<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR155813_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Dronten 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-03-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 9</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Dronten 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artt. 8, lid 1 en 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-11-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging i.v.m.Wet verhoging AOW- en pensioengerechtigde leeftijd</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B12.002353</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Verordening vervangt Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm van 2003.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Dronten 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 6 juli 2010, No.
                        B10.000934</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 sub c in samenhang met artikel 30 van de Wet
                        werk en bijstand (WWB);</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van september 2010;</al><al>overwegende dat op grond van de genoemde artikelen noodzakelijk is om
                        ingevolge de WWB bij verordening regels vast te stellen voor welke
                        categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en welke
                        criteria daaraan ten grondslag liggen:</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al>I.Vast te stellen de <vet>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk
                        en bijstand gemeente Dronten 2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en
                            de Algemene wet bestuursrecht. </al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Wet werk en bijstand</al></li><li nr="b."><al><cursief>zorgbehoefte</cursief>: zodanige behoefte aan
                                            zorg dat het zelfstandig wonen van de zorgbehoevende
                                            niet mogelijk is voor zover dit door middel van een
                                            indicatie tot opname of een andere medische indicatie is
                                            vastgesteld:</al></li><li nr="c."><al><cursief>gehuwdennorm</cursief>: de norm als bedoeld in
                                            artikel 21, onderdeel c van de wet</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden voor de
                                uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder, doch jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de
                                bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27
                                jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk II, III en IV laten de toepassing van
                                artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende categorieën worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslagen alleenstaande of alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 20%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 10%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                die met één of meerdere anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 5%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                die met één of beide ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt
                                eveneens 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging van de norm blijft achterwege indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft;</al></li><li nr="b."><al>er uitsluitend één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar
                                        hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 15% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of beide ouders in dezelfde
                                woning hun hoofdverblijf hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20% van
                                    de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                                    betrokkene geen woonkosten verbonden zijn.</al></li><li nr="2."><al>In overige situaties waarin sprake is van lagere algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan in verband met de
                                    woonsituatie kan de bijstandsnorm of toeslag afwijkend worden
                                    vastgesteld.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>.</nr><titel>REGELINGEN IN VERBAND MET DE WIJZIGINGEN IN DE WWB EN
                                INTREKKING VAN DE WIJ PER 1 JANUARI 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a.</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’ en
                                ‘alleenstaande ouder’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari
                                2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6b.</nr><titel>Wijziging verwijzingen</titel></kop><al>Waar in de verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c, van
                            de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                            artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6c.</nr><titel>Intrekking WIJ</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2, lid 1, zijn de bepalingen van deze
                                verordening vanaf 1 januari 2012 evenezo van toepassing op personen
                                van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4, lid 1, wordt aan een alleenstaande van
                                21 of 22 jaar geen toeslag toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 4, lid 2, is niet van toepassing op de alleenstaande van 21
                                of 22 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing in de periode dat
                                een verlaging in verband met schoolverlating wordt toegepast als
                                bedoeld in artikel 28, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6d.</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor een schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van
                                de wet bedraagt 20% van de gezinsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging wordt toegepast gedurende zes maanden na het tijdstip
                                van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behoudt zich het recht voor anders te besluiten indien
                                de bepalingen in deze verordening leiden tot onbillijkheden van
                                ernstige aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm Dronten
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op die van
                            haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Een persoon die op het moment dat de Verordening in werking treedt een
                            uitkering heeft ingevolge de WWB, behoudt de toeslag zoals vermeld in de
                            beschikking waarbij op grond van de WWB een uitkering is verleend,
                            gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste tot 1 januari
