<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15961_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting primair onderwijs 2007 gemeente Alphen-Chaam</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-11-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 12-02-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting primair onderwijs van de gemeente Alphen-Chaam 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20het%20primair%20onderwijs">Wet op het primair onderwijs </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING PRIMAIR ONDERWIJS 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 </onderstreept>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen</al></li><li nr="b"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die
                                    geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c"><al>school: school voor basisonderwijs;</al></li><li nr="d"><al>school voor basisonderwijs:</al><al>een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="e"><al>nevenvestiging: deel van een school voor basisonderwijs dat door
                                    de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair
                                    onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f"><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g"><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h"><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor
                                        <cursief>bekostiging van een voorziening of voor
                                        bekostiging</cursief> van de kosten van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j"><al>aanvraag: verzoek om <cursief>bekostiging van een voorziening of
                                        om bekostiging</cursief> van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="l"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m"><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n"><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o"><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p"><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="q"><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r"><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s"><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="u"><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 2 </onderstreept>Omschrijving voorzieningen
                                in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a"><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit: </al><lijst><li nr="1°"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2°"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3°"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4°"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5°"><al>terrein voor zover benodigd voor de realisering van een
                                            onder a sub 1° tot en met 4° omschreven
                                            voorziening;</al></li><li nr="6°"><al>inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog
                                            niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                                            in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7°"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8°"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c"><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                                    bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in
                                    bijlage I;</al></li><li nr="d"><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e"><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 3 </onderstreept>Bouwvoorbereiding
                                voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.1 en a.2
                            kan een aanvraag worden ingediend voor <cursief>bekostiging</cursief>
                            van de kosten van bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in
                            hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 4 </onderstreept>Vaststelling vergoeding
                                voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde
                                    voorzieningen, of bij toekenning van
                                        <cursief>bekostiging</cursief> van bouwvoorbereiding als
                                    bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de
                                    hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf
                                    genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk
                                    voorziene kosten per geval.</al></li><li nr="2"><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                    vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B.</al></li><li nr="3"><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, lid a onder 1°, 6° en
                                        7°<cursief>.</cursief> Deel B van bijlage IV is van
                                    toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, lid a
                                    onder 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, artikel 2 lid b t/m e en artikel
                                    3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 5
                                </onderstreept>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2"><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere
                                    aanwijzingen worden gegeven.</al></li><li nr="3"><al>Bij de gegevensverstrekking wordt (indien beschikbaar) gebruik
                                    gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 6 </onderstreept>Indiening
                                    aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik
                                        gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgesteld
                                        aanvraagformulier.</al></li><li nr="2"><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend,
                                        besluit het college de aanvraag niet te behandelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 7 </onderstreept>Inhoud aanvraag;
                                    gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige
                                    aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d"><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e"><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f"><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d en e ;</al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="c"><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                                                van een gebouw, uit onderhoud aan een gebouw van een
                                                school voor basisonderwijsof uit herstel van een
                                                constructiefout;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e"><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li><li nr=""><al>Bij de rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik
                                                gemaakt van het door het college vastgestelde
                                                formulier ‘Bouwkundige opname’.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15
                                        februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld voor 15 maart de
                                        ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de
                                        vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt voor 15
                                        maart, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="4"><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan
                                        burgemeester en wethouders een afschrift van de jaarlijkse
                                        opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de
                                        wettelijke teldatum staat ingeschreven op de school, die
                                        geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen
                                        op het grondgebied van de gemeente. Indien het afschrift
                                        niet binnen een week na het tijdstip van de wettelijke
                                        teldatum is ontvangen, deelt het college dit schriftelijk
                                        mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                        gelegenheid gesteld het afschrift van de opgave alsnog
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling in te dienen. Indien het afschrift van de opgave
                                        niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is
                                        verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 8 </onderstreept>Opgave ingediende
                                    aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling
                                    programma en overzicht</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 9 </onderstreept>Toelichting aanvraag;
                                    overleg over ingediende begroting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of van het
                                        college nader worden toegelicht.</al></li><li nr="2"><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het
                                        gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                        toepassing is, treedt het college in overleg met de
                                        aanvrager indien zij van oordeel zijn dat de door de
                                        aanvrager overgelegde begroting van de kosten dient te
                                        worden aangepast. Wanneer in het overleg geen
                                        overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van het
                                        geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder vermelding
                                        van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3. Het college geeft in dit voorstel tevens de
                                        hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de
                                        aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing
                                        van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 10 </onderstreept>Overleg programma en
                                    overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Alvorens het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2"><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij
                                        tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                        voorstel.</al></li><li nr="3"><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4"><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar
                                        voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende,
                                        schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie
                                        van het college op deze zienswijzen, wordt door het college
                                        een verslag gemaakt. Het verslag wordt toegezonden aan alle
                                        bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5"><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van
                                        de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, dan
                                        wordt dit door het bevoegd gezag of het college tijdens het
                                        overleg als bedoeld in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit
                                        gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                        omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de
                                        Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het
                                        verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid
                                        van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6"><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7"><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het college
                                        ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken, waaronder het
                                        schriftelijk verslag van het overleg met de daarin opgenomen
                                        zienswijzen, ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van
                                        het verzoek.</al></li><li nr="8"><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9"><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 11 </onderstreept>Tijdstip
                                    vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat
                                        beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde
                                        voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst
                                        in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per
                                        voorziening.</al></li><li nr="2"><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk
                                        op 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in
                                        artikel 6 valt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 12 </onderstreept>Inhoud
                                    programma</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college` heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in
                                        aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past de
                                        raad de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: </al><lijst><li nr="a"><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b"><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c"><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 13 </onderstreept>Inhoud
                                    overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2"><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 14 </onderstreept>Bekendmaking
                                    besluiten vaststelling <cursief>bekostigingsplafond</cursief>,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de
                                        besluiten door het college schriftelijk mededeling gedaan
                                        aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2"><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 15 </onderstreept>Overleg wijze van
                                    uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het
                                        programma treedt het college in overleg met de aanvrager
                                        over de wijze van uitvoering van de op het programma
                                        geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie
                                        verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                        voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                        afspraken gemaakt over: </al><lijst><li nr="a"><al>het bouwheerschap als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="b"><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                                begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c"><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop door het college toepassing wordt
                                                gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de
                                                begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                                omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e"><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over de besteding van de beschikbaar te stellen
                                                middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen.</al></li><li nr="3"><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door
                                        het college schriftelijk vastgelegd in een verslag van het
                                        overleg en binnen vier weken na afloop van het overleg ter
                                        kennis gebracht van de aanvrager. Indien de aanvrager
                                        schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na
                                        ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt,
                                        afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag,
                                        geacht dat er overeenstemming of geen overeenstemming is
                                        bereikt.</al></li><li nr="4"><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5"><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 16 </onderstreept>Goedkeuring
                                    bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing
                                    wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;
                                    overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2"><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                        instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting
                                        en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                        nemen. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                        aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien
                                        niet binnen deze termijn is besloten, worden geacht
                                        instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                        begroting vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager
                                        aangegeven tijdstip. Binnen twee weken na de datum van de
                                        beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en
                                        het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, delen
                                        het college de beslissing schriftelijk mee aan de
                                        aanvrager.</al></li><li nr="3"><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4"><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er
                                        sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven, als naar het oordeel van het college,
                                        dat niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5"><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin. De beslissing van het college bedoeld in het
                                        tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het
                                        bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede
                                        lid van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6"><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 17 </onderstreept>Aanvang
                                    bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 18 </onderstreept>Vervallen aanspraak
                                    op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar
                                        volgend op de vaststelling van het programma een
                                        bouwopdracht is verleend dan wel een koop, huur of
                                        erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift hiervan
                                        niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is
                                        gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                        onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en
                                        de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, binnen
                                        welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                        bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. In geval van
                                        een huur of erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van
                                        inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de
                                        overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst wordt daarin
                                        de datum van aankoop vermeld.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op vergoeding vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft
                                        ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3"><al>Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 3.1 Aanvraag</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 19 </onderstreept>Indiening
                                    aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt (indien
                                beschikbaar) gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 20 </onderstreept>Inhoud
                                    aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a"><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend
                                                maken;</al></li><li nr="b"><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting
