<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR159967_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Wmo-verordening gemeente Hollands Kroon 2012​</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hollands Kroon</dcterms:creator><dcterms:modified>2000-01-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hollands Kroon</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Schager Courant, 03-01-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Wmo-verordening gemeente Hollands Kroon 2012​</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wmo-uitvoeringsbesluit gemeente Hollands Kroon 2012Wmo-voorzieningenboek 2012​</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Agendapunt 15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wmo-uitvoeringsbesluit gemeente Hollands Kroon 2012</al><al>Wmo-voorzieningenboek 2012​</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Wmo-verordening gemeente Hollands Kroon 2012​</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><al>a.Wet:</al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning (wet van 29 juni 2006, gepubliceerd
                            in Staatsblad 351, en sindsdien gewijzigd.);</al><al>b.Compensatiebeginsel:</al><al>de algemene verplichting van het gemeentebestuur om personen met
                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen
                            van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen
                            zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                            participatie;</al><al>c.Persoon met beperkingen:</al><al>een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronische
                            psychische en psychosociale problemen aantoonbare beperkingen ondervindt
                            bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                            huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen
                            in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en
                            bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van
                            sociale verbanden;</al><al>d.Mantelzorger:</al><al>een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                            onder b. van de wet;</al><al>e.Zelfredzaamheid:</al><al>het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om
                            voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke
                            verkeer mogelijk maken;</al><al>f.Maatschappelijke participatie:</al><al>normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten: het voeren
                            van een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om
                            de woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting
                            wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                            vervoersystemen, het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                            onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het
                            lokale maatschappelijke leven;</al><al>g.Aanvrager:</al><al>degene die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een
                            aanvraag indient voor een voorziening zoals omschreven in deze
                            verordening, zijnde de belanghebbende of diens wettelijke
                            vertegenwoordiger;</al><al>h.Voorziening:</al><al>een voorziening om het huishouden te voeren, een woonvoorziening, een
                            vervoersvoorziening, een rolstoelvoorziening of een
                            sportvoorziening;</al><al>i.Algemene voorziening:</al><al>een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid,
                            een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                            adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                            ondervindt;</al><al>j.Individuele voorziening:</al><al>een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene
                            voorziening geen adequate oplossing biedt;</al><al>k.Voorziening in natura:</al><al>een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van
                            persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;</al><al>l.Financiële tegemoetkoming:</al><al>een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een voorziening in
                            plaats van een verstrekking in natura waarop de in deze verordening en
                            het Wmo-besluit te stellen regels van toepassing zijn;</al><al>m.Persoonsgebonden budget:</al><al>een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                            voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het
                            Wmo-besluit te stellen regels van toepassing zijn;</al><al>n.Eigen bijdrage:</al><al>een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking
                            van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget betaald
                            moet worden en waarop de regels van het Wmo-besluit en het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; </al><al>o.Algemeen gebruikelijk:</al><al>naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruikspatroon
                            dan wel het bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; </al><al>p.Meerkosten:</al><al>kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor
                            zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                            gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al><al>q.Huisgenoot:</al><al>iedere persoon met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een
                            woning bewoont;</al><al>r.Budgethouder:</al><al>een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden
                            budget is toegekend en die aan het college van de gemeente Hollands
                            Kroon verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                            verschuldigd is;</al><al>s. Wmo loket: het loket voor informatie en advies over
                            Wmo-aangelegenheden in de gemeente Hollands Kroon</al><al>t. Wmo-besluit:</al><al>het besluit van de gemeente Hollands Kroon waarin aanvullende
                            (financiële) bepalingen over de uitvoering van deze verordening zijn
                            opgenomen;</al><al>u.Besluit maatschappelijke ondersteuning:</al><al>de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) van 2 oktober 2006 (Staatsblad
                            450), gewijzigd bij besluit van 19 maart 2007 (Staatsblad 129), zoals
                            voorgedragen door de Staatssecretaris van Volkgezondheid, Welzijn en
                            Sport op 14-7-2006 met kenmerk DMO/SFI-2698621;</al><al>v.Wmo-voorzieningenboek:</al><al>door het college vastgestelde beleidsregels waarin het
                            voorzieningenbeleid van de gemeente in het kader van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning wordt weergegeven;</al><al>w.College:</al><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands
                            Kroon.</al><al>x.Norminkomen</al><al>de bedragen die het rijk vaststelt voor uitvoering van artikel 4.1. van
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Artikel 1.2Recht op een individuele voorziening</al><lijst><li nr=""><al>1.2.1 Een voorziening kan slechts worden toegekend voor
                                    zover:</al></li><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied
                                    van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de
                                    woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en/of bij
                                    het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale
                                    verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                    adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li><li nr=""><al>1.2.2 Geen voorziening wordt toegekend:</al></li><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                                    gebruikelijk is; </al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Hollands
                                    Kroon en niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke
                                    Basisadministratie;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van
                                    de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen; </al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op
                                    een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                    woningbouw; </al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van
                                    aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                    voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                    voorziening wordt aangevraagd; </al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    aanvrager voorafgaand aan het moment van aanvragen en/of datum
                                    van beschikken heeft gemaakt; </al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens een
                                    voorloper op deze verordening en de normale afschrijvingstermijn
                                    van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                    vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg
                                    van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                    rekenen; </al></li><li nr="h."><al>voor zover op grond van enig andere wettelijke regeling
                                    aanspraak op de voorziening bestaat.</al></li></lijst><al>1.2.3 Een voorziening kan worden geweigerd indien:</al><al> de voorziening leidt tot belemmering van de herstelmogelijkheden van de </al><al> ervaren beperkingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 2.1Keuzevrijheid</al><al>2.1.1 Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget.</al><al>2.1.2 Het college kan vaststellen in welke situaties de bij wet
                            verplichte keuze tussen deze voorzieningen als genoemd in het eerste lid
                            niet wordt geboden.</al><al>2.1.3 De criteria op basis waarvan het college het tweede lid toepast
                            worden uitgewerkt in het Wmo-voorzieningenboek en het Wmo-besluit.</al><al>Artikel 2.2Voorziening in natura</al><al>2.2.1 Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al><al>2.2.2 Wanneer de gemeente eigenaar is van de voorziening, is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            voor inwoners van de gemeente Hollands Kroon van toepassing.</al><al>Artikel 2.3Financiële tegemoetkoming</al><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Wmo-besluit in de
                            beschikking opgenomen.</al><al>Artikel 2.4Persoonsgebonden budget</al><lijst><li nr=""><al>2.4.1 Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6
                                    van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                    van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van
                                    de in de desbetreffende situatie goedkoopst adequate te
                                    verstrekken voorziening in natura, inclusief kosten van
                                    instandhouding.</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld,
                                    wordt door het college vastgelegd in het Wmo-besluit.</al></li></lijst><al>2.4.2 De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                            omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.
