<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR158300_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiele verordening gemeente Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten 1 februari 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiele verordening gemeente Midden-Drenthe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 147, 149 Gemeentwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Financiele Verordening Midden-Drenthe van 2005.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiele verordening gemeente Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Afdeling</onderstreept>: iedere organisatorische
                                    eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen
                                    rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college.</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Administratie</onderstreept>: het systematisch
                                    verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie
                                    ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen
                                    van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente
                                    Midden-Drenthe en ten behoeve van de verantwoording die daarover
                                    moet worden afgelegd.</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Begrotingscyclus:</onderstreept> de met betrekking
                                    tot een begrotingsjaar door de raad, in overleg met het college,
                                    vastgestelde afspraken over:</al><lijst><li nr="I."><al>Het voorbereiden, opstellen, vaststellen en uitvoeren
                                            van de begroting.</al></li><li nr="II."><al>Het afleggen van verantwoording door het college over de
                                            uitvoering van de begroting.</al></li><li nr="III."><al>Het opstellen en vaststellen van de jaarrekening.</al></li><li nr="IV."><al>De controle van de jaarrekening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt de programma-indeling vast. De programma-indeling
                                maakt deel uit van de begrotingscyclus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college, zo mogelijk, per
                                deelprogramma relevante indicatoren vast voor het meten van en het
                                afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van
                                goederen en diensten, de baten en lasten en de maatschappelijke
                                effecten van het gemeentelijke beleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting wordt een overzicht gegeven van de productenraming
                                ingedeeld naar programma’s en bij het jaarverslag wordt een
                                overzicht gegeven van de productenrealisatie ingedeeld naar
                                programma’s. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a.</nr><titel>Kaders ontwerp-begroting</titel></kop><al>Het college biedt, in overeenstemming met het bepaalde in de
                            begrotingscyclus, aan de raad een nota aan met een voorstel voor het
                            beleid en de financiële kaders van de ontwerp-begroting voor het
                            volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten en
                                begrotingswijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale
                                lasten en de totale baten per deelprogramma.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De
                                investeringen voor het begrotingsjaar die niet benoemd zijn tijdens
                                de begrotingsbehandeling zijn met het vaststellen van de begroting
                                geautoriseerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college een overschrijding van een geautoriseerd budget
                                of investeringskrediet voorziet, meldt het college dit in ieder
                                geval in de eerstvolgende tussentijdse rapportage. Het college voegt
                                hierbij een voorstel voor wijziging van het budget of het
                                investeringskrediet of een voorstel voor bijstelling van het
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de
                                begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf aan het aangaan
                                van verplichtingen een investeringsvoorstel aan de raad voor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad in tussentijdse rapportages over de
                                realisatie van de begroting van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussentijdse rapportages worden aan de raad aangeboden op de
                                tijdstippen zoals opgenomen in de door de raad vastgestelde
                                begrotingscyclus.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de
                                programma-indeling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tussentijdse rapportages gaan in op afwijkingen wat betreft de
                                baten en lasten, de geleverde goederen en diensten en indien daar
                                aanleiding voor is de maatschappelijke effecten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                                actief en hetsaldo van agio en disagio worden lineair in 5 jaar
                                afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van
                                agio en disagio worden lineair afgeschreven gedurende maximaal de
                                looptijd van de leningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiële vaste activa met een economisch nut, als bedoeld in
                                artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten, worden lineair afgeschreven in maximaal:</al><lijst><li nr="a."><al>40 jaar: permanente nieuwbouw woonruimten en
                                        bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>20 jaar: renovatie, bouwkundige voorzieningen, groot
                                        (levensduur verlengend) onderhoud of een algehele
                                        aanpassing;</al></li><li nr="c."><al>15 jaar: semi-permanente nieuwbouw woonruimten en
                                        bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="d."><al>40 jaar: rioleringen;</al></li><li nr="e."><al>15 jaar: technische installaties en inventaris in
                                        bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="f."><al>10 jaar: lichte transport- en technische hulpmiddelen; bijv.
                                        aanhangwagens, tractoren, motorvoertuigen en strooiers;</al></li><li nr="g."><al>15 jaar: zware transport- en technische hulpmiddelen; bijv.