                                                niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                                vast te stellen programma;</al></li><li nr="c"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2 onder d en e;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering indien het een voorziening betreft als
                                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                                volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen twee
                                        weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het
                                        college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                        gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn
                                        heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering
                                    besluit</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 21 </onderstreept>Tijdstip
                                    beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2"><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 22 </onderstreept>Inhoud
                                    beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij
                                        deze vaststelling past het college de regels toe met
                                        betrekking tot: </al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld
                                                in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3"><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college
                                        welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV,
                                        deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin. Bij de beschikking stelt de raad vast voor
                                        welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en
                                        voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                        toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de
                                        beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn
                                        verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        zijn gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 23 </onderstreept>Uitvoering
                                    beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is</al><al>toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de
                                aanvrager over de wijze van</al><al>uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig
                                van toepassing, met uitzondering van de in het tweede lid van
                                artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden
                                gelezen drie weken.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 24 </onderstreept>Vervallen aanspraak
                                    bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop ,
                                        huur of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop, huur of erfpachtovereenkomst is het gestelde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3"><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek heeft
                                        beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het
                                        college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging
                                        vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de
                                        datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met
                                        dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 25 </onderstreept>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag indienen bij het college voor een
                                    vergoeding van de kosten van de bouwvoorbereiding. Het betreft
                                    de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de vergoeding gewenst wordt.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3"><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                            wordt gewenst;</al></li><li nr="d"><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                            gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e"><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="f"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten;</al></li><li nr="g"><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een
                                            bestaand gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige
                                            noodzaak van de vervanging blijkt;</al></li><li nr="h"><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste
                                            lid, indien de vergoeding kosten bouwvoorbereiding is
                                            aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst><al>Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt van
                                    het door het college vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                    opname’.</al></li><li nr="4"><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15
                                    maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7,
                                    derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 26 </onderstreept>Toelichting en overleg
                                aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2"><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg
                                    met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats
                                    tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
                                    De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 27 </onderstreept>Beschikking op
                                aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                    beslissing over de aanvraag.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al><lijst><li nr="a"><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten
                                            van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b"><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                            vaststaat;</al></li><li nr="c"><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                            gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                            aanmerking kan worden gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking
                                    vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden
                                    vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
                                    beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
                                    tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                                    jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
                                    bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt
                                    tussen aanvrager en het college.</al></li><li nr="4"><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 28 </onderstreept>Vervallen aanspraak
                                bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                            bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet
                            voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de
                            beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of
                                    educatie</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 29 </onderstreept>Aanduiding
                                    omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor het basisonderwijs, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere basisschool, vastgesteld aan de hand van de voor
                                        die school gangbare berekeningswijze en</al></li><li nr="d"><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e"><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 30 </onderstreept>Omschrijving
                                    leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het
                                                aantal groepen zoals berekend op basis van bijlage
                                                III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals
                                                vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt
                                                dat er ten minste één leslokaal niet nodig is voor
                                                de daar gevestigde school of scholen; </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b"><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs, indien
                                                de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b
                                                een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 31 </onderstreept>Nalaten vordering;
                                    volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indiena het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen;</al></li><li nr="2"><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3"><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt: </al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering
                                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 32 </onderstreept>Overleg en
                                    mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het daarover overleg met het bevoegd
                                        gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het
                                        bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in art.
                                        10.</al></li><li nr="2"><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven
                                        geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het daarover zo spoedig mogelijk overleg
                                        met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het
                                        bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4"><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                        vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                        vordering te hebben.</al></li><li nr="5"><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a"><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van het aantal groepen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                                onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                                                klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c"><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e"><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 33 </onderstreept>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 34 </onderstreept>Aanduiding
                                    omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien er sprake is van
                                leegstand in een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bepaald in
                                artikel 30.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 35 </onderstreept>Overleg en
                                    mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2"><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al><lijst><li nr="a"><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b"><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c"><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d"><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e"><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                        schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                        gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid
                                        heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                        geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                        overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag in het
                                        overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen
                                        de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                        bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><cursief>Paragraaf 5.3 Verhuur</cursief></titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 36 </onderstreept>Toestemming
                                    college</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                        gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2"><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3"><al>Het college verleent de toestemming niet indien: </al><lijst><li nr="a"><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs of regelgeving;</al></li><li nr="b"><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 37 </onderstreept>Tijdstip beëindiging
                                gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag
                                    nodig is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik
                                    van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch
                                    uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het
                                    bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals
                                    vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake
                                    een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke
                                    akte.</al></li><li nr="2"><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft
                                    plaatsgevonden, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3"><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4"><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="5"><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7 GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 38 </onderstreept>Mutaties aantal klokuren
                                binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verstrekt aan het bevoegd gezag van één of meer
                                    scholen voor basisonderwijs jaarlijks voor 1 maart voorafgaande
                                    aan het volgend schooljaar een opgave van het genormeerde
                                    onderwijs-gebruik per basisschool van een gymnastiekruimte dat
                                    voor bekostiging in aanmerking komt op grond van de
                                    “beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs”.
                                    Deze opgave bevat het aantal klokuren alsmede de aanduiding van
                                    de beschikbare gymnastiekruimte.</al></li><li nr="2"><al>Het bevoegd gezag van één of meer scholen voor basisonderwijs
                                    wordt uitgenodigd om binnen 4 weken na ontvangst te reageren op
                                    de opgave genoemd in lid 1. Deze reactie wordt beschouwd als een
                                    aanvraag in de zin van artikel 19 van deze verordening en bevat
                                    in ieder geval een overzicht van de gewenste inroostering in het
                                    komende schooljaar. Op de afwikkeling van deze reactie is het
                                    bepaalde in dit artikel van toepassing.</al></li><li nr="3"><al>Binnen 6 weken na ontvangst van de reactie van het bevoegd gezag
                                    genoemd in lid 2, stelt het college de inroostering vast van het
                                    gebruik van de gymnastiekruimte(n) door het basisonderwijs in
                                    het komend schooljaar. Hiertoe wordt het gewenste
                                    onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4"><al>Het college neemt bij de vaststelling van de inroostering het
                                    volgende in acht: </al><lijst><li nr="a"><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c"><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De inroostering vermeldt per school voor basisonderwijsde
                                    volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c"><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor
                                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
                                            vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het
                                            bevoegd gezag van de school. Het college neemt het
                                            aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts
                                            op in de inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                            beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het
                                            totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="6"><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezags-organen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Indien
                                    het college hierbij afwijkt van de ontvangen reacties van het
                                    bevoegd gezag, dan wordt dit gemotiveerd. Deze mededeling is te
                                    beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en,
                                    indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32,
                                    vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 8 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 39 </onderstreept>Beslissing college in
                                gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en
                                    wethouders.</al></li><li nr="2"><al>Indien het college, om redenen van het algemeen gemeentelijk
                                    belang, overweegt af te wijken van deze verordening, doet zij
                                    daaromtrent een gemotiveerd voorstel aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="3"><al>Voor de toepassing van lid 1 en lid 2 van dit artikel is
                                    voorwaarde dat tussen betrokken partijen vooraf volledige
                                    overeenstemming is bereikt en dit schriftelijk is
                                    vastgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 40 </onderstreept>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 41 </onderstreept>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening voorzieningen
                            huisvesting primair onderwijs van de gemeente Alphen-Chaam 2007.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 42 </onderstreept>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadvergadering van 21 december 2006,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>Drs. H.W.S.M. Nuijten M. Luijben </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere</al><al>voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor</al><al>bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                    aangevraagde</al><al>voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="–"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I DEEL A Lesgebouwen</titel></kop><divisie><kop><titel>1 School voor basisonderwijs</titel></kop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.10 d worden niet
                        noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van burgemeester en wethouders.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.1 Nieuwbouw</titel></kop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                                zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                                zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.2 Vervangende bouw</titel></kop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                                zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en
                                dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.3 Uitbreiding</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</titel></kop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:</al><al>a</al><lijst><li nr=""><al> het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                                capaciteit van het gebouw <cursief>of de gebouwen</cursief> als
                                vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is;</al></li><li nr="b1"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                                blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                                (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan
                                (kunnen) worden verwacht of</al></li><li nr="b3"><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                                aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die
                                niet voor maximaal vier jaren binnen het gebouw <cursief>of de
                                    gebouwen</cursief> kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                huisvesting voor de school te realiseren, terwijl</al></li><li nr="d"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                                burgemeester en wethouders, de mogelijkheid bestaat door
