<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR158526_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2012’</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 21-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2012’</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 147, lid 1 Gmwt</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 8, lid 1, sub b en 18, lid 2 WWB</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 20, lid 2 en 35, lid 1 sub b en d Ioaw</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 20, lid 1 Ioaz</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>01.08 B6-2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2012’</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening Afstemming en handhaving Wet werk en bijstand c.s.
                        2012</al><al>Datum: 16 februari 2012</al><al>Besluitnr.: 01.08 B6-2</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 januari 2012, </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, artikel 8, eerste lid
                        onderdeel b en artikel 18, tweede lid van de Wet werk en bijstand, artikel
                        20 tweede lid en artikel 35 eerste lid onderdeel b en d van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en artikel 20 eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>b e s l u i t:</al><al>Vast te stellen de </al><al/><al><vet>VERORDENING AFSTEMMING EN HANDHAVING WET WERK EN BIJSTAND c.s. 2012
                        </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                    werk en bijstand, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                                    het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene
                                    wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening verstaat onder</al><lijst><li nr="a."><al>Wwb: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
                                            2004;</al></li><li nr="c."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="e."><al>belanghebbende: persoon met recht op bijstand ingevolge
                                            de Wwb, Bbz, Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>Zelfstandige: een zelfstandige als bedoeld in artikel 78
                                            f Wwb;</al></li><li nr="g."><al>Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27
                                            jaar.</al></li><li nr="h."><al>Ioaw/Ioaz-norm: de op belanghebbende van toepassing
                                            zijnde netto grondslag bedoeld in artikel 5, vierde lid
                                            Ioaw/Ioaz; </al></li><li nr="i."><al>Norm: de normen als bedoeld onder artikel 5 sub c van de
                                            Wwb of sub h voor zover van toepassing;</al></li><li nr="j."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van
                                            het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                            inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                            bijstand op grond van respectievelijk de Wwb, Ioaw, Ioaz
                                            of Bbz 2004; </al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="l."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="m."><al>inlichtingenplicht: de verplichting, als bedoeld in
                                            artikel 17, eerste lid Wwb, artikel 13, eerste lid Ioaw
                                            of artikel 13, eerste lid Ioaz;</al></li><li nr="n."><al>misbruik: het niet, niet volledig of onjuist verstrekken
                                            van informatie waardoor ten onrechte bijstand wordt
                                            ontvangen;</al></li><li nr="o."><al>oneigenlijk gebruik: het ten onrechte ontvangen van
                                            bijstand, als gevolg van het door belanghebbende
                                            handelen in strijd met het doel en de strekking van de
                                            Wwb, Bbz, Ioaw en Ioaz.</al></li><li nr="p."><al>zeer ernstig misdragen: het door de belanghebbende op
                                            een dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel
                                            onder hem ressorterende personen die belast zijn met de
                                            uitvoering van de wet, dat dezen zich op een fysieke of
                                            psychische wijze dan wel een combinatie van beide,
                                            bedreigd voelen, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                            verband houden met de uitvoering van de wet; </al></li><li nr="q."><al>onverwijld uit eigen beweging mededelingen verstrekken:
                                            het moment waarop een belanghebbende geacht wordt </al><lijst><li nr="·"><al>direct nadat het feit zich heeft voorgedaan;
                                                </al></li><li nr="·"><al>dan wel zodra de belanghebbende kennis heeft van
                                                  toekomstige feiten; </al></li><li nr="·"><al>doch uiterlijk bij het eerstvolgende
                                                  rechtmatigheidsonderzoeksformulier; </al></li><li nr="·"><al>of, indien geen
                                                  rechtmatigheidsonderzoeksformulier niet van
                                                  toepassing is, voor de eerste van de dag van de
                                                  maand volgend op de maand waarin het feit of de
                                                  omstandigheid als bedoeld in artikel 17 Wwb,
                                                  artikel 13 Ioaw en artikel 13 Ioaz zich heeft
                                                  voorgedaan;</al></li></lijst></li><li nr="r."><al>tegenprestatie: het door het college opgedragen
                                            onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</al></li><li nr="s."><al>maatregelwaardige gedraging: een gedraging die een
                                            verlaging van de norm of bijzondere bijstand op grond
                                            van deze verordening tot gevolg heeft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor de bestrijding van misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de Wwb, Bbz,Ioaw en Ioaz.</al></li><li nr="2."><al>Bij misbruik en oneigenlijk gebruik als bedoeld in het eerste
                                    lid legt het college een verlaging op overeenkomstig deze
                                    verordening. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Vaststellen en toepassen verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de Wwb, Ioaw, Ioaz of
                                    de uit artikel 30c van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie
                                    werk en inkomen (Suwi), voortvloeiende verplichtingen niet of
                                    onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                    college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                    verordening een verlaging toegepast. </al></li><li nr="2."><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij/zij verkeert. </al></li><li nr="3."><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de bijstand waarop