                                        sneeuwploeg, bermvijzel, vrachtauto;</al></li><li nr="h."><al>15 jaar: lichte transport- en technische hulpmiddelen t.b.v.
                                        brandweer; bijv. spreider/schaar/ram en aggregaatsets en
                                        ademluchttoestellen;</al></li><li nr="i."><al>20 jaar: zware transport- en technische hulpmiddelen t.b.v.
                                        brandweer; bijv. tankautospuit, motorspuitaanhanger en
                                        personeel- en materiaalvoertuigen;</al></li><li nr="j."><al>4-6 jaar: automatiseringsapparatuur en software;</al></li><li nr="k."><al>0 jaar: gronden en terreinen (niet afschrijven);</al></li><li nr="l."><al>divers: overige materiële vaste activa.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Activa die voldoen aan een van de volgende eisen worden niet
                                geactiveerd uitgezonderd gronden en terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>Een verkrijgingprijs van € 15.000,- of minder</al></li><li nr="b."><al>Een levensduur die korter is dan 4 jaar</al></li><li nr="c."><al>Een jaarlijkse vervanging van hetzelfde materieel</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder activa met een maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel
                                35 van het Besluit Begroting en Verantwooring provincies en
                                gemeenten, worden verstaan investeringen in aanleg en onderhoud van
                                onder andere: (inrichting) wegen, waterwegen, civiele kunstwerken,
                                groen en kunstwerken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                maatschappelijk nut worden geactiveerd en lineair afgeschreven over
                                de verwachte levensduur van het actief. Hiervan kan bij raadsbesluit
                                worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en
                                diensten wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de
                                kostentoerekening worden naast de directe kosten alleen die
                                indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door
                                de gemeente verleende diensten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan reserves
                                voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de
                                kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa. Voor rioolrechten,
                                reinigingsrechten en afvalstoffenheffing betreft eveneens de
                                compensabele BTW.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omslagrente voor de rentetoerekening aan de activa wordt bepaald
                                door het rentetotaal van de uitstaande leningen en de bij begroting
                                vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen en de
                                voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rechten en heffing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen
                                van prijzen worden ter kennisneming aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college voert de treasuryfunctie uit binnen de kaders van de Wet
                                Financiering Decentrale Overheden (Fido) en de Regeling Uitzetting
                                Derivaten Decentrale Overheden (Ruddo) en draagt daarbij zorg
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Het tijdig aantrekken van voldoende financiële middelen om
                                        de (deel)programma’s binnen de door de raad vastgestelde
                                        kaders van de begroting uit te kunnen voeren
                                        (beschikbaarheid).</al></li><li nr="b."><al>Het beheersen van de risico’s verbonden aan de
                                        treasuryfunctie (risicominimalisatie)</al></li><li nr="c."><al>Het zoveel mogelijk beperken van de rentekosten van de
                                        leningen en het bereiken van voldoende rendement op
                                        overtollige middelen (renteoptimalisatie).</al></li><li nr="d."><al>Het beperken van de interne verwerkingskosten en externe
                                        kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële
                                        posities (kostenminimalisatie).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt bij het opnemen van leningen de volgende
                                richtlijnen in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor het aantrekken van leningen voor langer dan 1 jaar
                                        worden tenminste 2 prijsopgaven bij verschillende financiële
                                        instellingen gevraagd.</al></li><li nr="b."><al>Rente-instrumenten worden uitsluitend gebruikt ter beperking
                                        van financiële risico’s.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college neemt bij interne financieringsmiddelen de volgende
                                richtlijnen in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>De gemeentelijke reserves en voorzieningen worden gebruikt
                                        als intern financieringsmiddel.</al></li><li nr="b."><al>De rente die wordt toegerekend aan de interne
                                        financieringsmiddelen wordt jaarlijks in de kadernota
                                        vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij het verstrekken van leningen en garanties de
                                volgende richtlijnen in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>Het verstrekken van leningen en garanties wordt uitsluitend
                                        gedaan uit hoofde van de publieke taak.</al></li><li nr="b."><al>In principe worden geen leningen verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>Het verstrekken van leningen kan slechts geschieden nadat de
                                        gemeenteraad hierover is gehoord.</al></li><li nr="d."><al>Aan het verstrekken van leningen en garanties worden nadere
                                        voorwaarden verbonden.</al></li><li nr="e."><al>Het college motiveert in zijn besluit het openbare belang
                                        van de verstrekte lening en garantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college neemt bij het beleggen van (overtollige) middelen de
                                volgende richtlijnen in acht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen
                                vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom
                                tenminste aan het eind de looptijd intact is waarbij de valuta luidt
                                in Euro’s;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Overtollige geldmiddelen voor langer dan 3 maanden worden
                                uitsluitend uitgezet bij financiële ondernemingen die:</al><lijst><li nr="I."><al>gevestigd zijn in een lidstaat die behoort tot de Europese
                                        Economische Ruimte (EER), bestaande uit de EU plus
                                        Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;</al></li><li nr="II."><al>die tenminste beschikken over een AA-minusrating afgegeven
                                        door tenminste twee van de drie gerenommeerde ratingbureaus
                                        Standard &amp; Poor’s, Moody’s of Fitch; en</al></li><li nr="III."><al>voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren
                                        kunnen aantonen dat ze tenminste over een AA-minusrating
                                        beschikken, afgegeven door tenminste twee gezaghebbende