                                gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte tussen de
                                feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                                oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                                geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te
                                maken.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.3.2 Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</titel></kop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste
                                leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen
                                telt en dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste vijftien
                                jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze
                                groepen leerlingen kunnen worden verwacht terwijl</al></li><li nr="b"><al>voor het spelen van (een deel van) de vier en vijfjarigen geen
                                gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een
                                speellokaal van een andere basisschool of school voor speciaal
                                onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</titel></kop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                                aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                                dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                                die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                                ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                                verwacht of</al></li><li nr="b2"><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                                dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders,
                                staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of
                                uitbreiding.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</titel></kop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                                en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen
                                en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van burgemeester en
                                wethouders.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.6 Terrein</titel></kop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</titel></kop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het
                        feit dat de school, op grond van de meest recente teldatum voorafgaand aan
                        de indiening van de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep
                        leerlingen, en voor zo’n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog
                        niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                        onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de
                        school na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende
                        scholen.</al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt
                        uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede
                        speellokaal.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.8 Eerste inrichting meubilair</titel></kop><al>De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                        school, op grond van de meest recente teldatum voorafgaand aan de indiening
                        van de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en
                        voor zo’n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder
                        bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                        zijn van extra meubilair, indien het aantal groepen ongewogen leerlingen na
                        fusie groter is dan dat van de aan de fusie deel-nemende scholen.</al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal meubilair blijkt uit het
                        feit, dat een basisschool wordt uitgebreid met een tweede speellokaal.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.9 Medegebruik</titel></kop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                        leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel A, aanwezig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.10 Aanpassing</titel></kop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a</al><lijst><li nr=""><al> wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor een school voor basisonderwijs, gelet
                                op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen
                                    afstoten<onderstreept>;</onderstreept></al></li><li nr="c"><al>creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="d"><al>creëren speellokaal binnen het gebouw;</al></li><li nr="e"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en
                                regelgeving;</al></li><li nr="f"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties;</al></li><li nr="g"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen en</al></li><li nr="h"><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li></lijst><al>Ad a</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester en
                        wethouders, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad b</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                        kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                        groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd
                        omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                        ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan
                        vier en vijfjarigen of zes tot twaalfjarigen.</al><al>Ad c</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen
                        leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond van
                        bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                        bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde
                        bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                        extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen
                        medegebruiksmogelijkheden aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter
                        hemelsbreed.</al><al>Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op
                        grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde
                        voorziening is.</al><al>Ad d</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de school niet
                        beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is
                        en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen
                        300 meter mogelijk is.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                        uitbreiding, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders wordt
                        beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad e</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad f</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Ad g</al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Ad h</al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanpassing is opgenomen in een door de gemeenteraad vastgesteld
                                Integraal Huisvestingsplan;</al></li><li nr="2."><al>de aanpassing niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="3."><al>bij de bouw van de school geen rekening is gehouden met
                                onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="4."><al>het een permanent gebouw betreft en</al></li><li nr="5."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></li></lijst><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.11 Onderhoud</titel></kop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                        bijgevoegde overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al><al>b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang
                        en sluitwerk);</al><al>c algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de
                        centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school
                        noodzakelijk is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien:</al><al>a het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, nog ten minstevier jaren noodzakelijk is; en</al><al>b voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                        medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.12 Herstel van constructiefouten</titel></kop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</titel></kop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al></divisie><divisie><kop><titel>I-1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</titel></kop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al>Vervangen brandtrap.</al><al>Vervangen erfscheiding.</al><al>Vervangen riolering/bestrating schoolplein.</al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                                activiteit).</al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                                activiteit).</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al><al>Vervangen boeiboorden.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</titel></kop><divisie><kop><titel>1 Basisonderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1.1 Nieuwbouw</titel></kop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.2 Vervangende bouw</titel></kop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.3 Uitbreiding</titel></kop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor
                                belemmerd wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</titel></kop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1"><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2"><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het
                                gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de
                                gemeente vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.5 Terrein</titel></kop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</titel></kop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs
                                is verstrekt.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.7 Eerste inrichting meubilair</titel></kop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is
                                verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                                voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>1.8 Medegebruik</titel></kop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                        vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                        de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.9 Aanpassing</titel></kop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                        gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                        noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                        gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                        kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in
                        stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                        aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs,
                        terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening
                        mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.10 Onderhoud</titel></kop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in
                                het overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’;</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                                centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvanten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in Bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.11 Herstel constructiefouten</titel></kop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</titel></kop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting Bijlage I, Deel A</titel></kop><al>Lesgebouwen</al><al>Vervangende nieuwbouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van
                        een gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat
                        en om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in
                        een volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van
                        schouwing voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel
                        mogelijk zijn geëlimineerd. Deze techniek kan worden vastgesteld door
                        burgemeester en wethouders.</al><al>Vervangende nieuwbouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking
                        hebben op een budgettair neutrale oplossing, een herschikkingoperatie of
                        verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.</al><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen
                        extra kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger
                        zijn dan de huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het
                        aanvragende schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie van het
                        schoolbestuur worden ingezet.</al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                        bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                        herschikkingsplan is in elk geval een optimale huisvestingssituatie en een
                        grotere doelmatigheid te realiseren.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken
                        aan stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                        noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al><al>Uit de nulmeting kan naar voren komen dat de feitelijke oppervlakte groter
                        is dan de genormeerde oppervlakte voor het aantal groepen dat in het gebouw
                        kan worden gehuisvest. In zo'n geval is er een verschiloppervlakte. Bij een
                        aanvraag voor uitbreiding zal in dat geval worden bezien of de
                        verschiloppervlakte niet kan worden betrokken bij de omvang van de
                        uitbreiding, met andere woorden, of niet (deels) inpandig de benodigde extra
                        capaciteit is te realiseren. Indien dit te duur is ten opzichte van
                        uitbreiding, dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding wordt gerealiseerd
                        (zie ook bijlage III, deel A).</al><al>Voor de uitbreiding met een tweede speellokaal in het basisonderwijs is
                        aangegeven, wanneer dit noodzakelijk is. Nieuw ten opzichte van de eerder
                        geldende regelgeving is ten eerste het loslaten van de automatische
                        uitbreiding met een tweede speellokaal bij het vormen van de veertiende
                        groep. Koppeling aan het aantal groepen - van een zekere omvang - jongste
                        leerlingen (in nieuwbouwwijken vaak een aanzienlijk deel van de leerlingen)
                        maakt meer maatwerk mogelijk. Ten tweede is om een efficiënt gebruik van
                        gebouwen te bevorderen, een verwijzingsmogelijkheid naar een op korte
                        afstand aanwezig speellokaal of gymnastieklokaal waar nog ruimte is,
                        opgenomen. Op het punt van afstand heeft harmonisatie met het speciaal
                        onderwijs plaatsgevonden.</al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of gedeelte daarvan
                        speelt bij de toekenning, naast de ligging, de omvang, de prognose en de
                        kwaliteit een belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen
                        hiervoor is gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de
                        noodzakelijke aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds
                        voor onderwijs geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele)
                        verwervingskosten te hoog zijn (het ministerie hield daarvoor 70 procent van
                        de kosten van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of nieuwbouw niet
                        een betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te
                        besluiten (en daarmee af te wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in
                        verband met de locatie, het (monumentale) gebouw of het ontbreken van
                        alternatieve mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat
                        hier - evenals bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen - een
                        onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en
                        gewaardeerd.</al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij situaties waarbij vervanging van een
                        bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als:</al><lijst><li nr="•"><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="•"><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="•"><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                ordening.</al></li></lijst><al>Daarnaast is ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                        schoolgebouw aan de orde is.</al><al>Het automatisme bij de toewijzing van terrein in het primair onderwijs is
                        verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                        toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening mee
                        gehouden.</al><al>Voor het primair onderwijs gaat het bij eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket (en meubilair) om het aantal groepen leerlingen. Bij
                        fusie van scholen kan er enkel sprake zijn van extra onderwijsleerpakket en
                        meubilair, indien het aantal groepen groter is dan het totaal bekostigde
                        onderwijsleerpakket en meubilair van de aan de fusie deelnemende scholen. De
                        bestaande scheiding tussen onderwijsleerpakket en meubilair (enkel
                        onderwijsleerpakket voor wegingsgroepen in het basisonderwijs) - aangebracht
                        tijdens de periode van de Tijdelijke wet beperking huisvestingsvoorzieningen
                        - blijft bestaan.</al><al>Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is ook de
                        nulmeting van belang. Op 1 augustus 1985 werden alle basisscholen geacht
                        voldoende te zijn ingericht. Daar waar het niet het geval was, kon via
                        overgangsartikelen aanvullende eerste inrichting worden verkregen. Voor de
                        nulmeting impliceert dit dat alle toekenningen tot aan 1 augustus 1985 ook
                        worden begrepen onder de aanwezige eerste inrichting.</al><al><cursief>Aanpassing gebouwen:</cursief></al><al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                        aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                        vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op
                        het gebied van arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover
                        niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke)
                        vrijstelling is verleend.</al><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                        schoolbestuur rechtstreeks van het Rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                        het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken van het
                        gebouw voor gehandicapten.</al><al>Onder aanpassingen kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden
                        aangevraagd om het gebouw en/of terrein toegankelijk te maken voor in hun
                        beweging beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein
                        toegankelijk te maken tot en met de entree (met name het realiseren van een
                        hellingbaan) en het aanbrengen van een traplift bij een meerlaags
                        schoolgebouw.</al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan
                        uit het maken van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn,
                        maar wel aanwezig waren in de dislocatie en noodzakelijk zijn om het
                        onderwijs aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                        integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="-"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende
                                ruimte tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="-"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="-"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="-"><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                        mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                        primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                        moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                        tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet-
                        en regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                        beoordelen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderhoud gebouwen</titel></kop><al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs.