                            Toekenning vindt plaats per kalenderjaar, tenzij het de aanschaf van een
                            concreet product betreft.</al><al>2.4.3 Bij de beschikking wordt een Programma van Eisen gericht op doel
                            en besteding verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met
                            het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening ten minste dient te
                            voldoen.</al><lijst><li nr=""><al>2.4.4 Na aanschaf van de voorziening waarvoor het
                                    persoonsgebonden budget verstrekt is, dan wel na afloop van de
                                    periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is,
                                    wordt aan het college door de budgethouder, voor zover van
                                    toepassing, verstrekt:</al></li><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; </al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al></li><li nr="d."><al>een en ander volgens de voorschriften zoals in het Wmo-besluit
                                    zijn opgenomen.</al></li></lijst><al>2.4.5 Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt
                            door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het
                            persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te
                            verrekenen.</al><al>Artikel 2.5Eigen bijdragen</al><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de
                            verordening is de aanvrager een (maximale) eigen bijdrage verschuldigd
                            als bedoeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (de AMvB), ten
                            aanzien van hulp bij het huishouden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 3.1Voorzieningen in hulp bij het huishouden</al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst><al>Artikel 3.2Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</al><al>3.2.1 Een persoon met beperkingen heeft recht op hulp bij het huishouden
                            indien de beperkingen van de persoon het zelf uitvoeren van een of meer
                            huishoudelijke taken onmogelijk maakt en algemene hulp als bedoeld onder
                            artikel 3.1 onder a. en/of de inschakeling van mantelzorg die in
                            noodzakelijke hulp voorziet geen oplossing biedt om de beperking snel en
                            adequaat op te lossen.</al><al>3.2.2 Een mantelzorger kan voor hulp bij het huishouden in aanmerking
                            komen indien de mantelzorger overbelast wordt en er geen herverdeling
                            van mantelzorgtaken mogelijk is.</al><al>Artikel 3.3Gebruikelijke zorg</al><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon met
                            beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als een
                            huisgenoot in staat is of moet worden geacht het huishoudelijk werk te
                            verrichten.</al><al>Artikel 3.4Omvang van de hulp bij het huishouden</al><al>3.4.1 De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt
                            uitgedrukt in uren. De indicatiecriteria, de omvang en het
                            kwaliteitsniveau van de hulp zijn opgenomen in het
                            Wmo-voorzieningenboek.</al><al>3.4.2Het uurtarief op basis waarvan het persoonsgebonden budget als
                            bedoeld in artikel 3.4.1 wordt berekend, wordt jaarlijks bepaald en
                            vastgelegd bij het Wmo-besluit. </al><al>Artikel 3.5Berekeningswijze </al><al>De afronding van de omvang van de hulp op basis van indicatiestelling
                            geschiedt in halve uren naar boven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 4.1Definities van woonvoorzieningen</al><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><al>a.Hoofdverblijf:</al><al>de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de
                            persoon met beperkingen zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft en in
                            de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven;</al><al>b.Gemeenschappelijke ruimte:</al><al>gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de woning, bestemd en
                            noodzakelijk om de woonruimte van de persoon met beperkingen vanaf de
                            toegang van het woongebouw te bereiken;</al><al>c.Woonwagen:</al><al>voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat
                            in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;</al><al>d.Standplaats:</al><al>een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
                            voorzieningen aanwezig zijn om op het leidingnet van de openbare
                            nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
                            aangesloten en waarop de woonwagen het gehele jaar door bewoond mag
                            worden;</al><al>e.Woonschip:</al><al>elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te
                            oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak
                            bestemd is tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen;</al><al>f.Ligplaats:</al><al>een door de gemeente aangewezen ligplaats welke door een woonschip wordt
                            ingenomen.</al><al>Artikel 4.2Vormen van woonvoorzieningen</al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                            woonvoorzieningen</al><al>4.3.1 Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.2 onder a.
                            vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien deze
                            beperkingen een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de
                            algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.</al><al>4.3.2 Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.2 onder b.,
                            c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in
                            het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                            snelle en adequate oplossing leidt.</al><al>Artikel 4.4Soorten individuele woonvoorzieningen</al><al>De in artikel 4.2 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming, voor de aanbouw of inbouw van een
                                    slaapkamer en of badkamer, in de vorm van een renteloze lening
                                    onder verband van een hypotheek;</al></li><li nr="c."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een woonvoorziening van niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    aard; </al></li><li nr="e."><al>een losse woonunit; </al></li><li nr="f."><al>onderhoud, keuring en reparatie van technische
                                    voorzieningen;</al></li><li nr="g."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="h."><al>huurderving;</al></li><li nr="i."><al>verwijderen van voorzieningen;</al></li><li nr="j."><al>uitraasruimte.</al></li></lijst><al>Artikel 4.5Primaat van verhuizing</al><al>4.5.1 Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                            in artikel 4.4 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer deze
                            beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren.</al><al>4.5.2 Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                            in artikel 4.4 onder b. in aanmerking worden gebracht indien de aanbouw
                            of inbouw meer bedraagt dan € 20.000,-. De voorwaarden hiertoe worden
                            nader uitgewerkt in het Wmo-besluit.</al><al>4.5.3 Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                            in artikel 4.4 onder c. tot en met i. in aanmerking worden gebracht
                            wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of
                            niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al><al>4.5.4 De persoon met beperkingen is zelf verantwoordelijk voor het
                            verwerven van vervangende woonruimte als een woonvoorziening als genoemd
                            in artikel 4.4 onder a. als de meest adequate voorziening is aangewezen.
                            Er is alleen sprake van adequate vervangende woonruimte als deze binnen
                            een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van het
                            besluit op de ingediende aanvraag, beschikbaar is. De termijn van twaalf
                            maanden kan worden verlengd wanneer er niet actief naar andere
                            woonruimte is gezocht. </al><al>4.5.5 De in artikel 4.5.4 bedoelde vervangende woonruimte hoeft niet
                            noodzakelijkerwijze te liggen in de huidige woonkern van belanghebbende.
