<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR156551_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Leerlingenvervoer Bodegraven-Reeuwijk 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kijk op Reeuwijk, 29-06-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Bodegraafs Niewsblad, 30-06-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Leerlingenvervoer gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0030280&amp;artikel=4">Wet op het primair onderwijs, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=4">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-06-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-11-3581 / INT-11-00641</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn, zorg en onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-13824</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Leerlingenvervoer gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 april 2011;</al><al/><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende: Verordening Leerlingenvervoer gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk 2011.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a. school:</al><lijst><li nr="-"><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als
                                    bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998,
                                    495);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld
                                    in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496);</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);</al></li></lijst><al>b. ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al><al>c. leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al><al>d. gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door een
                            lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet
                            zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;</al><al>e. woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                            verblijft;</al><al>f. afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>g. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen
                            de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in
                            aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de
                            schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige
                            leerling die aansluiting onmogelijk maakt;</al><al>h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens
                            een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto;</al><al>i. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi,
                            treintaxi of bustaxi;</al><al>j. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                            fiets;</al><al>k. reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de
                            woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus
                            maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het schoolgebouw met
                            bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids
                            aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de
                            schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst
                            bij de woning;</al><al>l. toegankelijke school;</al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor
                                    basisonderwijs: de basisschool van de verlangde godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school of de
                                    speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is
                                    aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                                    scholen voor voortgezet onderwijs; de school van de soort waarop
                                    de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de
                                    soort waarop de leerling is aangewezen;</al></li></lijst><al>m. inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomensbelasting 2001 (Stb.
                            2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in
                            het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor
                            bekostiging van de vervoerskosten wordtgevraagd;</al><al>n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                            leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al><al>o. commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het
                            bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde
                            gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de
                            Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die hetzelfde
                            expertisecentrum instand houden;</al><al>p. vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de
                            door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en
                            zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de goedkoopst mogelijke
                            wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens
                            begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt
                            of doet verzorgen;</al><al>q. permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                            artikel 23 van de Wet op primair onderwijs;</al><al>r. samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel
                            18 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>s. regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel
                            10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>t. opdc: orthopedagogisch en –didactisch centrum als bedoeld in artikel
                            10h, derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>u. ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een
                            school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of
                            leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en
                            die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden
                            zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
                            onderwijs;</al><al>v. commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                            artikel 28c van de Wet op de expertisecentra.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                dat de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de
                            tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele
                            schoolperiode wordt vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, vóór 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag vóór
                                        1 juni is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt
                                        niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan
                                de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het vertrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op </al><al>1 augustus van het schooljaar waarop de bekostiging betrekking
                            heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET-GEHANDICAPTE) LEERLINGEN
                            VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:</al><al>a de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school
                            voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool
                            waarvan de leerling afkomstig is, of</al><al>b een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde
                            samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de
                            gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van
                                het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de
                                dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km
                                bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning
                                naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan vier
                                km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en</al><al>a de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                            terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                            worden teruggebracht, of: </al><al>b openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                            het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                            vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
                                aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het
                                openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al>b een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR
                            (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan vier
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
                            op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts
                            gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de
                            commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
                            betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en:</al><al>a de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college niet in
                                staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik
                                te maken, of:</al><al>b de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al>c openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van
                                het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het
                                vervoer per bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
                                aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het
                                openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al>b een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van den Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de
                                afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15,
                                indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van den vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>4</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in het schoolplan van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>5</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIELE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen
                                tezamen meer bedraagt dan € 23.400 wordt slechts bekostiging
                                verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs, of een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een
                                eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer
                                over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de
                                ouders meer bedraagt dan € 23.400 (school voor basisonderwijs en
                                speciale school voor basisonderwijs: 2 zones).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling is gebaseerd op artikel 30, eerste lid,
                                van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van € 23.400 genoemd in het eerste en tweede lid, wordt
                                met ingang van 1 januari 2012 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                                heeft ondergaan ten opzicht van het voorafgaande jaar en rekenkundig
                                afgerond op een veelvoud van € 450,00. Het aangepaste bedrag treedt
                                in plaats van het eerste en tweede lid genoemde bedrag van €
                                23.400.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het drempelbedrag wordt maximaal twee maal per gezin geheven op
                                kinderen die een speciale school voor basisonderwijs bezoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De hier bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast en vermeld op
                                een bij deze Verordening behorende bijlage 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
                                wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de
                                financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van
                                de woning nar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de
                                financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid zijn afhankelijk van de
                                hoogte van het belastbaar inkomen van de ouders in de zin van de Wet
                                op de inkomensbelasting 2001 en bedragen:</al><al/><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Inkomen in €</vet></al></entry><entry><al><vet>Eigen bijdrage in €</vet></al></entry></row><row><entry><al>0-31.500</al></entry><entry><al>nihil</al></entry></row><row><entry><al>31.500-38.000</al></entry><entry><al>125</al></entry></row><row><entry><al>38.000-44.000</al></entry><entry><al>520</al></entry></row><row><entry><al>44.000-49.500</al></entry><entry><al>960</al></entry></row><row><entry><al>49.500-56.500</al></entry><entry><al>1405</al></entry></row><row><entry><al>56.500-62.500</al></entry><entry><al>1855</al></entry></row><row><entry><al>62.500 en verder</al></entry><entry><al>Voor elke extra € 4.500: € 455 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al> € 62.500 en verder per € 4.500,00 extra inkomen eigen bijdrage
                                wordt steeds opgehoogd met € 455.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van
                                1 januari 2012 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen van een eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                met ingang van 1 januari 2012 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op
                                het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1
                                januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van € 5.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De hier bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast en vermeld op
                                een bij deze Verordening behorende bijlage 1.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>6</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN
                            SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die
                                een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school
                                voor voortgezet onderwijs bezoekt en die vanwege een lichamelijke,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van
                                een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9
                                in acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien</al><al>a de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt is. Ten
                                aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs
                                neemt het college artikel 9 in acht. Of:</al><al>b aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de
                                leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al>c aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en
                                openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                                het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                                vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het
                                vervoer per bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><al>a een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met
                                begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                het vijfde lid;</al><al>b een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou
                                bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente
                            commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordeningen Leerlingenvervoer gemeente Reeuwijk 2008 en gemeente
                            Bodegraven 2003 worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schooljaar
                                2001/2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
                                verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een
                                bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend
                                met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen,
                                zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een
                                gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in
                                schooljaar 2001-2002 bezocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
                                onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
                                opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en
                                naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002
                                bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km
                                bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
                                het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand
                                aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende
                                geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de
                                inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking vanaf 16 juni 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening
                            Leerlingenvervoer gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk, gehouden op 15 juni 2011.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. J.H. Rijs</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. J.P.J. Lokker</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Bodegraven-Reeuwijk/i164008.pdf">Informatie leerlingenvervoer schooljaar 2012-2013</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening Leerlingenvervoer gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk 2011</titel></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening Leerlingenvervoer gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk 2011</vet></al><al/><al><vet><cursief>Artikel 1: Begripsomschrijving</cursief></vet></al><al>In artikel 1 van de modelverordening is een aantal begrippen nader gedefinieerd,
                    die regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al><al/><al><vet><cursief>Ad a School </cursief></vet></al><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs </cursief>De Wet op het primair
                    onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de
                    samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en
                    opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun
                    ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De scholen voor lom, mlk en
                    iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’. </al><al><cursief> School voor voortgezet onderwijs </cursief>Onder een school voor
                    voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het voorbereidend
                    wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs
                    (havo)en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar
                    praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al><cursief> Speciaal onderwijs (WEC) </cursief>De Wet op de expertisecentra (WEC)
                    omvat al het overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om
                    onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden,
                    visueel gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het
                    ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische
                    instituten. De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                    gehandicapte kinderen met deze handicap;</al><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met
                    ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte kinderen met een
                    van deze handicaps;</al><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke
                    handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen
                    dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;</al><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                    lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen
                    verbonden aan pedologische instituten.</al><al><cursief> Particuliere scholen </cursief>Aanspraak op leerlingenvervoer kan
                    zowel naar rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de
                    particuliere school een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de
                    particuliere school een ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel
                    zijn het individuele leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere
                    school voldoende lijkt op bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het
                    voornemen dit centraal te gaan bepalen. In 2007 is daarom een wetswijziging van
                    de Leerplichtwet in behandeling gegeven bij de Eerste en Tweede Kamer. De
                    wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de criteria waaraan
                    particuliere scholen moeten voldoen. De Raad van State heeft echter negatief
                    geoordeeld over dit wetsvoorstel en de minister en de staatssecretaris zijn om
                    opheldering gevraagd. Het is niet duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel
                    doorgang zal vinden.</al><al><cursief> Andere onderwijsvormen </cursief>Het vervoer naar het middelbaar
                    beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs valt
                    onder geen enkele omstandigheid onder het leerlingenvervoer. Gehandicapte
                    leerlingen die een dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot het UWV wenden
                    voor een eventuele vergoeding.</al><al><cursief> Hoogbegaafde leerling </cursief>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling
                    het reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een
                    school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens
                    de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de
                    kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een
                    school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC
                    (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een
                    uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al><cursief> Besluit trekkende bevolking </cursief>Het Besluit trekkende bevolking
                    van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van
                    wie de ouders een trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor kinderen van
                    kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten
                    behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen
                    worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de
                    desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere
                    basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische benadering is
                    geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken
                    op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (Titel 2 van de modelverordening). Een belangrijke uitzondering
                    vormen:</al><al>- leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten
                    of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende bevolking);</al><al>- leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C
                    Besluit trekkende bevolking).</al><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen
                        <onderstreept>niet</onderstreept> voor bekostiging van vervoer in
                    aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve
                    van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiele instandhouding van die
                    scholen.</al><al><cursief>Medische behandeling en zorg </cursief>Gemeenten worden steeds vaker
                    geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging van vervoer naar
                    instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet in
                    combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe verplicht.