                        Ook hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het
                        onderhoud noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd
                        gezag in de materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer
                        volstaat.</al><al>Voordat onderhoud aan noodlokalen wordt toegekend, zal worden nagegaan of de
                        betreffende noodlokalen nog noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan
                        vier jaren. Indien de groepen uit de noodlokalen elders in medegebruik
                        kunnen worden ondergebracht, zal voor die optie worden gekozen.</al><al>Bij herstel van <cursief>constructiefouten</cursief> is het van (groot)
                        belang daadwerkelijk vast te stellen dat het gaat om een
                        constructiefout.</al><al><cursief>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                            omstandigheden.</cursief></al><al>Bij de bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel/vervanging
                        van schade in bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de
                        situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal
                        afgebrande school met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw
                        met zes lokalen, omdat de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de
                        prognose blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien
                        jaren meer dan zes groepen zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, zal
                        de gemeente eerst na gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering
                        overgaat.</al></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting Bijlage I Deel B</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Gymnastiekruimten</titel></kop><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                        gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                        traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van
                        de (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over
                        de aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden
                        gerealiseerd. Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende
                        schoolbestuur voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal
                        die de gemeente op korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal
                        gebruik worden gemaakt van de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand
                        aan elke beslissing - nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming - bezien of
                        niet door medegebruik de gevraagde voorziening overbodig is. Overigens laat
                        de praktijk zien dat - zeker in plattelandsgemeenten - eventueel vervoer
                        naar een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn.
                        Uiteraard is hierover overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt
                        gekeken naar de klokuurnorm zoals de gemeenteraad die voor het primair
                        onderwijs heeft vastgesteld en naar het rooster.</al><al>In tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                        kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar
                        als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek
                        meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft.</al><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort
                        ook tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving
                        (eisen met betrekking tot hygiëne).</al><al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                        worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                        grotere en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                        leerlingprognoses</titel></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a"><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b"><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c"><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d"><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e"><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f"><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g"><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. De prognose is niet meer dan 2 jaar oud.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Bij aanlevering van een prognose dienen de
                    relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier
                    te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d t/m g, waarop de
                    prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan de prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de andere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de ‘Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Alphen-Chaam’.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="–"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="–"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="–"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE III DEEL A De bepaling van de capaciteit</titel></kop><divisie><kop><titel>1 School voor basisonderwijs</titel></kop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                        onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met
                        het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                        onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                        beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen (inclusief de
                            T&amp;B-dislocaties1 met een</titel></kop><al>permanente of tijdelijke bouwaard)</al><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                        ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs’.</al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het
                        aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk
                        aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in
                        een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het
                        handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen
                        worden niet meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een relatie
                        te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van
                        het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op
                        basis van de BVO, vastgesteld met behulp van de onderstaande tabellen 1, 2
                        en 3 voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en
                        huisvesting met een tijdelijke bouwaard.</al><al>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</al><al><cursief>Permanente gebouwen waarin meer dan 30 leerlingen worden
                            gehuisvest</cursief></al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>(inclusief m² BVO voor onder-</al><al>kundige vernieuwingen)</al><al>350 2</al><al>465 3</al><al>580 4</al><al>785 5</al><al>900 6</al><al>1015 7</al><al>1130 8</al><al>1245 9</al><al>1360 10</al><al>1475 11</al><al>1590 12</al><al>1705 13</al><al>1820 14</al><al>1935 15</al><al>en vervolgens telkens te verhogen met 115 m² ten behoeve van 1 groep
                        leerlingen.</al><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal wordt de minimale
                        brutovloeroppervlakte zoals weergegeven in tabel 1, opgehoogd met 90
                        m².</al><al><cursief>Permanente gebouwen waarin minder dan 31 leerlingen worden
                            gehuisvest</cursief></al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>330 2</al><al>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting</al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>305 2</al><al>410 3</al><al>515 4</al><al>710 5</al><al>815 6</al><al>920 7</al><al>1025 8</al><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m² ten behoeve van 1 groep
                        leerlingen.</al><al>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting</al><al>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen</al><al>100 1</al><al>180 2</al><al>260 3</al><al>340 4</al><al>420 5</al><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van 1 groep
                        leerlingen.</al><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                        groepen zoals vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 of 3, is het aantal
                        lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen
                        kleiner is dan het aantal groepen zoals is vastgesteld op basis van de
                        tabellen 1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen
                        de werkelijke BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen
                        waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2
                        waarmee de BVO van het gebouw is ‘overgedimensioneerd’. De registratie vindt
                        plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze ‘overdimensionering’ van de
                        BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de
                        capaciteit moet worden uitgebreid.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                            bouwaard</titel></kop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties geldt het gestelde onder
                        1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en 3. Voor de
                        bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van
                        115 m² BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw met een
                        permanente bouwaard en van 80 m² per groep leerlingen indien sprake is van
                        een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</titel></kop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van
                        een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer
                        dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                        rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                        ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                        gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt
                        is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                        grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                        doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                        beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                        school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie
                        betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde
                        scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als
                        dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                        vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                        overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                        anders beslist.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.4 Terrein</titel></kop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.5 Inventaris</titel></kop><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal
                        groepen van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het
                        onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het
                        onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk
                        vastgelegd.</al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald
                        aan de hand van de volgende twee stappen:</al><al>- het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk aan
                        het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket noodzakelijk is bij aanvang
                        van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding
                        van de WBO, voor meer groepen onderwijsleer-pakket is verstrekt, toont het
                        college dit aan door middel van de door het Ministerie van Onderwijs,
                        Cultuur en Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                        correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van
                        het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                        ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van
                        onderwijsleerpakket. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO,
                        voor minder groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd
                        gezag van de school dit aan.</al><al>- Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                        geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Omrekentabel onderwijsleerpakket</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col3"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>21</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b. meubilair</al><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand
                        van de volgende twee stappen:</al><al>- Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het
                        aantal groepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van het
                        schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                        WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan
                        door middel van de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van
                        correspondentie tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van
                        het laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                        ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van meubilair. Indien
                        in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen
                        meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag dit aan.</al><al>- Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd met
                        behulp van onderstaande omrekentabel:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Omrekentabel meubilair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>1.6 Gymnastiekruimten</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1.6.1 Gymnastiekruimte</titel></kop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                        klokuren.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.6.2 Terrein</titel></kop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.6.3 Inventaris</titel></kop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE III DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</titel></kop><divisie><kop><titel>1 Basisonderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1.1 Lesgebouwen</titel></kop><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                        huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van
                        een aanvraag voor opneming op het programma is afhankelijk van de vraag of
                        een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling
                        van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een
                        basisschool wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school
                        uitgegaan van de formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                        van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool
                        wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de
                        formule onder b.</al><al>De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de
                        bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine
                        scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).</al><al>a <cursief>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                            blijvend gebruik bestemde voorziening voor een
                        basisschool:</cursief></al><al>G = (A+B+C) / 179</al><al>Waarbij:</al><al>G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                        verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                        groepen.</al><al>A = het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober
                        voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school
                        zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al>B = het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande
                        aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                        ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het verkregen getal B wordt niet
                        afgerond.</al><al>C = 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande
                        aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                        ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze
                        berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal
                        C wordt niet afgerond.</al><al>b <cursief>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een
                        basisschool:</cursief></al><al>G = (A+B+C+D) / 179 + E + 0,5 F</al><al>Waarbij:</al><al>G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                        verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                        groepen.</al><al>A = a het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente
                        teldatum 1</al><al>oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al>b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                        aantal</al><al>leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal
                        leerlingen van</al><al>4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de
                        school is</al><al>ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>B = a het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente
                        teldatum 1</al><al>oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.</al><al>b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                        aantal</al><al>leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal
                        leerlingen van</al><al>8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op de school
                        is</al><al>ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.</al><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>C = a 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente
                        teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                        2,06).</al><al>b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                        leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) 280 minus (het