                            Bij een afweging van alle bij de beslissing betrokken belangen kan het
                            college ook een buiten deze kern beschikbare aangepaste woning als
                            adequaat bestempelen. Deze aangepaste woning dient zich echter wel
                            binnen de gemeente te bevinden. Verhuizen naar een aangepaste woning
                            buiten de gemeente op basis van vrijwilligheid is wel toegestaan. </al><al>4.5.6 Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                            in artikel 4.4 onder j. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is
                            van een op basis van deze beperkingen aanwezige gedragsstoornis met
                            ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen
                            afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan
                            komen.</al><al>Artikel 4.6Beperkende bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>4.6.1 De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op
                                    het treffen van voorzieningen aan:</al></li><li nr="a."><al>hotels en pensions;</al></li><li nr="b."><al>woonwagens zonder vaste staanplaats;</al></li><li nr="c."><al>vakantiewoningen;</al></li><li nr="d."><al>tweede woningen;</al></li><li nr="e."><al>kamers die zelfstandig verhuurd worden;</al></li><li nr="f."><al>verzorgingshuizen / verpleeghuizen;</al></li><li nr="g."><al>specifiek op personen met beperkingen en/of ouderen gerichte
                                    woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                    worden; en</al></li><li nr="h."><al>andere niet-zelfstandige woonruimten.</al></li></lijst><al>4.6.2 De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op
                            gevraagde aanpassingen in de nieuw op te leveren woningen en/of
                            wooncomplexen voor zover het gaat om verhoogde toiletpotten, het
                            egaliseren van ruimten en/of het verwijderen van drempels en het
                            toegankelijk maken van balkons, tuinen, verbreding van deuren,
                            aanbrengen van automatische deuropeners en alle andere gelijksoortige
                            aanpassingen welke onder de vigerende opvattingen direct bij de
                            oplevering hadden kunnen worden aangebracht.</al><lijst><li nr=""><al>4.6.3 Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming
                                    in de verhuis- en herinrichtingskosten indien de persoon met
                                    beperkingen niet meer in staat is om de te verlaten woonruimte
                                    normaal te gebruiken en als hij:</al></li><li nr="a."><al>niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="b."><al>niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt
                                    is het hele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="c."><al>niet verhuisd is naar een AWBZ-inrichting, een specifiek voor de
                                    doelgroep ingericht woonzorgcomplex; </al></li><li nr="d."><al>verhuisd is op een moment dat op basis van leeftijd,
                                    gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing zonder beperkingen
                                    algemeen gebruikelijk geacht zou zijn.</al></li></lijst><al>4.6.4 Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                            kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel 4.4
                            onder f. indien de woonvoorziening in het kader van de onderhavige
                            verordening dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                            Gehandicapten is verleend, mits de persoon met beperkingen ten tijde van
                            het onderhoud, de keuring of de reparatie de woonruimte als
                            hoofdverblijf bewoont, dan wel als er sprake is van een bezoekbaar
                            gemaakte woning.</al><al>4.6.5 Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op
                            woningaanpassingen die integraal onderdeel uitmaken van een woning en/of
                            aard- en nagelvast zijn aangebracht, omdat in deze situatie het
                            onderhoud voor rekening van de woningeigenaar komt.</al><al>Artikel 4.7Weigeren van een woonvoorziening</al><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.4 wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het
                                    normale gebruik van de oude woning ten gevolge van ziekte of
                                    gebrek geen aanleiding bestond;</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                    haar beperking op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                    tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
                                    college;</al></li><li nr="c."><al>de tegemoetkoming is aangevraagd nadat de verhuizing heeft
                                    plaatsgevonden, tenzij, binnen drie maanden na vestiging, alsnog
                                    vastgesteld kan worden dat de verhuizing voldoet aan de
                                    voorwaarden genoemd in artikel 4.6.3;</al></li><li nr="d."><al>de ondervonden beperkingen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen;</al></li><li nr="e."><al>de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger
                                    niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.</al></li></lijst><al>Artikel 4.8Hoofdverblijf en bezoekbaar maken</al><al>4.8.1 Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                            gemaakte kosten van aanpassen indien de persoon met beperkingen zijn
                            hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening
                            wordt getroffen.</al><al>4.8.2 In afwijking van het in het eerste lid gestelde kan een financiële
                            tegemoetkoming worden verleend voor het aanpassen van één woning als de
                            persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een
                            AWBZ-inrichting.</al><al>4.8.3 De financiële tegemoetkoming betreft slechts een tegemoetkoming in
                            de kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde
                            woonruimte met een maximum van de vergoeding die wordt verleend als
                            tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting op grond van
                            deze verordening.</al><al>4.8.4 Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon
                            met beperkingen, de te bezoeken woonruimte, de woonkamer en een toilet
                            kan bereiken. </al><al>4.8.5 De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen
                            woning zich bevindt.</al><al>Artikel 4.9Gemeenschappelijke ruimten</al><al>4.9.1 De eigenaar van een woning is primair verantwoordelijk voor het
                            aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten als de
                            persoon met beperkingen zonder deze voorziening niet in staat zou zijn
                            de woning te bereiken.</al><lijst><li nr=""><al>4.9.2 In afwijking van artikel 4.9.1 en van artikel 4.8.1 kan
                                    het college een financiële tegemoetkoming in de kosten verlenen
                                    als weigering van de aanvraag niet redelijk en billijk is gezien
                                    de individuele persoonlijke omstandigheden. In die situatie is
                                    er ruimte voor het treffen van uitsluitend de volgende
                                    voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten:</al></li><li nr="a."><al>automatische deuropeners;</al></li><li nr="b."><al>hellingbanen;</al></li><li nr="c."><al>een tweede trapleuning.</al></li></lijst><al>4.9.3 Tot de financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid
                            worden mede de kosten van periodiek onderhoud aan die voorziening
                            begrepen.</al><al>4.9.4 Een voorziening als bedoeld in artikel 4.9.2 wordt verleend ten
                            behoeve van de in de woning woonachtige persoon met beperkingen. Als
                            deze persoon niet langer in de woning woonachtig is, dan wel de noodzaak
                            tot voortzetting van de voorziening is komen te vervallen, dan is het
                            college bevoegd de aangebrachte voorziening te verwijderen dan wel het
                            in het derde lid genoemde onderhoud te staken.</al><al>4.9.5. De in artikel 4.9.2 genoemde financiële tegemoetkoming wordt
                            slechts verstrekt indien de eigenaar van de woning, dan wel de
                            Vereniging van Eigenaren schriftelijk verklaard heeft geen bezwaar tegen
                            het aanbrengen van de voorziening te hebben.</al><al>Artikel 4.10Aanpassing van een woonwagen</al><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                            aanpassingskosten aan een woonwagen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                    aanpassing van de woonwagen bij de gemeente op een vaste
                                    standplaats stond;</al></li><li nr="b."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt;</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit is van een
                                    woonvergunning als bedoeld in de Woningwet.</al></li></lijst><al>Artikel 4.11Aanpassing van een woonschip</al><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                            aanpassingskosten van een woonschip indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip ten tijde van
                                    indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar is; </al></li><li nr="b."><al>het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag nog
