<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR16053_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wormerland 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.wormerland.nl/over_wormerland/gemeentenieuws/2008">Zaankanter, 30-01-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wormerland 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukVIII/1/Artikel108/geldigheidsdatum_11-08-2010">Gemeentewet, art. 108 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_11-08-2010">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/geldigheidsdatum_11-08-2010">Wet werk en bijstand, artt. 7 t/m 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044/geldigheidsdatum_11-08-2010">Wet inkomensvoorziening oudere gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artt. 34 t/m 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/geldigheidsdatum_11-08-2010">Wet inkomensvoorziening oudere gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artt. 34 t/m 37a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>WWB reintegratie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wormerland 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Wormerland</al><al>Gelezen het voorstel nummer 2007/ van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        september 2007;</al><al>gelet op art. 108 en 147 lid 1 Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht
                        en de artt. 7, 8, 9 en 10 Wet werk en bijstand, de artt. 34, 35, 36 en 37a
                        Wet inkomensvoorziening oudere gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers,
                        de artt. 34, 35, 36, 37 en 37a Wet inkomensvoorziening ouderegedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al><al><vet>Besluit:</vet></al><al>vast te stellen de volgende regeling:</al><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING WORMERLAND 2007</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de
                                    Wet werk en bijstand, deIOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                    nabestaandenwet dieingeschreven zijn bij het CWI;</al></li><li nr="c."><al>Nuggers: personen die als werkzoekenden zijn geregistreerd bij
                                    de Centrale organisatie werken inkomen en die geen
                                    uitkeringsgerechtigden zijn;</al></li><li nr="d."><al>voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                    onder a van de wet, dezeverordening en het beleidsplan als
                                    bedoeld in artikel 3 eerste lid;</al></li><li nr="e."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="f."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werklozewerknemers;</al></li><li nr="g."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezenzelfstandigen;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Wormerland;</al></li><li nr="i."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Wormerland;</al></li><li nr="j."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="k."><al>Algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid die maatschappelijk
                                    aanvaard is moetgeaccepteerd worden, waarbij in eerste instantie
                                    aansluiting gezocht wordt bij hetopleidingsniveau en de
                                    persoonlijke interesse van uitkeringsgerechtigden.Illegale
                                    arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk minimum
                                    zijn niet algemeengeaccepteerd. Aan gewetensbezwaren zal
                                    betekenis worden gehecht voor zover dezezwaarwegend zijn en een
                                    onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten
                                    werk.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, aan
                                personen met een nabestaandenofhalfwezenuitkering,
                                niet-uitkeringsgerechtigden alsmede personen als bedoeld in artikel
                                10,tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                aan en, voor zover hetcollege dat noodzakelijk acht, een voorziening
                                gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40,eerste lid van de wet
                                is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningenwordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning ofde voorziening, gelet op
                                de mogelijkheden en capaciteiten van een cliënt, het meest
                                doelmatigis met het oog op inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met doelmatigheid wordt tevens bedoeld dat het traject zich richt op
                                duurzame uitstroom.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere samenwerkingafspraken met het CWI vast door
                                middel van eenService Niveau Overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning envoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In het kader van de uitvoering van de taak genoemd in art. 7 lid 1
                                sub a WWB kan het collegeondersteuning of een voorziening bedoeld in
                                voornoemd artikel aanbieden aan debelanghebbende die door het
                                Centrum voor Werk en Inkomen is ingedeeld in route A,wanneer deze
                                langer dan twee maanden is geregistreerd bij deze organisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                jaarlijks een beleidsplanvast, waarin beleidsprioriteiten worden
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag
                                over dedoeltreffendheid en de effecten van het beleid. Dit verslag
                                wordt vormgegeven conform hetverslag als bedoeld in artikel 77 van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het beleidsplan als bedoeld in het eerste lid alsmede het verslag
                                als bedoeld in het derde lidbevat het oordeel van de
                                cliëntenraad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10,tweede lid van de wet, hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op denaar het oordeel van
                                het college noodzakelijk geachte voorziening gericht
                                oparbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordeningen het in artikel 3 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is
                                verplicht hiervangebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                verplichtingen dievoortvloeien uit de wet, de Wet Structuur
                                Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening,alsmede aan de
                                verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                heeftverbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan hetgestelde in het tweede lid, dan kan het college
                                de uitkering verlagen conform hetgeen hieroveris bepaald in de
                                afstemmingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van eenvoorziening, niet voldoet aan het gestelde in
                                het tweede lid, kan het college de kosten van devoorziening dan wel
                                de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen, zonodig
                                vermeerderdmet de kosten van invordering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke uitkeringsgerechtigde krijgt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                uitkering een aanbodvoor een voorziening gericht op inschakeling in
                                algemeen geaccepteerde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft
                                bepaald dat voor deze persooneen volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>B en W kunnen in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voorde verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafondvormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt vooreen specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij weigering van een specifieke voorziening zal altijd een passende
                                alternatieve voorzieningaangeboden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet, dezeverordening en het beleid als bedoeld in artikel 3,
