<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR160444_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Olst-Wijhe 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis-aan-Huis, 11-04-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Olst-Wijhe 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-10-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsstuk 2012/18, docnr 12.008569/12.006368</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Olst-Wijhe
          2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Olst-Wijhe;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 maart 2012, nr.
            2012/18;</al><al>overwegende, dat de bestaande “Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs
            gemeenteOlst-Wijhe”, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 mei 2001 en sedertdien
            gewijzigd, ingrijpendgeactualiseerd dient te worden;</al><al>dat, in verband hiermee, de vaststelling van een nieuwe verordening de voorkeur
            heeft;</al><al>gelet op het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers
            van debevoegde gezagsorganen d.d. 16 februari 2012;</al><al>gelet op artikel 102 Wet Primair Onderwijs en artikel 76 Wet op het Voortgezet
            Onderwijs;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Olst-Wijhe 2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>minister</onderstreept>: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                  Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>bevoegd gezag</onderstreept>: bevoegd gezag van een volgens de Wet
                  op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare
                  of bijzondere school, die geheel ofgedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat
                  zich bevindt op het grondgebied van de</al><al> gemeente;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>school</onderstreept>: school voor basisonderwijs en school voor
                  voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>school voor basisonderwijs</onderstreept>: een basisschool als
                  bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al><onderstreept>school voor voortgezet onderwijs</onderstreept>: school of
                  scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                  middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en
                  voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het
                  voortgezet onderwijs;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al><onderstreept>nevenvestiging</onderstreept>: deel van een school dat door de
                  minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 75
                  van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                  gebracht;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>voorziening</onderstreept>: een van de voorzieningen in de
                  huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>programma</onderstreept>: het programma als bedoeld in artikel 12
                  van deze verordening;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>overzicht</onderstreept>: het overzicht van de niet in het kader
                  van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in
                  artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>aanvrager</onderstreept>: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor
                  bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                  voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>aanvraag</onderstreept>: verzoek om bekostiging van een
                  voorziening of om bekostiging van bouwvoor- bereiding;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>voor blijvend gebruik bestemde voorziening</onderstreept>:
                  voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                  in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening</onderstreept>:
                  voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                  in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>permanent gebouw</onderstreept>: schoolgebouw dat door de keuze
                  van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                  als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>noodlokaal</onderstreept>: verplaatsbare ruimte die door de keuze
                  van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren
                  als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>gymnastiekruimte</onderstreept>: ruimte die geschikt is voor het
                  onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>advies Onderwijsraad</onderstreept>: een advies van de
                  Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid
                  van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet
                  op het primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                  onderwijs;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>verhuur</onderstreept>: het gebruik van een onderwijsgebouw door
                  derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                  maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>gezamenlijke akte</onderstreept>: de akte als bedoeld in artikel
                  110 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76u van de Wet op het
                  voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>beslissing Gedeputeerde Staten</onderstreept>: de beslissing van
                  gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de
                  Wet op het primair onderwijs en artikel 76u, tweede lid van de Wet op het
                  voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al><onderstreept>eigendomsoverdracht</onderstreept>: de eigendomsoverdracht als
                  bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76u van de
                  Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
              onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande
                  uit:</al><lijst><li nr="1°."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                      aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                      vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                      dezelfde locatie;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve
                  van de huisvesting van een school;</al></li><li nr=""><al>4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                  huisvesting van een school;</al></li><li nr=""><al>5° een terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1° tot
                  en met 4° omschreven voorziening;</al></li><li nr=""><al>6° inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover
                  deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                  gebracht;</al></li><li nr=""><al>7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van
                  rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr=""><al>8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een
                  andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs, bestaande uit een
                  of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs, bestaande uit één of
                  meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt
                  door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen
                  van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                  ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket
                  of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor
                  een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke
                  oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, sub a onder 1<sup>0</sup> en
              2<sup>0</sup> kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
              bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2, sub a genoemde voorzieningen onder
                1<sup>0</sup> tot en met 5<sup>0</sup> en 8<sup>0</sup>, of bij toekenning van
                bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van
                vaststelling uitgegaan van de hoogte van de feitelijk voorziene kosten per
                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 onder 6 en 7 gelden de genormeerde
                bekostigingsbedragen zoals vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                IV deel A.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de
                uitvoering van het bepaalde in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag met betrekking tot een voorziening als bedoeld in artikel 2, met
                    uitzon-dering van onderdeel c, wordt voor 1 februari van het jaar van
                    vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij
                    het college.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen, ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het
                    college niet in behandeling. Het college maakt het besluit om de aanvraag niet
                    te behandelen binnen 4 weken na ontvangst van de ingediende aanvraag aan de
                    aanvrager bekend.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 2 sub
                    c, dient te worden voorafgegaan door een technische- en ontvankelijkheidstoets
                    in het kader van het door het college vastgestelde Meerjaren Onderhouds
                    Plan.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>De betreffende voorziening dient in beginsel te zijn opgenomen in de
                    jaarschijf van het M.O.P., dat deel uitmaakt van het programma. De formele
                    aanvraag dient te worden ingediend in het kalenderjaar van de desbetreffende
                    jaarschijf van het M.O.P. Hiervoor geldt de procedure zoals nader beschreven in
                    artikel 15 b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige
                  aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten
                        behoeve</al><al> waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag
                    vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die
                        voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, voorzover het een
                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a onderdelen 1° tot en
                        met 5°;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                        gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                        onder a, 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een
                        voorziening betreft bestaande uit:</al></li></lijst></li></lijst><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw;</al><al>2° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs;</al><al>3° herstel van een constructiefout.</al><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening,
                    indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting indien de aanvraag
                    volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten bouwvoorbereiding als
                    bedoeld in artikel 27.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte
                        van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De
                        aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende
                        gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn
                        verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking
                        heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de
                        noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school
                        op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                        afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen
                        dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                        Indien het college het afschrift niet binnen een week na de wettelijke
                        teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                        aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het
                        afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in
                        te dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de termijn
                        bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet
                        in behandeling.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
                    ingevolge artikel 6 </al><al>en artikel 25 ingediende aanvragen, alsmede een overzicht van de voorzieningen
                    van de desbetreffende jaarschijf van het M.O.P. en geeft daarbij aan welke
                    aanvraag of aanvragen niet </al><al>in behandeling worden genomen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
                        lichten.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien het college van
                        oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te
                        worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder
                        vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen
                        overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het
                        college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan,
                        waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing
                        van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de
                        bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun
                        zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te
                        brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats vóór 15 september.