                                    belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode
                                    waarop de verlaging betrekking heeft, indien er geen grond voor
                                    verlaging zou zijn geweest. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt toegepast op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm of
                                    Ioaw/Ioaz-norm; </al></li><li nr="b."><al>de bijzondere bijstand, voor zover verstrekt voor
                                    levensonderhoud aan jongeren onder de 21 jaar;</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand voor woonkosten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
                                </al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college
                                            werkzaamheden in het kader van de bijstand heeft
                                            uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen
                                            te verstrekken als bedoeld in artikel 17 Wwb, artikel 13
                                            Ioaw en artikel 13 Ioaz; of </al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college volstaat bij een maatregelwaardige gedraging, als
                                    bedoeld in artikel 11, derde lid van deze verordening met het
                                    geven van een waarschuwing, tenzij binnen de voorafgaande 24
                                    maanden een vergelijkbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            bijstand is verleend; of</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende inmiddels geen bijstand meer ontvangt,
                                            tenzij de belanghebbende binnen een periode van 12
                                            maanden opnieuw bijstand gaat ontvangen. In dat geval
                                            wordt een besluit genomen over het alsnog toepassen dan
                                            wel afzien van een verlaging op dat moment; of</al></li><li nr="d."><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien het college volstaat met het geven van een waarschuwing
                                    of afziet van het opleggen van een verlaging op grond van
                                    dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                    mededeling gedaan. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende norm. </al></li><li nr="2."><al>Indien verlaging van de bijstand overeenkomstig het eerste lid
                                    niet mogelijk is, wordt de bijstand verlaagd gedurende de
                                    eerstvolgende maand(en) nadat aan belanghebbende binnen een jaar
                                    na de beëindigingsdatum van de bijstand opnieuw bijstand is
                                    toegekend.</al></li><li nr="3."><al>Een verlaging wordt over één maand uitgevoerd. Het college kan
                                    het noodzakelijk achten om uitvoering van de verlaging te
                                    spreiden over meerdere maanden. </al></li><li nr="4."><al>Voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald, wordt de
                                    verlaging toegepast op de nabetaling van de betreffende bijstand
                                </al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het eerste lid wordt, voor zover het een
                                    zelfstandige betreft die bijstand voor het levensonderhoud in de
                                    vorm van een geldlening op grond van het Bbz heeft ontvangen, de
                                    verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de
                                    definitieve vaststelling van die
                                    bijstand<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen en recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in de Wwb, Ioaw, Ioaz genoemde
                                    verplichtingen, wordt voor iedere gedraging gelijktijdig een
                                    afzonderlijke verlaging opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de Wwb, Ioaw, Ioaz genoemde verplichtingen, wordt
                                    één verlaging opgelegd. Indien voor schendingen van de
                                    verplichtingen verlagingen van verschillende hoogten gelden,
                                    wordt de hoogste verlaging opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld indien belanghebbende
                                    zich binnen 12 maanden na de vorige verwijtbaar aangemerkte
                                    gedraging opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare
                                    gedraging.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Schending van de verplichtingen met betrekking tot
                            arbeidsinschakeling en tegenprestatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden die schending opleveren van in de Wwb,
                            Bbz, Ioaz en Ioaw genoemde verplichtingen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen, dan wel de registratie niet of
                                            niet tijdig laat verlengen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                            verstrekken van een trajectplan, die geldt als bijlage
                                            bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de
                                            bijstand. </al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                                            scholing, opleiding of sociale activering; </al></li><li nr="d."><al>het niet verrichten van de door het college opgedragen
                                            onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden in de periode
                                            voorafgaande aan de aanvraag tot bijstandsverlening dan
                                            wel na de datum van aanvraag; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 eerste lid
                                            sub b en artikel 10 eerste lid van de Wwb, waaronder
                                            begrepen sociale activering, of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de Ioaw of Ioaz; </al></li><li nr="c."><al>gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren; </al></li><li nr="d."><al>indien een zelfstandige niet meewerkt aan begeleiding
                                            door een door het college aangewezen derde.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Vierde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien een jongere in de 4 weken na melding geen of
                                            onvoldoende inspanningen heeft verricht om algemeen
                                            geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier
                                            bekostigd onderwijs te verkrijgen en recht heeft op