                                aan een voorziening nadere regels enverplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichtingen als bedoeld inde artikelen 9 en 17 van de wet
                                        op grond van artikel 5 niet of onvoldoende nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die de voorziening krijgt aangeboden of
                                        eraan deelneemt aangeeftde krachtens artikel 8a vastgestelde
                                        eigen bijdrage niet (meer) te willen voldoen;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet;</al></li><li nr="d."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruikwordt gemaakt van een voorziening;</al></li><li nr="e."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan eensnelle
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="f."><al>indien de gevraagde voorziening niet of niet meer deel
                                        uitmaakt van het beleid alsbedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="g."><al>indien de persoon die de voorziening aanvraagt of hieraan
                                        deelneemt de krachtensartikel 8 lid 1 en artikel 8a gestelde
                                        regels en voorwaarden niet of onvoldoendenakomt</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, b
                                en c uit route B alsonderdeel van een re-integratietraject
                                activiteiten aanbieden in het kader van socialeactivering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteitenter voorbereiding op een traject
                                gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomenvan
                                sociaal isolement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Participatiebanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                b en c uit route B eenparticipatiebaan (vrijwilligerswerk)
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hieronder wordt verstaan: onbetaalde, onverplichte activiteiten voor
                                minimaal 8 en maximaal20 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het hoofddoel van de participatiebaan is het bevorderen van
                                maatschappelijke participatie ofhet voorkomen van sociaal
                                isolement.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze participatiebaan kan voor onbepaalde tijd zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingenniet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringingplaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze participatiebanen zijn beperkt tot de collectieve en non-profit
                                sector en de aard van hetwerk mag geen relatie hebben met regulier
                                betaalde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Deelname aan een participatiebaan geeft recht op een premie. De
                                hoogte van de premie is bijeen participatiebaan van 36 uur per week
                                gelijk aan het maximale bedrag zoals genoemd inartikel 31 lid 2
                                onder o van de wet, bij minder uren wordt de premie naar ratio
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Oriëntatiebanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a,b
                                en c uit route B, eenoriëntatiebaan aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hieronder wordt verstaan: onbetaalde, onverplichte activiteiten voor
                                minimaal 20 en maximaal36 uur per week bij een werkgever waarbij
                                deze geen productiviteit mag verwachten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van de oriëntatiebaan is het opdoen of behouden van
                                werkervaring/ritme en hetorganiseren of ordenen van de persoonlijke-
                                of gezinssituatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze oriëntatiebaan duurt maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingenniet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringingplaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deelname aan een oriëntatiebaan geeft recht op een premie. De hoogte
                                van de premie is bijeen oriëntatiebaan van 36 uur per week gelijk
                                aan het maximale bedrag zoals genoemd inartikel 31 lid 2 onder o van
                                de wet, bij minder uren wordt de premie naar ratio verleend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste het doel van de
                                oriëntatiebaan vastgelegd,evenals de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Re-integratiebanen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een premie verstrekken aan werkgevers die met een
                                persoon bedoeld inartikel 1 lid a, b en c uit route B een
                                arbeidsovereenkomst sluiten gericht oparbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het doel van de re-integratiebaan is het behouden van
                                werkervaring/ritme, verbeteren van dearbeidsproductiviteit en
                                daarmee de inzetbaarheid van de betrokken persoon voor
                                dewerkgever.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze re-integratiebaan duurt maximaal 6 maanden, na evaluatie kan
                                besloten worden om dere-integratiebaan met 6 maanden te
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In aansluiting op de periode zoals genoemd in lid 3 dient de
                                werkgever de werknemerminimaal een halfjaarcontract aan te
                                bieden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De werkgever biedt voor de werkzaamheden gedurende de periode van de
                                re-integratiebaanminimaal het wettelijk geldend minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college verstrekt een premie aan werkgevers die de
                                re-integratiebaan van 36 uur perweek aanbieden. De hoogte van de
                                premie bedraagt tweemaal de netto bijstandsnorm vooreen
                                alleenstaande tussen 21 en 65 jaar zonder gemeentelijke toeslag
                                inclusief vakantiegeldvoor een periode van 6 maanden. Bij een
                                verlenging van de re-integratiebaan van 36 uur perweek bedraagt de
                                premie 50%. Bij minder uren wordt de premie naar ratio
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Bij het aangaan van een re-integratiebaan zal de persoon uitstromen
                                uit de bijstand.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Eens in de 5 jaar kan een persoon in aanmerking komen voor een
                                re-integratiebaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in de
                                vorm van een subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt afgestemd op het inkomen van de klant waarbij de
                                draagkracht zoalsvastgesteld voor bepaling van bijzondere bijstand
                                gehanteerd worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de noodzakelijkheid van scholing waarbij zij
                                zich mede baseert op hetoordeel van het CWI en daarbij onderzoek
                                verricht naar de meest goedkope adequatevoorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van een scholingstraject mag nooit meer dan 2 jaar
                                bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaard,
                            waarmee een inkomen wordtverworven dat minder bedraagt dat de voor de
                            uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm,ontvangt gedurende een
                            aangesloten periode van 6 maanden, met een eventuele verlenging van
                            6</al><al>maanden, een premie ter hoogte van het maximale bedrag zoals bedoeld in
                            artikel 31 tweede lidonder o van de wet .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die behoort tot route B en die
                                tenminste 12 maanden geen uitkeringheeft ontvangen door het
                                aanvaarden en behouden van arbeid waarmee een inkomen verworvenwordt