                        De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het
                        college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip
                        van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld
                        in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun
                        zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de
                        deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                        gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende,
                        schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college
                        op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                        gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad over
                        het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in
                        relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                        aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de
                        onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij
                        wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid
                        van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de
                        gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek
                        om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de
                        daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van
                        het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de
                        Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken
                        ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het
                        schriftelijk verslag van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo
                        spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen.
                        Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de
                        Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen
                        door het college bij de toezending van het afschrift van het advies
                        uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het
                        college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
                        afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken
                        plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                        gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit
                        toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt - als onderdeel van de gemeentebegroting - het
                        bekostigingsplafond vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de
                        aangevraagde voorzieningen, alsmede het budget voor de desbetreffende
                        jaarschijf van het M.O.P. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in
                        afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt het programma en het overzicht uiterlijk vast op 31
                        december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen, uitgezonderd de voorzieningen genoemd in
                        artikel 2 sub c, waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling
                        van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het
                        college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs
                        en de Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                        toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past
                        het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr=""><al>a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage
                            III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen
                        neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in
                        bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het
                        bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                        zijn.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het college de
                        raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van
                        de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor
                        zover van toepassing, door het college aangegeven:</al></li><li nr="a."><al>het geraamde bedrag dat gemoeid is met de uitvoering van de voorzieningen
                        als bedoeld in artikel 2 sub a onder 1<sup>o</sup> tot en met
                        5<sup>o</sup>;</al></li><li nr="b."><al>het genormeerde bedrag dat voor de uitvoering van de voorzieningen als
                        bedoeld in artikel 2 sub a onder 6<sup>o</sup> en 7<sup>o</sup> beschikbaar
                        wordt gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling
                        vangebouwen of lokalen. </al></li><li nr="4."><al>Eveneens tot het programma behoort de desbetreffende jaarschijf van het
                        door het college vastgestelde M.O.P. en het daarop gebaseerde budget, welke
                        bepalend is voor de indiening van aanvragen als bedoeld in artikel 2 sub c .
                        Hiervoor gelden de beoordelings-criteria als bedoeld in bijlage I.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
                        bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                        opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt
                        aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="3."><al>Op iedere individuele aanvraag als bedoeld in artikel 2 sub c neemt het
                        college een beslissing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr=""><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond,
                    het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van
                    vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de
                    aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering voorzieningen, uitgezonderd de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 sub c.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in
                    overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma
                    geplaatste voorziening, uitgezonderd de voorzieningen als bedoeld in artikel 2
                    sub c. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                    uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet
                        op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de
                        aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het
                        beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het
                        bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke
                        voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                        16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de
                        beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt dat op
                        opdracht onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen, zoals vastgelegd
                        in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing zijn.</al></li><li nr="2."><al> De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot
                        overeenstemmingheeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een
                        verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van
                        de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                        verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                        gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde
                        verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn
                        bereikt.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde
                        lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als
                        bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop
                        de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij
                        van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is
                        bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is
                        vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven
                        dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal
                        nemen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15b</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2 sub c</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het schoolbestuur neemt het initiatief voor overleg met de behandelend
                            ambtenaar over een in het vastgestelde Meerjaren Onderhouds Plan
                            opgenomen voorzieningen als bedoeld in artikel 2 sub c.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een termijn van 1 week na het verzoek als bedoeld in lid 1
                            vindt een ontvankelijk heidstoets en een beoordeling van de technisch
                            noodzaak van de voorziening plaats;</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot
                            overeenstemming heeft geleid, wordt schriftelijk vastgelegd in een
                            verslag van het overleg en binnen een week na afloop van het overleg ter
                            kennis gebracht van de aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk
                            instemt met het verslag of binnen een week na ontvangst nog niet
                            schriftelijk heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                            vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming is bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
                            lid is bereikt, wordt dit binnen een week nadat het verslag is
                            vastgesteld, schriftelijk gemeld aan de aanvrager. Daarbij wordt
                            aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                            aanvang zal nemen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het overleg tot overeenstemming heeft geleid dient het bevoegd
                            gezag de formele aanvraag in te dienen, voorzien van tenminste 2
                            offertes.</al></li><li nr="6."><al>Binnen 4 weken na indiening van de onder het vorige lid genoemde
                            aanvraag of binnen 4 weken nadat door de aanvrager de eventuele
                            ontbrekende gegevens alsnog zijn verstrekt wordt de beslissing
                            schriftelijk ter kennis gebracht van de aanvrager.</al></li><li nr="7."><al>Indien een beschikking niet binnen 4 weken kan worden gegeven, wordt
                            de aanvrager daarvan in kennis gesteld en wordt daarbij een redelijke
                            termijn genoemd waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                            gezien.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15a, derde lid, is bereikt
                        en vooraf-gaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager
                        met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de
                        bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming in bij het
                        college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de
                        instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                        waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling
                        daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                        binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                        met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door
                        de aanvrager aangegeven tijdstip.</al></li><li nr="3."><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                        begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen
                        twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
                        aanvrager.</al></li><li nr="4."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens
                        vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte
                        van de feiten en omstandig-heden ten tijde van de vaststelling van het
                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel
                        van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt
                        de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="5."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de
                        toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                        voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                        omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel van het
                        college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma
                        opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager
                        in het overleg als bedoeld in artikel 15a.</al></li><li nr="6."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting
                        blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als
                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De beslissing van het
                        college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling
                        van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="7."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in
                        artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager
                        met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel
                        15a, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                        voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken
                        na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar
                        wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip
                        waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                        weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                        gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met
                        de laagste prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of
                    artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                    neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen
                    plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                    zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen
                    voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste
                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet door
                        de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het
                        programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                        erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15
                        oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste volzin
                        bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het
                        werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                        werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                        onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                        inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                        vermeldt de datum van aankoop.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de
                        termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere
                        omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager
                        voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                        termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                        ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de
                        termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit
                        aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                        verlengd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de
              voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het
              college. Ten aanzien van aanvragen als bedoeld in artikel 2 onder c is de procedure
              als bedoeld in artikel 15 sub b van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7,
                          eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens
                          te verstrekken:</al></li><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de