                                    minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen (met
                                    aanlegvergunning).</al></li></lijst><al>Artikel 4.12Gemaximeerde vergoeding voor aanpassing aan woonwagens en
                            woonschepen in verband met een beperkte technische levensduur of het
                            opheffen van stand- of ligplaats </al><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip ten
                            tijde van de indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de
                            standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in
                            aanmerking komt of het woonschip niet ten minste nog vijf jaar op de
                            ligplaats mag liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten het bedrag
                            dat wordt verleend als tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en
                            herinrichting op grond van deze verordening. </al><al>Artikel 4.13Aanpassing van een binnenschip</al><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                            aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking
                            heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde
                            gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid onderdeel
                            V, van het Binnenschepenbesluit (Staatsblad 1987, 466), van een
                            binnenschip, dat:</al><lijst><li nr="a."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het
                                    Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze
                                    omschreven in de maatregel te boekgestelde schepen 1992; en</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van goederen,
                                    daarbij volgens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit
                                    binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton
                                    hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de
                                    in de aanhef bedoelde.</al></li></lijst><al>Artikel 4.14Tijdelijke huisvesting</al><lijst><li nr=""><al>4.14.1 Het college kan een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van tijdelijke huisvesting verlenen die door de persoon
                                    met beperkingen moeten worden gemaakt in verband met het
                                    aanpassen van: </al></li><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de door de persoon met beperkingen nog te betrekken
                                    woonruimte.</al></li></lijst><al>4.14.2 De in het eerste lid bedoelde financiële tegemoetkoming wordt
                            uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten
                            gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan
                            worden en de persoon met beperkingen als gevolg daarvan voor dubbele
                            woonlasten komt te staan.</al><al>4.14.3 Het college verleent maximaal zes maanden een financiële
                            tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in
                            het eerste lid, tenzij sprake is van aantoonbare overmacht.</al><al>Artikel 4.15Huurderving</al><al>4.15.1 Ingeval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die
                            voor meer dan € 10.000,= is aangepast, kan het college een financiële
                            tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met
                            verlies van huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden.</al><al>4.15.2 De hoogte van de financiële tegemoetkoming als bedoeld onder lid
                            1 is afhankelijk van de kale huur van de woonruimte, met een maximum van
                            het maximale bedrag waarbij huurtoeslag wordt verstrekt. </al><al>Artikel 4.16Terugbetaling bij verkoop (Anti-speculatiebeding)</al><al>4.16.1 De eigenaar/bewoner, die krachtens deze verordening een
                            woonvoorziening anders dan als bedoeld in artikel 4.5.2 heeft ontvangen
                            die leidt tot waardestijging van de woning en die binnen een periode van
                            vijf jaar na de datum van gereed melding van de werkzaamheden de woning
                            verkoopt, is gehouden om binnen een week na het passeren van de akte het
                            college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De meerwaarde die
                            door het treffen van de voorziening is ontstaan, dient volgens het in
                            het Wmo-besluit vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                            terugbetaald.</al><al>4.16.2 Bij verschil van mening tussen de gemeente en de woningeigenaar
                            over de juiste vaststelling van de meerwaarde, wordt door de gemeente en
                            de woningeigenaar een objectieve externe deskundige aangewezen die
                            daarover een rapport opstelt. De kosten van het onderzoek worden
                            verdeeld tussen de gemeente en de woningeigenaar.</al><al>Artikel 4.17Frequentie van de aanpassingen </al><al>4.17.1 Het college past een woning aan als daartoe aanleiding bestaat op
                            gronden die in de wet of deze verordening worden genoemd.</al><lijst><li nr=""><al>4.17.2 Op een verzoek om vernieuwing dan wel vervanging van een
                                    bestaande aanpassing aan een woning wordt alleen positief
                                    beslist als:</al></li><li nr="a."><al>de verstrekte voorziening een dusdanige levensduur heeft bereikt
                                    dat vervanging goedkoper is dan onderhoud en het vervangen van
                                    defecte onderdelen; of</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een medische noodzaak vanwege veranderingen in
                                    de ergonomische belemmeringen van belanghebbende. </al></li><li nr="4."><al>17.3 Bij verhuizing vanuit een aangepaste woning naar een
                                    niet-aangepaste woning wordt op een verzoek om een
                                    woningaanpassing alleen positief beslist als de persoon met
                                    beperkingen voldoet aan één van de hieronder genoemde
                                    punten:</al></li><li nr="a."><al>de verstrekte voorziening in de te verlaten woning een dusdanige
                                    levensduur heeft bereikt dat vervanging goedkoper is dan
                                    onderhoud en het vervangen van defecte onderdelen;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van noodzaak om te verhuizen naar een andere woning
                                    vanwege het aanvaarden van een werkkring elders door
                                    belanghebbende of diens echtgenoot of partner, op een dusdanige
                                    afstand van de huidige woonplaats, waardoor het reizen tussen
                                    woon- en werkplaats niet langer verantwoord is, gelet op de
                                    gezondheidssituatie van de belanghebbende, terwijl door het
                                    aanvaarden van werk elders in het land (dreigende) werkloosheid
                                    wordt voorkomen;</al></li><li nr="c."><al>de nieuw te betrekken woning ergonomisch het meest geschikt is
                                    voor belanghebbende;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente vooraf schriftelijk heeft ingestemd met de keuze van
                                    de nieuwe woning en aansluitend met het daadwerkelijk bewonen
                                    daarvan;</al></li><li nr="e."><al>de resterende noodzakelijke aanpassingen aan de nieuwe woning
                                    niet duurder zijn dan de hoogte van de te vervangen aanpassingen
                                    in de te verlaten woning; of</al></li><li nr="f."><al>de resterende noodzakelijke aanpassingen niet duurder zijn dan
                                    de dan geldende vergoeding voor verhuizing en
                                    herinrichting.</al></li></lijst><al>Artikel 4.18Gereedmelding van woningaanpassingen</al><al>In het Wmo-besluit wordt geregeld op welke wijze gereed melding van
                            woningaanpassingen en de controle daarop plaatsvindt.</al><al>Artikel 4.19Verhuis- en herinrichtingskosten</al><lijst><li nr=""><al>4.19.1 Het college kan een financiële tegemoetkoming in de
                                    verhuis- en herinrichtingskosten, als bedoeld in artikel 4.4
                                    onder a., verlenen aan: </al></li><li nr="a."><al>de persoon met beperkingen;</al></li><li nr="b."><al>een persoon die op verzoek van de gemeente de woonruimte heeft
                                    ontruimd.</al></li></lijst><al>4.19.2 Het college verleent alleen dan een financiële tegemoetkoming als
                            dat, ten opzichte van aanpassing van de te verlaten woning, de
                            goedkoopst adequate voorziening is. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 5.1Vervoersvoorzieningen</al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening, kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 5.2Het recht op een vervoersvoorziening</al><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 vermelde
                            voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten gevolge van deze beperking langdurig een loopafstand heeft
                                    van minder dan 800 meter in 30 minuten;</al></li><li nr="b."><al>ten gevolge van andere lichamelijke en/of geestelijke
                                    belemmeringen langdurig niet in staat is zelfstandig gebruik te
                                    maken van het openbaar vervoer.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3Het primaat van een algemene vervoersvoorziening</al><al>5.3.1 Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onder a.
