<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15962_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 29-09-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><structuurtekst><al>gemeente Alphen-Chaam</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 Begripsbepalingen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Compensatiebeginsel: de algemene verplichting van het
                                        gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op
                                        grond van ziekte of gebrek door het treffen van
                                        voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te
                                        verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot
                                        maatschappelijke participatie, uitgaande van de eigen
                                        verantwoordelijkheid en vermogens van die personen;</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                        uitvoeren van activiteiten bij deelname aan het normale
                                        maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van
                                        ziekte of gebrek inclusief chronische psychische en
                                        psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt
                                        bij het uitvoeren van activiteiten bij deelname aan het
                                        normale maatschappelijke verkeer, te weten op het gebied van
                                        het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van
                                        de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het
                                        zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het
                                        ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan en
                                        onderhouden van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als
                                        bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk
                                        of financiële vermogen om voorzieningen te treffen die
                                        maatschappelijke participatie mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                        maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                        huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in
                                        en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                        dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale
                                        en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere
                                        mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden
                                        om op die manier deel te nemen aan het lokale
                                        maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                        basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                        toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                        oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                        ondervindt;</al></li><li nr="i."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel
                                        wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen
                                        adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het
                                        college vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking
                                        van een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming
                                        of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop
                                        de regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van
                                        de gemeente Alphen-Chaam van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                        bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                        dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag of een
                                        gelijkwaardige verstrekking waarmee de aanvrager een of meer
                                        aan hem te verlenen individuele voorzieningen kan verwerven
                                        en waarop deze verordening en het Besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning van de gemeente Alphen-Chaam van toepassing
                                        zijn;</al></li><li nr="m."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een voorziening welke kan worden afgestemd op het
                                        inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="n."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                        tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een
                                        persoon als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="o."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                        verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                        uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                        beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al>Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen
                                        bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de
                                        verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt
                                        bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen
                                        gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;</al></li><li nr="q."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige persoon met wie de
                                        aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning
                                        bewoont;</al></li><li nr="r."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening
                                        een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het
                                        college verantwoording over de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></li><li nr="s."><al>Gebruikelijke zorg: krachtens de Richtlijnen gebruikelijke zorg in
                                        aanmerking te nemen hulp van huisgenoten;</al></li><li nr="t."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de aanvrager zijn vaste woon- en
                                        verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres de
                                        aanvrager in de gemeentelijke basisadministratie
                                        ingeschreven staat of zal staan, dan wel het feitelijke
                                        woonadres indien de aanvrager met een briefadres in de
                                        gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven staat of
                                        zal staan.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 2 Beperkingen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover: </al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op
                                                het gebied van het voeren van het huishouden, het
                                                verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                                verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten
                                                van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden
                                                aangaan op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                                goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                                aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                                gericht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Géén voorziening wordt toegekend: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de
                                                aanvrager algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet zijn hoofdverblijf heeft in
                                                de gemeente Alphen-Chaam;</al></li><li nr="c."><al>voorzover de ondervonden problemen bij het normale
                                                gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van
                                                de in de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="d."><al>voorzover de aangevraagde voorzieningen betrekking
                                                hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau
                                                voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voorzover er aan de zijde van de aanvrager geen
                                                sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking
                                                met de situatie voorafgaand aan het optreden van de
                                                beperkingen waarvoor de voorziening wordt
                                                aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die
                                                de aanvrager voorafgaand aan de datum van het
                                                besluit heeft gemaakt, tenzij die kosten
                                                redelijkerwijs reeds zijn gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, danwel
                                                krachtens de aan deze verordening voorafgaande
                                                Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt
                                                en de normale afschrijvingstermijn van de
                                                voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                                vergoede of verstrekte voorziening verloren is
                                                gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                                aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="h."><al>voorzover op grond van enige andere wettelijke
                                                regeling of privaatrechtelijke verbintenis aanspraak
                                                op de voorziening bestaat.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele
                            voorzieningen.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 3. Keuzevrijheid.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                                financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het
                                college stelt vast in welke situaties de keuze tussen deze
                                voorzieningen niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam neergelegde
                                criteria.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 4. Voorziening in
                                natura.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij de verstrekking van een voorziening in natura is de verkrijger
                                gehouden de voorwaarden in acht te nemen, die gelden op grond van de
                                bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                dienstverleningsovereenkomst die is gesloten tussen de leverancier
                                en de aanvrager resp. de gemeente en de aanvrager.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 5. Financiële
                                    tegemoetkoming.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                                toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning en het Verstrekkingenboek
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam in de
                                beschikking opgenomen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 6. Persoonsgebonden
                                budget.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6
                                        van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget of gelijkwaardige
                                                verstrekking wordt alleen verstrekt ten aanzien van
                                                individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is
                                                maximaal de tegenwaarde van de in de betreffende
                                                situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                                                voorziening in natura, indien nodig aangevuld met
                                                een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                                vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                                                ondersteuning en/ of het Verstrekkingenboek
                                                maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                                Alphen-Chaam;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                                vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het