                          huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                          aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die
                          voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, voor zover het een
                          voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                          1<sup>o</sup> tot en met 5<sup>o</sup>;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten (bestaande uit tenminste 2 offertes) gemoeid
                          metde uitvoering, indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                          artikel 4, eerste lid.</al></li></lijst><al>2.Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld
                      in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van
                      indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De
                      aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee
                      weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de
                      aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                      bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                      behandelen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist, uitgezonderd de aanvragen als bedoeld in artikel 2 sub
                      c, binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, of binnen vier weken nadat
                      de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen
                      twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                      schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven, stelt het
                      college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn
                      waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Voor de aanvragen als bedoeld in artikel 2 sub c geldt de procedure zoals
                      opgenomen in artikel 15 b.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft
                      vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het
                      onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                      onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden
                      van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met
                      betrekking tot: </al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III.</al></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening
                      dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk geraamd bedrag beschikbaar wordt gesteld, indien
                      het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, eerste lid. Bij de
                      beschikking stelt het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn
                      verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                      en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn
                      toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het
                      college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                      erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een
              vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de
              aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15a, 16 en 17 is
              daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
              termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken
              geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24a</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging aanvragen met een spoedeisend karakter, uitgezonderd de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 sub c (onderhoudsvoorzieningen)</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een
                      bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is
                      gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de
                      aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                      wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste
                      lid van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de
                      datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de
                      aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het
                      verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft
                      ingediend bij het college tot verlenging van de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat
                      het college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt,
                      noemt het college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                      Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het
                      verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                      oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24b</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging aanvragen met spoedeisend karakter, zijnde
                aanvragen als bedoeld in artikel 2 sub c (onderhoudsvoorzieningen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt, indien niet binnen de in artikel 23 genoemde
                termijn opdracht is gegeven om tot uitvoering van de werkzaamheden over te
                gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum
                veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die aan de aanvrager zijn toe te
                rekenen, en de aanvrager uiterlijk een week voor het verstrijken van deze datum een
                schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn heeft ingediend bij
                het college van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het
                college van burgemeester en wethouders op het verzoek heeft beslist. Indien het
                verzoek wordt ingewilligd, bepaalt het college van burgemeester en wethouders een
                nieuwe datum waarop de datum van beslissing op het verzoek vervalt. Indien het
                verzoek wordt afgewezen, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op
                  het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in
                  artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de
                  bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding
                  voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar
                  waarin de bekostiging wordt gewenst.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al></li><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de
                  voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet
                  aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien
                  het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. </al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de bekostiging
                  bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde
                  lid, laatste volzin.</al></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt
                  het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in
                  de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel
                  7, derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over
                  de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het bepaalde in artikel 9 van
                  overeen-komstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor bekostiging van
                  bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg
                  vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
                  Artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige
                  toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, een
                  beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al></li><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoor-bereiding
                  beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van
                  uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk bedrag de
                  kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de
                  aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de
                  aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                  ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                  maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen
                  rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig
                  toekomstig programma.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de aanvrager niet
              voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin het besluit is genomen,
              daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend
              informatie heeft verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein,
                bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend
                    volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die
                    school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                    uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                    huisvestingsvoor-ziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan
                    huisvesting kan worden voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school,
                    vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare
                    berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs, indien uit
                    de vergelijking van het aantal groepen zoals berekend op basis van bijlage III,
                    deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage
                    III, deel A, blijkt dat er ten minste één leslokaal niet nodig is voor de daar
                    gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs,
                    indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                    bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis
                    van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                    bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                    de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                    binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                    van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen
                    voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de
                    berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40
                    oplevert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel  </label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien
                    het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik
                    dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                    ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van
                    die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter
                    beschikking staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al></li><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een
                    school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                    vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde
                    richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij
                    hethoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen
                    daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen
                    volgorde afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand
                    in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                    bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag
                    waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg
                    als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel
                    11, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                    gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat
                    bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                    hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader
                    van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo
                    spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                    het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="5."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college
                    schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd
                    wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                    overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="6."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het tweede en
                    vierde lid, bevat in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                    gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt
                    of,</al></li><li nr="c."><al>indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                    dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                    medegebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg een
                vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt
                wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes
                groepen door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het
                ministerie van OCW.</al><al>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                recreatieve doeleinden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals
                    bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet
                    onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat
                    sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd
                    gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al></li><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdraagt resp. zich verdragen met het
                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                    ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke
                    vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid,
                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan
                    het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de
                    mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college
                    over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                    bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als
                    hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming
                    voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding
                    van de huurder, en van de bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al></li><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen
                    daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet
                    onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de
                  huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd,
                  doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                  ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde
                  staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                  gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                  achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat
                  tot de verantwoor-delijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de
                  eigendomsoverdracht heeft plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg
                  met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat
                  overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud
                  alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan
                  aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt,
                  stellen partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het
                  oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Bekostiging gymnastiekonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Vastgestelde modelbeleidsregel</titel></kop><al>Bepalingen omtrent de omvang en bekostiging van het gebruik van gymnastiekruimtes
              ten behoeve van het basisonderwijs zijn opgenomen in een daartoe door het college
              vastgestelde modelbeleidsregel. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, betreffende de uitvoering van deze verordening, waarin deze verordening
              niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
              normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen, als bedoeld in artikel 2 onder 6 en
              7, bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van
              prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><al>1.Voorzover de leerlingen van de scholen in de kern Wijhe zich voor het
              bewegings-onderwijs moeten verplaatsen, geschiedt dit via een verkeersveilige route.