                            vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer hij recht
                            heeft op een vervoersvoorziening en voldoet aan de criteria zoals
                            omschreven in artikel 5.2 en een algemene vervoersvoorziening een snelle
                            en adequate oplossing biedt.</al><lijst><li nr=""><al>5.3.2. Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1
                                    onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking komen
                                    indien:</al></li><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1
                                    onder a. onmogelijk maken dan wel;</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1 onder a. niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst><al>Artikel 5.4De vervoersbehoefte rond de eigen woning</al><al>5.4.1Als de persoon met beperkingen niet in staat is op eigen kracht
                            noodzakelijke voorzieningen rond de woning te bereiken wordt een
                            vervoersvoorziening aangeboden. </al><lijst><li nr=""><al>5.4.2Op basis van een daartoe strekkende indicatie kan een van
                                    de volgende voorzieningen worden verstrekt: </al></li><li nr="a."><al>een driewielfiets of een aan de beperkingen van belanghebbende
                                    aanpassing aan een fiets; </al></li><li nr="b."><al>een elektrisch aangedreven vervoermiddel;</al></li><li nr="c."><al>een open buitenwagen;</al></li><li nr="d."><al>een gesloten buitenwagen; </al></li><li nr="e."><al>een aanpassing voor de rolstoel zodat deze als handbike te
                                    gebruiken is;</al></li><li nr="f."><al>een ander verplaatsingsmiddel.</al></li></lijst><al>5.4.3In overleg met de persoon met beperkingen kan een voorziening, als
                            genoemd in lid 2, worden ingeruild tegen een aanpassing van een eigen
                            auto, als die verstrekking een goedkopere voorziening is en als adequaat
                            is beoordeeld.</al><al>5.4.4Indien de aanpassing van de eigen auto, als bedoeld in het derde
                            lid, geen goedkopere voorziening is dan de in het tweede lid omschreven
                            voorziening, kan het college besluiten toch een tegemoetkoming in de
                            kosten van de autoaanpassing te verstrekken. De hoogte daarvan is gelijk
                            aan het bedrag dat gemoeid zou zijn met de aanschaf van de in het tweede
                            lid genoemde goedkoopst adequate voorziening.</al><al>5.4.5De afstand die de persoon met beperkingen kan afleggen rond de
                            eigen woning, met een van de in het tweede lid genoemde voorzieningen,
                            wordt vastgesteld op 500 kilometer per kalenderjaar.</al><al>Artikel 5.5De vervoersbehoefte in de rond de woonplaats gelegen
                            regio</al><al>5.5.1 Als is vastgesteld dat de persoon met beperkingen voldoet aan een
                            van de in artikel 5.2 gestelde criteria en als deze een aanvullende
                            vervoersbehoefte heeft, komt deze persoon in aanmerking voor een budget
                            waarmee hij zijn eigen vervoer kan bekostigen.</al><lijst><li nr=""><al>5.5.2 De omvang van een vervoersbudget wordt vastgelegd in het
                                    Wmo-besluit. Het budget wordt berekend op basis van:</al></li><li nr="a."><al>een straal van 30 kilometer vanaf het huisadres van de
                                    belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>1.500 kilometer per kalenderjaar als de belanghebbende tevens
                                    beschikt over een voorziening als bedoeld in artikel 5.4;</al></li><li nr="c."><al>2.000 kilometer per kalenderjaar als de belanghebbende niet
                                    beschikt over een voorziening als bedoeld in artikel 5.4.</al></li></lijst><al>5.5.3 Het is de persoon met beperkingen niet toegestaan het in het
                            eerste lid genoemde budget te besteden aan een ander doel dan waarvoor
                            het verstrekt is.</al><al>5.5.4 Een budget wordt toegekend aan een persoon. Indien op een
                            woonadres meerdere personen zijn geïndiceerd zal aan ieder een budget
                            worden toegekend op basis van de persoonlijke omstandigheden. </al><al>5.5.5 Een vervoersbudget kan slechts worden toegekend indien het
                            verzamelinkomen van de belanghebbende(n) minder bedraagt dan het
                            norminkomen. Dit artikel blijft buiten toepassing voor personen die voor
                            hun vervoer uitsluitend afhankelijk zijn van het gebruik van een
                            rolstoeltaxi.</al><al>Artikel 5.6Uitbetaling van het vervoersbudget</al><al>5.6.1 In het Wmo-besluit staan nadere regels over de uitbetaling van het
                            vervoersbudget.</al><al>5.6.2 Het college kan de persoon met beperkingen verzoeken een
                            verklaring af te leggen over het aantal verreden kilometers en de
                            gekozen vervoersvorm.</al><al>5.6.3 Het staat de persoon met beperkingen vrij om de beschikbaar
                            gestelde vervoerskilometers naar eigen inzicht op te nemen. Als
                            bovengrens geldt daarbij het maximum aantal kilometers per
                            kalenderjaar.</al><al>Artikel 5.7Een andere noodzakelijke vervoersvoorziening</al><al>5.7.1 Als er sprake is van dusdanige specifieke omstandigheden dat
                            vervoer per regulier vervoermiddel noch rolstoelgebonden vervoer een
                            mogelijkheid is, dan zal het college in samenspraak met de persoon met
                            beperkingen een passende oplossing zoeken om daarmee te voldoen aan de
                            in de wet neergelegde compensatieplicht.</al><al>5.7.2 Het college bepaalt dat een specifieke, individuele
                            vervoersvoorziening als bedoeld in het eerste lid, bij een inkomen dat
                            gelijk is aan of meer bedraagt dan het norminkomen, gezien wordt als
                            algemeen gebruikelijk en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.