                                        ratingbureaus, of bij instellingen met een
                                        solvabiliteitsratio van 0%, zoals de rijksoverheid of lagere
                                        overheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In afwijking van het voorgaande lid is het ook mogelijk te beleggen
                                in obligaties met een solvabiliteitsratio van 0% - wat impliceert
                                dat dergelijk waardepapier in beginsel als risicovrij wordt gezien –
                                ook als de rating van het desbetreffende land niet aan de hierboven
                                beschreven minimale credit landenrating voldoet.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Het uitzetten van overtollige geldmiddelen korter dan 3 maanden
                                gebeurt uitsluitend bij financiële instellingen met een A-rating,
                                afgegeven door tenminste twee gezaghebbende instellingen, of bij
                                instellingen met een solvabiliteitsratio van 0%;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Zowel in de begroting als in de rekening informeert het college de
                                raad op het gebied van treasury (in de paragraaf financiering), of
                                zoveel vaker als nodig is uit hoofde van de actieve informatieplicht
                                van het college aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Financieel beheer en interne controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij dienstbaar is
                            voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut,
                                    voorraden, vorderingen, schulden, en contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                    budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                    kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren over de
                                    gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening
                            en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, voor
                            de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de
                            informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen.
                            Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><al>Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                            eigendommen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken.</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de producten van de productraming en de
                                    productrealisatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van het begrotingsjaar
                                2012. De stukken voor dit begrotingsjaar en latere begrotingsjaren
                                voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in de plaats van de ‘Financiële verordening
                                Midden-Drenthe’ vastgesteld door de raad op 29 september 2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt in de gemeentelijke stukken aangehaald onder de
                            naam ‘Financiële verordening Gemeente Midden-Drenthe’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 26 januari 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>C.J. Onderwater</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Broertjes.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Definities</tussenkop><al>Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de
                    Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en
                    Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten.
                    Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening
                    gedefinieerd.</al><tussenkop>Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat
                    het college de producten aan de programma’s toewijst. Op grond van artikel 189
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen hij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de begroting. De gemeente kan
                    slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn
                    gebracht (vierde lid artikel 189 Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau
                    hij budgetten beschikbaar stelt. In deze verordening is deze keuze vertaald naar
                    het beschikbaar stellen per deelprogramma.</al><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Zo wordt in het eerste lid het college opgedragen
                    de productenraming bij de begroting te voegen. En zo wordt ook bepaald de
                    productenrealisatie bij het jaarverslag te voegen. Dit zijn geen standaard
                    verplichting in het BBV. Wel moet men opletten dat de productenrealisatie
                    inderdaad bij het jaarverslag voegt en niet bij de jaarrekening. Anders gaat dit
                    onderdeel uitmaken van de accountantscontrole, hetgeen niet de bedoeling van de
                    wet is. De praktijk in Midden-Drenthe is dat de productenraming en de
                    productenrealisatie voor de raadsleden ter inzage wordt gelegd.</al><al>In het tweede en derde lid van dit artikel wordt de verplichting in het BBV om
                    in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 3a. Kaders ontwerp-begroting</tussenkop><al>Het artikel bepaalt dat het college vooraf aan het opstellen van de begroting
                    een nota aanbiedt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders
                    voor de komende jaren zijn vastgelegd. </al><tussenkop>Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten en
                    begrotingswijzigingen</tussenkop><al>Artikel 4 bevat nadere regels voor de autorisatie van de begroting en
                    investeringskredieten. In de verordening vindt autorisatie van de baten en
                    lasten plaats op het niveau van de deelprogramma´s (lid 1). Naast lopende
                    uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten
                    worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er
                    voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (lid 2). Wel kan de
                    raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke investeringskredieten hij op
                    een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van
                    politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de
                    inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke
                    investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad
                    autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen
                    voor de investering aan te gaan.</al><tussenkop>Artikel 5. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de planning en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. Het BBV bevat voorschriften voor de inrichting van de
                    begroting en de jaarstukken, maar niet voor de inrichting van de tussentijdse
                    rapportages. Het vierde lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van deze
                    rapportages. </al><tussenkop>Artikel 6. Waardering en afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de
                    uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de
                    regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 6
                    invulling gegeven. In afwijking van de modelverordening zijn hier de bepalingen
                    van de oude verordening gehandhaafd. Het derde lid geeft de
                    afschrijvingstermijnen van de materiele vaste activa met economisch nut.</al><al>Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf
                    vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen.