                                            bijstand, </al></li><li nr="b."><al>onredelijke eisen stelt en/of gedraging(en)en/of
                                            uiting(en) vertoont, die het verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><al>De verlaging wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                    categorie; </al></li><li nr="b."><al>tien procent gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                    categorie; </al></li><li nr="c."><al>twintig procent gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                    categorie; </al></li><li nr="d."><al>vijftig procent gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vierde categorie;</al></li><li nr="e."><al>Honderd procent gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vijfde categorie</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                                bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Wwb, artikel 13
                                    Ioaw en artikel 13 Ioaz, heeft geleid tot het ten onrechte of
                                    tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand wordt de verlaging
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. </al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt op de volgende wijze vastgesteld: </al></li><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000: 10% gedurende een maand;
                                </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000: 20% gedurende
                                    een maand; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000: 40% gedurende
                                    een maand; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000 of meer: 100% gedurende een
                                    maand; </al></li><li nr="e."><al>indien het Openbaar Ministerie niet tot strafrechtelijke
                                    vervolging overgaat: 100% gedurende een maand. </al></li><li nr="3."><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag,
                                    wordt een verlaging opgelegd van 10%.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Administratie zelfstandige</titel></kop><al>Indien een zelfstandige de administratie, als bedoeld in artikel 38 lid
                            2 Bbz, </al><lijst><li nr="a."><al>niet naar behoren heeft gevoerd; of</al></li><li nr="b."><al>niet uit eigen beweging binnen zes maanden na afloop van het
                                    boekjaar heeft overgelegd; of</al></li><li nr="c."><al>op verzoek van het college niet binnen de daartoe door het
                                    college gestelde termijn heeft overgelegd, wordt een verlaging
                                    opgelegd van 20% gedurende één maand bijstand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Overige gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Wwb, wordt de bijstand
                            verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>met 100% gedurende één maand, indien belanghebbende door de
                                    gedraging verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een
                                    uitkering krachtens een sociale verzekering of een daarmee naar
                                    aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private
                                    verzekering; </al></li><li nr="b."><al>met 100% gedurende de periode die belanghebbende niet op
                                    bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoordelijke
                                    wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon
                                    beschikken zou hebben aangewend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 55 en 57 Wwb en art. 38, eerste lid Bbz 2004, zijn
                            opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een
                            verlaging opgelegd van 20% gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Gedragingen als bedoeld in de artikelen 10 tot en met 14 van deze
                            verordening die gepaard gaan met zeer ernstige misdragingen hebben een
                                <onderstreept>extra</onderstreept> verlaging tot gevolg. Voor de
                            omvang van de extra verlaging geldt als richtlijn 100% gedurende één
                            maand. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verlaging van de bijstand</titel></kop><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig het bepaalde in deze
                            verordening, onverminderd de eventuele terugvordering van ten onrechte
                            ontvangen bijstand, indien belanghebbende onjuiste, onvolledige of in
                            het geheel geen inlichtingen verstrekt die van belang zijn of kunnen
                            zijn voor de hoogte, de duur van of het recht op (voortzetting van)
                            bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Het college maakt proces-verbaal op en doet aangifte bij het Openbaar
                            Ministerie indien het niet nakomen van de informatieverplichting leidt
                            tot een financiële benadeling van de gemeente waarvan het
                            benadelingsbedrag hoger is dan de aangiftegrens. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien toepassing ervan tot kennelijke onbillijkheid
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie van
                                    dit besluit. </al></li><li nr="2."><al>De Verordening Afstemming en handhaving Wwb, Ioaw, Ioaz gemeente
                                    Heumen, vastgesteld op16 december 2010, en deVerordening
                                    Handhaving en Maatregelen Wet investeren in jongerengemeente
                                    Heumen, vastgesteld op 22 oktober 2009, worden gelijktijdig
                                    ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening Afstemming en
                            handhaving Wwb c.s. 2012’.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>LH</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 16 februari 2012,</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Paragraaf 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen
                    uit de Wwb, Bbz, Ioaw, Ioaz en Awb.</al><al><vet>Artikel 2. </vet><vet> Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik</vet></al><al>Dit artikel legt de verantwoordelijkheid bij het college neer om te zorgen voor
                    het bestrijden van</al><al>misbruik en oneigenlijk gebruik. Een goed handhavingsbeleid is belangrijk omdat
                    dit voorkomt dat onterecht gemeenschapsgeld wordt uitgegeven. Als fraude goed
                    bestreden wordt, vergroot dit onder de Heumense burgers het draagvlak van de
                    bijstandsverstrekking. Ook beperkt een goed handhavingsbeleid de uitgaven op het
                    Inkomensdeel. Bespaarde middelen kunnen dan voor andere doelen worden ingezet,
                    bijvoorbeeld voor re-integratie.</al><al>De gemeenteraad moet een verordening opstellen die de handhaving of
                    fraudebestrijding regelt (artikel 8a Wwb, artikel 35, lid 1 sub c Ioaw/Ioaz).
