk is, omdat
                    deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als bedoeld in artikel 28, eerste/tweede
                    lid onderdeel d WIJ). In voorkomende gevallen is het in dat geval mogelijk met
                    toepassing van artikel 18, eerste lid, WWB de bijstandsnorm van de
                    bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat <onderstreept>beide partners ten laste komende
                        kinderen</onderstreept> hebben, is een specifieke regeling getroffen. Dan
                    geldt voor de jongere partner de <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn
                    leeftijd past (artikel 28, vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over
                    gehuwdennorm wordt gesproken, is verlaging van die norm wegens medebewoning, wel
                    mogelijk. De algemene bijstand die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt,
                    moet vervolgens daarop in mindering worden gebracht. </al><tussenkop>Hulpbehoevende </tussenkop><al>Als gevolg van een amendement op artikel 3 en 4 van de WWB kan een gezamenlijke
                    huishouding niet meer worden aangenomen tussen bloedverwanten van de tweede
                    graad (broers en zussen) als </al><al>één van de twee bloedverwanten hulpbehoevend is. De wetgever beoogt hiermee een
                    alleenstaande (ouder) met een inwonende hulpbehoeftige broer of zus voor de
                    bijstand een alleenstaande of alleenstaande ouder te laten blijven. Hierdoor
                    gaat voor bloedverwanten in de tweede graad dezelfde systematiek gelden als voor
                    hulpbehoevende alleenstaanden en alleenstaande ouders. Ditzelfde gaan we
                    toepassen op de WIJ.</al><tussenkop>Niet zelfstandig </tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld, ook met
                    inwonende kinderen die 21 jaar of ouder zijn. Zij kunnen zelfstandig een inkomen
                    verwerven, middels werk, vermogen of een uitkering. Indien een thuis wonend kind
                    ouder is dan 21 jaar hoeven er, om de verlaging toe te passen, geen gegevens van
                    inkomsten van het kind te worden overlegd.</al><tussenkop>Verlagingen </tussenkop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.</al><al>Verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander
                    van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 31 WIJ
                    en artikel 26 WWB);</al><al>Verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 32 WIJ en artikel 27 WWB); </al><al>De verlagingen op grond van artikel 31 van de WIJ en 26 van de WWB en artikel 32
                    van de WIJ en 27 WWB zijn uitgewerkt in respectievelijk de artikelen 7 en 8 van
                    de verordening. De verlaging op grond van artikel 33 WIJ en 27 WWB is niet
                    bedoeld om te gebruiken voor een inwonend kind die een een WIJ of WWB uitkering
                    aanvraagt.</al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al><tussenkop>Overzicht</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="73*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="10*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Verlaging </vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Totaal norm +/-toeslag/verlaging </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gehuwden/samenwonenden beiden 21 jaar of ouder </al></entry><entry colname="col2"><al> 0% </al></entry><entry colname="col3"><al>100% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gehuwden/samenwonenden tevens niet zelfstandig wonend </al></entry><entry colname="col2"><al>-10%</al></entry><entry colname="col3"><al>100 -10 = 90% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Perso(o)nen vrij van onkosten voor huur of hypotheek </al></entry><entry colname="col2"><al>-20%</al></entry><entry colname="col3"><al>100 -20 = 80% </al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al><vet>Toeslag </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande ouder 21 -65 jaar </al></entry><entry colname="col2"><al>20% </al></entry><entry colname="col3"><al>70 + 20 = 90 % </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande ouder niet zelfstandig wonend 21 -65
                                        jaar </al></entry><entry colname="col2"><al>10% </al></entry><entry colname="col3"><al>70 + 10 = 80 % </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande zelfstandig wonend 23 -65 jaar </al></entry><entry colname="col2"><al>20% </al></entry><entry colname="col3"><al>50 + 20 = 70 % </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande zelfstandig wonend 22 jaar </al></entry><entry colname="col2"><al>15% </al></entry><entry colname="col3"><al>50 + 15 = 65 % </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande zelfstandig wonend 21 jaar </al></entry><entry colname="col2"><al>10% </al></entry><entry colname="col3"><al>50 + 10 = 60 % </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag alleenstaande niet zelfstandig wonend 21 -65 jaar
                                        (geldt dus ook voor thuiswonende kinderen van de leeftijd
                                        (21-65jr) die een WIJ/WWB inkomensvoorzieninging/uitkering
                                        aanvragen) </al></entry><entry colname="col2"><al>10% </al></entry><entry colname="col3"><al>50 + 10 = 60 % </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 begripsbepaling </tussenkop><al>Er is voor gekozen om voor de WIJ en de WWB één toeslagenverordening op te
                    stellen. Het begrip gehuwdennorm is daarom gesplitst in de WIJ-gehuwdennorm en
                    de WWB-gehuwdennorm. Het begrip ‘gehuwdennorm’ omschreven in de WIJ, inclusief
                    toeslagen en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is aan de WWB
                    gerelateerd. De genoemde norm in artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ is gelijk
                    aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub c, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Doelgroep </tussenkop><tussenkop>Hulpbehoevende</tussenkop><al>Om een persoon als hulpbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening aan te
                    kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door hem
                    verzorgde persoon bij afwezigheid van de verzorging zou zijn aangewezen op zorg.