                        totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de
                        school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).</al><al>Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                        bepaald.</al><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>D = a som van de gewichten [1]) op basis van het totaal aantal leerlingen
                        dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven,
                        verminderd met 8,35 % van het totaal aantal leerlingen dat op de meest
                        recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven. Indien het
                        schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum
                        1 oktober ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D
                        vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op
                        de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig
                        afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens
                        vermenigvuldigd met 3,2.</al><al>b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                        leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) som van de
                        gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de
                        meest recente telling op de school is ingeschreven, verminderd met 8,35% van
                        het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op
                        de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van
                        het aantal op de meest recente telling ingeschreven leerlingen van de
                        school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de
                        meest recente telling op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen
                        getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt
                        vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.</al><al>Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0
                        bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend
                        op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair
                        onderwijs.</al><al>F = het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door
                        de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al><al>1.2 Gymnastiekruimten</al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                        gymnastiek. Per groep 6 tot 12 jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5
                        klokuur gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal
                        formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule</al><al>G = (A + B + C + D) / 179</al><al>De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals
                        opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in
                        bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>Voor het bepalen van het aantal groepen 6 tot 12 jarigen wordt aangesloten
                        bij het normatieve overzicht ‘splitsing aantal groepen leerlingen’ zoals
                        weergegeven in tabel 5.</al><al>Tabel 5 ‘Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)’</al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                        leerlingen (G) in groepen 4- en 5- jarigen en groepen 6- tot en met
                        12-jarigen ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                        leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                        bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn
                        ingeschreven.</al><al>Tabel 5:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen 4-5 jarigen</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal groepen 6-12 jarigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
                                            23 24 25 26 27</al></entry><entry colname="col2"><al>1 1 2 2 2 3 3 3 3 4 4 4 5 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 8 8 9</al></entry><entry colname="col3"><al>1 2 2 3 4 4 5 6 7 7 8 9 9 10 11 11 12 13 14 14 15 16 16
                                            17 18 18</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste
                        aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:</al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>b. meubilair</al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik
                        bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de
                        eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het
                        aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:</al><al>G = (A+B+C+D) / 179 + E</al><al>De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                        opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in
                        bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>b. meubilair</al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik
                        bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                        aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen
                        uitgegaan van de onderstaande formule:</al><al>G = (A+B+C) / 179</al><al>De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                        opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in
                        bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>BIJLAGE III DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                        noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                        financiële consequenties vast te stellen.</al><al>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het
                        aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                        ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie met
                        uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte
                        zoals omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling van de
                        capaciteit’. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van
                        aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw,
                        hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>Een <cursief>toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</cursief> wordt
                        toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                        bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                        uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat.
                        Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een
                        uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als
                        voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede
                        toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang
                        van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw
                        dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>ingebruikneming</cursief> wordt bepaald door de omvang van het
                        gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal
                        groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                        van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting <cursief>medegebruik</cursief> wordt bepaald door het
                        verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en
                        het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</titel></kop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter
                        dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel
                        B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                        uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                            gebouw<cursief>,</cursief> wordt bepaald door het verschil tussen het
                        aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan
                        vijftien jaar noodzake-lijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep.</al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een
                        speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw,
                        uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de
                        vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding
                        dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft,
                        geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.
                        Een tweede tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een
                        speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende
                        nieuwbouw de veertiende groep omvat.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                        verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                        aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                        capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                        noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                        gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de
                        verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De
                        bepaling van de capaciteit’.</al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van
                        het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het
                        gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                        gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk
                        is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                        de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                        jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                        is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing
                        van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                        groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                        van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</titel></kop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte
                        en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, bepaald door het
                        verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste
                        aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het aantal groepen, op basis van
                        het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de,
                        voor het indienen van de aanvraag, meest recente teldatum. Het aantal
                        groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze
                            bijlage<cursief>.</cursief></al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de
                        eerste aanschaf van het meubilair, bepaald door het verschil tussen het
                        aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de
                        normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal
                        groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan
                        worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest recente
                        teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3
                        van deel B van deze bijlage.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de toeslag onderwijsleerpakket
                        tweede speellokaal toegekend, indien er sprake is van een uitbreiding met
                        een tweede speellokaal.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de toeslag meubilair tweede
                        speellokaal toegekend, indien er sprake is van een uitbreiding met een
                        tweede speellokaal.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        danwel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing anders dan een
                        aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen, wordt bepaald door
                        de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                        maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt door het
                        college in overleg met de bevoegde gezagsorganen van de basisscholen
                        bepaald. Een eventueel overeen te komen uitbreiding van een schoolgebouw zal
                        nimmer het aantal genormeerde m² BVO overstijgen behorend bij de
                        minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald
                        is aan de hand van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik
                        bestemde voorziening zoals beschreven in deel B van deze bijlage: “Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte”met als maximum het aantal groepen van de
                        school waarvoor de school over permanente huisvesting beschikt.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>onderhoud</cursief> wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                        het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval
                        van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.4 Gymnastiekruimten</titel></kop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                        wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in
                        onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                        voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                        onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                        onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                        wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                        gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                        realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen
                        met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van
                        het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte
                        oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel
                        van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE III DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                        voorzieningen</titel></kop><divisie><kop><titel>1 Basisonderwijs</titel></kop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                        m2/ll met een minimum van 300m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                        volstaan met 600m² netto;</al><al>– 1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84m², vanaf
                        de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte
                        van 84m²</al><al>– minimumoppervlakte leslokaal: 42m² netto.</al></divisie><divisie><kop><titel>2 Gymnastiekruimten</titel></kop><al>– De oefenruimte is minimaal 252m² netto.</al><al>– De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>– Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                        was-/douchegelegenheid.</al><al>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</al><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                        vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                        vloerniveaus.</al><al>De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                        buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                        vloerhoogte.</al><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto
                        vloeroppervlakte te worden gerekend.</al><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige
                        gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                        gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van
                        de scheidingsconstructie.</al><al>Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                        voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2.</al><al>Uitzonderingen:</al><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                        buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                        gerekend.</al><al>Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de
                        netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto
                        vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden netto vloeroppervlakte
                        te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                        andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de netto
                        vloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60 m
                        te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                        keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van
                        de bruto vloeroppervlakte.</al></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting bijlage III</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>DEEL A De bepaling van de capaciteit</titel></kop><al>Basisonderwijs</al><al>Capaciteit van de gebouwen</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de
                        nulmeting en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen
                        beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van
                        mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een
                        aantal groepen. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle
                        gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde
                        oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO dan
                        behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een
                        dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel naar de mogelijkheid te
                        kijken of met de uitbreiding de overdimensionering van het gebouw kan worden
                        teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO van het gebouw. De
                        BVO is een gegeven dat is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                        ministerie van OCenW en als zodanig meermaals geverifieerd.</al><al>De capaciteit van het gebouw is ook een bij het ministerie van OCenW
                        vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de hand van oppervlaktetabellen
                        vastgesteld. De werkelijkheid is in meerdere gevallen afwijkend van de
                        registratie. Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de
                        capaciteit van de gebouwen. De capaciteit van een gebouw in groepen is
                        gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw. Indien de normatieve BVO
                        behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw kan worden
                        gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het gebouw