                    Deze verordening mag onderdeel zijn van de Afstemmingsverordening. Aan de inhoud
                    van het beleid worden geen eisen gesteld, doch de gemeente moet een goed
                    handhavingsbeleid voeren in het kader van het financiële beheer. Dit financieel
                    beheer brengt met zich mee dat er voortdurend aandacht blijft bestaan voor de
                    bestrijding van mis- en oneigenlijk gebruik.</al><al>Van misbruik is sprake indien een belanghebbende in strijd met wettelijke
                    voorschriften handelt waardoor ten onrechte bijstand of uitkering is verstrekt
                    (bijv. belanghebbende heeft een spaarrekening niet doorgegeven met een vermogen
                    boven de vermogensgrens). </al><al>Van oneigenlijk gebruik is sprake indien een belanghebbende in strijd met het
                    doel en de strekking van een regeling handelt, waardoor de gemeente ten onrechte
                    bijstand of een uitkering verstrekt. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld de
                    bijstand inzake inrichtingskosten (gedeeltelijk) uitgegeven aan iets anders dan
                    aan de (volledige) inrichting van zijn huis.</al><al><vet>Paragraaf 2. Vaststellen en toepassen verlaging </vet></al><al><vet>Artikel 3. Het toepassen van een verlaging </vet></al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde of
                    jongere zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, dan wordt een
                    verlaging opgelegd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                    verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het
                    college af van zo’n verlaging. De hoofdregel is dat het college een verlaging
                    dient af te stemmen op:</al><lijst><li nr="·"><al>de ernst van de gedraging; </al></li><li nr="·"><al>de mate van verwijtbaarheid; </al></li><li nr="·"><al>de persoonlijke omstandigheden.</al></li></lijst><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke verlaging van de
                    bijstand zal moeten nagaan op welke wijze deze afgestemd dient te worden. Een
                    afwijking van de richtlijn kan zowel een verzwaring als een matiging van de
                    verlaging betekenen. De belanghebbende dient, alvorens een verlaging opgelegd
                    wordt, altijd in de gelegenheid gesteld te worden zijn zienswijze te geven. </al><al><vet>Artikel 4. Berekeningsgrondslag</vet></al><al>De praktische uitvoering van een verlaging is vastgelegd in dit artikel:
                    uitgangspunt is dat een verlaging wordt toegepast op de van toepassing zijnde
                    norm. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat een verlaging van de
                    bijzondere bijstand op grond van artikel 18 lid 2 Wwb ook mogelijk is (zie o.a.
                    CRvB 02-03-2010, nr. 08/3397 Wwb). Toevoeging van deze mogelijkheid is met name
                    van belang voor die gevallen, waarin de op belanghebbende van toepassing zijnde
                    norm niet toereikend is, maar de bijzondere bijstand wel en de gevallen, waarin
                    belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand ontvangt, maar belanghebbende
                    bijvoorbeeld tekort schiet in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. </al><al>Bij een zelfstandige wordt de verlaging uitgevoerd op de algemene bijstand voor
                    het levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten. Zie voor het begrip ‘jaarnorm’ artikel 1, sub g Bbz.</al><al><vet>Artikel 5. Het horen van belanghebbende</vet></al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt
                    toegepast in</al><al>beginsel voorgeschreven. De reden hiervan is dat het college, vóór dat het een
                    officieel besluit neemt,</al><al>zoveel mogelijk eenduidigheid moet verkrijgen over de feitelijke juistheid van
                    de vermeende verwijtbare gedraging in verband met de beoordeling van de ernst
                    van het feit, de mate van</al><al>verwijtbaarheid, eventuele verschoonbare omstandigheden en eventuele
                    persoonlijke</al><al>omstandigheden. Het vooraf horen van een belanghebbende over zijn/haar
                    zienswijze over de</al><al>vermeende niet-nakoming van zijn/haar verplichtingen kan hieraan bijdragen. De
                    hoorplicht kan in die</al><al>zin tevens bijdragen aan het voorkomen van bezwaar- en beroepsprocedures.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook</al><al>genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 6. Waarschuwing of afzien van het opleggen van een verlaging</vet></al><al>Het uitgangspunt is dat de toepassing van verlagingen als een algemene
                    verplichting geldt voor het</al><al>college. De beleidsvrijheid die de wet aan het college laat, betreft de duur en
                    de hoogte van de</al><al>verlaging en nadrukkelijk niet de overweging óf een verlaging toegepast dient te
                    worden bij een</al><al>verwijtbare gedraging van een belanghebbende.</al><al>In sub b van het tweede lid van dit artikel is een andere reden aangegeven om af
                    te zien van het</al><al>toepassen van een verlaging, namelijk wanneer de gedraging te lang geleden heeft
                    plaatsgevonden</al><al>(verjaring). Omwille van de effectiviteit <cursief>(lik op stuk)</cursief> is