                                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                                Alphen-Chaam;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                                persoonsgebonden budget gemeente Alphen-Chaam van
                                                toepassing.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden
                                        budget, de omvang, de wijze van betaling en de looptijd
                                        ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt
                                        waarin aangegeven is, aan welke vereisten de met het
                                        persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te
                                        voldoen. In de beschikking wordt dit als verplichting
                                        opgenomen;</al></li><li nr="4."><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                        persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                        verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor
                                        noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam, op
                                        verzoek van het college per omgaande te verstrekken.</al></li><li nr="5."><al>Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden
                                        wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat
                                        het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te
                                        vorderen of te verrekenen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen
                                    aandeel.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij het verstrekken van voorzieningen op grond van de wet is de
                                aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                                tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam de
                                omvang van deze eigen bijdrage, respectievelijk het eigen aandeel
                                vast.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 8. Vormen van hulp bij het
                                    huishouden.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                                ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                                voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget of een gelijkwaardige
                                        verstrekking te besteden aan hulp bij het huishouden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het
                                    huishouden.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                        onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8
                                        onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                        indien; </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                                gebrek of;</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li><li nr=""><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke
                                                taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het
                                                huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8
                                        onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden
                                        gebracht als: </al><lijst><li nr="a."><al>de in het eerste lid genoemde voorziening een
                                                onvoldoende oplossing biedt of;</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 10. Gebruikelijke
                                zorg.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                                leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer
                                huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te
                                verrichten.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het
                                    huishouden.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt
                                uitgedrukt in uren, afgerond naar halve uren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden
                                    budget.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt, wordt jaarlijks door het college vastgesteld en
                                vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Alphen-Chaam.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 13 Vormen van
                                    woonvoorzieningen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een individuele woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        individuele woonvoorziening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en
                                    recht op individuele woonvoorzieningen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder
                                        a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een
                                        aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene
                                        woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder
                                        b. c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden
                                        gebracht indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet
                                        aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing
                                        leidt.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 15 Soorten individuele
                                    woonvoorzieningen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="g."><al>huurderving;</al></li><li nr="h."><al>verwijderen van voorzieningen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 16 Primaat van de
                                    verhuizing.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht
                                        wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
                                        gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden
                                        gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening
                                        niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening
                                        is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 15, onder d. in aanmerking worden
                                        gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare
                                        beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige
                                        gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg
                                        waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                        situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 17 Primaat van de losse
                                    woonunit.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan
                                of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom
                                is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend
                                ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                                beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                                dergelijke woning, kan het college een herplaatsbare losse woonunit
                                verstrekken indien dit de goedkoopst adequate voorziening is en
                                daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 18 Uitsluitingen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                kloosters, AWBZ-instellingen inclusief verzorgingshuizen, tweede
                                woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamers die verhuurd
                                worden en voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                                ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 19 Hoofdverblijf en het bezoekbaar maken
                                    van niet-hoofdverblijven.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woning indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woning met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam vast te
                                leggen maximumbedrag.</al><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 20
                                Weigeringsgronden.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                                        toestemming is verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten, behoudens de verstrekkingen die vermeld zijn in het
                                        Verstrekkingenboek van de gemeente Alphen-Chaam;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd
                                        is vanuit of naar een woonruimte die niet bestemd en/of
                                        geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd
                                        is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht
                                        op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte
                                        geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                        ondervonden;</al></li><li nr="f."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                        ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                        woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde
                                        woning;</al></li><li nr="g."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                        toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                        ondervonden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 21 Terugbetaling bij
                                    verkoop.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen</al><al>die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van
                                deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de
                                voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                                college</al><al>te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam door
                                het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                                terugbetaald.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 22 Vormen van
                                    vervoersvoorzieningen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich
                                lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening in de vorm van een collectieve
                                        vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een individuele vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                        vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d"><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        individuele vervoersvoorziening.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 23 Het recht op een algemene
                                    voorziening.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 24 Primaat van het collectief
                                    vervoer</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder b., c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                        gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel
                                        22, onder a., onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a.,
                                        niet aanwezig is.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 25 Soorten individuele
                                    vervoersvoorzieningen en algemeen
                                gebruikelijk</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijke
                                inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan de in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam opgenomen
                                inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                                gebruikelijk geacht, zodat een auto, of een met een auto
                                vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                                onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                                vergoeding</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 26 Omvang in gebied</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien
                                        van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                        participatie uitsluitend rekening gehouden met de
                                        verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het
                                        kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                                        uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                        bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager
                                        zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de
