<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR15700_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rucphen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rucphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Raadhuiskrant, 28-03-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 2;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 3;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 95;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 96;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 97;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 98</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 99;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders; Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe Regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
            commissieleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Rucphen;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de navolgende Verordening rechtspositie wethouders, raads-
                        en commissieleden </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de
                                        Minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                        AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212</cursief>;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister
                                        van Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr.
                                        AD94/U1011, Stcrt. 181; </cursief></al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 7 vastgestelde maximum. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 7,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, <cursief>is</cursief><cursief>in afwijking van het
                                    eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor
                                    gemeenteklasse 7, vermeld in tabel III van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, <cursief>onderdeel
                                            b,</cursief> van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed. <cursief>(verwijzing weggehaald)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentebelang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van <cursief>algemeen</cursief> belang is in verband
                                met de vervulling van het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking. </al></li><li nr="2."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    tegemoetkoming voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor zover er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>een belastingheffing in verband met een ten laste van de
                                            gemeente ter beschikking gestelde computer, bijbehorende
                                            apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van
                                            de eigen computer, bijbehorende apparatuur en software
                                            als bedoeld in het tweede lid,</al></li></lijst></li></lijst><al>ontvangt het raadslid ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar een
                            tegemoetkoming van 10% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode
                            van maximaal drie jaar. Daarbij wordt uitgegaan van de aanschafwaarde
                            van de computer, bijbehorende apparatuur en software welke het college
                            aan raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel
                                    geldende spaarloonregeling. </al></li><li nr="2."><al><cursief>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                        artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                        dienstbetre</cursief><cursief>k</cursief><cursief>king wordt
                                        aangemerkt kan deelnemen aan de levensloopregeling als
                                        bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                        1964.</cursief></al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                    raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.
                                        <cursief>(tekst weggehaald)</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet
                                        bestaat geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.
                                    </cursief></al><al>Artikel 9a Fietsregeling</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding
                                                ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de
                                                Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van
                                                die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling lonobelasting
                                                2001. Naar keuze van het raadslid wordt de
                                                raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding
                                                verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                                                bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de
                                                Gemeentewet bestaat geen aanspraak op enige
                                                vergoeding van de gemeente.</cursief></al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
                                <cursief>(andere formulering)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12a Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De tegemoetkoming in de kosten van een
                                        ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het
                                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden bedraagt € 175
                                        per jaar.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van
                                        het kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                        tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                                        evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar
                                        raadslid is geweest. </cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het
                                        eerste lid, geschiedt in maandelijkse termijnen.
                                    </cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling en ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 9 tot en met 11 en 12a
                                        blijven van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge
                                        artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk is ontslag is verleend
                                        wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien
                                        verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op
                                        grond van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft
                                        bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van
                                        toepassing is. </cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>De artikelen 1 tot en met 7,8, eerste, tweede, vierde
                                        en vijfde lid, en 10 tot en met 12a van deze verordening
                                        zijn van toepassing op raadsleden die tijdelijk worden
                                        benoemd ter vervanging van een raadslid dat ingevolge
                                        artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen
                                        wegens zwangerschap en bevalling of ziekte. </cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13 Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap verbonden
                            kosten is gelijk aan het bedrag, vermeld in artikel 25, eerste lid van
                            het Rechtspositiebesluit wethouders. Wijkt af van voorbeeldregeling
                            !</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders, mits de reisafstand
                            meer dan tien kilometer bedraagt. Andere formulering !</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                    artikel 14, vergoeding verleend voor gemaakte reiskosten ter
                                    zake van andere dan de in artikel 14 bedoelde reizen ten behoeve
                                    van de gemeente. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding
                                            als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                            rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                            gemaakte <cursief>verblijfskosten</cursief>.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanvraag vindt saldering van de reiskosten voor de zakelijke
                                    reizen van de wethouder plaats overeenkomstig artikel 4a van de
                                    Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                    buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                    Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt aan de wethouder ten laste van de gemeente voor de
                                uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                beschikking is gesteld, wordt de wethouder op aanvraag voor de
                                uitoefening van het ambt een tegemoetkoming verleend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>een belastingheffing in verband met een ten laste van de
                                        gemeente ter beschikking gestelde computer, bijbehorende
                                        apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van de
                                        eigen computer, bijbehorende apparatuur en software als
                                        bedoeld in het tweede lid,</al><al> ontvangt de wethouder ten laste van de gemeente op aanvraag
                                        per jaar een tegemoetkoming van 10% van de aanschafwaarde
                                        daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij
                                        wordt uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                        bijbehorende apparatuur en software welke aan de wethouders
                                        in bruikleen ter beschikking worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvraag worden de wethouder de aanleg- en abonnementskosten voor
                                de internetverbinding voor de in het eerste of tweede lid genoemde
                                computerapparatuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die mede
                                gebruikt mag worden voor privé-doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de netto bezoldiging dan wel de netto onkostenvergoeding van de
                                wethouder die de mobiele telefoon voor meer dan 10% mede gebruikt
                                voor privé-doeleinden, wordt een bedrag ingehouden dat gelijk is aan
                                het bedrag dat op grond van de artikelen 38 respectievelijk 39 van
                                de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 tot het loon wordt
                                gerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als
                                    bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                    1964.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al><al><vet>Artikel 20a Fietsregeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al><cursief>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als
                                            bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                                            loonbelasting 2001. Naar keuze van de wethouder wordt de
                                            bezoldiging, dan wel vaste onkostenvergoeding, dan wel
                                            eindejaarsuitkering verminderd met de vergoeding voor de
                                            fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.