                    Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een school op de
                    schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om een
                    onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving; zorginstellingen,
                    medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe gerekend. Volgt
                    een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn dat ouders een
                    (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen. Ook dan moet het
                    gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de instelling die
                    het onderwijs verzorgt een “school” zijn. Hierbij geldt dat gemeenten vervoeren
                    in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids
                    (artikel 1, onderdeel f, van de verordening). Krijgen kinderen voor, tijdens of
                    na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor
                    het leerlingenvervoer. </al><al/><al><vet><cursief>Ad b Ouders</cursief></vet></al><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO en
                    de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO verstaat
                    onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De WEC verstaat ook de verzorgers
                    daaronder. Op dit moment ligt er een wetswijziging van de WPO bij de Raad van
                    State dat dit onderscheid opheft: door deze wijziging zullen ook verzorgers
                    onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de WPO vallen. Ook pleegouders zijn aan
                    te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’, zoals
                    bedoeld in de verordening. Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is,
                    dient een inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te
                    zijn. Als de aanvrager een rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling),
                    dan valt deze formeel niet onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting.
                    In de bekostiging van instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van
                    de kosten van het dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en
                    vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact
                    worden opgenomen.</al><al/><al><vet><cursief>Ad c Leerling</cursief></vet></al><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en
                    tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen
                    bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd van vier jaar
                    hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De
                    ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun kind vier jaar is geworden
                    eventueel aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten naar de
                    basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor
                    kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de WEC. Voor
                    leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd
                    hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de
                    voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken
                    op bekostiging van de vervoerskosten. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat
                    zolang een leerling toegelaten is op een school voor voortgezet onderwijs, en
                    dus ‘leerling’ is van zo’n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging op
                    grond van titel 6 van de verordening.</al><al><cursief> Illegale leerlingen </cursief>Het recht op onderwijs, ook voor
                    illegaal in ons land verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het principe dat
                    jongeren waar ook ter wereld moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke
                    leven deel te nemen, Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke
                    verplichtingen aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale
                    kinderen die voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht
                    hebben om dit af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in
                    principe ook recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven
                    leerplichtige leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een
                    schoolleider kan dus niet als een opsporingsambtenaar worden ingezet.</al><al/><al><cursief>Asielzoekerskinderen </cursief>Voor kinderen die in een
                    Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school toe gaan, bestaat de
                    Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het
                    vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen
                    die het via het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) ontvangt. Leerlingen
                    die niet in een asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de gemeentelijke
                    regeling leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen
                    voor het leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school van de soort en de richting.</al><al><cursief> Besluit trekkende bevolking </cursief>Voor de begripsomschrijving
                    ‘leerling’ geldt, evenals voor de begripsomschrijving van ‘school’, dat die
                    leerlingen zijn uitgesloten die een rijdende school voor kinderen van
                    kermisexploitanten of van circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor
                    varende kinderen bezoeken.</al><al/><al><vet><cursief>Ad d Gehandicapte leerling </cursief></vet>Een leerling die door
                    een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van
                    het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte
                    leerling in de zin van de verordening.</al><al/><al><vet><cursief>Ad e Woning </cursief></vet>Onder ‘woning’ wordt in de
                    modelverordening verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                    verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt.
                    In dezen is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan
                    ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                    officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van
                    het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een
                    andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging
                    van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt
                    overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een
                    vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft). <cursief>Tijdelijk verblijf
                    </cursief>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een
                    andere gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de
                    vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat
                    het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke
                    kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook
                    voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het
                    vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later
                    dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip
                    woning een structureel element. In een voorkomend geval kan als volgt worden
                    gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode
                    (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en
                    zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf
                    in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer
                    gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het
                    kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk
                    verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente
                    A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van
                    vervoerkosten bestaan. In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in
                    een andere gemeente verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te
                    passen, namelijk dat in de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het
                    leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op
                    basis van de eigen verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard
                    andere criteria bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de
                    oorspronkelijke gemeente. <cursief>Dagcentrum: twee woningen </cursief>Het
                    uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het vervoer
                    van de woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd. In het
                    geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die
                    school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum
                    (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de gemeente derhalve niet verplicht
                    het vervoer van school naar het dagcentrum te bekostigen. Als het dagcentrum als
                    structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf aangemerkt kan worden,
                        <cursief>kan </cursief>een gemeente ervan uitgaan dat het kind twee woningen
                    in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het
                    dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Dit is een keuze van de
                    gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school
                    en van school naar het dagcentrum worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan
                    aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan
                    niet onder het leerlingenvervoer. <cursief>Gescheiden ouders: twee woningen
                    </cursief>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van
                    de verordening. Waneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het
                    kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft, kan gezegd worden dat er
                    sprake is van twee hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op bekostiging van
                    leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind
                    doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of
                    zij woonachtig is. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet terzake;
                    doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling. De betreffende
                    gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen verordening leerlingenvervoer,
                    waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de
                    verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan
                    is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten
                    aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school is. </al><al/><al><vet><cursief>Ad f Afstand</cursief></vet></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient aanbeveling om
                    altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en de ouders bij de
                    aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten. Met
                    betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld
                    voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599; zie Jur.
                    1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige
                    alternatieve route. Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan
                    het afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).</al><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle
                    gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak
                    van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7).</al><al/><al><vet><cursief>Ad g Vervoer </cursief></vet>Indien de gemeente opstapplaatsen
                    hanteert, dient dit in de verordening te worden opgenomen (Zie ook de
                    artikelsgewijze toelichting bij artikel 1, onderdeel l). Voorts is ter
                    verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen plaatsvindt in aansluiting op
                    het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Hiermee
                    wordt voorkomen dat ouders op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke
                    medische overwegingen aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd
                    (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om het hele onderwijsprogramma te
                    volgen). Uitsluitend indien de structurele handicap van een leerplichtige
                    leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het
                    onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de schooltijd vervoerd
                    te worden.</al><al/><al><vet><cursief>Ad h Openbaar vervoer </cursief></vet>Bij de definiëring van het
                    begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze
                    is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer (wet van 12 maart 1987,
                    Stb. 175). In deze Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder
                    openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een
                    dienstregeling. De Wet personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een
                    ieder kenbaar schema van reismogelijkheden. In de verordening is de
                    begripsomschrijving ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al/><al><vet><cursief>Ad i Reistijd </cursief></vet>Onder ‘reistijd’ wordt in de
                    modelverordening verstaan, de tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het
                    huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het
                    einde van de schooldag en de aankomst bij het huis. De praktijk leert dat
                    leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak
                    zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het
                    ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de
                    wachttijd aan het begin van de schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde
                    van de schooldag wordt wel meegerekend bij de totale reistijd.