                                dat meer bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van
                                toepassing zijnde norm, wordtdoor burgemeester en wethouders een
                                uitstroompremie toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitstroompremie bedraagt eenmalig een bedrag van 900 euro
                                netto.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die behoort tot route B en die
                                tenminste 12 maanden geen uitkeringheeft ontvangen door het
                                aanvaarden en behouden van gesubsidieerde arbeid waarmee eeninkomen
                                verworven wordt dat meer bedraagt dan de voor de
                                uitkeringsgerechtigde vantoepassing zijnde norm, wordt door
                                burgemeester en wethouders een uitstroompremietoegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitstroompremie bedraagt eenmalig een bedrag van 600 euro
                                netto.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die behoort tot route B en die
                                tenminste 12 maanden geen uitkeringheeft ontvangen door het
                                doorstromen van gesubsidieerde arbeid naar ongesubsidieerd werk
                                waarmee een inkomen verworven wordt dat meer bedraagt dan de voor de
                                uitkeringsgerechtigdevan toepassing zijnde norm, wordt door
                                burgemeester en wethouders een doorstroompremietoegekend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De doorstroompremie bedraagt eenmalig een bedrag van 300 euro
                                netto.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het inkomen uit (gesubsidieerde) arbeid mag niet hoger zijn dan 120
                                % van de voor deuitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm ten
                                tijde van de uitstroom.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De betaling van de uitstroompremie vindt plaats op het moment dat de
                                uitkeringsgerechtigde dearbeid 12 maanden heeft vervuld.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De premie wordt door de uitkeringsgerechtigde aangevraagd binnen 18
                                maanden na uitstroomdoor indiening van een volledig ingevuld en
                                eigenhandig ondertekend formulier dat door hetcollege van
                                burgermeester en wethouders is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Scholingssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die behoort tot route B en die met goed
                                gevolg scholing of opleidingheeft voltooid die door het college van
                                burgemeester en wethouders noodzakelijk wordt geachtvoor de
                                (her)inschakeling in de arbeid, wordt door burgemeester en
                                wethouders eenscholingssubsidie toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De scholingssubsidie bedraagt een eenmalig bedrag van 115 euro
                                netto.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt door de uitkeringsgerechtigde binnen 6 maanden na
                                beëindiging scholingaangevraagd door indiening van een volledig
                                ingevuld en eigenhandig ondertekend formulier datdoor het college
                                van burgermeester en wethouders is vastgesteld</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Referteperiode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde die een uitstroomsubsidie heeft ontvangen,
                                kan gedurende 12 maandenna de nieuwe ingangsdatum van de uitkering
                                niet opnieuw in aanmerking komen voor eenuitstroomsubsidie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde die een scholingssubsidie heeft ontvangen,
                                kan niet opnieuw inaanmerking komen voor een scholingssubsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn
                            in het kader van dearbeidsinschakeling. De kosten moeten noodzakelijk
                            zijn en verstrekking vindt plaats op basis van degoedkoopste adequate
                            oplossing waarbij eveneens de draagkrachtregels voor toekenning
                            bijzonderebijstand gehanteerd worden. Het gaat hierbij in ieder geval
                            om:</al><lijst><li nr="1."><al>reiskosten</al></li><li nr="2."><al>kosten voor kinderopvang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan ondernemingen waarbij een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid heeftaanvaard voorzieningen bieden gericht op
                            nazorg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingenin deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onvoorziene onbillijkheden vanoverwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening
                            Wormerland 2007”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>algemeen</titel></kop><al/><tussenkop><vet>Inleidin</vet>g</tussenkop><al>Volgens de WWB krijgt het college de opdracht voor de re-integratie van
                    bijstandsgerechtigden,nuggers en Anw-ers. De WWB draagt aan de gemeenteraad op
                    om een verordening vast te stellenwaarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                    van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Tevenswordt hierin de aanspraak van
                    burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld.</al><al/><al>De basis voor de verordening is neergelegd in de artikel 8, eerste lid onder a
                    en tweede lid en artikel10 eerste en tweede lid:</al><al/><al>Artikel 8 lid 1 onder a:</al><tussenkop>De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het
                    ondersteunen bijarbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht
                    op arbeidsinschakeling,bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                    a.</tussenkop><al>Artikel 8 lid 2:</al><tussenkop>De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder geval
                    betrekking op deevenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid,
                    onderdeel a, genoemde groepen,alsmede voor de verschillende doelgroepen
                    daarbinnen, en de wijze waarop rekening wordt</tussenkop><tussenkop>gehouden met zorgtaken.</tussenkop><al>Artikel 10 lid 1en 2:</al><tussenkop>1.Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een
                    nabestaanden- ofhalfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en
                    nietuitkeringsgerechtigdenhebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in
                    artikel 8, eerstelid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling en op de naar hetoordeel van het college noodzakelijk
                    geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</tussenkop><tussenkop>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die
                    vanwege eenvoorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de
                    groepen, bedoeld in het eerstelid, behoren.</tussenkop><al/><al/><al>Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden
                    welke zaken in of via de</al><al>verordening geregeld moeten of kunnen worden:</al><lijst><li nr="-"><al>De aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                            subdoelgroepen;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;</al></li><li nr="-"><al>De beschikbaarheid van financiële middelen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>De verordening: procedureel of uitgebreid</tussenkop><al>De WWB vraagt aan de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een verordening
                    vast te leggen.Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd: beleid leg je neer in een
                    beleidsplan. Desondanks kan degemeenteraad van oordeel zijn, dat zij belangrijke
                    uitgangspunten en voorwaarden die bij bepaaldevoorzieningen moeten gelden, wél
                    in de verordening vast wil leggen.</al><al/><al>Het beleid kan op een aantal niveaus geregeld worden:</al><lijst><li nr="1."><al>In de verordening zelf. Hiermee ligt het beleid voor langere duur vast.