                                        </cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de
                                            Gemeentewet bestaat geen aanspraak op enige vergoeding
                                            van de gemeente. </cursief></al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig <cursief>het bepaalde in
                                        artikel 1 van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders;</cursief></al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig <cursief>het
                                        b</cursief><cursief>e</cursief><cursief>paalde in artikel 2
                                        van Regeling rechtspositie wethouders.</cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                    commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                    rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het
                                    door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                                    voor gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de
                                    Gemeentewet ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissie</al></li><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                    ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie
                                    bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                    gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                    organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                    commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                    dient.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een commissie uit gemeenteraad toestemming
                                    verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                    gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                    vanwege de gemeente georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                    rekening van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Cursus, congres, seminar of symposium </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd, komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                    seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van belang is in verband met de vervulling
                                    van het commissielidmaatschap.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6,
                                    15, 16, 17 en 22 wordt gebruik gemaakt van een
                                    declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                    betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid
                                    dient het declaratieformulier binnen 2 maanden in bij de
                                    griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door
                                    hem aangewezen ambtenaar, onder bijvoeging van de originele
                                    bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 15, 16, 17,
                                    18 en 22 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de
                                    door het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord
                                    ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door
                                    het begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                    begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                    griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                    aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling treedt in werking op 1 april 2007 en werkt voor
                                    wat betreft de artikelen 1 tot en met 12 en 23 tot en met 25
                                    terug tot en met 16 maart 2006, en voor wat betreft de artikelen
                                    15 tot en met 22 ten aanzien van de op 13 april 2006 beëdigde
                                    wethouders terug tot en met de dag van hun beëdiging. </al></li><li nr="2."><al>De artikelen 26 tot en met 28 werken voor zover het betreft de
                                    leden van de raad en commissieleden terug tot en met 16 maart
                                    2006.</al></li><li nr="3."><al>De artikelen 26 tot en met 28 werken voor zover het de op 13
                                    april 2006 beëdigde wethouders betreft terug tot en met de dag
                                    van hun beëdiging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Rucphen, 22 maart 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.L. Everaers.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. R.A.F. van Pareren.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN
                        COMMISSIELEDEN</titel></kop><tussenkop>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het
                    bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in
                    de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><tussenkop>Artikelen 3 en 13 vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    kostencomponenten; representatie, vakliteratuur, contributies, lidmaatschappen
                    telefoonkosten, bureaukosten, porti, zakelijke giften, bijdrage aan
                    fractiekosten, ontvangsten thuis en excursies. Sedert 1 januari 2001 zitten
                    daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen (zie de
                    artikelen 7, 8, 18 en 19). De onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die
                    datum neerwaarts bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. De hoogte van de
                    kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in de
                    rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale bedrag van de
                    kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 13 is de hoogte van de
                    kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van de
                    kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is aangegeven dat
                    de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen
                    maximum.</al><tussenkop>Artikel 5 reiskosten raadsleden</tussenkop><al>In dit artikel is voor raadsleden het recht op vergoeding van reiskosten
                    geregeld voor zover het betreft reizen buiten de gemeentegrens ter uitvoering
                    van een besluit van de raad. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 97
                    van de Gemeentewet. Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij
                    gebruik van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                    rijkspersoneel geldt (in 2006: € 0,28 bij gebruik van de eigen auto). De
                    vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                    kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2006 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:</al><al>‘Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn
                    ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor
                    (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit
                    of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.