                        <cursief>Schooltijden</cursief> Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het
                    primair en het speciaal onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders,
                    de schooltijden zelf in te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de
                    WEC geldt dat de leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren
                    onderwijs en in de laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs
                    ontvangen. Als voorwaarde is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten
                    evenwichtig over de dag verdeeld moeten worden. Voor scholen vallend onder de
                    WEC geldt daarnaast nog dat het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten
                    minste 880 uren per schooljaar omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten
                    minste 1000 uren per schooljaar. Het is mogelijk om voor alle groepen naast de
                    woensdagmiddag een tweede vrije middag in te voeren, of de verplichte lesuren in
                    vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook kiezen voor een zesdaagse
                    lesweek.</al><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de
                    schoolgids</al><al>die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe regelgeving
                    gebruik-</al><al>maakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente dit honoreren.</al><al/><al><vet><cursief>Ad j Toegankelijke school </cursief></vet>De WPO kent het orgaan
                    de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO). Deze commissie
                    beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een
                    speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit
                    positief is, kan een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden
                    opgenomen. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit
                    in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie
                    Weer samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is
                    aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden
                    aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde
                    basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient
                    te worden bekostigd. </al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al><al/><al><vet><cursief>Ad k Inkomen </cursief></vet>Om te bepalen of op grond van artikel
                    23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders in het
                    peiljaar nodig. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de
                    Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. </al><al/><al><vet><cursief>Ad l Opstapplaats </cursief></vet>Een van de mogelijkheden om het
                    vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van
                    centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden
                    vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur
                    opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te
                    begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. <cursief>Reistijd naar
                        opstapplaats </cursief>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr.
                    R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de
                    leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die
                    in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee
                    is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk
                    acht. <cursief>Veiligheid en begeleiding </cursief>Wanneer gekozen wordt voor
                    het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij
                    let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in
                    ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand
                    van dertig minuten, waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband
                    met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke
                    verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet
                    voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in
                    dergelijke gevallen verwacht worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten
                    minste het moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24
                    augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105). <cursief>Afstand </cursief>Wanneer een
                    verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, blijft de
                    afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen
                    verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen
                    kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een
                    opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en
                    eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het
                    berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact; met andere
                    woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt
                    mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18, eerste lid
                    onder b, van de modelverordening.</al><al/><al><vet><cursief>Ad m Commissie voor de begeleiding </cursief></vet>De commissie
                    voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie van onderzoek. De
                    indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de regionale commissies van
                    indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding
                    liggen bij de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school.</al><al/><al><vet><cursief>Ad n Vervoersvoorziening </cursief></vet>De wet bepaalt dat de
                    gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de
                    begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Er dient een
                    keuze te worden gemaakt tussen één van de drie weergegeven mogelijkheden: 1. een
                    gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte
                    vervoerskosten van de leerling en zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking
                    van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens
                    begeleider, of 3. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of
                    doet verzorgen.</al><al/><al><vet><cursief>Ad o Permanente commissie leerlingenzorg </cursief></vet>De WPO
                    kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de
                    toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen
                    door het college bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer
                    betrokken te worden, ingeval het college een negatieve beschikking geeft op de
                    gevraagde voorziening. Zie tevens de toelichting bij onderdeel j.</al><al/><al><vet><cursief>Ad p Samenwerkingsverband </cursief></vet>Op basis van de WPO
                    moeten basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs die samenwerken, een
                    zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling de benodigde zorg kan
                    worden geboden. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor de
                    samenwerkingsverbanden.</al><al/><al><vet><cursief>Ad q Regionale verwijzigingscommissie </cursief></vet>De regionale
                    verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot taak te
                    beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is.</al><al/><al><vet><cursief>Ad r Opdc </cursief></vet>Opdc: orthopedagogisch en didactisch
                    centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op
                    een opdc kan ook onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven
                    ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                    vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer
                    naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en
                    gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in
                    aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al/><al><vet><cursief>Ad s Ambulante begeleiding </cursief></vet>Een ambulante
                    begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en geeft
                    ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet
                    onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van gehandicapte
                    leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag leerlingenvervoer
                    wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van die leerlingen.</al><al/><al><vet><cursief>Ad t Commissie voor de indicatiestelling </cursief></vet>Elk kind
                    dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De
                    commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke
                    landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden
                    financiering en in welk cluster de leerling wordt geplaatst.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te
                            achten vervoerskosten</cursief></vet></al><al>In de modelverordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of
                    gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen
                    voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet)
                    speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf laat
                    verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten in
                    aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken
                    Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                    vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer
                    van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de modelverordening). </al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
                    leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                    basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de
                    afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of
                    nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage,
                    leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien
                    gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het
                    vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken
                    kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop
                    mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2,
                    tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage
                    afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van
                    vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet
                    in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de
                    modelverordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd.
                    Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan
                    de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt
                    deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam
                    is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de
                    ouders/verzorgers.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school </cursief></vet>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van
                    de WPO, WVO en de WEC is dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de
                    verordening en het college bij de uitvoering daarvan de op godsdienst of
                    levensbeschouwing van ouders berustende keuze voor een school dient te
                    eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen
                    onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de
                    verordening is dit verankerd in artikel 3. Bekostiging van de vervoerskosten
                    wordt verstrekt over de afstand tussen de woning van de leerling en de
                    dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als dichtstbijzijnde school kan
                    worden aangemerkt: de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten
                    langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog
                    een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling
                    is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier
                    bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en
                    artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor
                    basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                    samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de
                    modelverordening. <cursief>Scholen met wachtlijsten </cursief>Het spreekt voor
                    zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de leerling moet zijn en
                    dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school
                    niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient
                    bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde,
                    toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen
                    school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde
                    school. Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente dient naar de duur van de
                    wachtlijst te informeren - kan de bekostiging beperkt worden tot aan de
                    dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit is
                    ongeacht of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde
                    school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus
                    te laten gaan, echter in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een
                    vervoerskostenvergoeding voor de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te
                    worden verstrekt. Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om
                    bekostiging afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen
                    school van (de aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te
                    tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school.
                    Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met
                    slechts een leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit
                    groep 3 en verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien hij niet
                    toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten uitzien
                    naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging van vervoer te
                    worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde) school.
                        <cursief>Stagevervoer </cursief>Is de stage een onderdeel van het
                    onderwijsprogramma en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de
                    school, dan bestaat in beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het
                    stageadres. Dit is dan immers aan te merken als de ‘dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school’. De gemeente kan scholen er op attenderen dat
                    stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit
                    aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen door bijvoorbeeld een
                    stageplek te zoeken op de route van het leerlingenvervoer.</al><al><cursief>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’ </cursief>Ten aanzien
                    van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met
                    aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op dit
                    type kinderen. In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan over
                    een zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af,
                    omdat er voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men
                    vond geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de
                    rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter
                    bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat zelfs als
                    bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt dat er
                    aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg gelegen
                    school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de leerling
                    wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. De
                    rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te geven
                    welke dichterbij gelegen school geschikt is. </al><al><cursief>Onderwijsrichting </cursief>In de parlementaire behandeling van de Wet
                    gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de
                    richting van het onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die
                    voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor
                    de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    richting is, door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr.
                    21) in de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar
                    de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer
                    met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten
                    met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school
                    instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt
                    die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van
                    de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft
                    tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de
                    woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan
                    besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer
                    aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat
                    van dat vervoer gebruik maakt.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie.
                    Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan niet
                    doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde ‘klassieke
                    richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van
                    levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene
                    grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor
                    protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt)
                    onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen voor
                    reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15
                    december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). Daarnaast kunnen in het christelijk
                    onderwijs, wat betreft het leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden
                    onderscheiden: gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel,
                    christelijk-nationaal, hervormd. In jurisprudentie worden ook de zogenoemde
                    evangelische scholen als een afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB
                    1998, 28).</al><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken.
