<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR157627_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de ambtelijke bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-04-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de ambtelijke bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=33&amp;g=2013-03-20">Gemeentewet, art. 33, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-11-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/043/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening ambtelijke bijstand, zoals vastgesteld op 2 januari 2007.</al><al>De datum bekendmaking is niet te achterhalen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de ambtelijke bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD DER GEMEENTE ROERMOND</al><al/><al>gezien het voorstel van de griffier en de voorzitter van 13 april 2010,
                        raadsvoorstel no. 2010/043/1;</al><al>gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen bijgaande Verordening op de ambtelijke bijstand.</al><al/><al><vet>VERORDENING OP DE AMBTELIJKE BIJSTAND</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Verzoek om informatie en ambtelijke
                            bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier of een ambtenaar met een verzoek
                            om:</al><lijst><li nr="a."><al>feitelijke informatie van geringe omvang;</al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                            informatie bedoeld onder het eerste lid, onderdeel a of b, stelt hij de
                            secretaris daarvan in kennis. De secretaris beslist.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om bijstand bij
                            het opstellen van voorstellen, amendementen en moties of andere
                            bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijstand, bedoeld in het derde lid, wordt verleend door de griffier
                            of een medewerker van de griffie. Indien de gevraagde bijstand niet door
                            de griffie kan worden verleend, kan de griffier de secretaris verzoeken
                            één of meer ambtenaren aan te wijzen die de gevraagde bijstand zo
                            spoedig mogelijk verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verlenen van ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar verleent op verzoek van de secretaris ambtelijke bijstand
                            tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                    betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van het eerste
                            lid geweigerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt geweigerd, deelt de
                            secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het
                            raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De secretaris verstrekt de betreffende portefeuillehouder in het college
                            desgewenst een afschrift van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien (leden van) het college informatie wensen over een verzoek om
                            ambtelijke bijstand of de inhoud van het gegeven advies wenden zij zich
                            daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigering verzoek ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Indien het verzoek om informatie of bijstand van een ambtenaar door de
                        secretaris wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het
                        verzoek voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                        mogelijk op het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Geschil over ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar verstrekte
                            informatie of verleende bijstand, doet hij of de griffier hiervan
                            mededeling aan de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide partijen
                            bevredigende oplossing, leggen zij de zaak voor aan de burgemeester. De
                            burgemeester beslist zo spoedig mogelijk over de zaak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten de zaak voor te leggen aan het
                            presidium.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verzoek om andere hulp</titel></kop><al>Voor zover er behoefte bestaat aan andere hulp dan die welke valt onder de
                        definitie van de begrippen informatie en bijstand, moet deze via de raad
                        en/of presidium worden gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de
                                vaststelling.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip vervalt de ‘Verordening ambtelijke bijstand’
                                laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 2 januari 2007.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn openbare
                        vergadering van 22 april 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.Vervuurt</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.M.J.M. van Beers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting bij de Modelverordening ambtelijke bijstand </tussenkop><tussenkop>(artikel 33 Gemeentewet)</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    is in 2002 door de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur
                    ingrijpend gewijzigd. Het legt expliciet vast dat de raad en individuele
                    raadsleden een recht op ambtelijke bijstand hebben. De uitwerking van deze
                    rechten moet bij verordening worden geregeld.</al><al>In deze verordening vervult de griffier een centrale rol. Hij of zij is het
                    eerste aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke bijstand. De griffier vervult
                    ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke
                    organisatie.</al><al>De burgemeester vervult ook een rol in het proces. Indien er een
                    conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen. De positie van de
                    burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer en
                    als degene die uiteindelijk het laatste woord heeft.</al><al>Gezien de duale verhoudingen ligt het voor de hand dat er ook op het punt van de
                    ambtelijke bijstand heldere scheidslijnen worden getrokken tussen werkzaamheden
                    voor de raad en voor het college. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat een
                    raadslid kan aangeven dat de inhoud van de verleende bijstand geheim moeten
                    worden gehouden. De ambtenaar mag niet onder druk komen te staan doordat hij
                    werkzaamheden voor de raad verricht. Daarom zal een collegelid dat toch
                    informatie wenst over het verzoek om ambtelijke bijstand, zich moeten wenden tot
                    het betrokken raadslid en niet tot de behandelend ambtenaar.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. De ambtenaren werken doorgaans namelijk voor