                            Uitwerking van deze begrippen vindt plaats in het Wmo-besluit.</al><al>5.7.3 Als zich een situatie voordoet als bedoeld in het tweede lid
                            verstrekt het college voor een door de persoon met beperkingen zelf
                            aangeschaft vervoermiddel de noodzakelijke aanpassingen, waarbij zoveel
                            mogelijk rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de
                            persoon met beperkingen.</al><al>5.7.4 Niet tot aanpassingen, als bedoeld in het derde lid, worden
                            gerekend die optionele mogelijkheden die algemeen gebruikelijk zijn en
                            door de fabrikant in opdracht van de persoon met beperkingen en op diens
                            kosten kunnen worden aangebracht.</al><al>Artikel 5.8Vervoersvoorziening voor bewoners van AWBZ-instellingen</al><al>5.8.1 Een persoon met beperkingen is voor uitvoering van deze regeling
                            ook degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 9 lid
                            1 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.</al><al>5.8.2 Het voorgaande lid is slechts van toepassing op instellingen die
                            gevestigd zijn in de gemeente Hollands Kroon.</al><al>5.8.3 Het Voorzieningenboek maatschappelijke ondersteuning is ook van
                            toepassing voor de persoon met beperkingen die verblijft in een
                            instelling die voldoet aan de voorwaarden van lid 1 en 2 van dit
                            artikel.</al><al>5.8.4 De vervoersvoorziening als omschreven in artikel 5.3 van dit
                            hoofdstuk geldt als primaat voor de persoon als bedoeld in lid 1.</al><al>5.8.5 De vervoersvoorziening als omschreven in artikel 5.5 van dit
                            hoofdstuk moet </al><al>belanghebbende tenminste in staat stellen om in zijn of haar directe
                            woonomgeving in aanvaardbare mate zelfredzaam te zijn en in aanvaardbare
                            mate maatschappelijk te participeren.</al><al>5.8.6 De vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 5.5 kan met een
                            toeslag worden verhoogd indien sprake is van noodzakelijke begeleiding
                            of indien sprake is van, uit het oogpunt van voorkoming van vereenzaming
                            of sociaal isolement, noodzakelijke bezoeken aan ouders of personen die
                            gevoelsmatig de rol van ouders vervullen.</al><al>5.8.7 Voor de persoon als bedoeld in lid 1 is een vervoersbudget als
                            bedoeld in lid 5.5.1 niet groter dan de helft van de standaardvergoeding
                            die de persoon zou ontvangen indien hij of zij zelfstandig zou
                            wonen.</al><al>5.8.8 De toeslag genoemd in lid 6 van dit artikel is niet hoger dan
                            noodzakelijk is om tien bezoeken per jaar op de goedkoopst adequate
                            wijze af te leggen.</al><al>5.8.9 Bij toekenning van een vervoersvoorziening (met toeslag) als
                            omschreven in artikel 5.5 van dit hoofdstuk wordt het normbedrag,
                            genoemd in lid 7 van dit artikel, daarop in mindering gebracht, echter
                            wel zodanig dat tien bezoeken per jaar mogelijk blijven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 6.1Rolstoelvoorzieningen</al><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>aanpassing van de onder b. genoemde rolstoel;</al></li><li nr="d."><al>medisch noodzakelijke accessoires van de onder b. genoemde
                                    rolstoel;</al></li><li nr="e."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 6.2Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                            rolstoelgebruik</al><al>6.2.1 Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onder a.
                            vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend
                            verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die
                            verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling
                            geen adequate oplossing bieden.</al><al>6.2.2 Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onder b.
                            tot en met e. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht
                            indien deze beperkingen dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                            noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de
                            AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden,
                            en indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of
                            niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.</al><al>Artikel 6.3Rolstoelvoorzieningen in natura</al><al>6.3.1 Verstrekking van rolstoelvoorzieningen in natura geschiedt door of
                            namens het college.</al><al>6.3.2 Het college:</al><lijst><li nr="a."><al>verstrekt rolstoelen in bruikleen;</al></li><li nr="b."><al>draagt zorg voor periodiek onderhoud van de in lid a. verstrekte
                                    rolstoel;</al></li><li nr="c."><al>draagt zorg voor een contract met een leverancier waarin is
                                    geregeld dat de persoon met beperkingen in noodsituaties op
                                    snelle en adequate wijze geholpen wordt en zijn mobiliteit kan
                                    herkrijgen;</al></li><li nr="d."><al>kan nadere regels stellen over de samenstelling van het aanbod
                                    van rolstoelen waaruit de persoon met beperkingen zijn keuze kan
                                    maken;</al></li><li nr="e."><al>verstrekt een voorziening op maat als de persoon met beperkingen
                                    dusdanige beperkingen heeft dat een verstrekking vanuit het
                                    standaardpakket niet mogelijk is;</al></li><li nr="f."><al>vergewist zich ervan dat, als een situatie als bedoeld onder d.