                    Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat ook zij
                    een eigen richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische
                    scholen.</al><al/><al><cursief>Interconfessioneel onderwijs</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
                    geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de
                    fusie van een protestante en</al><al>een katholieke school. Gezien de statuten van deze scholen wordt dit type
                    onderwijs niet</al><al>als aparte richting ten opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt. </al><al/><al><cursief>‘Vrije scholen’ </cursief>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de
                    antroposofische wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen
                    geacht worden een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen,
                    aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en
                    wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in
                    Nederland bekend onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de
                    Zonneschool. <cursief>Overige scholen </cursief>Niet tot het begrip ‘richting’
                    wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van een school. Hiermee
                    worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen
                    en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige
                    inrichting van de school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    richting. </al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur
                    zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’
                    katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Relatief nieuw
                    zijn de zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere scholen die sinds
                    2000 opverschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In het algemeen
                    worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de zin van de onderwijswetten. De
                    identiteit van de school lijkt meer geënt op de onderwijskundige inrichting, dan
                    een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen jurisprudentie bekend waaruit
                    blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke richting.</al><al/><al><cursief>Verklaring van bezwaar </cursief>Op grond van artikel 3, tweede lid,
                    van de modelverordening dienen ouders, indien een leerling een school voor
                    basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de modelverordening,
                    terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden,
                    schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het
                    openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen
                    bijzondere basisscholen. </al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                    bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                    onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                    totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                    onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn
                    in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van
                    het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald,
                    in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar
                    tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989,
                    R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992, R03.89.0685/72-107; zie
                    Jur. 5.7). </al><al>Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te
                    worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring
                    kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun
                    kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een
                    katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool,
                    geeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel
                    van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders
                    hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste
                    richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de
                    overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te
                    respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong
                    achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17 februari
                    1989, R03.89.0286/S5137-58; zie Jur. 5.6). Ook het feit dat kinderen uit
                    hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond
                    op voor het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de
                    richting van het onderwijs hebben bepaald (ABRS, 9 december 1989,
                    R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5). <cursief>Speciaal onderwijs
                    </cursief>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het
                    bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de
                    soort waarop de leerling is aangewezen. In dit kader is van belang dat de
                    Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd dat voor het antwoord op de vraag op
                    welke soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen slechts een keuze kan
                    worden gemaakt uit de in artikel 2 van de WEC) onderscheiden soorten (ABRS, 2
                    januari 1992, R03.88.4075 en R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die
                    soorten is geen nadere onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid
                    tussen (...) scholen (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders
                    wordt aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij
                    gelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar
                    een verder gelegen school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder
                    gelegen school feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te
                    bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder
                    gelegen school dient te worden bekostigd.</al><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die
                    geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het
                    regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    gaan, titel 3 van de modelverordening, maken onverminderd aanspraak op
                    leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat
                    zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor
                    de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC
                    bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit
                    geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                    waar voornoemde commissie aan is verbonden. <cursief> Voorbeeld 1
                    </cursief>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer
                    afstand van de woning van de leerling.School B is een protestants-christelijke
                    basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling.
                    Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen
                    de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                    het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.
                        <cursief>Voorbeeld 2 </cursief>Een leerling bezoekt een school voor
                    algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De
                    ouders besluiten dat de leerling naar een andere basisschool van dezelfde
                    richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van de woning. In dit geval
                    verstrekt het college geen bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op
                    zes kilometer afstand (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school). Of bekostiging plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer
                    afstand, is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.
                        <cursief>Voorbeeld 3 </cursief>Een leerling bezoekt een gereformeerde
                    (vrijgemaakt) school op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer
                    afstand wordt een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In
                    principe vervalt de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven
                    kilometer afstand. Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de
                    gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren
                    reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke
                    overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school
                    op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                    school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe
                    school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.
                        <cursief>Voorbeeld 4 </cursief>Een leerling bezoekt een openbare school op
                    drie kilometer afstand van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin
                    naar een andere wijk in dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer
                    de dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt
                    nu op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op
                    bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de
                    leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke
                    overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien
                    daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor
                    het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij
                    gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde
                    afstandsgrens. <cursief>Voorbeeld 5 </cursief>Een leerling bezoekt een
                    protestants-christelijke speciale school voor basisonderwijs op zes kilometer
                    afstand van de woning terwijl een rooms-katholieke speciale school voor
                    basisonderwijs en een protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn
                    gesitueerd (respectievelijk op twee kilometer en drie kilometer). De ouders
                    komen voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking indien zij
                    schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de
                    dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de rooms-katholieke speciale
                    school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al><cursief> Voorbeeld 6</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de
                    woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest,
                    terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig
                    zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op
                    zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben
                    verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers
                    aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. V<cursief>oorbeeld 7
                    </cursief>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een
                    reformatorische basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische
                    basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school
                    godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot
                    uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval
                    bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op
                    een afstand van acht kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer
                    afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.
                        <cursief>Voorbeeld 8 </cursief>Een leerling bezoekt een
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs op twaalf
                    kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat de onderwijskundige
                    methode van die school geschikter blijkt voor de leerling dan de
                    onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de vrijgemaakt-gereformeerde
                    speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een afstand van vijf kilometer
                    van de woning van de leerling. Het college verstrekt een eventuele bekostiging
                    voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf kilometer afstand.
                        <cursief>Voorbeeld 9 </cursief>Een leerling bezoekt een openbare speciale
                    school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool
                    waarvan de leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een
                    dichterbij de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale
                    school voor basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school
                    binnen het samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de modelverordening). Voor
                    alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging</cursief></vet></al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het
                    aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het de
                    aanbeveling om als gemeente te bezien of het passend en mogelijk is om voor de
                    gehele schoolperiode de bekostiging toe te wijzen. Wanneer te verwachten valt
                    dat er geen verandering optreedt in de situatie van de leerling en deze dus aan
                    de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een
                    verstrekking voor de gehele schoolperiode. </al><al>Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de bekostiging direct door
                    te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op
                    het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel
                    kan worden verrekend (zie ook artikel 6).</al><al/><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering valt
                    te verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn
                    van één schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan worden
                    gedacht aan de noodzaak van het passend vervoer: deze kan per jaar sterk
                    veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw te worden bekeken. </al><al/><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient
                    de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de
                    bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de
                    gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan opvragen. </al><al/><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de modelverordening
                    bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                    termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel
                    aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 van de
                    modelverordening laat zoals gezegd de ruimte om per geval de termijn van de
                    bekostiging te bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat
                    de bekostiging te allen tijde tot het einde van het aangevraagde schooljaar
                    dient te lopen, verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te
                    passen.</al><al>Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden
                    of:</al><al>- de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al><al>- de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan
                    wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt;</al><al>- de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer, rechtstreeks
                    aan de vervoersonderneming geschiedt.</al><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van
                    betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de modelverordening geen
                    expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen
                    kan hieraan invulling worden gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden
                    dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van
                    strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 5 Aanvraagprocedure</cursief></vet></al><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe
                    een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een (digitaal)
                    aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het is wenselijk om de aanvraag zo
                    eenvoudig mogelijk te maken. In dit kader kan worden gedacht aan een
                    voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier. Hierbij kan gebruik
                    worden gemaakt van gegevens van voorgaande jaren, die reeds bekend zijn bij de
                    gemeente. De aanvrager kan dan volstaan met het controleren van vermelde
                    gegevens, het doorgeven van de noodzakelijke wijzigingen en het zetten van zijn
                    handtekening. Hierdoor blijven de administratieve lasten voor de burger
                    beperkt.</al><al>In artikel 5 van de modelverordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                    aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                            aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                            worden;</al></li><li nr="2."><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                            aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al/><al><cursief> Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe
                        schooljaar </cursief></al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat
                    een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                    artikel 5, tweede lid, van de modelverordening dat de ouders, die in aanmerking
                    wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande
                    aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.</al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.</al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe
                    schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De
                    aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen.</al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                    verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. In
                    dit kader zij erop gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening 2004
                    geconfronteerd zijn met een rechtmatigheidoordeel van de accountant. Deze
                    beoordeelt of baten, lasten en balansmutaties in de jaarrekening in
                    overeenstemming met relevante wet- en regelgeving tot stand zijn gekomen.
                    Aanvragen die na 1 juni binnenkomen kunnen door de accountant als onrechtmatig
                    worden beoordeeld. </al><al/><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de modelverordening kan het
                    voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de
                    gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                    vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                    andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                    situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste
                    vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de modelverordening). Uiterlijk
                    een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de
                    ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten. Dit is dan ook geregeld in artikel 16, derde
                    lid.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel
                    3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de modelverordening zijn
                    opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen
                    beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt
                    dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in
                    ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking
                    heeft gegeven.</al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier
                    weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2
                    van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval
                    is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste
                    lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk
                    verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde
                    lid).</al><al/><al><cursief> Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken
                    </cursief></al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar
                    om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste
                    gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar
                    af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor
                    1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag
                    ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).</al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                    aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald
                    dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde
                    lid, van de modelverordening van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het
                    college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt,
                    nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met
                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
                    plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het
                    schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs
                    naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist
                    en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
                    maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een
                    verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders
                    wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag
                    van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een
                    week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de
                    nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente
                    niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de
                    mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de
                    aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een
                    positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum
                    de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
                    college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar
                    (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het
                    schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
                    bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                    plaatsvindt. </al><al><cursief> Geen bekostiging met terugwerkende kracht</cursief></al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
                    ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, <onderstreept>echter niet voor de
                        datum waarop de aanvraag wordt gedaan</onderstreept> (artikel 5, zesde lid,
                    onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de gemeente haar
                    burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele rechten op
                    bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al><cursief> Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief></al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het
                    algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te
                    schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort
                    tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                    verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                    overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van
                    de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’
                    redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn
                    op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of
                    dat daadwerkelijk het geval is. </al><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden,
                    stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de
                    gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te
                    bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt
                    hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de
                    aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op
                    grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan
                    de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt
                    genomen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt
                    duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen
                    beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat
                    zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de
                    aanvrager is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat,
                    hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde
                    reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk
                    bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
                    duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’
                    Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op
                    de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                    voorafgaande jaren gebleken is.</al><al/><al><cursief> Verdagen</cursief></al><al>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing
                    op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan
                    om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit
                    betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te
                    motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende
                    bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb).</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 6, eerste lid, van de modelverordening regelt dat ouders verplicht zijn
                    wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de
                    verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                    wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:</al><lijst><li nr=""><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld
                            het openbaar vervoer;</al></li><li nr=""><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                            verhuizing;</al></li><li nr=""><al>wijziging van de gezinssamenstelling;</al></li><li nr=""><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                            begeleiden van leerlingen;</al></li><li nr=""><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr=""><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr=""><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                            voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr=""><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van
                            andere wet en regelgeving. </al></li></lijst><al><cursief> Lid 2</cursief></al><al>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte
                    bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                    vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de modelverordening). Indien de
                    wijziging geen invloed op de bekostiging heeft gebeurt dit uiteraard niet.