                    Gemeenten moeten deze aanpassen aan de eigen gebruiken. Natuurlijk geldt hierbij
                    wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en
                    afschrijvingstermijn van een actief met economisch nut moeten afstemmen op de
                    verwachte economische levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe
                    beeld van de jaarrekening namelijk aangetast.</al><tussenkop>Artikel 7. Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, letter b dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten. De
                    grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de samenstelling van de kostprijs
                    van de diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In
                    artikel 7 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen
                    van de gemeentelijke diensten. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de kostprijs
                    bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst
                    samenhangen.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat onder de indirecte kosten ook worden verstaan
                    bijdragen aan voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van betrokken activa
                    en de compensabele BTW. Hiermee wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die
                    artikel 229b Gemeentewet biedt.</al><al>De kaders in het artikel vormen de basis waarbinnen het college haar systematiek
                    van kostentoerekening kan vormgeven en de kostenverdeelsleutels voor de
                    toerekening van indirecte kosten kan vaststellen.</al><al>A<cursief>rtikel 8. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                        prijzen</cursief></al><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en heffingen is een
                    bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156
                    Gemeentewet). Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de raad de tarieven
                    voor de belastingen jaarlijks vaststelt. Het vaststellen van de prijs voor een
                    gemeentelijke dienst of de levering van goederen of werken (die niet vallen
                    onder artikel 229 Gemeentewet) is een privaatrechtelijk besluit. Dergelijke
                    besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, letter e artikel 160
                    Gemeentewet). Daar waar bij het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke
                    dienst of de levering van goederen of werken een publiek belang in het geding is
                    en prijzen lager dan marktconform worden vastgesteld, is het aan de raad om het
                    publiek belang te definiëren en het college kaders mee te geven voor het
                    afwijken van marktconforme prijzen. Het tweede lid bepaalt dat de besluiten voor
                    het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen ter kennisneming
                    aan de raad worden aangeboden. </al><tussenkop>Artikel 9. Financieringsfunctie</tussenkop><al>De financieringsfunctie is een belangrijk onderdeel van middelenbeheer. Gezien
                    de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 van de Gemeentewet de
                    expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels voor het
                    beleid en de organisatie bevat. In artikel 9 van de verordening wordt invulling
                    aan deze wettelijke plicht gegeven. In dit artikel worden de regels opgenomen
                    voor het beleid en de organisatie. Maar er dient ook een treasurystatuut
                    aanwezig te zijn. Doordat de financieringsfunctie en het treasurystatuut vele
                    overeenkomsten hebben is er voor gekozen om het treasurystatuut onder de
                    financieringsfunctie te laten vallen. Zodat er niet met twee verschillende
                    documenten gewerkt hoeft te worden en dat er tegenstrijdigheden kunnen
                    ontstaan.</al><al>In lid 1b wordt gesproken over risico’s verbonden aan de treasuryfunctie.