              De bekostiging van het aangepast vervoer voor de groepen 3 en 4 van deze scholen wordt
              per 1 augustus 2012 beëindigd in het kader van heroverwegingsmaatregelen;</al><al><onderstreept>2. Op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden de
                scholen resp. schoolgebouwen geacht over voldoende capaciteit te
                beschikken.</onderstreept></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening kan worden aangehaald als:</al><al><vet>“Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Olst-Wijhe
                2012”</vet>.</al><al>2.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 augustus 2012, onder
              gelijktijdige intrekking van de “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
              gemeente Olst-Wijhe”, vastgesteld bij raadsbesluit van 28-5-2001, sedertdien
              gewijzigd.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 april 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>B.A. (Bart) Duursema A.G.J. (Ton) Strien</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden
          waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor bekostiging in aanmerking
          komt.</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen hierna genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.9c worden niet noodzakelijk
          geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden
          is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het
          college.</al><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
              aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
              een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
              vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
              leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
              een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
              vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
              kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="1."><al>2 Vervangende bouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
              gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid
              onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in
              kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor
              een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
              vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
              leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
              tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
              bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden
              verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van
              het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
              herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk
              is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude
          gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>1.3 Uitbreiding</al><al>1.1.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al>1.De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er tenminste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het
              gebouw of de gebouwen, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig
              is;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
              gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik
              bestemde uitbreiding deze groep(en) kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
              gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik
              bestemde uitbreiding deze groep(en) kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er
              één of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
              aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
              aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
              terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
              voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
              uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
              leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
              voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
              uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen
              kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 1250 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
              passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op
              korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks
              ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw
              of uitbreiding.</al></li></lijst><al/><al>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke
              behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of
              leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 1250 meter hemelsbreed kunnen
              voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 1250 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
              passende huisvesting voor de school te realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een
              nieuwe</al></li></lijst><al>tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
          beoordeling van het college.</al><al/><al>1.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het
          feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen
          toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
          noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het
          terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het
          feit dat de school , op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de
          aanvraag, uitgebreid wordt met tenminste één groep leerlingen en voor zo’n uitbreiding
          vóór 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er tenminste één groep leerlingen
          extra boven de capaciteit van het gebouw, als vastgesteld in bijlage III, deel A, aanwezig
          is.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
              geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A
              en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving;</al></li><li nr="d."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="e."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een
              traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
          desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
          noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school
          voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
          het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen afstoten
          blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het gebruik van een
          gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik
          bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
          onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. </al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de
          geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet worden
          opgeheven.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
          verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk
          is.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte
          leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende voorziening noodzakelijk
          is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk
          te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
          onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de
          prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
          vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden
          verwacht.</al><al>Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
          onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
          aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk
          is.</al><al>1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="·"><al>- Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk (renovatie
              activiteit)</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk (renovatie
              activiteit)</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen centrale verwarming (renovatie
              activiteit)</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="·"><al>- Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of een
          gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname
          zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het
          bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
              prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten
              minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose,
              die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier
              jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden
              gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet voor onderhoud in aanmerking.</al><al>1.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage
          waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in
          geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
          bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><tussenkop>2. School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2 en 2.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
          dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel
          het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
              aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
              een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
              vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
              leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
              een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
              vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
              kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname
              zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige conditie zijn
              dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
              opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
              blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
              bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen
              worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik
              bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
              aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen kan worden verwacht
              en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van
              het college;</al></li><li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
              herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk
              is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude
          gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>2.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien procent
              verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens de regels in
              bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en bijlage III, deel B - voor de
              ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
              II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
              bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding met een voor
              tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden
              verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
              gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1250 meter hemelsbreed een
              passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
              aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
              terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
              voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
              uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
              leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
          tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
          bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen
          worden verwacht en</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 1250 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
              passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op
              korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks
              ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw
              of uitbreiding.</al></li></lijst><al>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke
              behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of
              leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 1250 meter hemelsbreed kunnen
              voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 1250 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
              passende huisvesting voor de school te realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een nieuwe
              tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks
              ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al/><al/><al>2.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het
          feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen
          toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
          noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het
          terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al/><al>2.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat wanneer er
          sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van
          uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak
          op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en meubilair indien door
          middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
          hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het
          totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen.</al><al>2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal leerlingen
          heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De capaciteit wordt
          bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 2.3.a.</al><al/><al>2.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage
          waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al/><al>2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in
          geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
          bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al>2.11 Huur van een sportterrein</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag niet
              beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd
              gezag.</al></li></lijst><al/><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel></kop><tussenkop>Basisonderwijs</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in artikel
          7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25, derde lid onder f,
          wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren te starten met het gewenste
          jaar van bekostiging. In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud
          aangegeven van welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest
          dat voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl
          voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzake-lijk zijn om het gebouw te
          kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte termijn prognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de school
          of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding van het
              voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg
              van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
              woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school
              en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud en omvat in elk geval de bovenstaande
          gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het
          jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de
          leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij
          de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau.