                        ‘overgedimensioneerd’. Het aantal m² van deze ‘overdimensionering’ is van
                        belang op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat moment
                        kan worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan
                        worden beperkt, terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het
                        gebouw wordt gerealiseerd. De vermindering van de ‘overdimensionering’ van
                        de BVO van het gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren
                        voor de vergoeding van de materiële exploitatie.</al><al>Rangordebepaling</al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                        dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                        leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en
                        zo ja welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                        vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                        dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste
                        gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen
                        worden afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie
                        van OCenW vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen
                        denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere
                        dislocatie kan structureel voldoende huisvesting bieden en kan door de
                        rangorde aan te passen de grotere dislocatie worden afgestoten. In een
                        dergelijk geval stellen burgemeester en wethouders, na overleg met het
                        bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><al>Terrein</al><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                        geregistreerd. De gegevens zoals deze bij het kadaster zijn vastgelegd, zijn
                        maatgevend voor de gemeentelijke administratie. Voor het openbaar onderwijs
                        is in niet alle gevallen de terreinoppervlakte geregistreerd die behoort bij
                        het onderwijsgebouw. Het kan zijn dat de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en andere openbare gebouwen als één geheel is geregistreerd. In die
                        gevallen wordt geen terrein- oppervlakte geregistreerd.</al><al>Inventaris</al><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                        uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat de inventaris
                        is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997
                        huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal
                        groepen ook onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden
                        op basis van de oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere
                        telling augustus 1996. Op deze aanvragen is nog door het ministerie van
                        OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer groepen
                        onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal groepen
                        waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan worden gevraagd. De
                        gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven beschikkingen
                        door het ministerie van OCenW. In een aantal gevallen hebben burgemeester en
                        wethouders, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd voor
                        de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is
                        aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen
                        burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school. In beide
                        gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket en
                        meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang
                        van de noodzakelijke uitbreiding van onderwijsleerpakket en meubilair.</al><al>De periode waarover wordt teruggekeken, is de periode na inwerkingtreding
                        van de WBO. In de OWBO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment
                        van inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken
                        in de tijd heeft dus geen zin.</al><al>Gymnastiekruimten</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang
                        vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt
                        gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van de
                        leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de
                        gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een
                        gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40
                        klokuren worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de
                        schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken
                        van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op
                        klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school
                        dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de
                        betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte
                        beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren
                        noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere
                        school in het primair of voortgezet onderwijs, en sportaccommodatie van de
                        gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte
                        van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij
                        het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het
                        terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte
                        voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele
                        aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                        bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de
                        totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt
                        bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het
                        terrein.</al><al>In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is
                        gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte
                        geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze
                        wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te
                        realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                        onderwijspakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval
                        dat voor de invulling van het noodzakelijk aantal klokuren gymnastiek wordt
                        verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien
                        vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de
                        gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><titel>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</titel></kop><al>Basisonderwijs</al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school in het basisonderwijs houdt
                        in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende
                        school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang
                        van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt
                        uitgedrukt in groepen, zijnde het aantal formatieplaatsen in de
                        basisformatie. Er is onderscheid gemaakt in het bepalen van de
                        ruimtebehoefte voor een tijdelijke en voor permanente voorzieningen. Bij de
                        bepaling van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke voorziening wordt wel
                        rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de bepaling van de
                        ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee geen rekening
                        gehouden.</al></divisie><divisie><kop><titel>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</titel></kop><al>Basisonderwijs</al><al>Voor blijvend gebruik bestemde voorziening</al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                        groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                        voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw
                        volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waardoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is.</al><al>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening</al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                        voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                        huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²)
                        dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien
                        in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of
                        gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw.
                        De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder
                        is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waardoor
                        huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                        aanwezig is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                        groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                        de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van
                        medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar verwezen
                        worden.</al><al>Overige voor blijvend dan wel tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III,
                        deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                        gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang
                        van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de
                        uitbreiding hiervan wordt bepaald door het aantal groepen, op basis van het
                        gewogen leerlingenaantal, waarvoor deze voorziening noodzakelijk is.</al><al>In het geval van uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald
                        door het aantal groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het
                        indienen van de aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds eerste
                        aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen
                        waarvoor de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd,
                        wordt bepaald door het aantal groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van
                        het schooljaar 1996/1997, tenzij burgemeester en wethouders kunnen aantonen
                        dat voor meer groepen eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is
                        gegeven.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of uitbreiding daarvan
                        wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van
                        het onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van het meubilair
                        wordt echter bepaald door het aantal groepen op basis van het ongewogen
                        leerlingenaantal.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                        noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van
                        onderwijs. Dit houdt in dat slechts activiteiten voor bekostiging in
                        aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het
                        geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn
                        omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of omdat de capaciteit van het
                        gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een extra les- of
                        speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke
                        wet- en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-eisen, kunnen eveneens voor
                        bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                        verwarmingsinstallatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen
                        van gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor
                        bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen
                        betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van de aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen
                        wordt in overleg tussen het college en de bevoegde gezagsorganen bepaald met
                        als doelstelling om op de afzonderlijke basisscholen afgestemd maatwerk te
                        kunnen leveren. Deze aanpassing is alleen mogelijk bij permanente gebouwen.
                        Doelstelling is om de noodzakelijke aanpassingen binnen het bestaande
                        schoolgebouw te realiseren. Is uitbreiding onvermijdelijk, dan zal door de
                        uitbreiding de minimum normoppervlakte behorend bij het aantal groepen van
                        de school niet mogen worden overschreden. Op grond van deze regeling kunnen
                        geen extra groepsruimten worden gerealiseerd. De regeling richt zich alleen
                        op het realiseren van nevenruimten.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die
                        noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze omschreven
                        zijn in het overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’, door vervanging van de
                        binnenkozijnen en binnendeuren of door vervanging van radiatoren,
                        convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van
                        verschillende van deze activiteiten.</al></divisie><divisie><kop><titel>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</titel></kop><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                        nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.
                        In de verordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds
                        omdat op die wijze de autonomie van het schoolbestuur zo groot mogelijk is,
                        anderzijds omdat naar aanleiding van de tweede fase van het Bouwbesluit VROM
                        reeds een aantal centrale eisen aan de schoolgebouwen gesteld zullen
                        worden.</al><al>Ook de minister van OCenW zal, door middel van een Algemene maatregel van
                        bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen stellen. Deze betreffen echter
                        niet de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, danwel alle bij een
                        school in gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het
                        Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (stb. 1997,
                        125).</al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de verordening alleen iets over
                        de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van
                        ruimten, met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE IV Financiële normeringen</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="–"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="–"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="–"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>BIJLAGE IV DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</titel></kop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                        (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor
                        bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                        brutovloeroppervlakte van 2500 m²) respectievelijk 5% (bij grotere
                        projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde
                        vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                        (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                        vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering
                        gebracht.</al><al>School voor basisonderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><al>– nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al><al>- uitbreiding (paragraaf 1.2)</al><al>– tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al><al>– eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                        1.4);</al><al>- aanpassing (paragraaf 1.5) en</al><al>– gymnastiek (paragraaf 1.6).</al><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil 1 juli 2004 en verhoogd op basis van het MEV-prijsindexcijfer
                            voor 2005 (-3,280% voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en
                            uitbreiding en 2,07% voor onderhoud, eerste inrichting en
                            klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en
                            indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</cursief></al></divisie><divisie><kop><titel>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</titel></kop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                        kostencomponenten, te weten:</al><al>– kosten voor terrein;</al><al>– bouwkosten;</al><al>– toeslag voor paalfundering;</al><al>– toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al><al>– toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw.</al><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van
                        een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente
                        bouwaard).</al><al>Kosten voor terreinen</al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van
                        gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                        tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                        terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het
                        terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van
                        het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                        staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                        bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze
                        vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto vloeroppervlakte
                        worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><al>– Vaste voet (inclusief twee groepen): € 657.444,47</al><al>– Elke volgende groep: € 128.623,55</al><al>Toeslag voor paalfundering</al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van
                        het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig
                        zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie
                        categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer.