                    Hierbij wordt gedoeld op:</al><lijst><li nr="·"><al>Het renterisico is het gevaar verbonden aan veranderingen in de
                            rentestructuur. Het renterisico dient te worden afgedekt door het
                            opbouwen van een evenwichtige leningenportefeuille in relatie tot de
                            (verwachte) rentestructuur en verwachtingen ten aanzien van de
                            financieringsbehoefte. In de Wet Fido wordt het lange termijn
                            renterisico begrensd door de zogenaamde renterisiconorm. Het renterisico
                            op korte termijn wordt in de Wet Fido begrensd door de zogenaamde
                            kasgeldlimiet;</al></li><li nr="·"><al>Het koersrisico hangt sterk samen met bovengenoemd renterisico en heeft
                            betrekking op (tussentijdse) koersdalingen van verhandelbare
                            schuldtitels (vooral obligaties). Indien de looptijd van de schuldtitel
                            volledig wordt uitgezeten speelt koersrisico geen rol. De hoofdsom wordt
                            dan immers volledig uitgekeerd;</al></li><li nr="·"><al>Het debiteurenrisico is de kans dat belegde middelen niet worden
                            terugontvangen van debiteuren. Dit risico wordt beperkt door te beleggen
                            bij marktpartijen die voldoen aan de onder artikel 5 vermelde
                            voorwaarden.</al></li></lijst><al>In lid 2b wordt gesproken over rente-instrumenten. Rente-instrumenten (ook wel
                    derivaten genoemd) vormen een middel om renterisico’s af te dekken. Hierbij moet
                    vooral gedacht worden aan een renteplafond (een zogenaamde cap), waarmee je een
                    maximum stelt aan de te betalen variabele rente. Het is vergelijkbaar met een
                    verzekering, waarvoor uiteraard een premie betaalt dient te worden.</al><al>In lid 5 worden onder financiële ondernemingen, ondernemingen verstaan die het
                    bedrijf van kredietinstelling mogen uitoefenen, die beleggingsdiensten mogen
                    verlenen, die beleggingsinstellingen mogen beheren of rechten van deelneming in
                    beleggingsmaatschappijen mogen aanbieden of die het bedrijf van verzekeraar
                    mogen uitoefenen. Pensioenfondsen vallen niet langer onder deze regeling, maar
                    kunnen via “dochters” beleggingsrelaties hebben met decentrale overheden. Deze
                    “dochters” kunnen door samenwerking met financiële ondernemingen zoals hier
                    gedefinieerd, actief blijven op de financiële markten voor decentrale
                    overheden.</al><tussenkop>Artikel 10. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 10 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten
                    voldoen. </al><tussenkop>Artikel 11. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks bij de controle van de gemeenterekening of deze
                    een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële)
                    beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen.
                    Artikel 11 draagt het college op maatregelen te treffen op basis waarvan de
                    gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven
                    en of de financiële beheershandelingen die aan de baten en lasten en de
                    balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.</al><tussenkop>Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik</tussenkop><al>Artikel 12 bepaalt dat in gemeentelijke regelingen en werkprocedures voldoende
                    maatregelen worden getroffen om misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    gemeentelijke regelingen en eigendommen te beperken. Het gaat hierbij om
                    bijvoorbeeld het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de
                    antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies
                    wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. Het treffen van afdoende
                    beleid op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik maakt deel uit van het
                    rechtmatigheidoordeel van de accountant.</al><tussenkop>Artikel 13. Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 13 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het
                    eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels
                    vast te stellen voor de ambtelijke organisatie van de gemeente. Onder de letters
                    a, b, c en d van dit artikel wordt gesteld dat het college zorg dient te dragen
                    voor de financiële organisatie.</al><tussenkop>Artikel 14. Inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212
                    Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening van
                    toepassing is op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren.
                    De jaarstukken van het vorige begrotingsjaar moeten nog voldoen aan de
                    bepalingen uit de oude verordening.</al><tussenkop>Artikel 15. Citeertitel</tussenkop><al>Artikel 15 geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening moet worden verwezen.</al><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al>Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening
                    aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet). Gedeputeerde staten
                    kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting
                    van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet
                    (artikel 215 Gemeentewet).</al><al>De financiële verordening heeft enkel interne werking en is dus niet een besluit
                    van algemene strekking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. De
                    verordening hoeft dan ook niet te worden gepubliceerd, voordat zij in werking
                    kan treden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>