                    Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.’ </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 6 Verblijfkosten raadsleden</tussenkop><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor is te
                    vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. De vergoeding kan aan het commissielid
                    worden toegekend als hij een commissievergadering bijwoont. Voor raads- en
                    commissieleden kunnen verblijfkosten ook worden vergoed ingeval van
                    dienstreizen. Daarvoor gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. </al><al>Voor wethouders is nog van belang dat een vergoeding of verstrekking van
                    maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar onbelast is als de vergoeding of
                    verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is niet
                    zonder meer sprake bij deelname aan raads- en commissievergaderingen, maar wel
                    bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op de gewone
                    tijd kan eten, alsmede tijdens dienstreizen. Voor zover het aantal maaltijden
                    per kalenderjaar meer dan 80 is, moet een normbedrag bij het loon worden geteld.
                    Als de vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot het loon wordt gerekend kan
                    eindheffing plaatsvinden op basis van het tabeltarief. </al><al>Als het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de
                    vergoeding of de waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot het
                    loon worden gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in
                    bedrijfskantines met een privé-karakter wordt de waarde van een kantinemaaltijd
                    vastgesteld op een forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de bedrijfskantine een
                    meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding
                    of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is dan
                    onbelast.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 7 en 18 Cursus, congres, seminar of symposium</tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                    gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het
                    individuele raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op
                    eigen initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                    gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt. De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een
                    zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding
                    c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                    hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                    verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                    worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 8 en 19 Computer en internetverbinding</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap en het ambt van wethouder wordt op
                    aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur en software in
                    bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is
                    bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen.
                    Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een digitale
                    fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die
                    het raadslid of wethouder met de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst
                    is door het college vastgesteld. De grondslag voor deze faciliteit is te vinden
                    in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt van uitgegaan dat
                    wethouders en raadsleden de computer niet geheel of nagenoeg geheel zakelijk
                    zullen gebruiken. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                    tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                    afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar gestelde
                    computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                    verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                    waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 10% van de
                    aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen
                    van de computer belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is belast. Indien een
                    computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste en vierde
                    kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal kalendermaanden
                    waarin de computer beschikbaar is gesteld. Het is ook mogelijk om een dergelijke
                    vergoeding te geven voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer.
                    Samenvattend kunnen de volgende situaties ontstaan:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Een ter beschikking gestelde computer met een privégebruik van
                                maximaal 10%</cursief></al><al> Fiscaal: Geen fiscale bijtelling waardoor een tegemoetkoming vanuit de
                            werkgever ook achterwege blijft. </al></li><li nr="2."><al><cursief>Een ter beschikking gestelde computer met een privégebruik van
                                meer dan 10%</cursief></al></li></lijst><al>Fiscaal: Fiscale bijtelling van 30%. Daartegenover staat per jaar een financiële
                    vergoeding van 10% (uitgaande van 30% zakelijk gebruik) vanuit de werkgever
                    gedurende maximaal drie jaar. </al><al>3.<cursief>Een vergoeding voor de aanschaf of het gebruik van een eigen
                        computer</cursief></al><al>Fiscaal: Geen fiscale consequenties. Desondanks ontvangt de aanvrager per jaar
                    een financiële vergoeding van 10% vanuit de werkgever gedurende maximaal drie
                    jaar.</al><tussenkop>Let op:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Per wethouder/raadslid kan een vergoeding worden toegekend voor maximaal
                            drie jaar.</al></li><li nr="-"><al>Lid 1 en 2 van artikel 8 en 21 sluiten elkaar uit. Dit betekent dat in
                            het geval een wethouder/raadslid een vergoeding aanvraagt voor het
                            gebruik van een eigen computer (lid 2) er getoetst dient te worden of
                            eerder een aanvraag is ingediend zoals bedoeld in lid 1.</al></li></lijst><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van
                    de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding niet
                    geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. De vergoeding wordt ieder
                    jaar in de maand januari door I&amp;A vastgesteld waarbij als norm wordt
                    uitgegaan van de laagste kosten. De verstrekte vergoeding is belast.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raads- en commissieleden
                    kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een
                    vergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of commissiezetel of
                    bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.</al><tussenkop>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW-uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 11 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                    gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 75 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met deze taak belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden is in artikel 12 van de verordening geregeld dat bij
                    een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over
                    de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor
                    de werkzaamheden en van de vaste onkostenvergoeding.</al><tussenkop>Artikelen 14 en 15 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 14 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2006 € 0,14 per