                    Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe
                    geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende
                    jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van
                    de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het
                    volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan
                    door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen
                    vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders
                    ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al><cursief> Lid 4</cursief></al><al>Artikel 6, vierde lid, van de modelverordening biedt in dergelijke situaties een
                    kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in
                    mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook in
                    onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                    bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing
                    dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling </cursief></vet>Aangezien
                    in de modelverordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van
                    de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in
                    aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een
                    peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in
                    aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is
                    geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van
                    negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven,
                    namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat
                    de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze
                    houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in.</al><al>In de modelverordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die
                    geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus
                    van het betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke
                    start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1
                    augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de
                    modelverordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al
                    wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1
                    beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in
                    geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of
                    WVO school volstaat.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 8 Andere vergoedingen </cursief></vet>Indien kan worden
                    aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg
                    (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het
                    vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging
                    die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening
                    leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt
                    door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs
                    kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten,
                    zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten.
                    Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging
                    leerlingenvervoer. </al><al/><al><vet><cursief>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband
                        </cursief></vet>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de
                    modelverordening. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3,
                    eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
                    samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft
                    niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat
                    buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn.
                    Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen
                    het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor
                    basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer
                    rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst
                    of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt
                    gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                    van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool.
                    Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg
                    van de verwijzing naar artikel 3 van de modelverordening bij toepassing van
                    onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de
                    ouders.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg </cursief></vet>In
                    de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen
                    om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale
                    school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag
                    voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het
                    samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is
                    gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te
                    betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet
                    gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald, dat het advies van de
                    pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve beschikking op
                    de gevraagde voorziening geeft.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                            vervoer per fiets </cursief></vet>Artikel 11 van de modelverordening
                    bepaalt dat de ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een
                    speciale school voor basisonderwijs bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor
                    bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel vervoer per
                    fiets, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                    toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                    verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                    niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de modelverordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om
                    ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten.
                    Hierbij geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                    dan wel de kosten van het vervoer per fiets’.</al><al><cursief> Afstandscriterium </cursief>De artikelen 4 van de WPO en de WEC
                    bepalen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op
                    bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de modelverordening is deze
                    afstand nader ingevuld door het stellen van een kilometergrens. Als
                    afstandscriterium wordt in de modelverordening zes kilometer gehanteerd. In
                    artikel 4, zevende lid, van de WPO is deze afstand als bovengrens
                    vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over
                    de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er
                    een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting
                    van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met
                    het meten van de afstand door een auto-dagteller. In dit geval dient een methode
                    gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld
                    door middel van het gebruik van een geijkte teller, of een recente versie van
                    een routeplanner of navigatiesysteem. </al><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag
                    worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en de
                    terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de
                    verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven -
                    of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede
                    dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis -
                    wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4,
                    zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand
                    liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is niet mogelijk. </al><al/><al><cursief>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel </cursief>Voor het vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de
                    vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere
                    volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de
                    vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                    draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale
                    scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar
                    is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie verder de
                    toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al><cursief> Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen </cursief>Artikel
                    11 e.v. en artikel 15 e.v. van de modelverordening bepalen dat het college
                    bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van
                    de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                    toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet)
                    speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de
                    vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                    de zin van de modelverordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd.
                    Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de
                    schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is
                    het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot
                    nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij
                    de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding in het primair
                    onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste
                    lid van de modelverordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt dan dat de
                    feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden
                    beschouwd in de zin van de verordening.</al><al> Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al><cursief>1 Nevenvestiging in het basisonderwijs. </cursief>Een nevenvestiging
                    wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op
                    de plaats waar voor de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school
                    functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder
                    andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in
                    een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van
                    de plaatsingscapaciteit van de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de
                    nevenvestiging een afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.</al><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het
                    voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te
                    beschouwen.</al><al><cursief> 2 Dislocaties in het primair onderwijs. </cursief>Een dislocatie kan,
                    gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin
                    van de verordening worden beschouwd.</al><al><cursief> 3 Bekostiging. </cursief>Het college verstrekt bekostiging indien de
                    leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien
                    uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting en
                    kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de
                    hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld.</al><al>Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt
                    die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                    respectievelijk artikel 15 van de modelverordening, het college niet gehouden is
                    bekostiging te verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat
                    ook niet op indien de hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de
                    woning bevindt dan de kilometergrens.</al><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                    leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen onderwijslocatie
                    van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die verder weg van de
                    woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel
                    15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens is gelegen.</al><al><cursief> 4 Toegankelijkheid. </cursief>De bekostigingsplicht van het college
                    tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek
                    belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een
                    dislocatie.</al><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag
                    bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en de
                    nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum verzorgen.
                    Indien bijvoorbeeld de dichtstbij gelegen locatie een dislocatie is waar slechts
                    onderwijs voor de onderbouw wordt verzorg d, is deze locatie voor een leerling
                    uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen dislocatie of
                    hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde
                    onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan
                    bekostigt het college het vervoer daarheen.</al><al><cursief>Verbouwing van de school </cursief>Indien een school verbouwd wordt en
                    leerlingen op een andere locatie opgevangen worden, dan is het niet automatisch
                    zo dat de gemeente alle leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet
                    de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden
                    toegepast. Voor leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel
                    6 van de verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw
                    kijken of er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer. </al><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                    worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder
                    meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat. Maken
                    ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met de school
                    bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen. Vaak regelen
                    scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie. </al><al/><al><vet><cursief> Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van
                            een begeleider</cursief></vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                    ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding
                    een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de modelverordening is
                    daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr=""><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet
                            zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een
                            begeleider in aanmerking te komen;</al></li><li nr=""><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                            leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat
                            ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe
                            zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een
                            incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de
                            modelverordening een uitzondering hierop gemaakt worden.</al></li><li nr=""><al>In dit verband is artikel 7 van de modelverordening van belang. Indien
                            de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor
                            het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook
                            al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar;</al></li><li nr=""><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                            maken.</al></li><li nr=""><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al></li><li nr=""><al>de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik
                            te maken;</al></li><li nr=""><al>de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere
                            malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn
                            leeftijd, te jong hiervoor is;</al></li><li nr=""><al>de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke
                            punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers
                            niet mogelijk is).</al></li></lijst><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door
                    eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer,
                    psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan
                    het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de
                    situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt
                    immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet
                    mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                    Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats
                    aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder)
                    meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er
                    sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien
                    bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan
                    het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de
                    modelverordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve
                    van een begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                    leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                    leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt,
                    geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige
                    begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet
                    kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door
                    moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                    leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te
                    worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de modelverordening
                    vastgelegd.</al><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                    regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                    leiden.</al><al><cursief> Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium
                    reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college
                    kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van
                    17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij de
                    reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op
                    grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992
                    (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de reistijd per taxi
                    tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per
                    openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden
                    vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.</al><al>In de modelverordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur.
                    Over een maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039,
                    R03.88.6089 en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op
                    zichzelf in strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is,
                    dat bij het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid
                    van ouders om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van
                    de door hen gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan
                    komen te staan van financiële hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in
                    artikel 13, onder a, van de modelverordening weergegeven reistijd dient te
                    worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt
                    daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                    heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd,
                    terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien
                    bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is
                    ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de
                    school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen
                    dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft
                    de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op
                    basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer
                    te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van aangepast
                    vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een centraal
                    eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer om op de
                    plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn dat de
                    leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen
                    (zie artikel 1, onder l) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met
                    betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de
                    leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.