                                        aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                        voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                        participatie door middel van lokale verplaatsingen met
                                        tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een
                                        bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 27 Vormen van
                                    rolstoelvoorzieningen.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te
                                verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                        rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een forfaitair bedrag te besteden aan een
                                        sportrolstoel.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 28 Primaat algemene rolstoelvoorziening
                                    voor incidenteel gebruik en
                                sportrolstoel.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder
                                        a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning
                                        noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op
                                        grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een
                                        andere wettelijke regeling geen adequate oplossing
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder
                                        b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                        indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        incidenteel of dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                                        woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt
                                        worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                                        of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing
                                        bieden en een voorziening als bedoeld in artikel 27 onder a,
                                        geen adequate oplossing biedt, c.q. niet aanwezig is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder
                                        d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 29 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                                    AWBZ-bewoners.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 2 komt een
                                persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet
                                toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een
                                rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel,
                                verstrekt op grond van de AWBZ.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 30. Gebruik
                                    aanvraagformulier.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                                college ter beschikking gesteld formulier.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 31 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij de gemeente Alphen-Chaam
                                waar zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook
                                aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen
                                worden ingediend</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 32 Inlichtingen, onderzoek en
                                    advies.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voorzover dit van belang kan zijn
                                        voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene
                                        door wie een aanvraag is ingediend: </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                                het college te bepalen plaats en tijdstip en hem om
                                                aanvullende informatie te vragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en
                                                tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                                deskundigen te doen ondervragen en/of
                                                onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen
                                        adviesinstantie om advies indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend
                                                die nog niet eerder een aanvraag in het kader van
                                                deze verordening heeft ingediend en het een
                                                voorziening betreft waarvan de kosten naar
                                                verwachting het bedrag als genoemd in het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam
                                                te boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen
                                                beoordeling behoeft;</al></li><li nr="c."><al>het een complexe aanvraag betreft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen
                                        aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te
                                        doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling
                                        van de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het tweede lid wordt door
                                        de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals
                                        neergelegd in de International Classification of Functions,
                                        Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF
                                        classificatie.</al></li><li nr="5."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen
                                        beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie
                                        van mensen met een beperking of een chronisch psychisch
                                        probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 33 Samenhangende
                                afstemming.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                                stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                                verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 34 Wijzigingen in de
                                    situatie.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 35 Intrekking van een
                                    voorziening.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                        verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer wordt voldaan aan de
                                                verplichtingen gesteld bij of krachtens deze
                                                verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat
                                                de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de
                                                juiste gegevens bekend geweest, een andere
                                                beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid heeft betoond;</al></li><li nr="d."><al>indien blijkt dat gedurende een periode van meer dan
                                                zes maanden geen gebruik is gemaakt van de
                                                verstrekte voorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming
                                        of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien
                                        blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen een in het
                                        Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                        Alphen-Chaam genoemde termijn na de datum van beschikking of
                                        na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                                        voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 36 Terugvordering.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan
                                        een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                        persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>In geval het recht op een in bruikleen of eigendom
                                        verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening
                                        worden teruggevorderd.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen.</titel></kop><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 37
                                Hardheidsclausule.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 38 Gevallen waarin de verordening niet
                                    voorziet.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 39 Indexering.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam geldende
                                bedragen verhogen of verlagen conform de OVA voor wat betreft de
                                personele kosten en het prijsindexcijfer zoals vermeld in het
                                Centraal Economisch Plan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 40 Evaluatie.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier
                                jaar geëvalueerd waarna een verslag over doeltreffendheid en
                                effectiviteit aan de raad wordt voorgelegd. Indien de evaluatie
                                hiertoe aanleiding geeft wordt de verordening aangepast.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 41 Inwerkingtreding.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2007.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>Artikel 42 Citeertitel.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de
                                gemeente Alphen-Chaam,</al><al>op 28 september 2006.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Alphen-Chaam</titel></kop><afdeling><kop><titel>Inleiding.</titel></kop><structuurtekst><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels
                                betreffende maatschappelijke ondersteuning” , de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning (Wmo), is op 14 februari 2006 in de
                                Tweede Kamer met alleen de stemmen van de Socialistische Partij
                                tegen aangenomen. Aan deze bijna unanieme stemming is een
                                behandeling voorafgegaan die de wet een ander aanzicht heeft
                                gegeven. De consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook
                                de Wet maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere
                                invulling behoeft en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke
                                vorm zal krijgen. Bij de Wet maatschappelijke ondersteuning is dan
                                bovendien nog sprake van het gegeven dat het kernbegrip van de wet,
                                het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement aan de wet is
                                toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip
                                ontbreekt, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                                uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>Deze verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft
                                invulling aan de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven
                                opdracht regels te stellen bij verordening. In deze verordening is
                                vormgegeven aan het compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet
                                voorzieningen gehandicapten en de regels rond de functie
                                huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet
                                een vacuüm te laten ontstaan, te meer daar het overgangsrecht zoals
                                geregeld in de Wmo bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud
                                van de oude rechten op grond van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten of de Wet voorzieningen gehandicapten biedt.
                                AWBZ-indicaties die voor 1 januari 2007 zijn geÏŠndiceerd lopen door
                                tot het moment dat herindicatie heeft plaatsgevonden.</al><al>In deze verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen
                                4, 5, 6, 15, 19 en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen
                                uit de AWBZ en de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari
                                2007 onder de Welzijnswet vallen en na die datum onder de Wmo,
                                worden als voorliggende voorzieningen aangeboden en worden daarom
                                niet in deze modelverordening opgenomen. De in deze modelverordening
                                opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                                voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat de meeste
                                algemene voorzieningen voor het eerst een plaats vinden in deze
                                verordening, zijn zij nog wel benoemd en van een primaat voorzien.