                            2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>College is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening toeslagen en
                            verlagingen wet Werk en Bijstand gemeente Dronten 2010” van de gemeente
                            Dronten.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Dronten op 30 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>In de Memorie van Toelichting staat vermeld dat burgemeester en
                            wethouders verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de wet Werk en
                            Bijstand. Daarbij geeft artikel 8 van deze wet aan dat de gemeenteraad
                            verplicht is om een verordening vast te stellen voor het verhogen of
                            verlagen van de norm. Ook in het kader van het duale stelsel speelt de
                            gemeenteraad een belangrijke rol bij de controle op de uitvoering van
                            deze wet door het College. </al><al>In artikel 30 WWB wordt nader aangegeven, welke onderwerpen deze
                            verordening moet regelen. Uit het eerste lid van artikel 30 blijkt dat
                            dit beleid een categoriaal karakter dient te dragen.</al><al>Uit de verordening moet voorts blijken voor welke categorieën er een
                            verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt en
                            tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verhoging of
                            verlaging wordt vastgelegd. De verordening heeft derhalve een zodanig
                            karakter dat een belanghebbende daaruit concreet kan aflezen welke
                            verhoging of verlaging in zijn/haar situatie geldt.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of
                            de Awb niet</al><al>afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval
                            van wijziging van</al><al>betreffende definities in de WWB of de Awb ook de verordening moet
                            worden gewijzigd.</al><al>Omdat uit de verordening moet blijken waar belanghebbenden recht op
                            hebben, zijn de</al><al>begripsomschrijvingen en de daarbij behorende toelichting uit de wet
                            overgenomen en in de verordening opgenomen.</al><al>In het tweede lid zijn een aantal begripsomschrijvingen opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: als in de verordening gesproken wordt over de wet, dan
                                    wordt de wet Werk en Bijstand (WWB) bedoeld.</al></li><li nr="b."><al>zorgbehoefte: in de wet en de verordening wordt diverse malen
                                    het begrip zorgbehoefte genoemd. In artikel 4 onder a WWB wordt
                                    een alleenstaande omschreven als een ongehuwde die geen tot zijn
                                    last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding
                                    voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de
                                    eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er
                                    bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al>In de wet is geen nadere omschrijving van het begrip zorgbehoefte
                            opgenomen. Daarom is een nadere uitwerking opgenomen in deze
                            verordening. Deze nadere uitwerking houdt in dat er sprake is van
                            zorgbehoefte indien de zorgbehoevende bloedverwant zonder de zorg van de
                            ander opgenomen zou worden in een inrichting. Dit moet aangetoond worden
                            door een indicatie tot opname of een andere medische indicatie.</al><al>c.gehuwdennorm: bij het vaststellen van de hoogte van toeslagen en
                            verlagingen wordt in deze verordening gebruik gemaakt van percentages
                            die gerelateerd zijn aan de gehuwdennorm. Met de gehuwdennorm wordt de
                            norm bedoeld die geldt voor gehuwden die beiden tot de
                            leeftijdscategorie van 27 tot 65 jaar behoren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><al>Met de komst van de wet WIJ is de wet Werk en Bijstand van toepassing op
                            burgers vanaf de leeftijd van 27 jaar. Gezien de recente wijziging in de
                            wet ten tijde van opstelling van deze verordening wordt de leeftijd hier
                            expliciet genoemd. </al><al>Gezien de toelichting op artikel 22 van de wet hebben de ouderen een
                            aparte ouderennorm en is het toeslagen- en verlagingenbeleid niet van
                            toepassing op personen van 65 jaar of ouder, die aanvullende bijstand
                            ontvangen. </al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo
                            nodig in afwijking van de uit de toeslagenverordening voortvloeiende
                            hoogte van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet
                            op de omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun
                            is, volgt uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt
                            evenzeer in situaties waarin de toeslagenverordening niet voorziet. Om
                            hierover bij de uitvoering van de toeslagenverordening geen misverstand
                            te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                            toeslagenverordening op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Artikel 30 van de WWB schrijft voor dat de verordening vaststelt voor
                            welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De
                            categorie-indeling is gebaseerd op de systematiek van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslagen alleenstaande of alleenstaande ouder</titel></kop><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, WWB is de gemeenteraad verplicht om
                            te bepalen dat de toeslag van de gehuwdennorm een maximum bedraagt voor
                            de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm
                            of toeslag op andere gronden). Bij de vaststelling van de basisnorm voor
                            de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever namelijk
                            uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten
                            geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de
                            basisnorm verhoogd met een toeslag zoals in lid 1 van deze verordening
                            staat vermeldt. </al><al>In lid 2 is vastgelegd dat ingeval in de woning één of meer anderen zijn
                            hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van
                            het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten).