                    Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien
                    de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden
                    van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze
                    constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling.
                    Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer
                    van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf
                    voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de
                    onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                    kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                    vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                    afdeling.</al><al><cursief> Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of
                    zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor
                    het vervoer van woning naar school of vice versa. In principe kunnen de ouders
                    dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan
                    het college de volgende mogelijkheden overwegen:</al><lijst><li nr=""><al>is een combinatie van vervoer haalbaar;</al></li><li nr=""><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen
                            in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze
                            vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school;</al></li><li nr=""><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af
                            te stemmen op de vervoertijden;</al></li><li nr=""><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                            betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende
                            rol spelen;</al></li><li nr=""><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
                            organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de modelverordening het college de
                    mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de
                    fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                    belangrijke rol:</al><lijst><li nr=""><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te
                            gaan;</al></li><li nr=""><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te
                            leggen. Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook
                            de toelichting op artikel 12).</al></li></lijst><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in
                    de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt
                    verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer
                    ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van
                    openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de
                    reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang
                    is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al><cursief> Begeleiding door ouders </cursief>Begeleiding is primair een taak van
                    de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te
                    zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of
                    anderen in te schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de
                    hardheidsclausule (artikel 29 van de modelverordening). Daarbij dient rekening
                    te worden gehouden met de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State over dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5
                    februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders
                    aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de
                    begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren
                    deze onmogelijkheid naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak niet
                    voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het aan de ouders is voldoende
                    aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun kind te begeleiden. In dit
                    concrete geval eist de afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt,
                    lesroosters of andersoortige verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot
                    begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders volgens de afdeling aan te tonen dat
                    hun kind niet (gedeeltelijk) door anderen kan worden begeleid. </al><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                    december 1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                    ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe
                    te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van
                    hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur
                    per dag, mede door haar afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen.
                    Opvang elders is volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling concludeert dat
                    verzoeker voorshands niet overtuigend heeft aangetoond dat de begeleiding van
                    zijn zoon - bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders van
                    medeleerlingen beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op een
                    andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders
                    stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt,
                    onder meer omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft,
                    die eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar
                    uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat
                    het voor appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat
                    gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast. </al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door
                    ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op
                    aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de
                    begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare
                    belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee
                    moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de
                    begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan
                    worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer de begeleiding van het
                    kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot
                    ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen
                    dat de ouder van de gemeente bekostiging ten behoeve van begeleiding is
                    verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten
                    begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en
                    van school begeleidt haar tweede kind onder de hoede van een oppas kunnen
                    stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er
                    thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn
                    van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in
                    dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten)
                    begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid
                    niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in
                    aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt
                    ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die
                    bekostiging in aanmerking komen. </al><al>Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven
                    kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide
                    ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in
                    aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen
                    begeleiden in verband met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op
                    grond van het feit dat er sprake is van een verschil in afstand van twee
                    kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn
                    kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Artikel 14 van de modelverordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging
                    van het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen
                    zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto,
                    bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen
                    sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast
                    vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook
                    kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling
                    van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de modelverordening voor in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="1."><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="2."><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al><cursief> Ad a Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan
                    keert het college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</al><al><cursief> Voorbeeld: </cursief>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders
                    komen in aanmerking voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
                    maar vervoeren de leerling zelf, met toestemming van het college. Het college
                    dient nu na te gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de
                    leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het
                    college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past
                    het college het eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer
                    per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede
                    afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de zone-indeling die
                    gelden voor die specifieke gemeente. Nadere informatie hierover bij de
                    plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</al><al><cursief> Ad b Aangepast vervoer</cursief></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                    vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding is
                    gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling
                    binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met vijfde
                    lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de modelverordening
                    leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                    wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                    afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft
                    enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt,
                    in principe aanspraak bestaat op vier maal de afstand woning-school. Indien de
                    gemeente echter de volledige kilometervergoeding op basis van de Reisregeling
                    binnenland hanteert, maken ouders aanspraak op twee maal de afstand
                    woning-school (de reis van de leerling).</al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling
                    ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven,
                    mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te
                    vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de modelverordening is bepaald, dat ouders
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij
                    meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming
                    hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer.
                    Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, kunnen
                    het college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een
                    andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast
                    vervoer per leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij
                    zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard
                    gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de modelverordening dat het
                    college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer,
                    indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake
                    zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                            worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="2."><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader
                            van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor
                            toestemming geeft.</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief> Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                            vervoer per fiets</cursief></vet></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:</al><lijst><li nr=""><al>openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li><li nr=""><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li><li nr=""><al>eigen vervoer;</al></li><li nr=""><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen,
                    namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het
                    bepaalde in artikel 20 van de modelverordening. Dit artikel bepaalt dat als de
                    afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer, toch aangepast vervoer
                    moet worden verstrekt indien de handicap van de leerling dat vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van
                    de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer
                    bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of
                    een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                    fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC
                            school cluster 4</cursief></vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding</cursief></vet></al><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de
                    ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de
                    gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies
                    worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies
                    geven. </al><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                    adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                    subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende
                    school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op
                    de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een
                    gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts
                    is in de modelverordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen
                    te raadplegen. </al><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                    winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                    college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                    bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                    bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                    leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke
                    commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere
                    gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de
                    commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De
                    eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen
                    dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden.</al><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                    schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                    kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten
                    zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld
                    ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein
                    van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                    (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke
                    positie innemen. </al><al><cursief> Advisering bij negatieve beschikking </cursief>Om de bestuurslast
                    beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve
                    beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde
                    commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk
                    is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat
                    het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk
                    maakt), behoeft het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling
                    onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien
                    de gemeente dit wenselijk vindt.</al><al>Volgens de modelverordening vindt advisering plaats indien het college een
                    negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan
                    bijvoorbeeld gaan om:</al><lijst><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder
                            begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15,
                            tweede lid);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of
                            lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding
                            noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de modelverordening);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                            verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook
                            niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken,
                            waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid,
                            onder a, van de modelverordening);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de
                            woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de
                            in de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is,
                            gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer
                            te bereiken (artikel 20 van de modelverordening);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de
                            (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid,
                            onder c, van de modelverordening);</al></li><li nr=""><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de
                            bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de
                            modelverordening.</al></li></lijst><al>In de modelverordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het
                    gestel van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies
                    hebben geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="1."><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer
                            door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of
                            minder (artikel 18, onder b, van de modelverordening);</al></li><li nr="2."><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
                            modelverordening).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                    college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                    commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit
                    houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van
                    toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur
                    een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij
                    het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft
                    uitgebracht.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                            behoeve van een begeleider</cursief></vet></al><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de modelverordening
                    in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens in
                    aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve
                    van een begeleider (artikel 17 van de modelverordening). Uit artikel 17 blijkt
                    dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                            bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                            onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="2."><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                            wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke
                            of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><lijst><li nr=""><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                            noodzakelijk maakt;</al></li><li nr=""><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                            meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit
                            gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al></li><li nr=""><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te
                            gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke
                            punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al></li></lijst><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling
                    voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of
                    speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt.
                    Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het
                    college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de
                    commissie voor de begeleiding of andere deskundigen (bijvoorbeeld specialist,
                    pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het advies betreft dan de vraag of
                    de leerling, gezien zijn handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de
                    regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander
                    familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een
                    klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden
                    met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de
                    modelverordening van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen
                    tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                    een begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op
                    artikel 12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                    regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                    gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de
                    NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen
                    die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet
                    onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is
                    wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="1."><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="2."><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                            streekvervoer;</al></li><li nr="3."><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met
                    de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder
                    begeleiding van de conducteur.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                    uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                    noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18
                    van de modelverordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al><cursief> Onderdeel a De handicap van de leerling vereist aangepast
                        vervoer</cursief></al><al>Indien de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder begeleiding,
                    van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van
                    het aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt,
                    bepaalt het college. Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het
                    aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder
                    de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het
                    door het college georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.</al><al>Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in
                    samenwerking met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit
                    verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college
                    georganiseerde vervoer.</al><al>Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route
                    verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een
                    ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling
                    kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt. </al><al><cursief> Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                    of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de
                    begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel
                    13 onder ad 1.</al><al><cursief>Onderdeel c Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de modelverordening geeft een derde
                    mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast
                    vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen
                    dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen
                    gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het
                    aangepast vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in
                    de toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de
                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het
                    advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
                    deskundigen daarover vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of
                    met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van
                    een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de
                    ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs).</al><al/><al><vet><cursief>Medische begeleiding</cursief></vet></al><al><vet>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische
                        begeleiding in het leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de
                        rechtbank Zwolle (</vet>Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN:
                    BB8810). De gemeente stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan
                    (medische) zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de
                    wettelijke bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis
                    in het zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds
                    die datum de Zorgverzekeringswet -de AWBZ). </al><al>In het verleden is de gemeente wel verantwoordelijk gesteld voor medische
                    begeleiding (Uitspraak Raad van State van 8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp. 179).