                                Het is niet ondenkbaar dat deze algemene voorzieningen op termijn
                                terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde voorliggende
                                voorzieningen zoals maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Algemene toelichting.</titel></kop><structuurtekst><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door
                                het begrip “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in
                                de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de
                                Volksgezondheid en Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het
                                volgende:</al><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke
                                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning te relateren aan
                                    aard en ernst van de beperking(en) van burgers, door gemeenten
                                    te verplichten zorg te dragen voor compensatie van deze
                                    beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een beperking in
                                    een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                                    van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente
                                    zelf mag bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het
                                    wettelijk vastgestelde doel/resultaat te bereiken. Teneinde
                                    tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar mogelijk
                                    beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers
                                    moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een
                                    inkomenstoets te koppelen. Omdat het om maatschappelijke
                                    participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen op
                                    centraal niveau regels gesteld te worden.</cursief></al><al><cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft
                                    het de voorkeur van de</cursief></al><al><cursief>Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen
                                    naar de WMO, zodat de</cursief></al><al><cursief>wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie
                                    blijft naast de WMO een Welzijnswet</cursief></al><al><cursief>bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte)
                                    voorzieningen worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn
                                    immers algemeen van aard en bedoeld voor iedere ingezetene van
                                    de gemeente, ongeacht diens eventuele beperkingen. Voor deze
                                    voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een wettelijke
                                    aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft
                                    betrekking op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening),
                                    niet op het niveau van de uitvoering. Op het tweede niveau kan
                                    immers, ook bij een individuele aanspraak (bijvoorbeeld vervoer)
                                    een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend (bijvoorbeeld
                                    openbaar vervoer).</cursief></al><al><cursief>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in
                                    een verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te
                                    verstrekken (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het
                                    te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan onzekerheid
                                    ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is
                                    het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen
                                    wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                                    burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in
                                    rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’
                                    en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten
                                    moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</cursief></al><al><cursief>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als
                                    aangrijpingspunt te nemen is het volgens de Raad niet
                                    noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor de
                                    indicatiestelling.”</cursief></al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het
                                is met name de toelichting op het amendement dat informatie geeft
                                over de bedoeling van de wetgever met het begrip compensatieplicht.
                                De toelichting stelt:</al><al><cursief>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om
                                    te voorzien in met name genoemde producten en diensten strekt
                                    het nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting
                                    aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid
                                    op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                                    vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder
                                    zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke,
                                    verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname
                                    aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan
                                    het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van
                                    een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het
                                    zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden
                                    gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                                    vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het
                                    aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven.
                                    Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan
                                    dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen
                                    vast te stellen.</cursief></al><al><cursief>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt
                                    met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt
                                    overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het
                                    lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen over
                                    de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van
                                    burgers en cliënten daarbij.”</cursief></al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel
                                in het amendement is opgenomen, is in de modelverordening een
                                begripsomschrijving opgenomen, in artikel 1.1. aanhef en onder
                                b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid
                                1 van de wet aan, voor de onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                        verbanden aan te gaan</al></li></lijst><al>.</al><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen
                                woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de
                                functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de Wmo worden de
                                onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze modelverordening als
                                volgt uitgewerkt:</al><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen,
                                met name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                                verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden
                                genoemd;</al><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief
                                (uitsluitend) de sportrolstoel;</al><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen
                                uit de Wvg;</al><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van
                                sociale verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste
                                drie verstrekkingenterreinen.</al><al>Deze indeling is in deze modelverordening terug te vinden in de
                                hoofdstukindeling. In de verordening is er voor gekozen om, vanwege
                                de duidelijkheid en de praktische uitvoerbaarheid, de concrete
                                voorzieningen bij de betreffende onderdelen ook daadwerkelijk te
                                noemen. Dit is vergelijkbaar met de (oude) WVG-verordening.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van
                                de compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat
                                het steeds om individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in
                                het snel en regelarm treffen van veel voorkomende eenvoudige
                                voorzieningen is in deze modelverordening het begrip "algemene
                                voorzieningen" opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg voor
                                onder de noemer “collectief vervoer”. In deze modelverordening wordt
                                het begrip algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen
                                van het compensatiebeginsel. Kenmerkend voor algemene voorzieningen
                                is dat de gemeente deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter
                                beschikking stelt, los van of vooruitlopend op individuele aanvragen
                                terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots, pools,
                                waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of
                                niet op wijkniveau.</al><al>De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene woonvoorzieningen,
                                algemene hulp bij het huishouden, algemene vervoersvoorzieningen en
                                algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden deze algemene
                                voorzieningen in concreto in? Het kan gaan om scootmobielpools,
                                rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), collectief
                                vervoer, klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming
                                is uitdrukkelijk niet limitatief, aangezien het een nieuw type
                                voorziening betreft, waarvoor de komende jaren nieuwe invullingen
                                zullen ontstaan. Met name op het terrein van hulp bij het huishouden
                                is het een nieuw begrip.</al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan
                                procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een lichte
                                toegangstoets en zonder eigen bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en
                                simpele oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder
                                eigen bijdragen. In plaats van de soms complexe advisering wordt in
                                dit kader van het veel lichtere begrip toegangsbeoordeling gebruik
                                gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van deze algemene
                                voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de aanvrager tot het
                                kiezen voor een PGB in te perken.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende
                                hoofdstukken behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd
                                voor procedurele aspecten.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Artikelsgewijze toelichting.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</vet></al><al><vet><onderstreept>Artikel 1. Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek”toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit
                    de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al>Ad. e.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg”in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). Hieronder wordt verstaan langdurige zorg die niet in het kader van een
                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit
                    diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                    sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten elkaar overstijgt.</al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning . In de
                    AMvB wordt bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen
                    van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag of een gelijkwaardige verstrekking dat
                    de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een
                    compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie
                    tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden
                    budgetten vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Alphen-Chaam.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet perse een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.</al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder s.</al><al>Welke voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn is, niet limitatief, opgenomen in
                    het Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Ad o.</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><al>Ad q.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is
                    in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomenen is het begrip
                    ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip
                    ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al>Ad r.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al>Ad s.</al><al>De in de Richtlijn gebruikelijke zorg en de Richtlijn hulp bij het huishouden
                    vastgestelde normering geeft regels ten aanzien van wat algemeen gebruik is in
                    de zorg tussen mensen onderling. Het gaat dan om huisgenoten onderling en om
                    zorg die het normaal gangbare niet overschrijdt. De aldus bepaalde hoeveelheid
                    hulp van huisgenoten wordt in aanmerking genomen bij de indicatiestelling
                    huishoudelijke verzorging.</al><al>Ad t.</al><al>Krachtens de Wmo heeft het college een plicht tot het treffen van voorzieningen
                    op het gebied</al><al>van maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van beperkingen, de
                    zogenaamde compensatieplicht. Deze plicht bestaat krachtens artikel 11 Wmo
                    jegens ingezetenen. In artikel 1 Wmo wordt het begrip hoofdverblijf gebruikt in
                    de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel over
                    het hoofdverblijf van de aanvrager. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen
                    geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar
                    de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting
                    tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze
                    verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de
                    zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een
                    andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of
                    aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel 20, onder
                    b van deze verordening.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 2. Beperkingen</onderstreept></vet></al><al>Artikel 2. lid 1.</al><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is
                    afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee
                    maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren.