          Voor het voortgezet onder-wijs kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens
          uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied
          worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en
          berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
          aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de
          prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. Het college is bevoegd onderscheiden naar
          onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet
          voldoen. </al><al>Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
          overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b
          van de “Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Olst-Wijhe”.</al><tussenkop>Berekeningsformulier prognosemodel huisvesting voortgezet onderwijs
          (VO)</tussenkop><tussenkop>Gegevens analyseperiode (zo mogelijk 6 jaar): </tussenkop><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="5*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="7*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="7*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="7*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> t-6</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> t-5</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>t -4</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet> t-3</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet> t-2</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet> t-1</vet></al></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = B</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> (A + B) / 2 = C</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1<sup>e</sup> leerjaar school</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = D</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> belangstellingspercentage:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> SD/SX * 100 = E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = F</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vermenigvuldigingsfactor:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> SF / SD = G</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> “t” is gewenst jaar start bouw</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Prognoseperiode</tussenkop><table><tgroup cols="10"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="7*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="8*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="14*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="16*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="8*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>PRIMOS-raming</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>t</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>t+1</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>t+2</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>t+3</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>t+4</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>t+5</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>t+6</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>t+7</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>t+8</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> belangstelling E</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vermenigvuldiging G</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al> t+9 </al></entry><entry colname="col3"><al> t+10 </al></entry><entry colname="col4"><al> t+11 </al></entry><entry colname="col5"><al> t+12 </al></entry><entry colname="col6"><al> t+13 </al></entry><entry colname="col7"><al> t+14</al></entry><entry colname="col8"><al> t+15</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = H</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> = I</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al> (H + I) / 2 = J</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> belangstelling E</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al> = K</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vermenigvuldiging G</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al> = L</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al> J * K * L = M</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In het voortgezet onderwijs bestaat er (nog) geen vastgesteld model dat ook in de vorm
          van software beschikbaar is. Daarom zijn de rekenregels zoals aangegeven in bijlage II
          onder 3 van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op dit formulier in schema
          gezet. Het is voor de nauwkeurigheid van de prognose van belang dat het schema wordt
          ingevuld voor alle gemeenten van waaruit leerlingen de vestiging waarvoor de prognose
          wordt gemaakt bezoeken. Het uiteindelijke prognoseresultaat is dan de som van de
          schoolbevolking (M) voor elk van de gemeenten in de jaren t tot en met t+15.</al><al>In de analyseperiode worden feitelijke gegevens gebruikt: het aantal 12 jarigen en het
          aantal 13-jarigen per 1 januari van de afgelopen zes jaar (zo mogelijk) en het aantal
          leerlingen in het eerste leerjaar en in de hele vestiging per 15 september/1 oktober
          daaraan voorafgaand. Bij fusies gedurende de analyseperiode wordt gehandeld, alsof de
          fusie aan het begin van die periode heeft plaatsgevonden.</al><al>Door de leerlingen in het eerste leerjaar te sommeren (-D) en te delen door de som van
          het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen (C) wordt het gemiddelde belangstellingspercentage
          (E) berekend. </al><al>De som van de schoolbevolking (F) gedeeld door de som van de leerlingen in het eerste
          leerjaar levert de gemiddelde vermenigvuldigingsfactor G op die in de prognoseperiode moet
          worden gebruikt. Bij veranderingen in gedoceerd onderwijs wordt de
          vermenigvuldigingsfactor over de drie meest recente jaren berekend.</al><al>In de prognoseperiode wordt voor de 12- en 13-jarigen gebruikgemaakt van de cijfers uit
          de meest recente PRIMOS-raming (die jaarlijks wordt gemaakt). De te verwachten
          schoolbevolking in de prognoseperiode ontstaat door het gemiddeld aantal 12- en13-jarigen
          te vermenigvuldigen met het belangstellingspercentage en de vermenigvuldigingsfactor.</al><al>NB: Mits gemeenten onderling niet te veel verschillen in toekomstige ontwikkeling van de
          12- en 13-jarigen, kunnen gemeenten van waaruit slechts enkele leerlingen de vestiging
          bezoeken worden samengenomen (hetgeen het rekenwerk enigszins beperkt).</al><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="·"><al>- deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="·"><al>- deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="·"><al>- deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="·"><al>- deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit</al><al><onderstreept>1. School voor basisonderwijs</onderstreept></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
              methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
              school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
              capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve
              van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en
              recreatieve doeleinden.</al><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met een
              permanente of tijdelijke bouwaard)</al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
              zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de <cursief>'Meetinstructie voor
                het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                onderwijs'</cursief>.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
              groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het aantal
              lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het
              aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan 42 m<sup>2</sup>.