                    het college. Artikel 103 Gemeentewet laat dit scherp zien. Vóór de invoering van
                    de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde dit artikel dat de secretaris (en
                    daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke organisatie) de raad en het
                    college terzijde stond. In de duale verhoudingen staat de secretaris het college
                    terzijde en wordt de raad bijgestaan door de griffier.</al><al>Dat de raad beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie zal, in vergelijking met de reguliere organisatie
                    beperkt in omvang zijn. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken
                    van amendementen, moties en regelingen zal een beroep op deze organisatie dan
                    ook nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al>De formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.</tussenkop><al>De verordening is niet bedoeld om formele barrières op te werpen die het
                    verlenen van bijstand aan raadsleden juist bemoeilijkt. Indien het gaat om het
                    verzoek om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift van
                    openbare documenten, kan een raadslid contact opnemen met de griffier die het
                    verzoek kan neerleggen bij een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke
                    organisatie. Het begrip document wordt hier overigens gebruikt in de betekenis
                    die het in de Wet openbaarheid van bestuur heeft. </al><al>Met openbaar wordt bedoeld openbaar in de zin van de Wet openbaarheid van
                    bestuur. Op niet-openbare documenten is het bepaalde in de artikelen 25, 55 en
                    86 van de Gemeentewet van toepassing. </al><al>Deze rechten zijn veelal uitgewerkt in het Reglement van orde voor de
                    vergaderingen van de raad, het Reglement van orde voor de vergaderingen van het
                    college en de Verordening op de raadscommissies.</al><al>Er is voor gekozen de griffier te benoemen als centrale functionaris. Het
                    bestaan van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad
                    en het college, die bij de dualisering hun beslag hebben gekregen, leiden ertoe
                    dat de ambtelijke organisatie parallel ontvlochten is. Omdat de griffier geen
                    zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie, zal de secretaris de
                    ambtenaar die de bijstand verleent moeten aanwijzen. De ontvlechting van
                    posities leidt in dit geval dus noodzakelijkerwijs tot een verdergaande
                    formalisering van de regeling omtrent ambtelijke bijstand.</al><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder het gezag van het college vallen en dus niet onder de noemer
                    “griffiemedewerkers”. Dit neemt niet weg dat medewerkers van de griffie ook
                    ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al>In het eerste lid wordt de mogelijkheid geboden aan raadsleden om zich
                    rechtstreeks tot een ambtenaar van de reguliere ambtelijke organisatie te
                    wenden. Verzoeken om informatie kunnen door raadsleden, als bekend is bij wie
                    men moet zijn, rechtstreeks (niet via de griffie) worden gesteld. Is niet bekend
                    bij wie men moet zijn, dan wordt het betreffende verzoek om informatie
                    neergelegd bij de griffie. De griffie leidt dit verzoek dan door.</al><al>Indien een raadslid met zijn verzoek om informatie rechtstreeks de organisatie
                    ingaat, dan dient hij zich te wenden tot het afdelingshoofd of de directeur. Die
                    kunnen bepalen welke medewerker het best met de afdoening van die vraag kan
                    worden belast. </al><al>Op grond van het tweede lid is er bij twijfel een rol voor de secretaris
                    weggelegd. Deze zal moeten beslissen of het een verzoek als bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel a en b betreft.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.</tussenkop><al>In het vierde lid wordt gewezen op het belang dat de betrokken
                    portefeuillehouder heeft van het op de hoogte zijn van het feit dat bijstand is
                    verleend door onder zijn verantwoordelijkheid functionerende ambtenaren. Gezien
                    de afstand tussen raad en college is het logisch dat desgewenst melding wordt
                    gemaakt van het verlenen van ambtelijke bijstand. Het college en de secretaris
                    kunnen afspreken in welke gevallen hiervan melding wordt gemaakt.</al><al>Het vijfde lid voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen raad
                    en college terecht komt. Indien een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt,
                    moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die
                    werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. Om te verzekeren dat een
                    ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te
                    verschaffen over het verzoek van een raadslid, is in het vijfde lid bepaald dat
                    wethouders of de burgemeester zich voor informatie direct tot het betrokken
                    raadslid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een
                    extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke
                    bijstand.</al><al>De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot
                    de normale uitoefening van zijn taak. Indien hij dit gedeelte van zijn taak niet
                    goed uitoefent, behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop
                    aan te spreken.</al><al/><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><al>Beoordeling of één van de in artikel 2 genoemde weigeringsgronden zich voordoet,
                    vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. </al><al>Artikel 3 regelt dat de uiteindelijke beslissing over het niet verlenen van
                    ambtelijke bijstand is voorbehouden aan de burgemeester. Het ligt in de rede dat
                    hij hierover overleg voert met de secretaris en de griffier (en indien nodig ook
                    het betrokken raadslid). Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover
                    de burgemeester verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180
                    Gemeentewet).</al><al/><tussenkop>Artikel 4.</tussenkop><al>Ook indien - naar de mening van het raadslid - op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven, kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor. Wel dient het
                    betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren met de
                    secretaris. De burgemeester kan op zijn beurt besluiten de zaak voor te leggen
                    aan het presidium. </al><al/><tussenkop>Artikel 5.</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>