                    Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld
                    aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat
                    de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment
                    van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                    verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van
                    groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de
                    benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                    kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de
                    toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een
                    langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraagof
                    er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                    voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat
                    wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast
                    staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in
                    het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep
                    doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in
                    het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een
                    hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur
                    is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal
                    van situatie tot situatie verschillen. Een uitzondering op de regel dat de
                    aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door
                    situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is,
                    bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld
                    huishouden. Ad b. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                    verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest
                    goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het
                    begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend.
                    Hoewel datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in
                    de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium
                    van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                    uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening.
                    Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken
                    zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor
                    vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                    bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele
                    aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is
                    dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is.
                    Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden,moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                    aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de
                    aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip
                    goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het
                    beleid.</al><al>Ad c.</al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individueleprobleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. <onderstreept>Artikel 2. lid
                        2.</onderstreept></al><al>Ad a.</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningenwaarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    aanvrager zijn hoofdverblijf niet heeft.</al><al>Ad c.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.</al><al>Ad d.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau.Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd
                    vanwege het feit dat men in een veel grotere ofmeer luxe woning woont, geeft
                    deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>Ad e.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al><al>Adf. en g.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is, of een voorziening gerealiseerd of gekocht is, voordat het
                    college een besluit heeft genomen. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer
                    heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch
                    anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie
                    de voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing
                    over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvragertot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvragerreeds is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                    urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.</al><al>Er kunnen zich gevallen voordoen, dat de kosten redelijkerwijs reeds zijn
                    gemaakt. Per geval dient een afweging te worden gemaakt.</al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al><onderstreept>Ad h.</onderstreept></al><al>In artikel 2 Wmo staat vermeld dat er geen aanspraak op een voorziening is als
                    er recht op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling bestaat.
                    Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarbij het recht op een voorziening dan
                    wel recht op vergoeding van een voorziening bestaat op grond van bijvoorbeeld
                    een verzekeringsovereenkomst is onder h de privaatrechtelijke verbintenis
                    opgenomen. Een voorbeeld: de scootmobiel, die gestald stond in de gang van de
                    woning, is door brand verloren gegaan. De vergoeding die op grond van de
                    brandverzekering wordt ontvangen, wordt geacht bestemd te zijn voor de aanschaf
                    van een nieuwe scootmobiel. Beschikt men overigens niet over een
                    brandverzekering, dan wordt vanwege tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid geen nieuwe voorziening toegekend of is de grond genoemd
                    onder g (van artikel 2 lid 2 van deze verordening) van toepassing.</al><al><vet>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</vet></al><al><vet><onderstreept>Artikel 3. Keuzevrijheid.</onderstreept></vet></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget,
                    een voorziening in natura of een financiële tegemoetkoming, is niet absoluut. Er
                    kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van
                    een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming. Het college kan
                    regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van
                    overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget of financiële
                    tegemoetkoming te verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Verstrekkingenboek gemeente
                    Alphen-Chaam uitgewerkt.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 4. Voorziening in natura</onderstreept></vet></al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Er zijn een aantal mogelijkheden:</al><al>het college blijft eigenaar van de verstrekte naturavoorziening;</al><al>het college heeft de zorg in natura zelf geregeld;</al><al>het college heeft een derde ingeschakeld voor de verstrekking van
                    naturavoorzieningen Deze derde blijft eigenaar van de te verstrekken
                    voorziening;</al><al>Het college schakelt een derde in voor het verlenen van zorg.</al><al>Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het verlenen van maatschappelijke
                    ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet worden overgelaten,maar als dat
                    redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen worden voor het door de gemeente
                    zelf verlenen van de maatschappelijke ondersteuning. Als een voorziening in
                    eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een dergelijke overeenkomst
                    nodig.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 5. Financiële
                    tegemoetkoming.</onderstreept></vet></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening,biedt daartoe de mogelijkheid.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 6. Persoonsgebonden budget.</onderstreept></vet></al><al>Lid 1</al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze vooreen persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er
                    moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen
                    zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning en/of het Verstrekkingenboekgemeente Alphen-Chaam die door het
                    college moeten worden vastgesteld. Maximaal is opgenomen om de 75% toekenning
                    van de waarde van een voorziening in natura, met name voor hulp bij het
                    huishouden, mogelijk te maken. Momenteel wordt door het Zorgkantoor dit
                    percentage voor een persoonsgebonden budget toegepast. Dit percentage is 25%
                    lager dan de verstrekking in natura, die door Thuiszorg wordt geleverd in
                    verband met de kosten van overhead ( huisvesting, leidinggegevenden, etc. van
                    Thuiszorg) die in mantelzorgsituaties waarvoor het persoonsgebonden budget
                    gebruikt mag worden, niet worden gemaakt. Lid 1, onder c. bepaalt dat het
                    college de omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan
                    om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende
                    voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid,
                    eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt
                    plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam en de
                    beleidsregels. Verder is onder d. bepaald dat er, om misverstanden zoveel
                    mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden
                    waaronder het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>Lid 3</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als er niet aan wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor
                    de afrekening van het toegekende budget.</al><al>Lid 4 en 5</al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en
                    het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.</al><al>In deze verordening is de steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een
                    bepaald gedeelte van de toegekende persoonsgebonden budgetten wordt
                    gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de budgethouders.