                    het nodig dat een verlaging spoedig nadat de</al><al>gedraging heeft plaatsgevonden wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b
                    geregeld dat het</al><al>college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben</al><al>plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten</al><al>onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is verleend,
                    geldt in de verordening</al><al>geen verjaringstermijn. Wegens de ernst van de gedraging (fraude), die niet
                    altijd direct geconstateerd kan worden en gelet op het feit dat de gemeente vaak
                    enige tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag)
                    vast te stellen is er geen verjaringstermijn.</al><al>In tweede lid onderdeel d. wordt geregeld dat het college kan afzien van het
                    toepassen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                    Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                    niet op voorhand worden vastgelegd. Uitgangspunt hierbij is een analoge uitleg
                    van het begrip 'dringende redenen' aan die in de Wwb- jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep.</al><al>De rode draad in deze jurisprudentie is:</al><lijst><li nr="·"><al>dat dringende redenen zien op de gevolgen die een bepaald besluit heeft
                            voor een belanghebbende, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.
                            Dringende redenen zien dus nadrukkelijk niet op omstandigheden die
                            betrekking hebben op de oorzaak en de verwijtbaarheid van niet-nakoming
                            van een verplichting;</al></li><li nr="·"><al>dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te kunnen
                            worden dat de dringende redenen zien op de onaanvaardbaarheid van de
                            sociale en/of financiële consequenties van een besluit voor
                            belanghebbende. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende
                            financieel zwaar getroffen wordt door een besluit is niet als dringende
                            reden aan te merken.</al></li><li nr="·"><al>evenmin is het bestaan van (problematische) schulden aan te merken als
                            dringende reden;</al></li><li nr="·"><al>dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een belanghebbende
                            hierbij een rol kunnen spelen. Tegelijkertijd behoudt het college de
                            bevoegdheid om hiernaar een nader zelfstandig onderzoek in te
                            stellen.</al></li></lijst><al>Het onderzoek naar dringende redenen tot het afzien van het toepassen van een
                    verlaging vindt door het college plaats indien door een belanghebbende
                    aantoonbaar een begin van bewijs van de aanwezigheid van dringende redenen is
                    overlegd dan wel wanneer daarvan anderszins uit concrete feiten en
                    omstandigheden als gevolg van het voorgenomen besluit, is gebleken.</al><al>Het in het derde lid beschreven doen van een schriftelijke mededeling dat het
                    college afziet van het</al><al>toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele</al><al>recidive. Deze bepaling maakt tevens duidelijk dat indien zich een omstandigheid
                    voordoet als bedoeld in het eerste lid, te weten het ontbreken van elke
                    verwijtbaarheid dan wel het verlopen van een verjaringstermijn, dat in dat geval
                    het afzien van toepassing van een verlaging door het college niet schriftelijk
                    behoeft te worden kenbaar gemaakt aan belanghebbende. Dit is ook logisch omdat
                    een</al><al>dergelijk besluit, in tegenstelling tot het afzien van toepassing van een
                    verlaging wegens dringende</al><al>redenen, rechtens niet betrokken dient te worden bij de beoordeling van recidive
                    in de toekomst.</al><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al><cursief>Lid 1 en 2. </cursief>Het toepassen van een verlaging op de bijstand of
                    uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is een eenvoudige methode
                    en sluit tevens aan bij lik-op-stuk beleid. De verlaging wordt bij voorkeur
                    uitgevoerd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                    uitgegaan van de voor die maand geldende norm. </al><al><cursief>Lid 3. </cursief>De verlaging wordt over 1 maand uitgevoerd, tenzij het
                    in verband met omstandigheden niet billijk is. De mogelijkheid bestaat om het
                    bedrag dat in eerste instantie gekort dient te worden over een maand te spreiden
                    over meerdere maanden. </al><al><cursief>Lid 4. </cursief>Wanneer bijstand of uitkering nog niet (volledig) is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag
                    dat nog moet worden uitbetaald. </al><al><cursief>Lid 5. </cursief>Bij een zelfstandige die een uitkering voor het
                    levensonderhoud heeft ontvangen op grond van het Bbz, wordt de verlaging
                    betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen en recidive</vet></al><al><cursief>Lid 1. </cursief>Als er sprake is van verschillende gedragingen dan