                    afgelegde kilometer. Ingevolge artikel 15 worden zakelijke reiskosten, indien
                    gemaakt met het openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in
                    redelijkheid gemaakt). Indien kosten gemaakt met de eigen personenauto bedraagt
                    de vergoeding in 2006 € 0,28 per afgelegde kilometer. Voor zakelijke kilometers
                    (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het woon/werkverkeer) kan, een
                    onbelaste vergoeding worden verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht
                    het gebruikte vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat
                    hogere deel belast. In het Handboek loonheffingen 2006 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:</al><al>‘Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn
                    ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor
                    afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of
                    navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen
                    of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en
                    overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.’ </al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen. </al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer, een verstrekte lagere vergoeding
                    dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid is opgenomen in artikel 16, tweede lid. In het voorbeeld
                    wordt toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de
                    berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van
                    reiskostenvergoedingen.</al><tussenkop>Voorbeeld</tussenkop><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr="-"><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al><tussenkop>Artikelen 17 en 24 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook
                    om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als
                    financieel), het meereizen van de partner en het combineren van een dienstreis
                    met een (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis. Ook gemeenteraden of
                    raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang excursies of reizen
                    naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet toestemming
                    verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege de gemeente
                    georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse dienstreizen
                    van wethouders geldt ook voor buitenlandse excursies en reizen van de
                    gemeenteraad of raadscommissies. Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor
                    de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in
                    het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                    als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 20 mobiele telefoon</tussenkop><al>De mobiele telefoon kan mede voor privé-doeleinden worden gebruikt. In dat geval
                    komen ook de privé-gesprekskosten voor rekening van de gemeente. Als het
                    privé-gebruik meer dan 10% is, vindt er een fiscale bijtelling plaats. In 2006
                    geldde daarvoor een forfaitair bedrag van € 22,69 per maand. De fiscale regeling
                    geldt alleen als de waarde in het economisch verkeer van het privé-gebruik van
                    de mobiele telefoon niet meer is dan een vastgesteld bedrag op jaarbasis (€ 454
                    in2006). Is dat wel het geval dan kan slechts de vergoeding van het
                    abonnement plaatsvinden, waarvoor dan een inhouding moet plaatsvinden (€ 19,66
                    in 2006) per maand. De gesprekskosten dienen tussen de wethouder en de gemeente
                    verrekend te worden.<sup/>In de vaste kostenvergoeding zit een component
                    telefoonkosten. Er zal een forfaitair bedrag tot het loon moeten worden
                    gerekend. Door dit bedrag maandelijks in mindering te brengen op de netto
                    bezoldiging dan wel op de netto onkostenvergoeding is voldaan aan de
                    voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 38 respectievelijk 39 van de
                    Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Het is echter wel noodzakelijk deze
                    inhouding als zodanig zichtbaar te laten zijn op de salarisspecificatie. Dat is
                    geregeld in artikel 22, vierde lid. Deze wijze van verrekening is toegestaan op
                    grond van artikel 23, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001</al><tussenkop>Artikel 21 Spaarloonregeling/levensloopregeling</tussenkop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt. </al><tussenkop>Artikel 22 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 22 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><tussenkop>Artikel 23 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 14, eerste lid, is de hoogte van de vergoeding bepaald op
                    het maximale bedrag. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van
                    het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is aangegeven dat
                    de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt de mogelijkheid om in de
                    gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag
                    aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is
                    geregeld in artikel 23, vierde lid. </al><tussenkop>Artikelen 26 t/m 28 De procedure van declaratie</tussenkop><al>In artikel 27 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 26
                    t/m 28 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedurevoorschriften inachtgenomen moeten worden. </al><tussenkop>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten.</al></li></lijst><tussenkop>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelen 29 t/m 31 Citeertitel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste
                    gemeenten echter zijn de wethouders pas later benoemd. Ter voorkoming van
                    overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen voor intrekking van de
                    oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het
                    van kracht worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor
                    nog steeds werking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders
                    uit het oude college.</al><al>Bij de inwerkingtreding wordt ervoor gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd
                    respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. Er is gekozen voor
                    een driedeling:</al><lijst><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende
                            kracht tot en met 16 maart 2006;</al></li><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot
                            en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering is gekozen zodat
                            voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van rechtswege zijn
                            ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de oude
                            bepalingen van kracht blijven;</al></li><li nr="-"><al>om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                            hoofdstuk V over de procedure van declaratie.</al></li></lijst><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                    verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De nieuwe
                    verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de bepalingen
                    over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige verordening
                    zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de terugwerkende
                    kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor artikel 27a uit
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>