                    Steekproefsgewijs kan bijvoorbeeld inhouden dat in het eerste jaar bijvoorbeeld
                    90 % van de aanvragers worden gecontroleerd. Als blijkt dat er weinig fouten
                    worden geconstateerd kan het volgende jaar volstaan worden met bijvoorbeeld een
                    lager percentage of toch een volledige controle.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd ter terugvordering van het
                    persoonsgebonden budget</al><al><vet><onderstreept>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen
                        aandeel.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. Het
                    college heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de
                    mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de
                    verschillende bedragen vast te stellen. Deze bedragen worden in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam opgenomen.Hoofdstuk 3. Hulp
                    bij het huishouden.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 8. Vormen van hulp bij het
                        huishouden.</onderstreept></vet></al><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht.</al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden.
                    Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen.</al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c.is genoemd het persoonsgebonden budget of de gelijkwaardige verstrekking
                    voor hulp bij het huishouden. Met dit persoonsgebonden budget of de
                    gelijkwaardige verstrekking in de vorm van een voucher kan de aanvrager zelf
                    hulp inhuren.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 9. Primaat van de algemene hulp bij het
                            huishouden.</onderstreept></vet></al><al>Lid 1</al><al>In lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan maken van
                    een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in de
                    gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met een
                    aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                    aanmerking mantelzorgers in het kader van dezogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil
                    zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het
                    is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                    mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die
                    de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                    deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien
                    of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan
                    oplossen.</al><al>Lid 2</al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Dit lid moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen.
                    De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 10. Gebruikelijke zorg.</onderstreept></vet></al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen Richtlijn gebruikelijke zorg
                    en de Richtlijn hulp bij het huishouden wordt bepaald hoe er rekening wordt
                    gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een
                    voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 11. Omvang van de hulp bij het
                            huishouden.</onderstreept></vet></al><al>Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van dienstverlening
                    zal worden verstrekt, moet de omvang in tijd worden vastgesteld. In deze
                    verordening wordt uitgegaan van concrete tijdseenheden, uren afgerond naar halve
                    uren. Voordeel hiervan is dat er voor zowel gemeente als aanvrager duidelijkheid
                    is over de omvang van het aantal uren en de bekostiging daarvan. Praktisch
                    nadeel van deze optie is dat er voor elke uitbreiding opnieuw geïndiceerd en
                    besloten moet worden, hetgeen een nieuwe beschikking op basis van een
                    adviesprocedure kan betekenen. Er is voor gekozen geen uren per week vast te
                    leggen. Op deze manier wordt een bepaalde mate van flexibiliteit ingebouwd omdat
                    de behoefte aan hulp per week kan variëren.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 12. Omvang van het persoonsgebonden
                            budget.</onderstreept></vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 38.</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 13. Woonvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                    mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen. Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit
                    depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al><al>Ad b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming <cursief>-</cursief>op individuele basis-
                    verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel;</al><al>Ad c.het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad d.de financiële tegemoetkoming Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd
                    in artikel 7 lid</al><al>2 van de wet.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 14. Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                            individuele</onderstreept><onderstreept>woonvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura, een persoonsgebonden
                    budget of een financiële tegemoetkoming.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 15. Soorten
                    woonvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Ad a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding
                    is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen
                    bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk
                    verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten
                    woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens,
                    overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk
                    beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste
                    woningen in de gemeente. Ad b en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet nagelvast aan de
                    woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                    categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening
                    in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik
                    mogelijk is.</al><al>Ad d. Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te
                    verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening
                    opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen
                    artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden
                    gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge vaneen
                    beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                    vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op
                    basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel
                    gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte. Ad e tot en met h Bij
                    onderhoud, keuring en reparatie (e) moet worden gedacht aan voorzieningen die
                    (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden waardoor
                    de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer kan worden
                    gegarandeerd. Er wordt hierbij voornamelijk gedacht aan liften, automatische
                    deuropeners en (elektrische) beweegbare keukens. Met f. worden die gevallen
                    bedoeld waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de voorziening niet in
                    de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere
                    woonruimte moet uitwijken. Er kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een
                    vergoeding in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Met een vergoeding voor
                    huurderving (g) aan de eigenaar van de woning een kan worden bevorderd dat de
                    aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor gehandicapten. Bij het verwijderen
                    van voorzieningen (h) kan worden gedacht aan het weghalen en opslaan van een
                    traplift als die niet meer nodig is. Deze woonvoorzieningen staan verder
                    uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het
                    Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam .</al><al><vet><onderstreept>Artikel 16. Primaat van de
                    verhuizing.</onderstreept></vet></al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het
                    primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                    jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                    gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                    voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die
                    ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing
                    in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies
                    blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het collegezicht
                    moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de
                    mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen
                    naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse
                    andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 17. Primaat van de losse
                        woonunit.</onderstreept></vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicaptenkonden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                    gebruikvan een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze
                        bepaling<cursief>.</cursief> Onder bezwaren van overwegende aard wordt