              De speellokalen worden niet meegeteld. </al><al>Indien een deel van het gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en
              hiervoor geen (rijks-) vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit
              van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een
              gebouw is overge-dimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de
              capaciteitsbepaling van het gebouw op basis van het aantal groepen en normatieve
              capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is
              wordt, op basis van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2
              en 3 voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met
              een tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</vet></al><al><vet>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen worden
                gehuisvest</vet>:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="69*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>aantal groepen leerlingen </al></entry><entry colname="col2"><al>minimale bvo incl. m<sup>2</sup> bvo voor onderwijskund.vernieuwingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>350</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>465</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>580</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>900</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>1590</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> en vervolgens te verhogen met 115 m<sup>2</sup> ten behoeve van één groep
                        leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal wordt de minimale BVO
              opgehoogd met 90 m<sup>2</sup>.</al><al><vet>Permanente gebouwen basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden
                gehuisvest:</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>aantal groepen leerlingen </al></entry><entry colname="col2"><al>minimale bvo inclusief m<sup>2</sup> bvo voor onderwijskundige
                        vernieuwingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige
              huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>aantal groepen leerlingen </al></entry><entry colname="col2"><al>minimale bvo inclusief m<sup>2</sup> bvo voor onderwijskundige
                        vernieuwingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>305</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>410</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>710</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>815</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>920</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vervolgens telkens te verhogen met 115 m<sup>2</sup> t.b.v. één groep
                        leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende
              huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>aantal groepen leerlingen </al></entry><entry colname="col2"><al>minimale bvo inclusief m<sup>2</sup> bvo voor onderwijskundige
                        vernieuwingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>180</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>260</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>420</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vervolgens telkens te verhogen met 80 m<sup>2</sup> t.b.v. één groep
                        leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het werkelijke aantal lokalen afwijkt van het aantal groepen zoals
              vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal lokalen de capaciteit van het
              gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan het aantal groepen zoals
              vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte
              bepaald tussen de werkelijke BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen
              waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal
              m<sup>2 </sup>waarmee de BVO van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie
              vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de BVO op
              het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
              uitgebreid. </al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
              gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1,2 of 3. Voor
              de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 115
              m<sup>2</sup> BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een
              permanente bouwaard en van 80 m<sup>2</sup> per groep leerlingen indien sprake is van
              een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><al>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als
              eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
              leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening
              in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of
              een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen
              vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevens-administratie
              van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
              moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
              rangorde als volgt vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het
              meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel
              het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering
              plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie
              met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
              beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer
              scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de
              overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de
              huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
              krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
              vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg
              tussen bevoegd gzag en het college, het college anders beslist.</al><al>1.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
              percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is
              gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
              schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
              terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>1.5 Inventaris</al><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is, is gelijk
              aan het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket en meubilair noodzakelijk was bij
              de aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien na de inwerkingtreding van de WBO voor
              meer groepen inventaris is verstrekt, toont het college dit aan. Ingeval het bevoegd
              gezag van mening is, dat voor minder groepen inventaris is verstrekt, toont het
              bevoegd gezag dit aan.</al><al>Het hiervoor bedoelde aantal groepen dient te worden geconverteerd met behulp van
              onderstaande omrekentabel: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>ONDERWIJSLEERPAKKET</vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><vet>MEUBILAIR</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 2002</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 2002</al></entry><entry colname="col3"><al>&lt; 2002</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt; 2002</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry><entry colname="col4"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry><entry colname="col4"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry><entry colname="col4"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>2. School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
              vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="·"><al>- de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="·"><al>- het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="·"><al>- het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="·"><al>- het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
              vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de
              hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele,
              maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>2.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een
              tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
              zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de <cursief>'Meetinstructie voor
                het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                onderwijs'</cursief>.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
              werkplaatsen' moeten worden vastgelegd, indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in
              het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven
              'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden
              onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een
              deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel
              niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>2.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als
              eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
              leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening
              in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer
              dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde
              zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het Ministerie van Onderwijs,
              Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
              nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
              hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties
              met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit
              en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie
              met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
              overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders
              beslist.</al><al>2.3 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
              percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is
              gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de
              kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan
              wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
              vastgelegd.</al><al>2.4 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voor
              voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto vloeroppervlakte
              algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de
              basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al>1.School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Lesgebouwen</al><al>1.Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.
              Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een aanvraag voor opneming op
              het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor blijvend gebruik bestemde
              voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. </al><al>1.Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde
              voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de
              school uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van
              een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de
              bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b. De
              formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen
              formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en
              schoolgewicht (D).</al><al>1.<vet>a.</vet><vet> Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                blijvend gebruik </vet></al><al>1.<vet> bestemde voorziening voor een basisschool:</vet></al><al>1.G = (A + B + C) / 179 waarbij: </al><al>1.G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
              verkregen</al><al>1. getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. </al><al>1.A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande
              aan</al><al>1. elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
              ingeschreven,</al><al>1. vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal A wordt niet afgerond. </al><al>1.B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan
              elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
              vermenigvuldigd met 6,17. Het verkregen getal B wordt niet afgerond. </al><al>1.C = 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan</al><al>1.elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
              vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt
              de factor C op “0 “ bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond. </al><al>b.<vet>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                gebruik</vet></al><al>1.<vet>bestemde voorziening voor een basisschool:</vet></al><al>1.G = (A + B + C + D) / 179 + E + 0,5 F waarbij: </al><al>1.G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
              verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. </al><al>1.A = a. het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente
              teldatum 1</al><al>1. oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al>b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal</al><al>1.leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van 4
              tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de school is
              ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>1. B = a. het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente teldatum
              1</al><al>1. oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. </al><lijst><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal</al><al> leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van
                  8 </al><al> jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                  inge-</al><al> schreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al> C = a. 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum
                  1</al><al> oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). </al></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal</al><al> leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) 280 minus (het totaal</al></li></lijst><al>1.aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school
              is</al><al>1.ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze </al><al>1.berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal
              wordt</al><al>1.niet afgerond. </al><al>1. D = a. som van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de
              meest</al><al>1. recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, verminderd met 9% </al><al>1.van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op
              de</al><al>1.school is ingeschreven. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een</al><al>1.geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. </al><al>b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal</al><al>1.leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) som van de gewichten op basis
              van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de
              school is ingeschreven, verminderd met 9 % van het totaal aantal leerlingen dat op de
              datum van de meest recente telling op de school is ingeschreven. Het verkregen getal
              wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens
              vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de
              factor D op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>1.E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op
              basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs. </al><al>1.F = het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door de
              gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al><al>2.School voor voortgezet onderwijs</al><al>2.1 Lesgebouwen</al><al>2.Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
              Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van een
              instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te
              weten:</al><lijst><li nr="·"><al>1. een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="·"><al>2. een vaste voet.</al></li></lijst><al>2.ad 1 Een leerlinggebonden component</al><al>2.Deze wordt bepaald door aan de hand van in <vet>tabel 7.1.a</vet> Berekening van
              de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
              bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De
              leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector
              die de leerling volgt.</al><al>2.ad 2 Een vaste voet</al><al>2.De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in <vet>tabel 7.1.b</vet> Berekening
              van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
              onderwijs, opgenomen bruto vloeroppervlakten per instelling of sector. </al><al>2.De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
              onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het aantal
              leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de
              vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft,
              uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Het
              RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs, maar niet in een afzonderlijke
              normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Voor een onderbouwing
              van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen brutonormopper-vlakten wordt verwezen naar de
              toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van
              de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten
              binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al>2.<vet>Tabel 7.1.a. Berekening van de </vet><vet>leerlingafhankelijke</vet><vet>
                ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al> TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al> LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al> GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al> BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al> LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al> GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al> BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al> LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al> GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al> GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Legenda </al><al>2.TLW = theoretische leerweg LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>2.GLW = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>2.<vet>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                ruimtebehoefte VO</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.<vet><onderstreept>Legenda</onderstreept></vet></al><al>2.BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>2.De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
              toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op
              grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging
              in verband met spreidingsnood-zaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO.
              Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die sectoren waar de
              beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de
              beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die
              vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is.</al><al>2.2 Gymnastiekruimten</al><al>2.De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
              gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten vormen
              de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten
              behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>2.<vet>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.TLW = theoretische leerweg LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>2.GLW = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1<vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, nieuwbouw,
              dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen
              waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen
              wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen
                van de </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>. De omvang van
              de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel
              uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil
              tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
              is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1
              groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                <cursief>'Wijze van bepalen van de
                </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>. Indien in de
              gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen,
              zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het aantal m2
              behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien
              in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
              gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het
              bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van
              deze bijlage: '<cursief>De bepaling van de capaciteit'</cursief>. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
              gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van
              uitbreiding sec van het gebouw. Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt
              toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
              voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter
              vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de
              huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand
              gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
              bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de
              omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan
              wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat. De omvang van de goedgekeurde
              voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de
              omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen
              waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen
              wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:<cursief> 'Wijze van bepalen
                van de </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>. De omvang van
              de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
              medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
              huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
              is.</al><al><vet>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw,
              dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
              huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                <cursief>'Wijze van bepalen van de
                </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>. De omvang van de
              goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, uitbreiding, dan wel
              uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil
              tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan
              vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
              Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
              deel B van deze bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen van de
                </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>. Een tijdelijke
              voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend
              indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
              nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van
              een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting
              een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
              betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.
              Een tweede tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
              wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
              voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.
              Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte
              is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het
              aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw,
              wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw
              kan worden gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de
              verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: <cursief>'De bepaling
                van de capaciteit'</cursief>. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
              gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. De omvang van de
              goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald
              door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
              groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar
              noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
              bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen van de
                </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'.</cursief></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
              huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen
              waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar, noodzakelijk
              is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. De omvang van de voor
              tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door
              het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter
              dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van
              deze bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen van de
                </cursief><cursief>ruimtehoefte</cursief><cursief>'</cursief>.</al><al>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
              voorzieningen De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
              voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
              uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
              terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of
              krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde
              in bijlage III, deel D. Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor
              blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
              voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de
              eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen
              het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is
              bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
              voor het aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen,</al><al>zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest
              recente teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3
              van deel B van deze bijlage. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
              bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
              aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
              meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste
              aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf
              van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van het aantal ongewogen
              leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen van de
              aanvraag, meest recente teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
              paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage. Voor een basisschool wordt een toeslag
              onderwijsleerpakket tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een
              uitbreiding met een tweede speellokaal. Voor een basisschool wordt een toeslag
              meubilair tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een
              tweede speellokaal. </al><al>2 Voortgezet onderwijs</al><al>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw,
              dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen,
              waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende
              ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven
              in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
              uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding
              door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de
              ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
              vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
              ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat
              noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien
              jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel,
              zoals beschreven in deel B van deze bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen van de
                ruimtebehoefte'</cursief>.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
              huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
              behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het
              indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
              beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
              overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in
              de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw,
              dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
              huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. De
              ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven
              in deel B van deze bijlage<cursief>: 'Wijze van bepalen van de
                ruimtebehoefte'</cursief>.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
              uitbreiding, dan weluitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald
              door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen
              waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk
              is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het
              verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. </al><al>De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
              beschreven in deel B van deze bijlage: <cursief>'Wijze van bepalen van de
                ruimtebehoefte'</cursief>.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
              ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat
              noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vier jaar
              en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde
              capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
              Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage:<cursief> 'Wijze van
                bepalen van de ruimtebehoefte'.</cursief></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
              huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
              behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het
              indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
              beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
              overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in
              de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
              verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
              huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de
              met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
              ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimte-behoeftemodel zoals beschreven
              in deel B van deze bijlage:<cursief> 'Wijze van bepalen van de
                ruimtebehoefte'</cursief>.</al><al>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
              voorzieningen</al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
              terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
              noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij
              of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel
              voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen
              en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
              meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de
              huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
              meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke
              ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen
              de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor
              eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
              voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
              onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
              omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor
              de voortgang van het onderwijs.</al><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>-minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:</al><al>3 m<sup>2</sup>/leerling met een minimum van 300 m<sup>2</sup> netto, vanaf 200
              leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al><lijst><li nr="-"><al>een speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84
                  m<sup>2</sup>; vanaf de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum
                  netto oppervlakte van 84 m<sup>2</sup></al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m<sup>2</sup> netto;</al></li></lijst><al>2.School voor voortgezet onderwijs</al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="39*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="10*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="39*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al> 42 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col4"><al> 60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al> 50 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col4"><al> 80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al> 50 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col4"><al> 50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al> 50 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col4"><al> 50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al> 60 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> werkplaats:</al></entry><entry colname="col4"><al> 115 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al> 60 m2</al></entry><entry colname="col3"><al> restaurant:</al></entry><entry colname="col4"><al> 80 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3 Gymnastiekruimten</al><lijst><li nr="·"><al>- De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="·"><al>- De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
              was-/douchegelegenheid.</al><al>bijlage III-1 </al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
              schoolgebouwen in het primair onderwijs'</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt voor
              basisonderwijs volgens NEN 2580, met de volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="·"><al>De bruto-vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de
                  bruto-vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                  vloerniveaus. </al></li><li nr="·"><al>De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                  buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte.