                    dient voor iedere gedraging afzonderlijk het verlagingpercentage te worden
                    berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit tot onbillijkheden
                    leidt. Indien meerdere gedragingen van belanghebbende leiden tot een die hoger
                    is dan de norm, dan dient de verlaging over meerdere maanden te worden gespreid
                    (zie ook artikel 7 van deze verordening).</al><al><cursief>Lid 2. </cursief>Indien sprake is van één gedraging die als een
                    schending van meerdere verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het
                    toepassen van de verlaging te worden uitgegaan van de verplichting waarop de
                    zwaarste verlaging van toepassing is.</al><al><cursief>Lid 3. </cursief>Is binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare
                    gedraging sprake van herhaling van de verwijtbare gedraging, dan wordt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van de duur van de verlaging. Met ‘vorige verwijtbare gedraging’ wordt de eerste
                    gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging van de bijstand
                    of uitkering, ook indien de verlaging uiteindelijk wegens dringende redenen niet
                    is toegepast. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden
                    geldt het tijdstip waarop het besluit tot het opleggen van een verlaging bekend
                    is gemaakt aan belanghebbende. </al><al><vet>Paragraaf 3. Schending van de verplichtingen met betrekking tot
                        arbeidsinschakeling en tegenprestatie</vet></al><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het</al><al>verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vijf
                    categorieën</al><al>onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedragingen het onderscheidend
                    criterium. Een gedraging</al><al>wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het
                    niet verkrijgen of</al><al>behouden van betaalde arbeid.</al><al>De Wwb volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de situatie van de individuele
                    uitkeringsgerechtigde en de gevolgen die de gedragingen heeft voor het
                    re-integratietraject.</al><al>De eerste categorie gaat over de formele verplichting om zich als werkzoekende
                    te laten registreren en geregistreerd te doen blijven bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling ten
                    aanzien van</al><al>arbeidsinschakeling en daarop gericht onderzoek. Hieronder valt de verplichting
                    om het trajectplan te ondertekenen (en te retourneren). Het trajectplan bevat de
                    afspraken met de belanghebbende over diens re-integratie. Het (tijdig) voldoen
                    aan een oproep voor arbeidsbemiddeling of een onderzoek naar de mogelijkheden
                    voor arbeidsinschakeling en het meewerken aan een sociaal-medisch onderzoek naar
                    de mogelijkheden van de belanghebbende. </al><al>Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij het verwijtbaar niet meewerken aan het
                    leveren van een ‘tegenprestatie naar vermogen’ de uitkering van de cliënt te
                    verlagen met 10%. Het gaat hierbij om kortdurende, niet-structurele, additionele
                    en onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten. Over het algemeen zal dit
                    de cliënten betreffen die gezien hun persoonlijke omstandigheden en hun
                    verblijfsduur in de bijstand weinig aansluiting (meer) hebben met de
                    arbeidsmarkt. </al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding kunnen
                    vormen tot</al><al>een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer laten voortduren daarvan. </al><al>De medewerkingsplicht aan de door het college aangeboden voorzieningen treedt in
                    de plaats van de</al><al>verplichting tot het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                    en is als sluitend</al><al>alternatief bedoeld voor arbeidstoeleiding. Een verlaging is mogelijk bij het
                    niet nakomen van de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt,
                    bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om voldoende en
                    adequaat te solliciteren. De verplichting is gericht op de bevordering van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening. Voor deelname aan een voorziening geldt dat de
                    kortste weg naar duurzame arbeid voorop staat en dat vertraging (van het
                    traject) door eigen toedoen van een belanghebbende als een ernstige gedraging
                    wordt beschouwd. </al><al>De vierde categorie betreft jongeren of degene die onredelijke eisen stelt en/of
                    gedragingen/uitingen vertoont die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid belemmeren. Met onredelijke eisen wordt bedoeld dat de belanghebbende
                    alleen wenst te solliciteren op banen van een bepaald niveau of in een richting
                    waar nauwelijks banen voor handen zijn.</al><al>De jongere is verplicht zich, na melding, gedurende 4 weken, in te spannen om