                    verstaan de ruimtelijke beperkingen.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 18. Uitsluitingen.</onderstreept></vet></al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Eenuitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en
                    binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in het
                    verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in
                    gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of
                    voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw
                    of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 19. Hoofdverblijf en bezoekbaar maken van
                            niet-hoofdverblijven</onderstreept></vet></al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er
                    met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    basisadministratie uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt
                    dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de
                    aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot
                    compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze
                    verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de
                    zinsnede 'of zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een
                    andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of
                    aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel 20, onder
                    b. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van
                    het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd
                    door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte
                    voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd
                    op de verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder
                    de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te
                    breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening
                    opgenomen in dit artikel. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                    verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                    verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf
                    en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in financiële zin worden
                    gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten werd hiervoor
                    vaak wordt een bedrag gehanteerd dat gelijk was aan het bedrag voor een
                    verhuiskostenvergoeding.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 20. Weigeringsgronden.</onderstreept></vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet ereen duidelijke samenhang
                    zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft. Er moet
                    sprake zijn van een belemmering bij het normale gebruik van de woning ten
                    gevolge van een ziekte of gebrek. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun
                    oorzaak vinden in andere factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op
                    grond van dit artikel.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaakzijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is
                    limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in
                    de verordening is genoemd.</al><al>Ad d.</al><al>Onder d. wordt gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen zijn als
                    algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft. Te
                    denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige
                    woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de
                    eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al><al>Ad e.</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook
                    al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning
                    geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de
                    verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men
                    verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><al>Ad f en g,</al><al>De betekening van deze leden zijn terug te vinden in de Wvg-jurisprudentie.
                    Voorzieningen worden geweigerd als de beperkingen die optreden bij het woongenot
                    worden veroorzaakt door factoren buiten de woning zoals bijvoorbeeld blaffende
                    honden, overlast van de buren, etc. Bij g moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
                    een permanente vervuiling van de lift door drugsgebruik. De oorzaak van een
                    dergelijke beperking is niet van bouwkundige aard waardoor aanvragen worden
                    geweigerd.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 21. Terugbetaling bij
                    verkoop.</onderstreept></vet></al><al>De Verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten.</al><al>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 22. Vormen van te verstrekken
                            voorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootmobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Alphen-Chaam uitgewerkt.</al><al>Ad d</al><al>Hier wordt bedoeld een financiële tegemoetkoming die iemand kan krijgen als het
                    gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is (primaat). Met
                    dit bedrag kan iemand alternatief vervoer regelen. Hierbij dient gedacht te
                    worden aan de individuele vervoersvoorzieningen die staan vermeld in artikel 25
                    lid 1 ad d. Nadere regels hierover zijn terug te vinden in het
                    Verstrekkingenboek maatschappelijk ondersteuning en het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Alphen-Chaam.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 23. Het recht op een algemene
                            voorziening.</onderstreept></vet></al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake.</al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 24. Het primaat van de collectieve
                            vervoersvoorziening.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Nadere
                    uitwerking van de individuele vervoersvoorzieningen vindt plaats in artikel 25
                    van de verordening. Men kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking
                    komen:</al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                    collectievevervoersvoorziening of; b indien er geen algemene voorziening
                    aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden, bijvoorbeeld aanvragers met een
                    scootmobiel of een aangepaste fiets, kunnen in aanmerking komen voor collectief
                    vervoer. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van
                    de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel
                    zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen
                    collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 25. Algemeen gebruikelijke
                            vervoersvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>In lid 1 zijn, overeenkomstig de Wet voorzieningen gehandicapten, de diverse
                    soorten individuele vervoersvoorzieningen omschreven. Nadere regels zijn
                    uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en het
                    Verstrekkingenboek maatschappelijk ondersteuning gemeente Alphen-Chaam. In het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Alphen-Chaam worden de
                    inkomensgrenzen bepaald binnen welke het bezit van een auto gebruikelijk wordt
                    geacht. Er is een duidelijke relatie met het begrip “algemeen
                    gebruikelijk”.</al><al>In het eerste lid onder a worden bedoeld vervoersvoorzieningen in natura, zoals
                    bijvoorbeeld een al dan niet aangepaste bruikleenauto, gesloten buitenwagen of
                    een open elektrische buitenwagen</al><al>In het eerste lid staan onder c, de tweede alinea vermeld welke voorzieningen
                    bedoeld worden, waarvoor een financiële tegemoetkoming mogelijk is, bijvoorbeeld
                    een aanpassing van de eigen auto, het gebruik van een bruikleenauto,
                    (rolstoel)taxi of medische begeleiding tijdens het vervoer. De mate waarin bij
                    de vaststelling van de financiële tegemoetkoming rekening wordt gehouden met een
                    voorziening, als bedoeld in artikel 22 onder b en c wordt uitgewerkt in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Verstrekkingenboek maatschappelijk
                    ondersteuning gemeente Alphen-Chaam.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 26. Omvang in gebied en in
                        kilometers.</onderstreept></vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich
                    lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de
                    zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet
                    maatschappelijke ondersteuningniet is beoogd de reikwijdte van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen reden om
                    aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen
                    vallen. Vandaar dat in artikel 26, conform de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of
                    leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook
                    in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al><al>Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 27. Diverse typen
                            rolstoelvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                    beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                    woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een rolstoel kan
                    zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel
                    wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt.