                            Het aanpassen van deverordening vergt langere tijd. Uitgangspunt kan
                            zijn dat je een verordening vaststelt dievervolgens op hoofdlijnen een
                            aantal jaren meekan.</al></li><li nr="2."><al>In beleidsregels. Het voordeel van het regelen in beleidsregels is, dat
                            hiermee flexibeler kanworden omgegaan. Deze figuur geeft aan B en W ook
                            meer mogelijkheden in individuelegevallen af te wijken.</al></li><li nr="3."><al>In het beleidsplan, dat ook door de raad vastgesteld wordt. Naast
                            algemene uitgangspuntenkunnen hierin ook onderwerpen aan de orde komen
                            als het inkoop- en aanbestedingsbeleiden de afstemming met andere
                            beleidsterreinen als onderwijs, zorg en economie.</al></li><li nr="4."><al>In delegatie aan het college (uitvoeringsbesluiten).</al></li></lijst><al/><al>Hieruit vloeit voort dat er twee extremen zijn in de vormgeving van de
                    verordening: een procedurele eneen uitgebreide verordening.</al><al/><al>In de eerste variant wordt alleen vastgelegd op welke wijze in de gemeente het
                    beleid bepaald wordt,hoe de verhouding tussen raad en college moet zijn alsmede
                    enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college, de aanspraak op
                    voorzieningen, de inzet van voorzieningen en de rechten</al><al>en plichten van de cliënt. Al het overige wordt vastgelegd in een beleidsplan,
                    beleidsregels of inuitvoeringsbesluiten van het college.</al><al/><al>De gemeente zal met de inrichting van de verordening dus bij elk onderwerp na
                    moeten gaan in welkemate criteria en uitgangspunten vast moeten liggen ofwel in
                    welke mate het college de bevoegdheidkrijgt om eigen afwegingen te maken. Een
                    combinatie van de verschillende niveaus ligt voor de hand.</al><al/><al>Bovenstaande afwegingen hebben in deze verordening tot de volgende systematiek
                    geleid:</al><al>Allereerst een raamwerk van artikelen dat de basis vormt van de verordening: de
                    artikelen 1 tot en met7 en 21 tot en met 23. Hierin zijn de opdracht aan het
                    college, de aanspraak, verplichtingen van decliënt verwerkt, alsmede over de
                    sluitende aanpak. Daarnaast gaat het om enkele artikelen die in elkeverordening
                    voorkomen (definities, hardheidsclausule, etc.). De artikelen 8 tot en met 20
                    gaan overspecifieke voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Doelgroepenbeleid</tussenkop><al>Zoals in artikel 3 gesteld wordt zal het doelgroepen beleid in het beleidsplan
                    worden opgenomen. Erwordt verwezen naar de uitgangspunten zoals gedefinieerd in
                    de Discussie nota WWB. Onderstaandde samenvatting van de voorstellen, die in
                    bijgaande verordening niet verder zijn uitgewerkt.</al><lijst><li nr="1."><al>Vrijstellingen op medisch/sociale gronden alleen na onafhankelijk
                            onderzoek van eenarts/arbeidskundige</al></li><li nr="2."><al>Alleenstaande ouders met kinderen onder 12 jaar behandelen als andere
                            klanten maararbeidsplicht alleen toepassen als randvoorwaarden goed
                            geregeld zijn</al></li><li nr="3."><al>Klanten ouder dan 57,5 die vrijwilligerswerk doen of mantelzorg o.g.v.