                    In deze uitspraak was het college gehouden de (salaris)kosten van een begeleider
                    in aangepast vervoer te bekostigen, met betrekking tot een leerling die constant
                    op de ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische
                    apparatuur was aangewezen. Dit betrof echter een zeer uitzonderlijk geval. </al><al><cursief>Advisering </cursief>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de
                    modelverordening dient het college indien het de gevraagde voorziening niet of
                    slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de
                    begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn
                    lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook
                    niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan
                    het college het advies van andere deskundigen inwinnen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
                        </cursief></vet>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs kan het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te
                    vervoeren of te laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de modelverordening
                    zijn hiervoor nadere voorschriften gegeven.</al><al><cursief> a Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen
                    een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze
                    toestemming is opgenomen in de modelverordening, omdat het college dient te
                    bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het
                    geval, dan kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf
                    vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging die hier dan tegenover staat is
                    afhankelijk van de bekostiging waarop de ouders in principe recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                    wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt
                    het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><cursief> Voorbeeld: </cursief>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de
                    kosten van het openbaar vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten
                    van een jaarabonnement zijn euro 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na
                    toestemming van het college, zelf. De bekostiging is dan euro 500,- als ware er
                    sprake van bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><cursief> b Aangepast vervoer</cursief></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of
                    laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per
                    kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                    modelverordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de
                    Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar
                    de toelichting op artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de modelverordening is tevens bepaald dat, indien
                    het college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te
                    vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                    kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken op
                    bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of
                    de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van
                    een fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                    (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                    deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                    bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering
                    van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km
                    fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer
                    bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling
                    binnenland.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten </cursief></vet>Uitgangspunt
                    van de modelverordening is dat in principe voldaan dient te worden aan het
                    gestelde criterium in artikel 15 van de modelverordening (afstandsgrens), dat is
                    gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de
                    gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van
                    de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de
                    WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op ander vervoer dan
                    openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen te worden
                    vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn
                    handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer
                    behoeft. Artikel 20 van de modelverordening voorziet in een dergelijke
                    voorziening.</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school
                    die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in
                    aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen
                    dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige
                    mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen te betrekken. </al><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast
                    vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer. Deze
                    mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van
                    overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college toestemming
                    moet geven voor het eigen vervoer. </al><al/><al><vet><cursief> Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders</cursief></vet></al><al>Artikel 21 van de modelverordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten
                    van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende
                    ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit
                    artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten
                            van het weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="2."><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                            indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                            noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al><cursief> Ad 1</cursief></al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                    gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                    andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een
                    andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een
                    aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal
                    eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar
                    huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier
                    immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in
                    voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel
                    29 van de modelverordening. <cursief>Ad 2</cursief>Essentieel voor de
                    regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer wordt
                    verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin noodzakelijk is voor
                    het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Woont de leerling niet
                    meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk aan uithuisplaatsing,
                    crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet door de gemeente vergoed in het kader
                    van het leerlingenvervoer. </al><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                    pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                    geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                    leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                    ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                    wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                    redenen in een internaat of pleeggezin verblijft. </al><al>Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de
                    ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer.
                    Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school
                    is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een
                    aanvraag voor weekendvervoer indienen. </al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                    plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                    gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                    geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr.
                    R03.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al><cursief> Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs </cursief>Weekeinde- en
                    vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met
                    andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of
                    vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Een
                    belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een
                    pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor
                    bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen. Het
                    betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2."><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4."><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5."><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al> Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in
                    internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                    bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de modelverordening nader is
                    geregeld.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en
                            vakantievervoer</cursief></vet></al><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in
                    artikel 22. Dit artikel van de modelverordening bepaalt welke bekostiging
                    maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                            terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                            schoolvakanties;</al></li><li nr="2."><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                            vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling
                            bezoekt.</al></li></lijst><al> Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de modelverordening geeft aan
                    dat de bepalingen van Titel 3 van de modelverordening van overeenkomstige
                    toepassing zijn op de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en
                    vakantievervoer, met uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel
                    18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de
                    modelverordening. Zie verder de toelichting bij deze artikelen. Analoge
                    toepassing van Titel 3 van de modelverordening betekent dat:</al><lijst><li nr="1."><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria
                            van artikel 15 wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                            een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve
                            van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op
                            zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken
                            (artikel 17, eerste lid).</al></li><li nr="3."><al>het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of
                                    lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder
                                    begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel
                                    18, eerste lid, onder a);</al></li><li nr="2."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan
                                    maken.</al></li></lijst></li></lijst><al>(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten
                    worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18, eerste lid, onder
                    c).</al><al>Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een
                    combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                    trein-taxi, etc.</al><lijst><li nr=""><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                            bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop
                            de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al></li></lijst><al> De algemene bepalingen van Titel 1 van de modelverordening zijn uiteraard ook
                    van toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 23 Drempelbedrag</cursief></vet></al><al>De WPO, WEC en WVO bieden gemeenten de keuze een drempelbedrag bij ouders in
                    rekening te brengen. Het is dus niet verplicht. In de modelverordening is wel
                    gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders
                    verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte)
                    kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt
                        <onderstreept>per leerling</onderstreept> in rekening gebracht. Indien een
                    leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het
                    leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                    gebracht. .</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                    gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning
                    tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering
                    van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan
                    deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de modelverordening is
                    de kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel
                    11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere
                    kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In
                    de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al>Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van
                    de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een
                    fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op
                    basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de
                    afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen.
                    Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal
                    te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2009 gaat het bij één zone om een bedrag
                    van €250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met één ster) en bij twee of drie
                    zones om een bedrag van €417,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2
                    sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet
                    van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer.
                    Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen
                    openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar
                    vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf
                    te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor de
                    leerling toegankelijke route.</al><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                    speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een gezamenlijk
                    inkomen van meer dan € 22.050,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al>Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te
                    voeren.</al><al><cursief> Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag maximaliseren
                    </cursief>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer
                    en het inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig
                    grote financiële belasting ontstaan. In de modelverordening is er voor gekozen
                    om dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                    drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in
                    rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de
                    verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
                    bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het
                    mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet
                    genoemde ondergrens van € 22.050,-. De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier
                    te hanteren, vloeit voort uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State over de verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2
                    april 1990 (nr. R03.87.7147; zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de
                    bevoegdheid van gemeenten om de ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de
                    verplichte eigen bijdrage van destijds f 200,-. De belangrijkste overweging in
                    de uitspraak van de afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling
                    biedt noch artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de
                    Interimwet enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en
                    artikel 4, dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet
                    is beperkt tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de
                    regeling (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten
                    onrechte gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in
                    artikel 21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak
                    betekent dat de hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de modelverordening
                    ook toegepast kan worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of
                    slechts een deel van het drempelbedrag te laten betalen.</al><al><cursief> Fietsvergoeding </cursief>Ten aanzien van het heffen van een
                    drempelbedrag voor leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding
                    het volgende. De fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager dan het door de
                    ouders verschuldigde drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die zouden
                    kunnen fietsen daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke
                    gevallen op grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het
                    drempelbedrag in rekening te brengen. Ook kan worden overwogen de
                    fietsvergoeding te verhogen. In dat geval geldt de hogere fietsvergoeding
                    uiteraard niet alleen voor leerlingen waarvoor een drempelbedrag verschuldigd
                    is, maar voor alle leerlingen die aanspraak maken op een fietsvergoeding.</al><al><cursief> Het begrip ‘inkomen’ </cursief>Onder inkomen moet worden verstaan: het
                    gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                    in het peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet worden aangemerkt het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de
                    vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen op verschillende manieren hun
                    gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen. Vanuit het oogpunt van lastenvermindering
                    voor de burger is het wenselijk de wijze te kiezen die de minste lasten voor de
                    aanvrager oplevert. Wanneer de benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de
                    sociale dienst omdat er tevens een uitkering wordt ontvangen, dient gebruik te
                    worden gemaakt van deze informatie. Daarnaast kan een gemeente gegevens
                    verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de gemeente zelf geen inzage kan
                    verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager een kopie van zijn
                    belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen. Tenslotte kunnen ouders
                    een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst, waarop het gecorrigeerde
                    verzamelinkomen staat vermeld. </al><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt
                    gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2006 (dus
                    ten behoeve van het schooljaar 2008-2009) vastgesteld op € 22.050,-, wat betreft
                    het innen van het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de
                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                    heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond
                    op een veelvoud van € 450,-.</al><al/><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening. Door het kiezen
                    van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen. Om te
                    bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de regeling,
                    zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF),
                    als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de modelverordening
                    opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de modelverordening om
                    een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand artikel vormt slechts een
                    gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende artikel van de
                    WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan zijn eigen
                    bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te kiezen.</al><al><cursief> Pleegouders </cursief>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de
                    verordening worden aangemerkt (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b).