                    geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs te
                    verkrijgen. Voldoet hij niet aan deze verplichting, maar heeft hij wel recht op
                    bijstand (hij kan op grond van artikel 13 lid 2 Wwb niet van het recht op
                    bijstand worden uitgesloten) dan wordt een verlaging opgelegd. De
                    inspanningsverplichting geldt voor alle jongeren (dus ook de jongere, die deel
                    uitmaakt van een gezin waarvan tenminste 1 gezinslid 27 jaar of ouder is). </al><al>In de vijfde categorie gaat het om zeer ernstige gedragingen die onnodig gebruik
                    van bijstand tot gevolg hebben. Hier gaat het om het niet aanvaarden of door
                    eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de
                    aanvraag of tijdens de periode van bijstand/uitkering. Onder die omstandigheden
                    acht het college het daarom verdedigbaar dat ook voor deze gedraging een
                    standaardverlaging passend is van 100% gedurende een maand.</al><al><vet>Artikel 10. Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                        gedraging</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al><vet>Paragraaf 4. Schending inlichtingenplicht</vet></al><al><vet>Artikel 11. Onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                        bijstand</vet></al><al>Heeft de gedraging tot gevolg dat belanghebbende ten onrechte of teveel
                    bijstand/uitkering is verleend, dan wordt, zonder waarschuwing, een verlaging
                    opgelegd. Zie de toelichting van de begrippen ‘misbruik’ en ‘oneigenlijk
                    gebruik’ onder artikel 1 van deze verordening. </al><al>Het ‘una via-beginsel’ bepaalt dat zodra (in casu) een verlaging is opgelegd,
                    strafvervolging ter zake van hetzelfde feit niet meer mogelijk is. Omgekeerd
                    bepaalt het ‘una via-beginsel’ dat een verlaging, ter zake van dat feit, niet
                    meer opgelegd kan worden als een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek
                    ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
                    strafvervolging is vervallen omdat belanghebbende aan de hem gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan (transactie). </al><al>In het derde lid gaat het om gedraging zonder gevolgen voor de bijstand of
                    uitkering. In de artikelen 17 lid 1 Wwb en 13 lid 1 Ioaw/Ioaz is bepaald dat
                    belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van
                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                    zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand
                    of uitkering. Belanghebbende kan onjuiste, onvolledige of te laat inlichtingen
                    verstrekken, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de
                    bijstand. In dat geval kan een schriftelijke waarschuwing gegeven (artikel 6 lid
                    1 van deze verordening). Heeft belanghebbende in de voorafgaande 12 maanden
                    reeds een waarschuwing gekregen voor eenzelfde gedraging, dan wordt een
                    verlaging op grond van dit artikel opgelegd. </al><al><vet>Artikel 12. Administratie zelfstandige</vet></al><al>Een zelfstandige is verplicht zijn administratie naar behoren te voeren, en deze
                    uit eigen beweging binnen 6 maanden danwel binnen een door het college bepaalde
                    termijn, na afloop van het boekjaar waarover de uitkering (als bedoeld in
                    hoofdstuk II, par. 4 Bbz) is verleend of aanspraak kan worden gemaakt op
                    bijstand (als bedoeld in artikel 21 Bbz), aan het college te overleggen. Het
                    niet nakomen van een van deze verplichtingen is een maatregelwaardige
                    gedraging.</al><al><vet>Paragraaf 5. Overige gedragingen</vet></al><al><vet>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Belanghebbende heeft de verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid
                    te tonen voor de voorziening in het bestaan. Deze verplichting geldt zowel in de
                    periode voor als in de periode tijdens bijstand of een uitkering. Dit betekent
                    dat wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                    heeft getoond, waardoor hij niet beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan afhankelijk wordt of blijft van
                    bijstand of een uitkering, het college een verlaging kan opleggen.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><lijst><li nr="·"><al>het niet afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zodat bij
                            arbeidsongeschiktheid geen verzekering is, maar een beroep gedaan moet
                            worden op bijstand (zie onderdeel a);</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen (let op: geldt niet voor de
                            Ioaw-er, wel voor de Ioaz-er zie art. 20 lid 1 Ioaz jo art. 8 lid 2
                            Ioaz) / geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                            voorziening;</al></li><li nr="·"><al>bedrijfsbeëindiging wegens wanbeleid, waardoor een beroep op bijstand
                            gedaan moet worden;</al></li><li nr="·"><al>onverantwoorde bedrijfsinvesteringen, zoals een te dure bedrijfswagen of