                            Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>In de model-toeslagenverordening WWB is als uitgangspunt gekozen voor de
                            zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de
                            toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de
                            mate waarin deze in concrete gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte
                            van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten
                            mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat
                            deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst
                            fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                            algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In
                            de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10
                            procent van de gehuwdennorm in het geval één of meerdere anderen in
                            dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Dit staat in lid 2
                            verwoord.</al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de
                            uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van
                            inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of inwonende
                            uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet kan
                            worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen
                            bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor
                            de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al><al>In lid 3 wordt beschreven dat ingeval een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder een woning deelt met een eigen ouder een lagere toeslag – in dit
                            geval 5% - wordt toegekend dan een alleenstaande (ouder) die een woning
                            deelt met een willekeurige ander. Het betreft hier feitelijk
                            alleenstaande of een alleenstaande ouder die hun hoofdverblijf hebben
                            bij (één van de) eigen ouders. In dat geval mag aangenomen worden dat de
                            mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het algemeen groter zal zijn
                            dan in andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart 1999, JABW 1999/61 en
                            69).</al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen lagere toeslag toegekend. Dit staat omschreven in lid 4. Het
                            betreft hier de situaties waarin sprake is van verzorgingsbehoeftigheid
                            of zorgbehoefte. Daarnaast wordt een lagere toeslag achterwege gelaten
                            als er sprake is van één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar die hun
                            hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>Bij echtparen is eveneens sprake van schaalvoordelen als zij de kosten
                            met een ander kunnen delen. Lid 1 van dit artikel beschrijft daarom dat
                            het consequent is om de bijstandsnorm lager vast te stellen als sprake
                            is van een situatie waarin kosten gedeeld kunnen worden. </al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen verlaging van de bijstandsnorm toegekend. Het betreft hier de
                            situatie waarin sprake is van verzorgingsbehoeftigheid of zorgbehoefte.
                            Daarnaast wordt een lagere toeslag achterwege gelaten als er sprake is
                            van één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar die hun hoofdverblijf
                            hebben in dezelfde woning. Deze staan beschreven in lid 2.</al><al>Lid 3 geeft aan dat de verlaging van de norm voor gehuwden op 15% wordt
                            gesteld indien de persoon in kwestie met één of beide ouders in dezelfde
                            woning hun hoofdverblijf hebben. Zie hiervoor toelichting artikel 4, lid
                            3 van voorliggende verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De uitkering in het kader van de WWB dient voldoende te zijn om in de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De
                            kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen
                            woonlasten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit kan zich voordoen bij
                            krakers of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld
                            de ouders. Er is gekozen voor een korting van 20% omdat dit bedrag
                            overeen komt met de minimale woonlasten welke verondersteld worden in de
                            norm te zijn begrepen. Dit staat als zodanig omschreven in artikel 27
                            WWB.</al><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                            betrokkene een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en
                            de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar
                            omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november
                            2001, nrs 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt bijvoorbeeld de norm of toeslag verlaagd omdat de betrokkene geen
                            woonlasten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook
                            nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver
                            gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op
                            het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN:
                            2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan
                            beperkt moeten worden. </al><al>Het kan ook voorkomen dat de betrokkene geen woning bewoont. De bepaling
                            in het tweede lid ziet evenals de voorgaande alinea op de mogelijkheid
                            om bijvoorbeeld de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat
                            deze lagere bestaanskosten hebben dan betrokkenen die een woning
                            bewonen. Mochten dak- en thuislozen regelmatig gebruik maken van een
                            opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend worden vastgesteld, met
                            toepassing van artikel 30, vierde lid, WWB bij wijze van
                            individualisering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In de dagelijkse uitvoeringspraktijk kan in een incidenteel geval de
                            toepassing van deze</al><al>verordening leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Het college
                            kan dan afwijken van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>Artikel 7 van de WWB schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust
                            bij het college. Het college kan deze bevoegdheid overeenkomstig hetgeen
                            hierover in de wet is geregeld delegeren aan ambtenaren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al/><al>Dronten, 30 september 2010</al><al>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</al><al>griffier voorzitter</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>