                            eenmalig onderzoekvrijstellen van verdere verplichtingen</al><al/></li></lijst><tussenkop>Ouderen (&gt;57,5 jaar)</tussenkop><al>Ten aanzien van oudere werklozen dringt de vraag zich op hoeveel moeite
                    gemeenten zich moetengetroosten deze doelgroep weer aan het werk te krijgen,
                    mede gezien de krapte op de arbeidsmarkt.</al><al>Tijdens de behandeling van de WWB in de Eerste Kamer is dit onderwerp uitgebreid
                    aan de ordegeweest. Naar aanleiding daarvan heeft staatssecretaris Rutte de
                    volgende toezegging gedaan:</al><lijst><li nr=""><al>“Om recht te doen aan deze omstandigheden zonder afbreuk te doen aan de
                            uitgangspuntenvan de WWB en de doelstellingen op het terrein van de
                            arbeidsmarktparticipatie van ouderenkan de gemeente daarom volstaan met
                            een éénmalige individuele beoordeling van demogelijkheden op de
                            arbeidsmarkt. Als vastgesteld wordt dat er kansen aanwezig zijn ligt
                            hetvoor de hand met deze persoon afspraken te maken over de inspanningen
                            van beide partijenom deze kansen te benutten en de uitstroom te
                            bevorderen. Indien echter al tijdens deze eerste beoordeling
                            geconcludeerd wordt dat de afstand tot de arbeidsmarkt nauwelijks meer
                            valt te overbruggen heeft de gemeente de bevoegdheid om te volstaan met
                            een ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor de resterende periode
                            dat de oudere bijstand ontvangt. Vrijwilligerswerk is dan vaak een goed
                            alternatief.”</al></li></lijst><al/><tussenkop>NUG/Anw</tussenkop><al>De WWB vraagt aan de gemeenten evenwichtige aandacht de besteden aan de diverse
                    doelgroepen.Maar dit betekent niet dat alle doelgroepen in aanmerking hoeven
                    komen voor dezelfde voorzieningenen onder dezelfde voorwaarden. De gemeente kan
                    hier eigen beleid op formuleren. Ten aanzien vantwee aspecten kan de gemeente
                    accenten aanbrengen: de bekostiging en de aard van devoorziening.</al><al/><al>Zo kan een Nugger of Anw´er aanspraak maken op de financiering van
                    re-integratieinstrumentenindien het gezinsinkomen lager is dan 130% van het
                    minimumloon. Er dient een aanvraagformulier teworden ontwikkeld mét
                    inkomenstoets dat de CWI-adviseur meegeeft aan de Nugger of Anw´er die</al><al>doorverwezen wordt naar de gemeente. Vervolgens checkt de consulent het
                    formulier en beoordeeltof de aanvraag tot re-integratie in behandeling kan
                    worden genomen.Voor de hoogte van de vermogenseisen kan aangesloten worden bij
                    de bedragen zoals genoemd in</al><al>artikel 34 lid 3 WWB.</al><al/><al>Route A/B</al><al>In de loop van het jaar 2007 heeft het CWI de fasering (fase 1 tm 4) vervangen
                    door route A en B. Per1 juli 2007 heeft het CWI in overleg met de gemeenten
                    afgesproken om ook voor de WWB klantenmet de routering te gaan werken.</al><al/><al>Ieder die werk kan zoeken is Route A. Alleen als sprake is van ernstige
                    (meervoudige) persoonlijkebelemmeringen met een onvrijwillig karakter (minimaal
                    1 jaar), is sprake van Route B. Concreet moetdan gedacht worden aan
                    (meervoudige) belemmeringen zoals een problematische
                    schuldenlast,verslavingsproblematiek, lichamelijk/psychische of sociale
                    problemen, woonsituatie, ed.</al><al/><tussenkop>Relatie met andere verordeningen</tussenkop><al>D WWB geeft de gemeenteraad ook opdracht om verordeningen vast te stellen op een
                    tweetalterreinen, die een relatie hebben met de re-integratieverordening:
                    afstemming en cliëntenparticipatie.</al><al/><tussenkop>Afstemmingverordening</tussenkop><al>De WWB vraagt tevens aan gemeenten een verordening op te stellen waarin het
                    samenstel van derechten en plichten van de cliënt wordt geregeld.</al><al/><al>De re-integratieverordening en de maatregelenverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers,aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebbenvoor de hoogte van de uitkering. Dit zou
                    ervoor pleiten de beide verordeningen te integreren. Echter,de gemeente kan ook
                    aan de verstrekking van bijstand verplichtingen verbinden, die geen
                    directerelatie hebben met reïntegratie. Dit pleit ervoor om de verordeningen te
                    scheiden, maar wel omduidelijke verwijzingen aan te brengen.</al><al/><tussenkop>Verordening cliëntenparticipatie</tussenkop><al>De WWB geeft aan de gemeenteraad tevens de opdracht een verordening
                    cliëntenparticipatie op testellen. In de reïntegratieverordening kan worden
                    opgenomen dat bij de vaststelling van hetbeleidsplan de lokale cliëntenraad of
                    enig ander orgaan dat hiertoe dient wordt betrokken.</al><al/><tussenkop>Algemene subsidieverordening</tussenkop><al>Veel gemeenten kennen een algemene subsidieverordening. Dit heeft als voordeel
                    dat in andereverordeningen op grond waarvan subsidies worden verstrekt, voor
                    algemene onderdelen alstermijnen, informatieverplichtingen e.d. verwezen kan
                    worden naar de algemene subsidieverordening.</al><al>In de algemene bepalingen bij deze verordening kan dan ook de bepaling opgenomen
                    worden dat opsubsidies die op grond van de reïntegratieverordening kunnen worden
                    verstrekt, de algemenesubsidieverordening van toepassing is.</al><al/><al/><tussenkop><onderstreept>Artikelsgewijze
                    toelichting</onderstreept></tussenkop><al/><al><onderstreept>Artikel 1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    Werk en Bijstand. Waardat mogelijk is, kan de gemeente via de begripsbepalingen
                    eigen accenten leggen.</al><al>De definitie van jongeren (onderdeel d) is nodig indien de gemeente specifieke
                    voorzieningen voorjongeren wenst in te zetten. Uiteraard kunnen in dit artikel
                    ook andere sub-doelgroepen omschrevenworden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2 Opdracht college</onderstreept></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de WWB.Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie.