                            bedrijfsruimte, waardoor financiële problemen ontstaan.</al></li></lijst><al>In onderdeel b. is de hoogte van de verlaging de norm, maar de duur van de
                    verlaging is afhankelijk van de periode dat belanghebbende onafhankelijk van
                    bijstand of uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid had getoond. </al><al><vet>Artikel 14. Nadere verplichtingen</vet></al><al>Op grond van de artikel 55 en 57 Wwb en artikel 38 lid 1 Bbz kan het college,
                    naast de in respectievelijk de Wwb en Bbz (voor de zelfstandige:) opgesomde
                    verplichtingen, bepaalde andere verplichtingen aan belanghebbende opleggen die
                    strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de
                    bijstand of die het college (voor de zelfstandige) nodig acht voor een
                    doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. Het niet nakomen van deze nadere
                    verplichting(en) levert een maatregelwaardige gedraging op.</al><al><vet>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder “zich zeer ernstig misdragen” verstaat de wetgever “gedrag dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd” en de mogelijkheid om dat gedrag te sanctioneren. De Centrale Raad
                    van Beroep (CRvB 30-06-2009, nrs 08/5699 Wwb e.a.) vindt dat zeer ernstige
                    misdraging op zichzelf namelijk niet kan leiden tot een verlaging van de
                    bijstand, doch slechts in samenhang met een in het kader van het niet nakomen
                    van een uit de Wwb, Bbz, Ioaw en Ioaz voortvloeiende verplichting. Met andere
                    woorden: sanctionering van de belanghebbende die zich zeer ernstig misdraagt is
                    mogelijk maar dan alleen als verzwarende omstandigheid in combinatie met het
                    niet nakomen van een uit de Wwb voortvloeiende verplichting. Een belanghebbende
                    kan niet gesanctioneerd worden puur en alleen omdat hij zich zeer ernstig
                    misdraagt. Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie waarin
                    belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, zal vanzelfsprekend gekeken moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden. </al><al>Het vaststellen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college kan de verlaging opleggen, terwijl de functionaris tegen
                    wie de agressie zich richtte, aangifte kan doen bij de politie.</al><al><vet>Paragraaf 6. Overige bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 16. Verlaging van de bijstand of uitkering </vet></al><al>Wanneer belanghebbende onvolledige of onjuiste informatie geeft, kan de norm
                    (tijdelijk) verlaagd worden conform deze verordening. Deze verlaging is bedoeld
                    om het nakomen van de verplichtingen en de hoogte van de bijstand of uitkering
                    op elkaar af te stemmen. Dit staat los van het terugvorderen van de bijstand of
                    uitkering, dat bedoeld is om de situatie (weer) in overeenstemming te brengen
                    met het recht.</al><al><vet>Artikel 17. Aangifte Openbaar Ministerie</vet></al><al>De gemeente heeft de verplichting om proces-verbaal op te maken en aangifte te
                    doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het
                    benadelingbedrag hoger is dan € 10.000 (de Richtlijn voor strafvordering sociale
                    zekerheidsfraude). </al><al>Indien de gemeente aangifte doet bij het Openbaar Ministerie, kan het niet meer
                    overgaan tot het toepassen van een verlaging. Het 'una via' beginsel (geen
                    samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing
                    van een enkel overheidsorgaan) verzet zich daartegen. Indien het Openbaar
                    Ministerie om wat voor reden dan ook besluit om niet over te gaan tot vervolging
                    kan de gemeente alsnog een verlaging toepassen.</al><al>Het blijft voor het college op grond van artikel 3, tweede lid van deze
                    verordening mogelijk om al individualiserend de verlaging anders vast te stellen
                    dan de richtlijn die wordt vermeld in dit artikel.</al><al><vet>Paragraaf 7. Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 18. Hardheidsclausule</vet></al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 19. Nadere regels</vet></al><al>De uitvoering van de Wwb, het Bbz, de Ioaw en Ioaz is geattribueerd aan het
                    college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad machtigt het college
                    voor het opstellen van nadere (beleids)regels.</al><al><vet>Artikel 20. Inwerkingtreding en intrekking</vet></al><al>Deze verordening wordt toegepast met ingang van de dag na publicatie van het
                    raadsbesluit. Indien de maatregelwaardige gedraging van belanghebbende zich
                    heeft voorgedaan in de periode vóór inwerkingtreding dan mag belanghebbende,
                    ingevolge het rechtszekerheidsbeginsel, niet slechter af zijn dan wanneer de
                    oude regels (die golden ten tijde van zijn gedraging) zouden zijn toegepast. </al><al><vet>Artikel 25. Citeertitel</vet></al><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>