                </al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de
                  bruto-vloeroppervlakte te worden gerekend. </al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige gymnastieklokalen
                  wordt toegerekend aan het lesgebouw. </al></li><li nr="·"><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                  gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                  scheidingsconstructie. </al></li><li nr="·"><al>Tot de bruto-vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                  voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Uitzonderingen</onderstreept></vet>: </al><lijst><li nr="·"><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                  bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend. </al></li><li nr="·"><al>Indien de bruto-vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de
                  netto-oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto-vloeroppervlakte
                  wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met
                  de factor 1,1. </al></li><li nr="·"><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                  andere ruimte, wordt de bruto-vloeroppervlakte bepaald door de
                  nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte ] 2,60 m te
                  vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al></li></lijst><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken,
              stencil-ruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
              bruto-vloeroppervlakte.</al><al><vet>Bijlage III – 2</vet></al><al><vet>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                </vet><vet>bruto-vloeroppervlakte</vet><vet> van de
                </vet><vet>school-gebouwen</vet><vet> in het voortgezet onderwijs'</vet></al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
              situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het Ministerie
              van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van alle
              tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt
              gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die
              de ruimten omhullen. Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                  vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5
                  m2.</al></li></lijst><al><onderstreept>Uitzonderingen</onderstreept>:</al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                  ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                  vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de
                  ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                  overdekt) en dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de
                  bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Financiële normering</titel></kop><al>In deze bijlage zijn genormeerde bedragen opgenomen betreffende de eerste inrichting met
          onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen, alsmede inrichting van meubilair.</al><al>Deze bedragen zijn voor het jaar 2010 aangepast conform de systematiek van
          prijsbijstelling en indexering, die is opgenomen in hoofdstuk 3. </al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.1 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit
          een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen zijn
          investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij uitbreiding wordt het uit te
          keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de
          school met en zonder uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al> € 36.144,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al> € 126,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2. School voor Voortgezet Onderwijs</tussenkop><al/><al>2.1 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
          hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet
          zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming
          ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
          overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is
          toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik
          aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is
          afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen
          tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
          vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van
          de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><tussenkop>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="54*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Functie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> Inventaris/m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>149,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al> (Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>348,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>213,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>286,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al> Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>365,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>708,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1.354,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde,
              uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek,
              installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><tussenkop>3. Indexering</tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1
          juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden
          moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen eerste inrichting leer- en hulpmiddelen, onderwijsleerpakket en
          meubilair wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het
          CBS-indexcijfer “Consumen-tenindex van alle huishoudens” (NR-reeks) gepubliceerd in de
          “Maandstatistiek van de prijzen” van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de
          maand juli van het daaraan vooraf-gaande jaar. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>1.Volgorde van hoofdprioriteiten</al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria,
          als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van
          het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te
              heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c.
              onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
              verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding
              inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten
              en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse
              eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen
          aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig
          creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein
          en de eerste inrichting. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de
          noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om
          een tekort aan capaciteit op te heffen.</al><al>Ad 2</al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw
          inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, herstel van
          constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de
          aanpassing 'vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair
          onderwijs vormen de tweede hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3</al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het (deels)
          inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen
          onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4</al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige
          inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van
          meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor
          zover dit niet spoedeisend is.</al><al/><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere
          volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
          hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een
          ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking
          komen, worden de subpriori-teiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen en vaklokalen/speellokalen.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten
          binnen het gebouw. Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
          voorzieningen aan het terrein.</al><lijst><li nr="2."><al>1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op
              basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
              aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief
              tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief
              tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief
              tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al>2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
              onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
              aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport
              zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt
              toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het
              bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
              kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal waarbij volgens het
              bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
              kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het bouwkundige
              rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit
              wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige
              rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit
              wordt toegekend.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al>3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of
              krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover deze geen
              capaciteitsuitbrei-ding betreffen' komt voor plaatsing op het programma in
              aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving
              en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid
              2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de
              wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
              bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal dat niet voldoet aan de wet-
              en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in
              artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de wet- en
              regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in
              artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet- en
              regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in
              artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al>4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
              onderwijs-kundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
              passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op het
              programma in aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen
              aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen leerlingen het hoogst
              is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage
              leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen waarbij het percentage
              leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt
              genomen waarbij percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt het
              hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden, waarbij de
              ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard,
              waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>