                        De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee groepen) en
                        een bedrag per groep.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><al>– Vaste voet (inclusief twee groepen):</al><al><onderstreept>1&lt;15m 15&lt;20m &gt;20m</onderstreept></al><al>€ 9.256,07 € 13.462,64 € 21.490,36</al><al>– Elke volgende groep:</al><al><onderstreept>1&lt;15m 15&lt;20m &gt;20m</onderstreept></al><al>€ 1.847,47 € 3.170,53 € 5.674,59</al><al>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing
                        van een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte,
                        afhankelijk van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m² ruimte
                        gerealiseerd kan worden.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><al>– Geen paalfundering nodig: € 100.662,68</al><al>– Lengte paalfundering 1 &lt; 15 meter: € 102.129,11</al><al>– Lengte paalfundering 15 &lt; 20 meter: € 103.143,50</al><al>– Lengte paalfundering &gt;- 20 meter: € 105.102,72</al><al>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw.</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het
                        oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet
                        daarna worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een
                        tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele
                        verhuiskosten) zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag
                        per groep, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te
                        worden.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><al>– Permanente bouw: € 5.108,33 per groep</al><al>– Tijdelijke bouw: € 2.555,25 per groep</al></divisie><divisie><kop><titel>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</titel></kop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard dient te worden
                        uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard,
                        paragraaf 1.1).</al></divisie><divisie><kop><titel>1.3 Tijdelijke voorziening</titel></kop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen.</al><al>Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening
                        in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet
                        het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                        procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                        noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:</al><al>– per groep: 80 m²;</al><al>– toeslag voor eerste groep: 20 m²;</al><al>– toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie: 160 m².</al><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                        standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee
                        wordt voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren,
                        ook te beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een
                        permanent hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en
                        dergelijke). Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven.</al><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag, een bedrag per groep alsmede
                        bedragen voor de beide toeslagen. In deze bedragen zijn begrepen de
                        bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en
                        inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                        nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering
                        niet noodzakelijk is.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><al><onderstreept>Met paalfundering[2]: Zonder
                        paalfundering:</onderstreept></al><al>– Vast bedrag: € 38.207,07 € 37.853,91</al><al>– Bedrag per groep: € 75.113,97 € 70.811,93</al><al>– Toeslag eerste groep: € 18.778,36 € 17.703,12</al><al>– Toeslag hoofdlocatie: € 150.227,39 € 141.623,86</al><al>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto
                        vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m² per groep. De vergoeding zal zijn
                        gebaseerd op de feitelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten).</al><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk, te weten huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Voor beide voorzieningen zal de
                        feitelijke huurprijs worden vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten).</al></divisie><divisie><kop><titel>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</titel></kop><al>De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor
                        onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal
                        groepen. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand
                        van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding.</al><al>Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste
                        aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt
                        toegepast van 10%.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Aantal groepen </al></entry><entry colname="col2"><al>OLP</al></entry><entry colname="col3"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.182,79</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 23.983,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 64.166,09</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.726,96</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 32.228,96</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 77.955,92</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.903,29</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 40.732,64</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 97.635,93</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62.651,29</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 48.978,79</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 111.630,08</al></entry><entry colname="col5"><al>Incl. speellokaal</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="16*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.086,06</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5.753,96</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 11.840,02</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>Excl. Speellokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Toeslag tweede speellokaal </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 793,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5.503,40</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>€ 6.296,84</al></entry><entry colname="col6"><al> Zowel olp als meubilair </al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>1.5 Aanpassing</titel></kop><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten. Ook de
                        aanpassingen als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen, als gevolg van
                        het hieromtrent per afzonderlijke school te leveren maatwerk. Indien
                        noodzakelijk kan ook een component voor de eerste inrichting worden
                        opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>1.6 Gymnastiek</titel></kop><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Nieuwbouw</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal (op
                        het schoolterrein) voor een basisschool met een bruto-vloeroppervlakte van
                        455 m² bedraagt € 705.292,92 respectievelijk € 719.557,89 op een
                        afzonderlijk terrein.</al><al>Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de
                        inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>– Paallengte 1 &lt; 15 meter: € 14.186,18</al><al>– Paallengte 15 &lt; 20 meter: € 19.556,40</al><al>– Paallengte &gt;- 20 meter: € 27.466,10</al><al>Uitbreiding</al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m².</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                        140 m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte
                        van 252 m². Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor
                        een basisschool er als volgt uit:</al><al>– Uitbreiding met 112 t/m 120 m²: € 163.865,90</al><al>– Uitbreiding met 121 t/m 150 m²: € 199.201,51</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al><onderstreept>112-120 m² 121-150m²</onderstreept></al><al>– Paallengte 1 &lt; 15 meter: € 6.350,91 € 7.941,22</al><al>– Paallengte 15 &lt; 20 meter: € 11.000,13 € 13.746,63</al><al>– Paallengte &gt;- 20 meter: € 17.984,02 € 22.480,02</al><al>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                        mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik
                        of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant).
                        Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende
                        vergoeding:</al><al>– Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs
                        wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de
                        eigenaar vergoed.</al><al>– Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                        gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag
                        vergoed.</al><al>– Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, volstaat
                        ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal
                        klokuren.</al><al>– Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                        gebruikt, zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding)
                        worden vergoed. De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant
                        voldaan.</al><al>OLP/meubilair</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal voor een basisschool bedraagt € 45.039,69 (prijspeil 1 juli
                        2005 en voorzien van MEV-indexcijfer voor 2006).</al></divisie><divisie><kop><titel>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</titel></kop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                        vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op
                        basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen,
                        ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van
                        feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                        aanbestedingsregels te worden voldaan.</al><al>Europese aanbesteding</al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag
                        uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen
                        van de Europese Unie (2004/18/EG) toegepast.</al><al>Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen:</al><al>– 211.000 <cursief>EURO</cursief> (exclusief BTW) voor leveringen en
                        diensten;</al><al>– 5.278.000 <cursief>EURO</cursief> (exclusief BTW) voor werken.</al><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder
                        de definitie ‘werken’. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                        onderwijsleerpakket valt onder ‘leveringen’. Bij aankoop van gebouwen en
                        terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing.</al><al>De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt
                        in het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991 (UAR-EG 91), hetgeen van
                        toepassing is op opdrachten in het kader van deze verordening.</al><al>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                        vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken
                        gemaakt over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat
                        op basis van het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke
                        wijze een opdracht wordt besteed, tenzij het college na overleg anders
                        beslist.</al></divisie><divisie><kop><titel>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</titel></kop><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als
                        bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het
                        onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                        vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                        meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                        groepsafhankelijke programma’s van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                        jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen.</al></divisie><divisie><kop><titel>TOELICHTING BIJLAGE IV</titel></kop><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                        voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                        vergoedingsmethoden, namelijk:</al><al>- vergoeding op basis van normbedragen (deel A)</al><al>- vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B)</al><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                        medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al><al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis
                        van feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de
                        verordening. In deze verordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen
                        genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële
                        uitkomsten leidt, is afgezien van normering.</al><al>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</al><al>1. Basisonderwijs</al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw permanente bouwaard,
                        nieuwbouw tijdelijke voorziening, eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair en gymnastiek genormeerde bedragen
                        opgenomen.</al><al>Nieuwbouw permanente bouwaard</al><al>Voor nieuwbouw van een permanent gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een
                        bedrag voor een vaste voet en bedrag per groep. Hiernaast kunnen,
                        afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor fundering,
                        inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en
                        sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                        aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</al><al>Nieuwbouw tijdelijke voorziening</al><al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw
                        van noodaccommodaties, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan
                        wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij
                        een afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als
                        verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik
                        een rol spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                        tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van
                        een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding
                        van een bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste
                        voorziening is er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra
                        toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als directieruimten,
                        lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen
                        realiseren.</al><al>Indien er wel een permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog geen
                        tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij plaatsing van het eerste
                        noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een entree en een garderobe
                        (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een noodaccommodatie aanwezig is,
                        die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan met de toekenning van de
                        bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief de toeslagen.</al><al>Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                        aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                        noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                        schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel een ruimte in een bestaand gebouw
                        huren.</al><al>Voor de voorzieningen uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie,
                        uitbreiding van een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen
                        dan wel huur van een noodlokaal of huur van een bestaande huisvesting,
                        worden de feitelijke kosten vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten).</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De vergoeding voor eerste inrichting kan per toegekende groep verschillen.
                        Daardoor kan niet worden volstaan met een eenvoudig bedrag per groep.