                    Tevens biedt dit artikel demogelijkheid om aan het college specifieke opdrachten
                    mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om uitstroom uit
                    bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren.</al><al>In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voordie personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzingnaar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college tekoppelen, kan
                    de gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                    willenzetten.</al><al/><al>Het tweede tot en met vijfde lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat
                    de gemeenteevenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en
                    rekening moet houden met decombinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan en
                    bijvoorbeeld de Service Niveau Overeenkomt met het</al><al>CWI is dit punt verder uitgewerkt.</al><al/><al>Het vijfde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen terealiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belangomdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget</al><al>ontoereikend is: er dient altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3 Beleidsplan</onderstreept></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt WWB aan de gemeenteraad
                    om het reintegratiebeleidin een verordening vast te leggen. Hier is gekozen voor
                    de systematiek om niet allesin de verordening te regelen, maar ook gebruik te
                    maken van beleidsplannen en uitvoeringsbesluiten.</al><al/><al>Het eerste lid geeft aan dat de gemeenteraad een beleidsplan opstelt. Dit kan
                    jaarlijks zijn, maar erkan ook voor worden gekozen naast een jaarlijks plan ook
                    een meerjarenbeleidsplan vast te stellen.</al><al>Daarnaast is er de mogelijkheid op met deelplannen te werken.</al><al/><al>Het tweede lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. De WWB
                    geeft aan dat hetcollege elk jaar een voorlopig en een definitief verslag over
                    de uitvoering (VODU) naar het rijk zendt.</al><al>Deze verslagen dienen gepaard te gaan van een verklaring van de gemeenteraad.
                    Daarom is ervoorgekozen expliciet op te nemen dat er een verantwoordingsverslag
                    aan de raad moet wordengezonden. Het ligt voor de hand dat bij de vormgeving van
                    het verslag op grond van deze verordeningwordt aangesloten bij de inhoud van het
                    VODU.</al><al/><al>Het derde lid verplicht nadrukkelijk de cliëntenraad te betrekken bij de
                    vaststelling van en deverantwoording over het beleid. Hier kan ook een relatie
                    gelegd worden met de verordeningcliëntenparticipatie, die de gemeente ook
                    verplicht is op te stellen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</onderstreept></al><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moetworden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid enconsistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al><al/><al>In het tweede lid wordt expliciet te koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt ende criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naarde verordening en het
                    beleidsplan.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5 Verplichtingen van de cliënt</onderstreept></al><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering.</al><al>Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste en tweede
                    lid deverplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al/><al>Het derde lid biedt de verbinding met de afstemmingsverordening. Deze
                    verordening regelt hetopleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde
                    niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze</al><al>maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald percentage.
                    Echter, voorpersonen zonder uitkering, ANW-ers en personen in gesubsidieerde
                    arbeid kan de gemeente deuitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in het
                    vijfde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die</al><al>gevallen de gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan
                    vorderen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6 Sluitende aanpak</onderstreept></al><al>De WIW kende een wettelijke sluitende aanpak voor jongeren (artikel 9).
                    Daarnaast zijn in het kadervan de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt over
                    een sluitende aanpak voor nieuweinstroom en voor het zittend bestand. De WWB
                    kent geen bepaling over sluitende aanpak. De</al><al>wetgever gaat ervan uit dat door de systematiek van de wet er in de praktijk de
                    facto een sluitendeaanpak ontstaat.</al><al/><al>Desondanks kan de gemeente van oordeel zijn dat een sluitende aanpak geregeld
                    dient te worden.Hierbij kan ieder geval gedacht worden aan jongeren, maar ook
                    aan andere groepenuitkeringsgerechtigden. Artikel 6 biedt de mogelijkheid deze
                    sluitende aanpak te regelen. Het eerste</al><al>lid geeft de algemene formulering. Het tweede lid geeft aan dat de sluitende
                    aanpak niet vantoepassing is op diegenen die een ontheffing van de
                    arbeidsverplichting hebben gekregen. Het derdelid geeft de mogelijkheid om van
                    de algemene sluitende aanpak in specifieke, individuele gevallen af</al><al>te wijken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7 Subsidie- en budgetplafonds</onderstreept></al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen overde verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan
                    gebeuren (zie het artikel over beleidsplan).</al><al>Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om
                    aanvragen voorvoorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                    gemeente bij verordening subsidieenbudgetplafonds instellen.</al><al/><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzingvan een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven erbeschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is</al><al>dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open
                    dat er naar een anderinstrument wordt uitgeweken.</al><al/><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Eenmogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in hetbeleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al/><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen.Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient welbekendgemaakt te worden vóór de
                    periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Algemene bepalingen over
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die temaken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijnopgenomen.</al><al/><al>Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen teverbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliëntgedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al><al/><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij datkan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan eenwerkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste</al><al>wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en deeventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan
                    re-integratiebedrijven.Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit
                    handen gegeven. Het verdient dan ookaanbeveling dat in het contract met het
                    re-integratiebedrijf wordt verklaard dat deze reintegratieverordeningvan
                    toepassing is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9 Sociale activering</onderstreept></al><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                    arbeidsinschakeling. Voorbepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een
                    te hoog gegrepen doel. Voor deze personenstaat dan ook niet re-integratie, maar
                    participatie voorop.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 10 Participatiebanen</onderstreept></al><al>In beginsel gaat het hier alleen om maatschappelijk nuttige, maar niet regulier
                    betaalbare arbeid,bedoeld voor mensen die vooralsnog niet voor toeleiding naar
                    regulier betaald werk in aanmerkingkunnen komen (route B) en voor wie de baan
                    een bijdrage kan inhouden voor het maatschappelijk</al><al>activeren. Een beperking van deze banen tot alleen in de collectieve en non
                    profit sector ligt hier voorde hand. Ook de aard van het werk mag geen directe
                    relatie met regulier betaald werk hebben(anders toch re-integratiebaan). In
                    beginsel gaat het hier om banen voor onbepaalde tijd. Het moetechter mogelijk
                    zijn om de betreffende mensen door te laten stromen (periodiek herbeoordeling om
                    tebezien of betrokkene alsnog kan worden toegeleid naar arbeid wegens wijziging
                    eigen situatie of</al><al>positie danwel wijziging situatie arbeidsmarkt) of te laten circuleren (hierdoor
                    kan een beperkt aantalbanen voor een grotere groep als maatschappelijk
                    activeringsinstrument functioneren). Een premie</al><al>zou in het kader van premiebeleid aan de klant verstrekt kunnen worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11 Oriëntatiebanen</onderstreept></al><al>Het gaat hier om de eerste fase naar betaalde arbeid. De nadruk ligt op
                    begeleiding, oriëntatie,opdoen van arbeidsritme en discipline (het organiseren
                    cq ordenen van de persoonlijke engezinssituatie in mindere mate). In deze
                    periode moet de klantmanager een beter beeld krijgen van demogelijkheden en
                    beperkingen van de klant. Te denken valt aan beschermde werkplaatsen
                    bijLeerwerkbedrijven en bedrijfsscholen.</al><al>Naar zijn aard is het instrument meer gericht op route B klanten. De
                    klantmanager moet overwegen ditinstrument snel in te zetten bij klanten in route
                    B wanneer niet snel duidelijk is dat een meer directeweg is aangewezen. Daarmee
                    wordt concreet inhoud gegeven aan het uitgangspunt "Werk boveninkomen". Hierbij
                    wordt altijd maatwerk geboden om de kans op succes optimaal te laten zijn.Een
                    premie zou in het kader van premiebeleid aan de klant verstrekt kunnen
                    worden.</al><al/><al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de
                    oriëntatiebaan aangebodenwordt. Dit vanwege het gevaar dat het beschouwd kan
                    worden als een gewone arbeidsovereenkomst.</al><al>Volgens het arbeidsrecht is er sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan
                    wordt aan devolgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid te
                            verrichten;</al></li><li nr="-"><al>die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr="-"><al>die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr="-"><al>de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al/><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij oriëntatiebanen weliswaar sprake is van
                    het persoonlijkverrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaringvan de werknemer. Daarnaast is bij
                    oriëntatiebanen in de regel geen sprake van beloning qua loon.</al><al/><al>Het eerste lid van artikel 11 artikel geeft de algemene bepaling voor het
                    aanbieden van eenoriëntatiebaan en het tweede lid een nadere omschrijving. Het
                    derde lid geeft nog eens specifiek aanwat het doel is van de werkstage, om het
                    verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven.Dit is met name van
                    belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van
                    eenarbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.Op de eerste
                    plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is
                    vergelijkbaar metde zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid
                    krijgt om te bezien of het soort werk</al><al>als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren
                    werken in eenarbeidsrelatie. Hierbij kan de cliënt wennen aan aspecten als
                    gezag, op tijd komen, werkritme ensamenwerken met collega’s.Het vierde lid geeft
                    de maximale duur aan die gesteld is op een termijn van zes maanden.</al><al/><al>Het vijfde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of
                    dat deconcurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan
                    dit doen door expliciet na tegaan dat het werk dat verricht gaan worden niet
                    productief is, of dat er geen recent ontslag heeftplaatsgevonden.</al><al/><al>In het zesde lid wordt de premie bepaald en in het zevende lid is bepaald dat er
                    een schriftelijkeovereenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van
                    de stage worden opgenomen,alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgdworden dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12 Re-integratiebaan</onderstreept></al><al>Deze banen zijn gericht op het opdoen van werkervaring, verbeteren van de
                    arbeidsproductiviteit endaarmee van de inzetbaarheid van de betrokken persoon
                    voor de werkgever en het bieden van eenentree bij werkgevers. De term werkgever
                    wordt dusdanig ruim geïnterpreteerd dat hier</al><al>uitzendbureaus, Baanstede, profit organisaties of non profit organisaties onder
                    kunnen vallen.Uitgangspunt is dat werkgevers de productiviteit betalen door het
                    bieden van minimaal het wettelijkminimum loon aan de werknemer en hiervoor
                    gedurende de eerste 6 maanden, en na een eventueleverlenging van maximaal 6
                    maanden, een premie ontvangen. De klanten die hiervoor in aanmerkingkomen zijn
                    klanten uit route B waarvan dus ook productiviteit verwacht mag worden. De
                    subsidiewordt door de gemeente verstrekt uit het Werkdeel en de hoogte van de
                    premie is gelijk aan tweemaalde netto bijstandsnorm voor een alleenstaande
                    tussen 21 en 65 jaar zonder toeslag met VT. Inaansluiting op deze 6 maanden (en
                    eventuele verlenging van maximaal 6 maanden) dient dewerkgever de werknemer
                    minimaal een halfjaarcontract aan te bieden.</al><al>De klantmanager beslist of een verlening van de re-integratiebaan noodzakelijk
                    is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 13 Scholing</onderstreept></al><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen tegeven die in de verordening moeten worden opgenomen.