                    De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken
                    voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een
                    verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is
                    het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere
                    regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken
                    en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie
                    van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><al>Bij artikel 27 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in
                    de praktijk wel vaak gebeurde.</al><al>Deze optie geeft een regeling waarbij wel incidenteel noodzakelijke rolstoelen
                    worden verstrekt, maar dan via een algemene rolstoelvoorziening. Dit is geregeld
                    onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel nodig is, terwijl
                    het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel plaatsvindt. Het
                    recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld worden via een
                    rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen. Hierdoor wordt
                    voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt gebruikt. De
                    rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent gebruikt.
                    Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de pool te
                    lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad hebben.
                    Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend
                    gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 28. Incidenteel, danwel dagelijks rolstoelgebruik en
                            sportrolstoel.</onderstreept></vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel
                    wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere
                    hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel
                    kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op
                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere
                    verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de beleidsregels.</al><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                    worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel
                    uit de rolstoelpool is dan immers geen adequatevoorziening.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een forfaitair bedrag,
                    zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet mogelijk
                    is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel uitsluitend een
                    sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen worden niet
                    verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een handbike,
                    die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen nodig
                    is.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 29. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                            AWBZ-bewoners.</onderstreept></vet></al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling.</al><al><vet>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                        besluiten.</vet></al><al><vet><onderstreept>Artikel 30. Gebruik
                    aanvraagformulier.</onderstreept></vet></al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 31. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten.</onderstreept></vet></al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.</al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 32. Inlichtingen, onderzoek, advies en
                            beschikking.</onderstreept></vet></al><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te vragen of
                    aanvullende informatie op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en
                    te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen
                    deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de
                    aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.</al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                    worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt.</al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op hetmoment van
                    de aanvraagnodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk
                    geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager.
                    Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor
                    diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag.
                    Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijngeheel niet bekend
                    is bij deze wet. Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan
                    uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies.</al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies indien het een complexe aanvraag betreft,
                    bijvoorbeeld wanneer een aanvraag wordt ingediend die betrekking om meerdere
                    voorzieningen. Per geval wordt bezien of er sprake is van een complexe aanvraag.
                    Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt,
                    met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen
                    spelen.</al><al>De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om eenaanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten.</al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>Lid 5 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen
                    beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                    de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperkingof een
                    chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 33. Samenhangende
                    afstemming.</onderstreept></vet></al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid. In dat kader is er een specifieke onderzoeksverplichting aan
                    het college opgelegd.</al><al><vet><onderstreept>Artikel34. Wijzigingen in de
                    situatie.</onderstreept></vet></al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen. De informatieverplichting bij de aanvraag, dus bij een te
                    verstrekken voorziening, is geregeld in artikel 32 lid 3 van de
                    verordening.</al><al><vet><onderstreept>Artikel35. Intrekking van een
                        voorziening</onderstreept></vet></al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.
                    Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan zorgen voor afwijzing van de
                    aanvraag en voor intrekking van een besluit tot verstrekking van een voorziening
                    (artikel 35 lid 1 sub c). Ook hiervoor geldt dat het de aanvrager door middel
                    van de toekenningsbeschikking kenbaar moet zijn dat intrekking van het besluit
                    op deze grond kan plaatsvinden. De intrekkingsgrond onder d. is alleen van
                    toepassing indien er sprake is van een situatie dat het niet-gebruik gedurende
                    de vermelde periode niet het gevolg is van ziekte of andere
                    overmachtsituaties.</al><al><vet><onderstreept>Artikel36. Terugvordering</onderstreept></vet></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen.Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het collegede voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvragersprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de aanvragerin gebreke blijft zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd.</al><al><vet>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen.</vet></al><al><vet><onderstreept>Artikel 37. Hardheidsclausule.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk in de
                    rapportage en in de beschikking aangeven waarom in een bepaalde situatie van de
                    verordening wordt afgeweken.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 38 Gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet</onderstreept></vet></al><al>Er kunnen zich gevallen voordoen waarbij deze verordening niet van toepassing
                    is. Door omstandigheden, afhankelijk per geval, kan het college bepalen de
                    verordening toch van toepassing te laten verklaren.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 39. Indexering.</onderstreept></vet></al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Alphen-Chaam, te indexeren.</al><al><vet><onderstreept>Artikel 40. Evaluatie.</onderstreept></vet></al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al><al><vet><onderstreept>Artikelen 41. Inwerkingtreding en
                        citeertitel.</onderstreept></vet></al><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>