                    Zij kunnen dus (als zij voldoen aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de
                    vervoerskosten krijgen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het
                    redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, zij ook de financiële
                    verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele honorering van een aanvraag
                    tot bekostiging van vervoerkosten naar school voortvloeien. De gemeente kan
                    pleegouders dus een eigen bijdrage in rekening brengen. (Uiteraard hebben
                    gemeenten de vrijheid om op dit punt gebruik te maken van de hardheidsclausule
                    in artikel 29.) In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de
                    natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de
                    extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag
                    hebben ingediend. In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige
                    pleegzorg zit in het algemeen geen component voor de kosten van het
                    schoolbezoek, die door de gemeente in mindering gebracht kan worden op de
                    gemeentelijke bekostiging voor het leerlingenvervoer. Pleegouders die
                    bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij
                    een honorering van hun aanvraag tot bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer door de gemeente ook het drempelbedrag per schooljaar aan de
                    gemeente te betalen, als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt. Tevens zullen
                    de pleegouders de eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente
                    moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze kosten wel verhalen op de natuurlijke
                    ouders of voogden van de leerling. Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder
                    worden aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter
                    geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de
                    Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)
                        <cursief> Invordering drempelbedrag </cursief>Ten aanzien van de invordering
                    van het drempelbedrag is het navolgende van belang:</al><lijst><li nr=""><al>In artikel 2, tweede lid, van de modelverordening is onder meer bepaald:
                            ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin
                            bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’Indien het
                            college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die
                            daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te
                            maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak.</al></li><li nr=""><al>Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke
                            stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het
                            drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een
                            deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal
                            omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer,
                            raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond
                            van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun
                            kind. De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief
                            is.</al></li></lijst><al><cursief> Overgangsrecht </cursief>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal
                    voortgezet onderwijs meer. Wel komt het voor dat leerlingen van voortgezet
                    onderwijs die eerst naar dit type onderwijs gingen op grond van de
                    overgangsregeling genoemd in artikel 31, tweede lid, aanspraak maken op
                    leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23 onverkort van toepassing.</al><al>Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van
                    sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van
                    het Gak (tegenwoordig: UWV) op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden
                    gedurende de periode dat de leerling dezelfde school bezoekt.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 24 Financiële draagkracht </cursief></vet>De artikel 4 van
                    de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school
                    voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer
                    van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te
                    vragen in de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt
                    per gezin geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in
                    rekening wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs
                    worden gevraagd.</al><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken
                    wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke
                    ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als
                    van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die
                    aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de</al><al>modelverordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat
                    ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen
                    drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
                            met begeleiding</cursief></vet></al><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
                    primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer.
                    Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen afstandscriterium. Gemeenten kunnen
                    aan de ambulante begeleider die verbonden is aan de reguliere school voor
                    primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over passend vervoer voor deze
                    leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante
                    begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de schooldirecteur of
                    andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al><cursief>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder
                        titel 6 vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op
                        vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                        samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel 25.
                        Structurele handicap </cursief>Indien in de verordening gesproken
                    wordt van een handicap, wordt een structurele handicap bedoeld. In het
                    leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap. Dit betekent dat de
                    gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke medische redenen,
                    bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf
                    een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de
                    ziektekostenverzekeraar een gedeelte. </al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of
                    een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij
                    een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken
                    vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een
                    beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan
                    een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de
                    noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op
                    vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er
                    eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de destijds
                    geldende Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><lijst><li nr=""><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                            leerlingenvervoer</al></li><li nr=""><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente
                            bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van
                            titel 6.</al></li></lijst><al><cursief> Overgangsrecht </cursief>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002
                    een vervoersvoorziening kregen naar een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs, praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen
                    op basis van de overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak blijven maken op
                    die voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken. </al><al/><al><vet><cursief>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast
                            vervoer</cursief></vet></al><al>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer
                    kunnen</al><al>reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in de
                    regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13 ad 2.
                    Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar
                    vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar
                    vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om onder
                    begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig is. De
                    gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer teverzorgen in
                    zo’n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien
                    de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met
                    begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling
                    aanspraak op aangepast vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel
                    25.</al><al/><al><vet><cursief> Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
                        </cursief></vet>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een
                    uitgebreide toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt
                    de bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis
                    van de modelverordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6
                    betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding
                    (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                            voorziet</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de modelverordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen
                    voordoen, waarin de modelverordening niet voorziet. Te denken valt onder andere
                    aan:</al><lijst><li nr=""><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus
                            openbaar vervoer);</al></li><li nr=""><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr=""><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li><li nr=""><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de modelverordening niet voorziet, is
                    in artikel 28 van de modelverordening bepaald dat het college beslist. Hierbij
                    dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming
                    dient te zijn dat in de geest van de wet en de modelverordening gehandeld
                    wordt.</al><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen
                    beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is
                    dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                    Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden
                    dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 29 Afwijken van bepalingen</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor
                    onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in
                    de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige
                    zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij
                    artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en
                    artikel 4, tiende lid, van de WEC.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn indien:</al><lijst><li nr=""><al>een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking
                            komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                            handicap - begeleid moet worden;</al></li><li nr=""><al>leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van
                            aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in
                            aanmerking komen;</al></li><li nr=""><al>sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college
                            een daarop geënte bekostiging wil betalen;</al></li><li nr=""><al>sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan
                            wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen
                            toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan
                            ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer
                            naar een verder gelegen toegankelijke school (Afdeling
                            Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992,
                            R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak
                            van de Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en
                            S03.92.2460; zie Jur. 9.1).</al></li></lijst><al> In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de
                    hardheidsclausule te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard,
                            die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de
                            bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De
                            toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten
                            en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld
                            medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak
                            van de Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie
                            Jur. 9.3).</al></li><li nr="2."><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
                            verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag
                            van artikel 23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                            april 1990 R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4).</al></li></lijst><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                    precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met
                    op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking
                    hebbende argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 29 van de modelverordening bepaald dat het college zo
                    nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale
                    verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een verzoek
                    afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf
                    gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de
                    noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet
                    wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is
                    voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van
                    de verordening leerlingenvervoer definieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer
                    van en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een
                    vergoeding alléén voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De
                    clausule kan beperkt worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te
                    stellen. Hierin kan opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van
                    vervoerskosten beperkt blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs.
                    Deze beperking kan eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden
                    opgenomen.</al><al/><al><vet><cursief>Artikel 30 Intrekking oude regeling </cursief></vet></al><al>In artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. </al><al/><al><vet><cursief> Artikel 31 Overgangsregeling </cursief></vet></al><al>In het eerste lid wordt gesproken over een bruikleenauto of
                    leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te vragen bij en worden
                    verstrekt door het UWV en niet de gemeente.</al><al>Met een ‘gelijkwaardige voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in het
                    schooljaar 2001-2002 op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het
                    schooljaar 2002-2003 van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of openbaar
                    vervoer met begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een busje door de
                    wetgever niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel mogen
                    gemeenten in gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met
                    elkaar combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen elk
                    een individuele taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en de twee
                    ritten, zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel van ondervinden, kunnen
                    worden gecombineerd.</al><al>Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een school
                    die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de betreffende
                    leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet gehanteerd.</al><al>In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een opdc.
                    Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdel r.</al><al>De aanspraak op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen indien de
                    leerling binnen de afstandsgrens komt te wonen.</al><al>De gemeente kan leerlingen die op basis van de overgangsregeling (artikel 31,
                    lid 2) een vervoersvergoeding krijgen naar een school voor praktijkonderwijs of
                    leerwegondersteunend onderwijs, een drempelbedrag of een draagkrachtafhankelijke
                    bijdrage opleggen. Daarom in dit artikel een verwijzing naar titel 5 ‘Eigen
                    bijdrage en bekostiging naar financiële draagkracht’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>