                    Daarom is dit artikel alleen nodig indien degemeente op het niveau van de
                    verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren, zoals diegenoemd zijn in
                    het derde lid. Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan
                    wordenals voorziening die door de gemeente ingekocht kan worden, als in de vorm
                    van een subsidie. Dit</al><al>laatste kan van belang zijn indien de cliënt op eigen initiatief met een vorm
                    van scholing komt die doorhet college als noodzakelijk wordt geacht, maar die
                    niet bestaat binnen het reguliere scholingsaanbodvan de gemeente. In lid 3, 4 en
                    5 worden regels gesteld over de vergoeding van kosten en de</al><al>maximale duur die de scholing mag bedragen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 14 Inkomstenvrijlating</onderstreept></al><al>Met het amendement Bruls is het mogelijk gemaakt de inkomsten van
                    uitkeringsgerechtigden diewerken in deeltijd voor een deel vrij te laten. De
                    inkomstenvrijlating wordt verstekt in de vorm van eenpremie. Deze premie wordt
                    betaalt uit het Werkdeel. De premie is gelijk aan het maximale bedrag</al><al>zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de WWB.</al><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaard, waarmee een
                    inkomen wordtverworven dat minder bedraagt dat de voor de uitkeringsgerechtigde
                    van toepassing zijnde norm,ontvangt gedurende een aangesloten periode van 6
                    maanden, met een eventuele verlenging van 6</al><al>maanden, een premie.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 15, 16, 17 Uitstroom-, Participatie- en Scholings-
                        Subsidies</onderstreept></al><al>De gemeente kan haar premiebeleid (uitstroomsubsidie, participatiesubsidie en
                    scholingssubsidie)afstemmen op de verschillende activiteiten die in het kader
                    van activering verricht worden en daarbijde hoogte van de premie laten variëren.
                    De gemeente kan de premie afhankelijk maken van de</al><al>doelgroep en de activiteit. Deze uitstroompremie is enkel toereikbaar voor
                    personen die in route Bzitten.</al><al/><al>Het voornaamste doel van premieren is het stimuleren van de aanvaarding van
                    reguliere arbeid.</al><al/><al>Afhankelijk van de situatie is het raadzaam om onderscheid tussen verschillende
                    ´uitstroompremies´te maken en daarbij verschillende bedragen te hanteren. Om een
                    onderscheid te maken tussen de</al><al>verschillende soorten wordt iedere vorm van uitstroom gewaardeerd naar de mate
                    van uitstroom.</al><al/><al>Onderstaande is een mogelijke verdeling:</al><lijst><li nr=""><al>-Een uitstroompremie voor een cliënt die vanuit de uitkering uitstroomt
                            naar ongesubsidieerdwerk. (minimaal 12 maanden aaneengesloten geen
                            uitkering ontvangen, premie van € 900,-)</al></li><li nr=""><al>-Een uitstroompremie voor een cliënt die vanuit de uitkering uitstroomt
                            naar gesubsidieerdwerk. (minimaal 12 maanden aaneengesloten geen
                            uitkering ontvangen, premie van € 600,-)</al></li><li nr=""><al>-Een doorstroompremie voor de deelnemer aan gesubsidieerd werk die
                            doorstroomt naarongesubsidieerd werk. (premie van € 300,-)</al></li></lijst><al>Het is mogelijk om eens in de 5 jaar in aanmerking te komen voor een
                    uitstroompremie.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 18 Overige vergoedingen</onderstreept></al><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten tevergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. In
                    dit artikel zijn als voorbeelden genoemd</al><al>reiskosten en kosten voor kinderopvang, maar dat is geen limitatieve
                    opsomming.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 19 Voorzieningen gericht op nazorg</onderstreept></al><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    cliënten na uitstroom niet naeen korte periode terugvallen in de uitkering. De
                    gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht tebesteden aan nazorg, met als doel
                    een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is</al><al>ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen
                    geaccepteerde arbeid,dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde
                    arbeid maakt begeleiding en adviseringnormaalgesproken al onderdeel uit van het
                    traject.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 20 Hardheidsclausule</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 21 Citeertitel</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 22 Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>