                        Opgenomen zijn bedragen voor het inrichten van een nieuwe school met een
                        gegeven aantal groepen. Bij uitbreiding dient derhalve het bedrag voor de
                        eerste inrichting te worden bepaald uit het verschil tussen het
                        inrichtingsbedrag van de school na en voor uitbreiding.</al><al>Indien een nieuwe school wordt ingericht, kan vanwege de omvang van de
                        benodigde eerste inrichting een korting worden toegepast van 10%.</al><al>Gymnastiek</al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                        uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen
                        opgenomen voor klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van
                        toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen' gymnastiekzaal en medegebruik en
                        huur van een gymnastiekaccommodatie.</al><al>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>In deze verordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren
                        (deel A). Voor een aantal voorzieningen is echter geen genormeerde
                        vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van de
                        feitelijke kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een
                        andere scheiding tussen de genormeerde vergoeding en de vergoeding op basis
                        van de feitelijke kosten worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel
                        vastgelegd te worden in artikel 4 van de verordening.</al><al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten,
                        volgens deze verordening van toepassing op de volgende voorzieningen:</al><al>- uitbreiden van permanente c.q. tijdelijke voorzieningen;</al><al>- verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al><al>- aanpassing aan gebouwen;</al><al>- herstel van constructiefouten;</al><al>- herstel van schade;</al><al>alsmede</al><al>- gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al><al>- aankoop van terreinen;</al><al>- huur van gymnastiekruimten van derden;</al><al>- huur van bestaande gebouwen.</al><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels,
                        zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard
                        niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze
                        voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- en huurprijs vergoed.</al><al>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                        vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit
                        te voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                        geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                        programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                        aanvrager deze kostenraming bij de aanvrage te voegen.</al><al>Ten behoeve van de vaststelling van het bedrag en het programma word deze
                        kostenraming beoordeeld en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q.
                        geactualiseerd. Dit bedrag wordt na de vaststelling van het programma in de
                        beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter geen
                        taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan worden
                        ontleend).</al><al>De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de
                        laagst geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten
                        ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed
                        op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en overzicht
                        zijn geplaatst.</al><al>Aanbestedingsregels<sup>[3]</sup></al><al>a. <onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></al><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de
                        laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen van offertes door
                        middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige wijze gebeurt.
                        Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het
                        oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de
                        te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager en
                        gemeente ingevolge artikel 15 worden nadere afspraken gemaakt over de te
                        volgen aanbestedingsprocedure.</al><al>Een aanbestedingsprocedure heeft tot doel de rechtsverhouding tussen
                        opdrachtgever enerzijds en de gegadigde(n) voor de opdracht anderzijds goed
                        te regelen. De in ons land meest gehanteerde aanbestedingsprocedures zijn
                        het Uniforme aanbestedingsreglement 1986 (UAR 1986) en, voor opdrachten die
                        onder de EG-richtlijn vallen, het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991
                        (UAR-EG 1991). Beide reglementen zijn na uitvoerig overleg tussen de
                        verschillende betrokkenen in de bouwwereld tot stand gekomen. Beide
                        reglementen voldoen tevens aan de algemene beginselen van behoorlijk
                        bestuur.</al><al>Slechts de rijksoverheid is verplicht om beide reglementen toe te passen.
                        Veel gemeenten hebben echter het UAR 1986 op zichzelf van toepassing
                        verklaard, dan wel op basis hiervan een eigen aanbestedingsbeleid
                        geformuleerd. Als er dan van een eigen aanbestedingsbeleid sprake is, kan
                        ook dit beleid, in plaats van het UAR 1986, van toepassing worden verklaard
                        op opdrachten in het kader van deze verordening. Voor zover hierover in de
                        gemeente nog niets is geregeld, verdient het aanbeveling om het UAR 1986 op
                        de opdrachten in het kader van de onderwijshuisvesting van toepassing te
                        verklaren.</al><al>Het UAR 1986 biedt een viertal mogelijke aanbestedingsprocedures, die
                        afhankelijk van de omvang van de opdracht en de lokale omstandigheden kunnen
                        worden toegepast, te weten:</al><al>1 de openbare aanbesteding: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt en
                        ieder gegadigde kan een offerte indienen;</al><al>2 de aanbesteding met voorafgaande selectie: de aanbesteding wordt algemeen
                        bekend gemaakt en gegadigden kunnen zich melden. Een beperkt aantal
                        geselecteerde gegadigden wordt uitgenodigd een offerte in te dienen;</al><al>3 de onderhandse aanbesteding: voor de aanbesteding wordt een beperkt aantal
                        gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om offerte uit te brengen; en</al><al>4 de onderhandse aanbesteding na selectie: voor de aanbesteding wordt een
                        beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om deel te nemen aan
                        een selectie. De geselecteerde gegadigde wordt uitgenodigd offerte uit te
                        brengen.</al><al>Aspecten, die bij de keuze voor één van de procedures een rol spelen zijn
                        bijvoorbeeld de openbaarheid, de optimale prijsvorming door concurrentie, de
                        kwaliteit van de aannemer, de kostendeskundigheid van de opdrachtgever, de
                        mogelijkheden tot adequate directievoering van de opdrachtgever en
                        dergelijke. Bij kleine en middelgrote projecten verdient het aanbeveling de
                        procedure van de onderhandse aanbesteding dan wel de procedure van
                        aanbesteding met voorafgaande selectie te volgen. Bij grote projecten, onder
                        het EG-drempelbedrag, ligt de procedure van de openbare aanbesteding het
                        meest voor de hand.</al><al>Naast deze in het UAR 1986 aangegeven wijzen van aanbesteding, kan er ook op
                        basis van enkelvoudige uitnodiging worden gegund. Hierbij wordt vooraf een
                        gegadigde, bijvoorbeeld een plaatselijke aannemer, uitgezocht en gevraagd
                        offerte uit te brengen. Hierbij wordt derhalve afgezien van mogelijke
                        voordelen van concurrentie en brede oriëntatie op de markt. Het vraagt
                        tevens grote kostendeskundigheid van de opdrachtgever om tot reële
                        prijsvorming te komen. Ook zullen er vele afspraken moeten worden vastgelegd
                        bij de gunning, bijvoorbeeld t.a.v. termijnen, afstandsverklaring en
                        dergelijke. Gezien het karakter van de enkelvoudig uitnodiging dient zeer
                        terughoudend met deze mogelijkheid te worden omgegaan. Slechts bij zeer
                        kleine opdrachten, dan wel bij zeer gespecialiseerde werkzaamheden kan
                        overwogen worden van de enkelvoudige uitnodiging gebruik te maken.</al><al><onderstreept>b Aanbestedingsbeleid van de gemeente
                            Alphen-Chaam</onderstreept></al><al>Het aanbestedingsbeleid van de gemeente Alphen-Chaam is van toepassing op de
                        op grond van deze verordening te bekostigen voorzieningen. Het beleid is
                        thans vastgelegd in de notitie “Protocol Inkoop - en aanbestedingsbeleid
                        2005 – 2008 van de gemeente Alphen-Chaam”, die door het college is
                        vastgesteld op 1 februari 2005.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel C Bepaling medegebruikerstarieven</titel></kop><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen.
                        Indien medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken
                        over een aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school
                        aan de eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de
                        gemeente de hoogte van de vergoeding bepalen.</al><al>Het medegebruikerstarief voorziet in een vergoeding voor de
                        gebouwafhankelijke kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het
                        bekostigingsstelsel voor de materiele instandhouding voor het basisonderwijs
                        is dit bedrag vormgegeven in het bedrag van de vaste voet voor de zevende
                        groep.</al><al>[1] In deze formule voor de tijdelijke ruimtebehoeftebepaling wordt met het
                        gewicht alleen de opslag</al><al>bedoeld. Het gewicht van een oude 1,7 leerling is in de nieuwe formule
                        derhalve 0,7. De som van deze</al><al>gewichten is het totaal van het aantal leerlingen maal het gewicht.</al><al>[2] Naast de toeslag voor paalfundering zijn in dit bedrag begrepen de
                        bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede
                        eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al><sup>[3]</sup>Meer informatie over aanbestedingsbeleid en
                        aanbestedingsreglementen is o.a. te vinden in:</al><al>- Als beste uit de bus; Gemeentelijke aanbestedingsbeleid, Europese regels
                        en contractvormen in de bouw. VNG-uitgeverij, 1994 (Deze uitgave wordt naar
                        verwachting in oktober 1996 geactualiseerd).</al><al>- Uniform aanbestedingsreglement, waarin opgenomen UAR 1986 en UAR-EG 1991,
                        ministerie van VROM, Staatsuitgeverij 1995.</al></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>