                                    zich voordoet, een rolstoel op maat binnen een aanvaardbare
                                    termijn geleverd kan worden;</al></li><li nr="g."><al>biedt zo mogelijk een tijdelijke voorziening aan die zo veel als
                                    mogelijk aansluit bij de belemmeringen van de persoon met
                                    beperkingen als de termijn van acht weken niet gehaald wordt,
                                    tenzij er een voorliggende voorziening aanwezig is in de vorm
                                    van tijdelijke uitleen vanuit de AWBZ-hulpmiddelen.</al></li></lijst><al>Artikel 6.4Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</al><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.1 komt een persoon, die
                            verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling, uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 Sportvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 7.1Vormen van sportvoorzieningen </al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen om medemensen te
                            ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan, te
                            verstrekken sportvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een sportrolstoel;
                                    of</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                    sportvoorziening anders dan een sportrolstoel.</al></li></lijst><al>Artikel 7.2Recht op een sportvoorziening</al><al>7.2.1 Een persoon met beperkingen kan voor een financiële tegemoetkoming
                            te besteden aan een sportrolstoel in aanmerking worden gebracht, indien
                            sportbeoefening door de beperking zonder sportrolstoel onmogelijk is en
                            een sportrolstoel noodzakelijk is voor de sport.</al><al>7.2.2 Een persoon met beperkingen kan voor een financiële tegemoetkoming
                            te besteden aan een individuele sportvoorziening anders dan een
                            sportrolstoel in aanmerking worden gebracht indien deze dient ter
                            bevordering van sociaal maatschappelijke activering en op grond van de
                            beperking sportbeoefening zonder deze voorziening onmogelijk is.</al><al>Artikel 7.3Beperking van het recht op een sportvoorziening</al><al>Geen sportvoorziening wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening naar verwachting de beperking negatief kan
                                    beïnvloeden dan wel buiten proportionele risico’s oplevert voor
                                    vergroting van de beperking;</al></li><li nr="b."><al>een sportvoorziening is verstrekt in afgelopen periode van drie
                                    jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>de persoon aan wie de voorziening wordt verstrekt geen lid is
                                    van een sportvereniging die de sportactiviteit organiseert of
                                    regelmatig aanbiedt.</al></li></lijst><al>Artikel 7.4Bijzondere regels over sportvoorzieningen</al><al>7.4.1 De omvang van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel
                            7.1 wordt door het college vastgelegd in het Wmo-besluit.</al><al>7.4.2 De tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening wordt
                            ten hoogste eenmaal per drie jaar verstrekt.</al><al>7.4.3 Het college kan nadere regels aan de verstrekking van
                            sportvoorzieningen stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 8.1Gebruik aanvraagformulier</al><al>8.1.1 Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend door
                            middel van een door het college beschikbaar gesteld
                            aanvraagformulier.</al><al>8.1.2 Het college is bevoegd om een van het eerste lid afwijkende
                            aanvraagprocedure vast te stellen door het vaststellen van een
                            beleidsregel.</al><al>8.1.3 De afwijkende procedure als bedoeld in het tweede lid kan tevens
                            inhouden dat de persoon met beperkingen de aanvraag indient bij een
                            instantie die door het college is belast met het adviseren op de
                            ingediende aanvraag als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Artikel 8.2Inlichtingen, onderzoek, advies</al><lijst><li nr=""><al>8.2.1 Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan
                                    zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening,
                                    degene door wie een aanvraag is ingediend:</al></li><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>8.2.2 Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen
                                    adviesinstantie om advies indien:</al></li><li nr="a."><al>het gaat om een aanvraag voor een persoon die nog niet eerder
                                    een aanvraag in het kader van deze verordening heeft ingediend
                                    en de noodzakelijke voorziening naar verwachting in enig jaar
                                    een bedrag van € 10.000,= te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                    afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat gewenst vindt.</al></li></lijst><al>8.2.3 Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen
                            aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                            verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                            aanvraag.</al><al>8.2.4 Bij de advisering zoals genoemd in artikel 8.2.2 wordt door de
                            adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                            International Classification of Functions, Disabilities and Impairments,
                            de zogenaamde ICF classificatie.</al><al>Artikel 8.3Samenhangende afstemming</al><al>In het Wmo-besluit worden regels vastgelegd omtrent de wijze waarop de
                            verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend en gemotiveerd
                            wordt afgestemd op de situatie van de aanvrager. </al><al>Artikel 8.4 Wijzigingen in de situatie van belanghebbende</al><al>8.4.1 Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                            verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening dan wel de
                            rechtmatige voortzetting daarvan.</al><al>8.4.2 Als de persoon met beperkingen de in het eerste lid genoemde
                            verplichting niet nakomt, pleegt hij een onrechtmatige daad ten opzichte
                            van het college.</al><al>8.4.3 Het college is bevoegd de uit het tweede lid voortvloeiende schade
                            op belanghebbende te verhalen. Als het niet komt tot een minnelijke
                            schikking, heeft het college de bevoegdheid de vordering aan de rechter
                            voor te leggen.</al><al>Artikel 8.5Intrekking van een voorziening</al><lijst><li nr=""><al>8.5.1 Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al></li><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                    zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend
                                    geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al></li></lijst><al>8.5.2 Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al><al>Artikel 8.6Terugvordering</al><al>8.6.1 Ingeval een voorziening is ingetrokken, kan een op basis daarvan
                            reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                            worden teruggevorderd.</al><al>8.6.2 Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                            voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.</al><al>Artikel 8.7Procedurele gronden voor weigering van een voorziening</al><al>8.7.1 Het college kan de gevraagde voorziening weigeren als de aanvraag
                            een financiële tegemoetkoming betreft in kosten die de aanvrager voor de
                            aanvraagdatum heeft gemaakt.</al><al>8.7.2 Het college is bevoegd om van de bepalingen van deze verordening
                            af te wijken als een door of namens hen verstrekte voorziening binnen de