                    Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de
                    verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen. Uitgangspunt daarbij is dat het
                    niet wenselijk is om de verzorger vanwege deze verzorgingstaken te confronteren
                    met een verlaging van de norm. Het feit dat een belanghebbende als verzorger van
                    een verzorgingsbehoevende is aan te merken, is overigens geen reden om hem te
                    ontheffen van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te zoeken en te
                    aanvaarden. Voor een jongere geldt dat hij/zij een werkleeraanbod moet hebben
                    aangevraagd. Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd en dat het
                    werkleeraanbod wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten
                    van de jongere (artikel 18, eerste lid WIJ).</al><tussenkop>Belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar </tussenkop><al>Er wordt geen gebruik gemaakt van de categoriale verlagingen voor
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. De normen zijn laag vastgesteld vanwege
                    de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Mocht evenwel de
                    jongerennorm onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen.</al><tussenkop>Belanghebbende van 65 en ouder</tussenkop><al>Binnen het kader van de wet is er voor gekozen dat de toeslagen en verlagingen
                    algemene bijstand die zijn opgenomen in de toeslagenverordening niet van
                    toepassing zijn op personen van 65 jaar en ouder die niet in een inrichting
                    verblijven. Dit houdt verband met het feit dat de normen algemene bijstand voor
                    deze groep aansluiten bij de netto AOW-niveaus. Het past dus niet om de norm
                    voor 65+ ers op deze grond af te stemmen.</al><tussenkop>Individualisering</tussenkop><al>De in het derde lid van artikel 2 opgenomen verplichting voor het college om -zo
                    nodig in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van
                    de inkomensvoorziening / bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de
                    omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit
                    artikel 18 lid 1 van de WIJ en artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht
                    geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet.</al><al/><tussenkop>Artikel 3., 4. en 5. </tussenkop><al>In deze verordening als uitgangspunt gekozen voor de zogenaamde forfaitaire
                    variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent
                    dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld
                    worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele
                    veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. In de
                    toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval één of meerdere anderen in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf heeft. </al><al>Als nog meer anderen in de woning hun hoofdverblijf hebben, kan er namelijk niet
                    zondermeer van worden uitgegaan dat het delen van kosten in nog sterkere mate
                    mogelijk is, zodat bijv. de toeslag op nihil zou kunnen worden gesteld. Gekozen
                    is voor een verlaging van 10% van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal andere
                    personen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Daarbij moet bedacht worden
                    dat in de praktijk bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een grotere
                    en duurdere woning gaat, zodat de feitelijke kosten van het bestaan doorgaans
                    niet lager uitvallen dan in gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in
                    dezelfde woning heeft. Er wordt ook geen onderscheid gemaakt in leeftijd omdat
                    de kosten van de vaste lasten hier ook geen rekening meer mee houden. Zolang er
                    geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, blijft een toeslag op zijn
                    plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10%.
                    Let wel op dat wanneer er meerdere onderhuurders zijn er sprake kan zijn van
                    bedrijfsmatige activiteiten. Hierna dient dan een onderzoek te worden ingesteld. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW).</al><al/><tussenkop>Artikel 6. toeslag op de norm van alleenstaande ouder van 21 jaar of
                    ouder maar jonger dan 65 jaar </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ en artikel 30 lid 2 sub a WWB is
                    de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de
                    gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                    verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid
                    1.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Verlaging van de gehuwdennorm; beiden 21 jaar of ouder maar
                    jonger dan 65 jaar </tussenkop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. Gekozen is voor een verlaging van
                    10% van de gehuwdennorm.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Verlaging van de norm op basis van de woonsituatie </tussenkop><al>Artikel 32 van de WIJ en artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de
                    norm of de toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie.
                    Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. In de
                    verordening is begrip 'kosten van huur of hypotheeklasten' gehanteerd. Daarmee
                    wordt duidelijk, dat krachtens dit artikel het daar ook expliciet om moet gaan.
                    Dus iemand die geen huur betaald, maar wel de rest van de vaste lasten zoals
                    water, elektra kan op grond van dit artikel een verlaging krijgen opgelegd. Dit
                    verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft
                    gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid
                    1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr.
                    00/4951 NABW.) Indien belanghebbende geen kosten voldoet voor gas, water en
                    elektra, zal er een individuele afweging plaatsvinden of er wel of geen
                    verlaging wordt opgelegd met toepassing van artikel 30 lid 4 WWB of van artikel
                    18 lid 1 WIJ.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Slotbepaling</tussenkop><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    Toeslagenverordening gemodelleerd naar de “oude” toeslagenverordening WWB.
                    Jongeren behouden dus dezelfde toeslag of verlaging. Op grond van het
                    overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30 september
                    2009 algemene bijstand ontvingen de toeslagenverordening van 1-1-2006 van
                    toepassing totdat de algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1
                    oktober 2010. Dit is enkel een juridische handhaving.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN </al><al>Artikel 1. Begripsbepaling </al><al>Artikel 2. Doelgroep </al><al>HOOFDSTUK 2. CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM </al><al>Artikel 3. Toeslag van een alleenstaande van 21 jaar </al><al>Artikel 4. Toeslag van een alleenstaande van 22 jaar </al><al>Artikel 5. Toeslag van alleenstaande van 23 jaar of ouder maar
                                jonger dan 65 jaar </al><al>Artikel 6. Toeslag op de norm van alleenstaande ouder van 21 jaar
                                of ouder maar jonger dan 65 jaar </al><al>HOOFDSTUK 3. CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG
                        </al><al>Artikel 7. Verlaging van de gehuwdennorm; beiden 21 jaar of ouder
                                maar jonger dan 65 jaar </al><al>Artikel 8. Verlaging van de norm op basis van de woonsituatie
                            </al><al>HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN </al><al>Artikel 9. Slotbepaling </al></bijlage></regeling></body></cvdr>