                            technische afschrijvingsduur verloren is gegaan, beschadigd is geraakt
                            of niet meer op de juiste wijze functioneert en de oorzaak daarvan
                            aantoonbaar is terug te voeren op een onvoldoende betoond
                            verantwoordelijkheidsbesef van de belanghebbende.</al><al>8.7.3 Als een in het tweede lid omschreven situatie zich voordoet heeft
                            het college, in afwijking van de in de wet geregelde compensatieplicht,
                            de bevoegdheid om vervanging van de voorziening te weigeren tot het
                            moment dat deze voorziening zou zijn vervangen na het einde van de
                            technische levensduur.</al><al>8.7.4 Het tweede lid is niet van toepassing als het eerder vergoede of
                            verstrekte middel geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg
                            van omstandigheden die de aanvrager niet zijn toe te rekenen.</al><al>8.7.5 Als blijkt dat toepassing van het tweede lid leidt tot een
                            onaanvaardbare strijdigheid met de wettelijke compensatieplicht dan kan
                            het college besluiten een nieuwe voorziening te verlenen waarbij de
                            belanghebbende al dan niet in de vorm van een gespreide betaling de door
                            hem veroorzaakte schade voor eigen rekening neemt.</al><al>8.7.6 Het college is bevoegd om in afwijking van het vijfde lid een
                            voorziening te weigeren als de belanghebbende weigerachtig is
                            voorafgaand aan de nieuwe verstrekking een terugbetalingsregeling te
                            treffen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al/><al>Artikel 9.1Hardheidsclausule</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al>Artikel 9.2Wmo-voorzieningenboek</al><al>9.2.1 Het college is gehouden om, met inachtneming van de bepalingen van
                            de wet en deze verordening, een Wmo-voorzieningenboek op te
                            stellen.</al><al>9.2.2 Binnen het in het eerste lid omschreven Wmo-voorzieningenboek
                            wordt aangegeven welke goedkoopst adequate voorziening wordt verleend op
                            basis van een ter zake uitgebracht ergonomisch advies, waarbij zoveel
                            mogelijk rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de
                            belanghebbenden als het gaat om model, kleurstelling en dergelijke.</al><al>9.2.3 Het Wmo-voorzieningenboek wordt, indien daar aanleiding toe
                            bestaat, door het college geactualiseerd.</al><al>Artikel 9.3Indexering</al><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Wmo-besluit geldende
                            bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de
                            prijsindex gezinsconsumptie volgens het Centraal Bureau voor de
                            Statistiek.</al><al>Artikel 9.4Evaluatie</al><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per
                            vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                            wordt deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na
                            vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de
                            gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit
                            van de verordening in de praktijk.</al><al><vet>Artikel 9.5</vet></al><al><onderstreept>Vervallen oude verordeningen en
                                overgangsrecht</onderstreept></al><al>De Wmo-verordeningen van de gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen
                            en Wieringermeer komen te vervallen.</al><al>Op aanvragen ingediend voor 1 januari 2012 blijven de oude
                            verordeningen, ieder voor zover het de eigen reikwijdte betreft, van
                            toepassing.</al><al>Artikel 9.6<onderstreept> I</onderstreept>nwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.</al><al>Artikel 9.7Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Wmo-verordening gemeente Hollands
                            Kroon 2012.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Hollands Kroon op 2 januari 2012</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Hoofdstuk 2 Vorm van de te verstrekken voorzieningen</vet></al><al/><al>Artikel 2.1 Keuzevrijheid 5</al><al>Artikel 2.2 Voorziening in natura 5</al><al>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming 5</al><al>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget 5</al><al>Artikel 2.5 Eigen bijdragen 6</al><al>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden 7</al><al>Artikel 3.1 Voorzieningen in hulp bij het huishouden 7</al><al>Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden 7</al><al>Artikel 3.3 Gebruikelijke zorg 7</al><al>Artikel 3.4 Omvang van de hulp bij het huishouden 7</al><al>Artikel 3.5 Berekeningswijze 7</al><al>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen 8</al><al>Artikel 4.1 Definities van woonvoorzieningen 8</al><al>Artikel 4.2 Vormen van woonvoorzieningen 8</al><al>Artikel 4.3 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                    woonvoorzieningen 8</al><al>Artikel 4.4 Soorten individuele woonvoorzieningen 8</al><al>Artikel 4.5 Primaat van verhuizing 9</al><al>Artikel 4.6 Beperkende bepalingen 9</al><al>Artikel 4.7 Weigeren van een woonvoorziening 10</al><al>Artikel 4.8 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken 10</al><al>Artikel 4.9 Gemeenschappelijke ruimten 11</al><al>Artikel 4.10 Aanpassing van een woonwagen 11</al><al>Artikel 4.11 Aanpassing van een woonschip 11</al><al>Artikel 4.12 Gemaximeerde vergoeding voor aanpassing aan woonwagens en
                    woonschepen in verband met een beperkte technische levensduur of het opheffen
                    van stand- of ligplaats 12</al><al>Artikel 4.13 Aanpassing van een binnenschip 12</al><al>Artikel 4.14 Tijdelijke huisvesting 12</al><al>Artikel 4.15 Huurderving 12</al><al>Artikel 4.16 Terugbetaling bij verkoop (anti-speculatiebeding) 12</al><al>Artikel 4.17 Frequentie van de aanpassingen 13</al><al>Artikel 4.18 Gereedmelding van woningaanpassingen 13</al><al>Artikel 4.19 Verhuis- en herinrichtingskosten 13</al><al>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 14</al><al>Artikel 5.1 Vervoersvoorzieningen 14</al><al>Artikel 5.2 Het recht op een vervoersvoorziening 14</al><al>Artikel 5.3 Het primaat van een algemene vervoersvoorziening 14</al><al>Artikel 5.4 De vervoersbehoefte rond de eigen woning 14</al><al>Artikel 5.5 De vervoersbehoefte in de rond de woonplaats gelegen regio 15</al><al>Artikel 5.6 Uitbetaling van het budget 15</al><al>Artikel 5.7 Een andere noodzakelijke vervoersvoorziening 15</al><al>Artikel 5.8 Vervoersvoorziening voor bewoners van AWBZ-instellingen 16</al><al>Hoofdstuk 6 Verplaatsen in en rond de woning 17</al><al>Artikel 6.1 Rolstoelvoorzieningen 17</al><al>Artikel 6.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik
                    17</al><al>Artikel 6.3 Rolstoelvoorzieningen in natura 17</al><al>Artikel 6.4 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners 17</al><al>Hoofdstuk 7 Sportvoorzieningen 18</al><al>Artikel 7.1 Vormen van sportvoorzieningen 18</al><al>Artikel 7.2 Recht op een sportvoorziening 18</al><al>Artikel 7.3 Beperking van het recht op een sportvoorziening 18</al><al>Artikel 7.4 Bijzondere regels over sportvoorzieningen 18</al><al>Hoofdstuk 8 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten
                    19</al><al>Artikel 8.1 Gebruik aanvraagformulier 19</al><al>Artikel 8.2 Inlichtingen, onderzoek, advies 19</al><al>Artikel 8.3 Samenhangende afstemming 19</al><al>Artikel 8.4 Wijzigingen in de situatie 19</al><al>Artikel 8.5 Intrekking van een voorziening 20</al><al>Artikel 8.6 Terugvordering 20</al><al>Artikel 8.7 Procedurele gronden voor weigering van een voorziening 20</al><al>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen 21</al><al>Artikel 9.1 Hardheidsclausule 21</al><al>Artikel 9.2 Wmo-voorzieningenboek 21</al><al>Artikel 9.3 Indexering 21</al><al>Artikel 9.4 Evaluatie 21</al><al><vet>Artikel 9.5 Vervallen oude verordeningen en overgangsrecht 21</vet></al><al>Artikel 9.6 Inwerkingtreding 21</al><al>Artikel 9.7 Citeertitel 21</al></bijlage></regeling></body></cvdr>